Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Wijn - Steun voor preventieve distillatie van tafelwijnen - Opgaven van oogsten, produktie en voorraden - Niet-inachtneming van termijn voor indiening - Algeheel verlies van recht op steun ongeacht mate van overschrijding - Evenredigheidsbeginsel - Schending
(Verordening nr. 822/87 van de Raad, art. 31; verordening nr. 2102/84 van de Commissie, art. 5, lid 3, en 10 bis)
Samenvatting
Artikel 10 bis van verordening nr. 2102/84 betreffende de opgaven van oogsten, produktie en voorraden van wijnbouwprodukten is ongeldig, voor zover marktdeelnemers daardoor van steun voor distillatie worden uitgesloten, ongeacht de mate waarin de in artikel 5, lid 3, van de verordening gestelde termijn voor de jaarlijkse indiening van de opgaven is overschreden. Deze maatregel druist immers in zoverre in tegen het evenredigheidsbeginsel, dat strikte handhaving van de gestelde termijn voor de indiening van de opgaven niet onontbeerlijk is om de Commissie in staat te stellen om met inachtneming van de in artikel 31 van verordening nr. 822/87 vastgelegde tijdslimiet de jaarlijkse produktie- en behoeftenraming voor wijn in de Gemeenschap op te stellen.
Partijen
In zaak C-319/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Otto Pressler Weingut-Weingrosskellerei GmbH & Co. KG
en
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 2102/84 van de Commissie van 13 juli 1984 betreffende de opgaven van oogsten, produktie en voorraden van wijnbouwprodukten (PB 1984, L 194, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2459/84 van de Commissie van 20 augustus 1984 (PB 1984, L 231, blz. 5),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, M. Díez de Velasco en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door
- het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft, vertegenwoordigd door Regierungsraetin U. Holzhauser als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de vennootschap Otto Pressler, vertegenwoordigd door C. Schulz-Knappe, advocaat te Neustadt (Bondsrepubliek Duitsland), het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft, vertegenwoordigd door K.-D. Lutz, Verwaltungsangestellter, en de Commissie ter terechtzitting van 24 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 8 oktober 1990, ingekomen bij het Hof op 22 oktober daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 2102/84 van de Commissie van 13 juli 1984 betreffende de opgaven van oogsten, produktie en voorraden van wijnbouwprodukten (PB 1984, L 194, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2459/84 van de Commissie van 20 augustus 1984 (PB 1984, L 231, blz. 5).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Otto Pressler Weingut-Weingrosskellerei GmbH & Co. KG (hierna: "Otto Pressler") en het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft (hierna: "het Bundesamt"), het Duitse bureau voor interventie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ter zake van steun voor de preventieve distillatie van wijn.
3 Volgens artikel 4, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2102/84, die is gebaseerd op verordening (EEG) nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB 1979, L 54, blz. 1), welke is vervangen door verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 (PB 1987, L 84, blz. 1), moeten de marktdeelnemers de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten jaarlijks opgave doen van de hoeveelheden druivemost en wijn die zij in voorraad hebben. Ingevolge artikel 5, lid 3, moeten die opgaven op uiterlijk 7 september worden gedaan voor de hoeveelheden die op 31 augustus in voorraad zijn. Artikel 8, lid 2, bepaalt, dat de Lid-Staten de verzamelstaat van deze in artikel 4 bedoelde opgaven vóór 30 november aan de Commissie moeten toezenden.
4 Artikel 10 bis, lid 1, van de bij verordening nr. 2459/84 gewijzigde verordening nr. 2102/84 bepaalt, dat personen die verplicht zijn opgaven van oogsten, produktie en voorraden in te dienen en die opgaven niet op de in artikel 5 bepaalde data hebben ingediend, niet in aanmerking komen voor onder meer de maatregelen inzake preventieve distillatie.
5 Nadat het Bundesamt had vastgesteld dat Otto Pressler zijn voorraadopgave niet op 7 september, maar pas op 11 september 1986 had ingediend, weigerde het hem steun toe te kennen voor de preventieve distillatie van 230,28 hl tafelwijn.
6 Het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, waarbij beroep tegen het besluit van het Bundesamt is ingesteld, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Is artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 2102/84 van de Commissie van 13 juli 1984 betreffende de opgaven van oogsten, produktie en voorraden van wijnbouwprodukten, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2459/84 van de Commissie van 20 augustus 1984, geldig?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 In hun bij het Hof ingediende opmerkingen stellen het Bundesamt en Otto Pressler, dat de algehele uitsluiting van de steun bij een geringe overschrijding van de termijn voor indiening van de voor distillatie vereiste opgaven, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
9 De Commissie brengt daartegen in, dat een maatregel pas als sanctie kan worden aangemerkt, wanneer hij in een bestaande rechtspositie ingrijpt of althans een gerechtvaardigde verwachting tenietdoet. Dat is evenwel niet het geval bij artikel 10 bis van verordening nr. 2102/84, dat slechts een voorwaarde stelt om in aanmerking te komen voor bepaalde interventiemaatregelen, over de invoering waarvan de Commissie later zal beslissen. De voor de nationale rechter in het geding zijnde maatregel mag derhalve niet worden beoordeeld volgens de strikte criteria van het evenredigheidsbeginsel, die voor sancties gelden, maar moet worden getoetst aan de maatstaf de gewoonlijk wordt aangelegd voor maatregelen in de landbouwsector die voor de betrokkenen nadelige economische gevolgen hebben.
