Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschappelijk douanetarief ° Tariefposten ° Niet-steriel serum van ongeboren kalveren ° Post 38.16 ° Daarvan uitgesloten ° Indeling onder postonderverdeling 05.15 B
Samenvatting
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat niet-steriel serum van ongeboren kalveren niet onder tariefpost 38.16, maar onder postonderverdeling 05.15 B valt. Het is namelijk geen produkt van de chemische industrie en is niet door middel van een speciale behandeling bereid voor het cultiveren van micro-organismen, en het vertoont evenmin zoveel overeenkomsten met een dergelijk produkt, dat het overeenkomstig Algemene bepaling 2a voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief onder dezelfde tariefpost kan worden ingedeeld.
Partijen
In zaak C-318/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in het aldaar aanhangig geding tussen
Hauptzollamt Mannheim
en
Boehringer Mannheim GmbH,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de tariefposten 05.15 en 38.16 van het gemeenschappelijk douanetarief,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs R. Barents en J. Sack en door R. Hayder, een in het kader van de uitwisseling met nationale ambtenaren ter beschikking van de juridische dienst van de Commissie gestelde ambtenaar van het Bundesministerium fuer Wirtschaft van de Bondsrepubliek Duitsland, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Boehringer Mannheim GmbH, vertegenwoordigd door belastingadviseur H. Glashoff, en de Commissie ter terechtzitting van 24 januari 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 februari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 september 1990, ingekomen ter griffie van het Hof op 22 oktober daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de indeling van "niet-steriel serum van ongeboren kalveren" in het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: "GDT") in de versie van de bijlage bij verordening (EEG) nr. 3300/81 van de Raad van 16 november 1981 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1981, L 335, blz. 1).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen het Hauptzollamt Mannheim (hierna: "Hauptzollamt") en Boehringer Mannheim GmbH (hierna: "Boehringer") over de tariefindeling van door Boehringer uit derde landen ingevoerde diepgevroren goederen, die in 1982 in de Gemeenschap waren ingeklaard en waren aangegeven als "serum van ongeboren kalveren" of "newborn calf serum".
3 Blijkens de verwijzingsbeschikking had het Hauptzollamt deze goederen aanvankelijk ingedeeld onder postonderverdeling 05.15 B van het GDT ("Produkten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij de Hoofdstukken 1 en 3, niet geschikt voor menselijke consumptie", andere dan vis, schaal-, schelp- en weekdieren) en ze dienovereenkomstig vrijgesteld van douanerechten.
4 In aansluiting op een verificatie in het kader van de controle op de invoerhandel wijzigde het Hauptzollamt zijn rechtsopvatting, deelde het de goederen in onder tariefpost 38.16 van het GDT ("Bereide voedingsbodems voor het cultiveren van micro-organismen") en vorderde het dientengevolge douanerechten ten bedrage van 47 810,95 DM na.
5 Het Finanzgericht, waarbij Boehringer tegen deze tweede indeling was opgekomen, wees het beroep op de hoofdpunten toe. Tegen deze uitspraak stelde het Hauptzollamt beroep in "Revision" in bij het Bundesfinanzhof.
6 Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhing van de uitlegging van het GDT in de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie, heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moest diepgevroren niet-steriel serum van ongeboren kalveren in 1982 onder postonderverdeling 05.15 B of onder post 38.16 van het gemeenschappelijk douanetarief worden ingedeeld? Indien beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord, onder welke tariefpost moest het dan worden ingedeeld?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 Vooraf zij gewezen op Algemene bepaling 3 voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT, die luidt als volgt:
"Indien goederen met toepassing van het bepaalde onder 2 b) of om enige andere reden vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten geschiedt de indeling als volgt:
a) De post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking.
b) (...)."
9 Aangezien de betrokken goederen kennelijk vatbaar zijn voor indeling onder post 38.16 of onder post 05.15, moet allereerst worden nagegaan, of niet-steriel serum van ongeboren kalveren valt onder post 38.16 van het GDT, die blijkens de bewoordingen ervan een meer specifieke omschrijving heeft dan post 05.15. Indien dit niet het geval is, zal vervolgens dienen te worden onderzocht, of het goed kan worden ingedeeld onder post 05.15, meer in het bijzonder onder postonderverdeling 05.15 B.
10 Voor de beantwoording van de vraag, of het goed waarom het in het hoofdgeding gaat, onder post 38.16 van het GDT valt, zij erop gewezen, dat volgens vaste rechtspraak, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissend criterium voor de tariefindeling van goederen in beginsel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de posten en de onderverdelingen van het GDT en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn vastgelegd (zie, laatstelijk, het arrest van 7 mei 1991, zaak C-120/90, Post, Jurispr. 1991, blz. I-2391, r.o. 11).
11 Post 38.16 valt onder hoofdstuk 38 van het GDT, "Diverse produkten van de chemische industrie", en omschrijft de aldaar bedoelde goederen als "bereide voedingsbodems voor het cultiveren van micro-organismen".
12 De onder post 38.16 vallende goederen moeten derhalve de volgende kenmerken vertonen: zij moeten produkten van de chemische industrie zijn en bovendien zijn bereid voor het cultiveren van micro-organismen, dat wil zeggen een speciale behandeling hebben ondergaan.
