Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Nationale wettelijke regeling waarbij bepaalde activiteiten van sector onroerend goed worden voorbehouden aan personen die gereglementeerd beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen - Toelaatbaarheid
(Richtlijn 67/43 van de Raad)
Samenvatting
Richtlijn 67/43 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot: 1) de sector "handel in onroerende goederen (uitgezonderd 6401)" (groep ex 640 ISIC); 2) de sector bepaalde "diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld" (groep 839 ISIC) verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling waarin bepaalde, tot de sector handel in onroerende goederen behorende werkzaamheden worden voorbehouden aan personen die het gereglementeerde beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-330/90 en C-331/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Juzgado de lo Penal n 4 de Alicante (Spanje), in de aldaar dienende strafzaken tegen
A. López Brea (zaak C-330/90),
en
C. Hidalgo Palacios (zaak C-331/90),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 67/43/EEG van de Raad van 12 januari 1967 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot: 1) de sector "handel in onroerende goederen (uitgezonderd 6401)" (groep ex 640 ISIC); 2) de sector bepaalde "diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld" (groep 839 I.S.I.C.) (PB 1967, 10, blz. 140),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- het Ministerio Fiscal, vertegenwoordigd door R. Cabedo, Fiscal Jefe de Alicante,
- het Colegio Oficial de Agentes de la Propiedad Inmobiliaria de Alicante, vertegenwoordigd door J. Jordana de Pozas Fuentes, advocaat te Madrid,
- de Commisie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. Lasnet en door D. Calleja, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verdachten in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D. M. Gomez Robles, advocaat; het Colegio Oficial de Agentes de la Propiedad Inmobiliaria; de Spaanse regering, vertegenwoordigd door G. Calvo Diaz, als gemachtigde, en de Commissie ter terechtzitting van 12 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 11 september en 11 oktober 1990, ingekomen bij het Hof op 25 oktober daaraanvolgend, heeft de Juzgado de lo Penal n 4 de Alicante krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 67/43/EEG van de Raad van 12 januari 1967 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot: 1) de sector "handel in onroerende goederen (uitgezonderd 6401)" (groep ex 640 ISIC); 2) de sector bepaalde "diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld" (groep 839 ISIC) (PB 1967, 10, blz. 140).
2 Deze vragen zijn gerezen in twee strafzaken, respectievelijk tegen A. López Brea en C. Hidalgo Palacios, beiden van Spaanse nationaliteit en wonende in Spanje, die zich te Alicante als makelaar in onroerende goederen hebben gevestigd zonder de vereiste beroepsbekwaamheid en vergunningen te bezitten.
3 Daarop stelde het Ministerio Fiscal tegen A. López Brea en C. Hidalgo Palacios een strafvervolging in wegens beunhazerij, in de zin van artikel 321 van het Spaanse Wetboek van strafrecht, bij de Juzgado de lo Penal de Alicante, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing heeft verzocht over de navolgende vragen:
"1) Zijn artikel 1 van het decreet van 4 december 1969 en het Real Decreto 1464/88, waarin wordt bepaald dat het tegen courtage bemiddelen bij de aan- en verkoop of ruil van landelijke of stedelijke onroerende goederen, bij hypothecaire leningen, bij huur of verpachting ervan, bij afstand en overdracht, en het geven van adviezen over de waarde van dergelijke goederen bij verkoop, overdracht of afstand zijn voorbehouden aan makelaars in onroerende goederen, geldig in het licht van de artikelen 2, 3 en 5 van richtlijn 67/43/EEG van de Raad, en mag een Lid-Staat na de inwerkingtreding van deze richtlijn de bevoegdheid tot de uitoefening van deze werkzaamheden terzake van onroerende goederen nog steeds bij uitsluiting aan een bepaalde beroepsgroep voorbehouden?
2) Mag een Lid-Staat deze richtlijn op enigerlei wijze beperken of buiten toepassing laten?"
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 Volgens vaste rechtspraak kan het Hof zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht. Het Hof kan evenwel uit de bewoordingen van de door de nationale rechter geformuleerde vragen en gelet op de inlichtingen die hij heeft verschaft, de elementen lichten die onder de uitlegging van het gemeenschapsrecht vallen, teneinde die rechter in staat te stellen de voor hem gerezen rechtsvragen op te lossen (zie met name het arrest van 11 juni 1987, zaak 14/86, Strafzaak tegen X., Jurispr. 1987, blz. 2545).