10 Ter beantwoording van de vraag van de verwijzende rechter zij eraan herinnerd, dat het Hof in tal van arresten in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen getroffen maatregelen die voor de betrokken marktdeelnemers nadelige rechtsgevolgen inhielden, aan het evenredigheidsbeginsel heeft getoetst zonder daarbij de voorwaarde te stellen, dat de maatregel een recht of gerechtvaardigde verwachting tenietdoet.
11 Zoals advocaat-generaal Tesauro in punt 3 van zijn conclusie heeft uiteengezet, heeft het Hof maatregelen die de vervulling van bepaalde voorwaarden of de inachtneming van bepaalde termijnen voor het verrichten van transacties of voor de indiening van aanvragen of stukken op straffe van verlies van het recht op een voordeel voorschreven, aan het evenredigheidsbeginsel getoetst.
12 Om na te gaan, of een gemeenschapsrechtelijke bepaling, inzonderheid uit de sector van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet worden onderzocht, of de in die bepaling vervatte maatregelen niet verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is ter bereiking van het met de geschonden regeling beoogde doel. Met name moet worden nagegaan, of de middelen waarmee de bepaling het gestelde doel tracht te bereiken, in een redelijke verhouding staan tot het belang van dit doel, en of zij noodzakelijk zijn om het te bereiken (zie inzonderheid het arrest van 27 juni 1990, zaak C-118/89, Lingenfelser, Jurispr. 1990, blz. I-2637).
13 In dit verband zij erop gewezen, dat de Commissie volgens artikel 31, lid 1, van verordening nr. 822/87 jaarlijks vóór 10 december een produktie- en behoeftenraming moet opstellen, waarin de beschikbare hoeveelheden en de behoeften in de Gemeenschap worden vermeld, en op basis waarvan de in artikel 42 van de verordening bedoelde maatregelen inzake steun voor distillatie worden getroffen. Ingevolge artikel 39, lid 5, stellen de Lid-Staten de Commissie in kennis van de geproduceerde hoeveelheden tafelwijn. Tot het einde van het wijnoogstjaar 1989/1990 moesten deze kennisgevingen ieder jaar vóór 15 februari worden gedaan, en moesten besluiten inzake verplichte distillatie vóór 28 februari worden getroffen. Volgens artikel 41 van verordening nr. 822/87 opent het besluit tot verplichte distillatie automatisch de mogelijkheid van "ondersteunende" distillatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
14 Volgens de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 2459/84 zijn voldoende inlichtingen over produktie en voorraden in de wijnbouwsector onontbeerlijk voor een correcte toepassing van de interventiemaatregelen, en kunnen deze voor het ogenblik slechts verkregen worden aan de hand van de door de betrokkenen ingediende oogst- en voorraadopgaven.
15 Het is dus duidelijk, dat de datum 10 december in deze regeling van fundamenteel belang is, omdat de Commissie in staat moet worden gesteld, vóór het begin van het seizoen de produktie- en behoeftenraming op te stellen; dit geldt evenwel niet voor de in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2102/84 gestelde termijn van 7 september. Naar de Commissie immers zelf heeft verklaard, is deze datum gekozen om zo snel mogelijk na 31 augustus - het einde van het wijnoogstjaar - betrouwbare gegevens te verkrijgen, en om de nationale autoriteiten voldoende tijd te laten om deze opgaven vóór 30 november te verzamelen, te verwerken en door te geven.
16 Aangezien de datum van 7 september zeer kort na het einde van het wijnoogstjaar valt, en de nationale instanties daarna over zeer veel tijd beschikken om de verzamelstaten van de opgaven aan de Commissie door te zenden, lijkt een strikte handhaving van de termijn van 7 september voor het indienen van de oogstopgaven niet onontbeerlijk om te waarborgen, dat de Commissie vóór 10 december over voldoende inlichtingen over produktie en voorraden in de wijnbouwsector beschikt.
17 Mitsdien moet op de vraag van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main worden geantwoord, dat artikel 10 bis van verordening nr. 2102/84 ongeldig is, voorzover marktdeelnemers daardoor van steun voor de distillatie worden uitgesloten, ongeacht de mate waarin de in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2102/84 op 7 september gestelde termijn voor indiening van de oogstopgaven is overschreden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main bij beschikking van 8 oktober 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 10 bis van verordening (EEG) nr. 2102/84 van de Commissie van 13 juli 1984 betreffende de opgaven van oogsten, produktie en voorraden van wijnbouwprodukten is ongeldig, voorzover marktdeelnemers daardoor van steun voor distillatie worden uitgesloten, ongeacht de mate waarin de in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2102/84 op 7 september gestelde termijn voor indiening van de oogstopgaven is overschreden.
Full & Egal Universal Law Academy