13 Het produkt waarom het in het hoofdgeding gaat, vertoont deze kenmerken niet. Zoals blijkt uit de door Boehringer en de Commissie ter terechtzitting gegeven antwoorden, is niet-steriel serum van ongeboren kalveren immers het vloeibare gedeelte van het bloed van ongeboren of pasgeboren kalveren. Dit goed, dat geen speciale behandeling heeft ondergaan, kan derhalve niet worden beschouwd als een produkt van de chemische industrie dat is bereid om als voedingsbodem voor het cultiveren van micro-organismen te worden gebruikt.
14 Deze uitlegging vindt steun in de Toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad, volgens welke tariefpost 38.16 "preparaten van uiteenlopende samenstelling omvat" en deze preparaten "een speciale behandeling hebben ondergaan met behulp van zuren, enzymen (...)". In de Toelichtingen staat verder: "Van post 38.16 zijn uitgezonderd: produkten welke geen speciale behandeling hebben ondergaan met het oog op het gebruik daarvan als voedingsbodems (...)."
15 De Commissie beroept zich echter op Algemene bepaling 2a voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT, die luidt als volgt: "De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet complete of in niet afgewerkte staat voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het zich in gedemonteerde of in niet gemonteerde staat bevindt." Zij is van mening, dat indien het goed niet als afgewerkt goed onder post 38.16 kan worden ingedeeld, het als "niet compleet" of "niet afgewerkt" goed onder deze post valt.
16 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
17 Volgens de Toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad met betrekking tot Algemene bepaling 2a is deze bepaling praktisch niet van toepassing op de onder de posten van de afdelingen I tot en met VI, dat wil zeggen de hoofdstukken 1 tot en met 38, vallende produkten.
18 Op grond van de termen "praktisch niet" kan weliswaar niet volledig worden uitgesloten, dat deze algemene bepaling bij wijze van uitzondering op een tariefpost van hoofdstuk 38 van het GDT kan worden toegepast, doch het enkele feit dat niet-steriel serum van ongeboren kalveren als basis voor de samenstelling van de voedingsbodem voor micro-organismen wordt gebruikt, betekent niet, dat dit serum de essentiële kenmerken vertoont van een compleet of afgewerkt goed dat onder tariefpost 38.16, "Bereide voedingsbodems voor het cultiveren van micro-organismen", moet worden ingedeeld. Zoals de advocaat-generaal onder punt 22 van zijn conclusie heeft opgemerkt, "kan die eigenschap immers slechts aanwezig worden geacht bij een produkt dat zoveel overeenkomsten met het afgewerkte produkt vertoont, dat het onder dezelfde tariefpost kan worden ingedeeld". Is dat niet zo, dan is het een ander produkt. Dat is het geval met het betrokken produkt, zolang het nog geen speciale behandeling heeft ondergaan.
19 Deze uitlegging vindt overigens steun in de Toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad, volgens welke ° zoals hierboven (r.o. 14) is opgemerkt ° van tariefpost 38.16 zijn uitgezonderd de produkten die geen speciale behandeling hebben ondergaan met het oog op het gebruik daarvan als voedingsbodems.
20 Voorts is de na de feiten van het hoofdgeding vastgestelde verordening (EEG) nr. 1945/86 van de Raad van 18 juni 1986 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief op een aantal industriële produkten (PB 1986, L 174, blz. 1), volgens welke "niet-steriel serum verkregen uit bloed van ongeboren kalveren of van niet-geïmmuniseerde pasgeboren kalveren" onder post 38.16 valt, irrelevant voor de uitlegging, omdat zij, zoals de Commissie opmerkt, geen algemeen geldende verordening betreffende de indeling van goederen in het GDT is.
21 Mitsdien valt niet-steriel serum van ongeboren kalveren niet onder tariefpost 38.16.
22 Voor de beantwoording van de vraag, of het goed waarom het in het hoofdgeding gaat, onder post 05.15 van het GDT valt, zij er allereerst op gewezen, dat deze post, die niet verlangt dat de eronder ingedeelde produkten een bereiding hebben ondergaan, "produkten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij de Hoofdstukken 1 en 3, niet geschikt voor menselijke consumptie" omvat.
23 Van deze produkten vallen onder postonderverdeling 05.15 B de produkten die geen vis, schaal-, schelp- en weekdieren zijn. Aangezien niet-steriel serum van ongeboren kalveren een produkt van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen, is, valt het onder deze postonderverdeling.
24 Deze indeling vindt steun in de Toelichtingen op de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad, volgens welke tot deze post met name dierlijk bloed, ook indien geschikt voor menselijke consumptie, zowel vloeibaar als gedroogd, behoort.
25 Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechterlijke instantie worden geantwoord, dat verordening (EEG) nr. 3300/81 van de Raad van 16 november 1981 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, aldus moet worden uitgelegd, dat niet-steriel serum van ongeboren kalveren niet onder tariefpost 38.16, maar onder postonderverdeling 05.15 B van het GDT valt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 25 september 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Verordening (EEG) nr. 3300/81 van de Raad van 16 november 1981 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, moet aldus worden uitgelegd, dat niet-steriel serum van ongeboren kalveren niet onder tariefpost 38.16, maar onder postonderverdeling 05.15 B van het GDT valt.
Full & Egal Universal Law Academy