6 De eerste vraag moet bijgevolg aldus worden verstaan, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of het gemeenschapsrecht, in het bijzonder de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging en richtlijn 67/43, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarin bepaalde, tot de sector handel in onroerende goederen behorende werkzaamheden worden voorbehouden aan personen die het gereglementeerde beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen.
7 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen de verdragsbepalingen inzake het vrij verrichten van diensten niet van toepassing zijn op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in een enkele Lid-Staat afspelen (zie bij voorbeeld het arrest van 23 april 1991, zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979).
8 Uit de door de nationale rechter in de verwijzingsbeschikkingen vastgestelde feiten blijkt, dat de hoofdgedingen Spaanse onderdanen betreffen, die in Spanje het beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen en die niet aanvoeren, dat zij in een andere Lid-Staat de voor de uitoefening van dat beroep vereiste beroepsbekwaamheid hebben verworven.
9 Een dergelijk geval vertoont derhalve geen enkel aanknopingspunt met een van de in het gemeenschapsrecht voorziene gevallen, zodat de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging niet van toepassing kunnen zijn.
10 Vervolgens moet de werkingssfeer van voormelde richtlijn 67/43 worden onderzocht, teneinde na te gaan, of zij harmonisatiebepalingen bevat die ook van toepassing zijn op zuiver nationale situaties, zoals die waarop de hoofdgedingen betrekking hebben.
11 Artikel 1 van richtlijn 67/43 bepaalt, dat de Lid-Staten ten gunste van de in titel I van de Algemene programma' s voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (PB 1962, 2, blz. 32, 36) genoemde natuurlijke personen en vennootschappen de onder titel III van die programma' s bedoelde beperkingen opheffen ten aanzien van de toegang tot en de uitoefening van de in de artikelen 2 en 3 genoemde werkzaamheden.
12 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 67/43 bepaalt, dat de bepalingen van deze richtlijn van toepassing zijn op de niet in loondienst verrichte werkzaamheden op het gebied van de handel in onroerende goederen, genoemd in bijlage I van voormeld Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging, alsmede op de niet in loondienst verrichte werkzaamheden, ressorterende onder de in dezelfde bijlage genoemde "diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld".
13 Na onderzoek van de Algemene programma' s voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten blijkt, dat de in deze bepalingen bedoelde beperkingen hoofdzakelijk maatregelen betreffen die een rechtstreekse of zijdelingse discriminatie tussen onderdanen van andere Lid-Staten en nationale onderdanen inhouden.
14 Deze uitlegging van richtlijn 67/43 wordt ook bevestigd door de bewoordingen van artikel 5, lid 1, krachtens welk de Lid-Staten de beperkingen opheffen die met name
a) de begunstigden verhinderen zich in het ontvangende land te vestigen of daar diensten te verrichten onder dezelfde voorwaarden en met gelijke rechten als de onderdanen van dat land;
b) voortvloeien uit een administratieve handelwijze die ten gevolge heeft dat op de begunstigden, in vergelijking tot de nationale onderdanen, een discriminerende behandeling wordt toegepast.
15 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat richtlijn 67/43 slechts de opheffing verlangt van rechtstreekse of zijdelingse discriminatie op grond van nationaliteit, doch niet strekt tot harmonisatie van de in de nationale wettelijke regelingen gestelde voorwaarden betreffende de toegang tot of de uitoefening van het beroep van makelaar in onroerende goederen.
16 Mitsdien moet op de eerste vraag, zoals geherformuleerd, worden geantwoord, dat richtlijn 67/43 zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling waarin bepaalde, tot de sector handel in onroerende goederen behorende werkzaamheden worden voorbehouden aan personen die het gereglementeerde beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen.
17 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag van de verwijzende rechter niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Juzgado de lo Penal de Alicante bij beschikkingen van 11 september en 11 oktober 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Richtlijn 67/43/EEG van de Raad van 12 januari 1967 betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot: 1) de sector "handel in onroerende goederen (uitgezonderd 6401)" (groep ex 640 ISIC); 2) de sector bepaalde "diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld" (groep 839 ISIC) verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling waarin bepaalde, tot de sector handel in onroerende goederen behorende werkzaamheden worden voorbehouden aan personen die het gereglementeerde beroep van makelaar in onroerende goederen uitoefenen.
Full & Egal Universal Law Academy