Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Werknemers - Verdragsbepalingen - Niet-toepasselijkheid in volledig binnen interne sfeer van Lid-Staat gelegen situatie
(EEG-Verdrag, art. 7 en 48)
Samenvatting
Daar de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen niet van toepassing kunnen zijn op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in één enkele Lid-Staat afspelen, kan een onderdaan van een Lid-Staat, die nooit het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend, zich tegenover de Lid-Staat waarvan hij de nationaliteit bezit, met betrekking tot de voorwaarden waaronder hij in een functie op het nationale grondgebied is aangesteld, niet op de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag beroepen.
Partijen
In zaak C-332/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeitsgericht Elmshorn, in het aldaar aanhangig geding tussen
V. Steen
en
Deutsche Bundespost,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 48 en 7 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident,
G. F. Mancini en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- V. Steen, verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door W. Schulte, R. Paulsen en B. Zwolski, respectievelijk Bezirksvorsitzender, Bezirkssekretaer en Assessorin der Deutschen Postgewerkschaft, Bezirksverwaltung Schleswig-Holstein;
- de Deutsche Bundespost, vertegenwoordigd door F. Dolleschel, Postoberrat van de Oberpostdirektion Kiel;
- de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Regierungsdirektor, en J. Karl, Oberregierungsrat, van het Bondsministerie van Economische zaken;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen, juridisch adviseur, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door R. Mendel, advocaat te Hamburg, de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie ter terechtzitting van 22 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 november 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 28 september 1990, ingekomen ten Hove op 26 oktober 1990, heeft het Arbeitsgericht Elmshorn krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7 en 48, lid 4, EEG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen V. Steen, Duits onderdaan (hierna: "verzoeker"), en de Deutsche Bundespost (hierna: "verweerster") betreffende een functie, omschreven als Dp A7 Pt/M - "onderhoudswerkzaamheden voor het technisch middenkader, toezicht, magazijnbeheer".
3 Verzoeker is sinds 1973 bij verweerster werkzaam als technisch medewerker. Hij solliciteerde naar bovengenoemde functie in juli 1985. Ingevolge een besluit van de Bundesminister fuer das Post- und Fernmeldewesen van 14 mei 1985 moet voor de aanstelling in een functie van het technisch middenkader een verplichte tweejarige praktijkopleiding worden gevolgd, tijdens welke de betrokkene op arbeidscontract is aangesteld; bovendien moet hij verklaren, dat hij ermee instemt, dat hij na het einde van de opleiding en na voor het examen te zijn geslaagd, als ambtenaar wordt aangesteld.
4 Verzoeker ondertekende deze verklaring in juli 1985 en begon in de daaropvolgende maand als arbeidscontractant met de opleiding voor de functie Dp A7 Pt/M. Nadat hij in oktober 1987 was geslaagd voor het examen voor het technisch middenkader van de posterijen, herriep hij zijn verklaring van juli 1985 en verklaarde hij, dat hij deze functie ook in de toekomst als arbeidscontractant wilde blijven uitoefenen. Ten tijde van deze feiten ontving verzoeker in de functie Dp A7 Pt/M een salaris dat hoger was dan de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen, indien hij deze functie als ambtenaar zou uitoefenen.
5 Na verzoekers weigering om als ambtenaar te worden aangesteld, plaatste verweerster hem op 12 november 1987 over naar een arbeidersfunctie met inschaling in een lagere loongroep dan die welke behoort bij functie Dp A7 Pt/M. Verzoeker stelde tegen deze overplaatsing beroep in. Hij betoogde dat, aangezien enkel Duitse onderdanen als ambtenaar konden worden aangesteld, zij de enigen waren die een functie als de onderhavige niet voor onbepaalde tijd op arbeidscontract konden uitoefenen en daardoor tegenover onderdanen van andere Lid-Staten werden gediscrimineerd in de zin van de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag.
6 In deze context heeft de nationale rechter het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"1) Is de werkzaamheid van een medewerker van de Deutsche Bundespost in een functie als 'Instandhaltungskraft, Aufsicht, Lagerverwaltung' (medewerker onderhoud, toezicht en magazijnbeheer), een betrekking in overheidsdienst in de zin van artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag?
2) Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
a) Kan een Duits onderdaan aan wie bovenstaande functie uitsluitend in het kader van een ambtelijk statuut wordt aangeboden, zich beroepen op schending van de artikelen 7 en 48, lid 2, EEG-Verdrag op grond dat die functie aan een onderdaan van een andere Lid-Staat zou moeten worden aangeboden op arbeidscontract, wanneer de aanstelling als ambtenaar, onder meer, een lagere maandelijkse bezoldiging dan de tewerkstelling op arbeidscontract en de uitsluiting van het stakingsrecht tot gevolg heeft?
b) Kan een Duits onderdaan aan wie bovenstaande functie uitsluitend als ambtelijke functie wordt aangeboden, zich beroepen op schending van artikel 48 EEG-Verdrag op grond dat hij om een vergelijkbare functie op arbeidscontract te kunnen krijgen, genoodzaakt zou zijn de Bondsrepubliek Duitsland te verlaten en zich naar een andere Lid-Staat te begeven (negatieve beperking van het vrije verkeer van werknemers)?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat in artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag het in artikel 7 EEG-Verdrag neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van het vrije verkeer van werknemers nader wordt uitgewerkt. Hieruit volgt, dat iedere regeling die onverenigbaar is met artikel 48, ook onverenigbaar is met artikel 7 EEG-Verdrag.
9 Een probleem van non-discriminatie in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag doet zich echter uitsluitend voor met betrekking tot het optreden van een Lid-Staat jegens werknemers uit andere Lid-Staten, die in de eerstgenoemde staat willen werken. Volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk het arrest van 23 april 1991, zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r.o. 37), kunnen de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer niet van toepassing zijn op activiteiten die zich in al hun relevante aspecten in één enkele Lid-Staat afspelen. Of zulks het geval is, is een feitelijke vraag die door de nationale rechter moet worden beantwoord.
10 Blijkens de vaststellingen van de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeschikking betreft het hoofdgeding evenwel een geschil tussen de Deutsche Bundespost en een Duits onderdaan die nooit het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend, over de aanstelling in een functie in de Bondsrepubliek Duitsland.
11 Een dergelijke constellatie heeft niets gemeen met een van de in het gemeenschapsrecht geregelde situaties op het gebied van het vrije verkeer van werknemers.
12 Mitsdien moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord, dat een onderdaan van een Lid-Staat, die nooit het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend, zich met betrekking tot een zuiver interne situatie niet op de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag kan beroepen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht Elmshorn bij beschikking van 26 oktober 1990 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Een onderdaan van een Lid-Staat, die nooit het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend, kan zich met betrekking tot een zuiver interne situatie niet op de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag beroepen.
Full & Egal Universal Law Academy