Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Jury - Onafhankelijkheid - Grenzen - Vaststelling van onwettige besluiten - Lijst van geschikte kandidaten die onregelmatig tot vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten bevat - Onregelmatigheid die annulering van vergelijkend onderzoek door tot aanstelling bevoegde gezag rechtvaardigt
2. Hogere voorziening - Hogere voorziening gegrond bevonden - Afdoening van zaak door Hof - Bekrachtiging door Hof van wettigheid van voor Gerecht bestreden besluit
(' s Hofs Statuut-EEG, artikel 54, eerste alinea)
Samenvatting
1. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan wegens de onafhankelijkheid van de jury weliswaar niet de besluiten van een jury nietig verklaren of wijzigen, maar in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden mag het geen onwettige besluiten nemen. Het kan dan ook niet gebonden zijn aan jurybesluiten waarvan de onwettigheid zijn eigen besluiten zou kunnen aantasten.
In een situatie waarin een lijst van geschikte kandidaten, doordat daarop kandidaten zijn geplaatst, die onregelmatig tot het vergelijkend onderzoek zijn toegelaten en dus niet voor benoeming in aanmerking komen, enerzijds een kandidaat die het minimum aantal vereiste punten heeft behaald, de mogelijkheid tot plaatsing op de lijst ontneemt, en anderzijds, door vermindering van de keuzemogelijkheid, de beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegde gezag beperkt, is het tot aanstelling bevoegde gezag, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, gemachtigd het vergelijkend onderzoek te annuleren.
2. Ingevolge artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG kan het Hof de zaak zelf afdoen, wanneer het oordeel waartoe het na onderzoek van de hogere voorziening komt, de door de verzoeker voor het Gerecht aangevoerde middelen hoe dan ook ontkracht.
Dat is het geval wanneer het Hof erkent dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoeker stelde en het Gerecht heeft geoordeeld, een besluit wettig is genomen.
Partijen
In zaak C-345/90 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en M. Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A. Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
requirant,
betreffende hogere voorziening, ingesteld tegen het arrest op 20 september 1990 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen gewezen in zaak T-37/89 tussen Hanning en Europees Parlement (Jurispr. 1990, blz. II-463), en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
J. Hanning, ambtenaar van de Raad van Europa, vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, Avenue Guillaume 62, die heeft geconcludeerd tot afwijzing van de hogere voorziening,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Grévisse, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 8 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 november 1990, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest, op 20 september 1990 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen gewezen in zaak T-37/89 tussen Hanning en Europees Parlement (Jurispr. 1990, blz. II-463), voor zover het Gerecht het besluit van het Europees Parlement om, met voorbijgaan aan de uitslag van vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A, een nieuw vergelijkend onderzoek in te leiden, alsmede het stilzwijgend besluit van het Parlement tot afwijzing van verzoekers klacht daartegen van 17 juni 1988 nietig heeft verklaard en het Parlement in de kosten van de procedure in eerste aanleg heeft verwezen.
2 Naar het Gerecht in de rechtsoverwegingen 1 tot en met 12 van zijn arrest heeft vastgesteld, had het Parlement op 5 december 1986 aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen (PB 1986, C 311, blz. 13) gepubliceerd om te voorzien in het ambt van Engelstalig afdelingshoofd in de rang A 3 bij het voorlichtingsbureau te Londen.
3 Twee sollicitanten, Spence en Waters, ambtenaren van het Parlement, die niet tot het vergelijkend onderzoek waren toegelaten omdat zij niet alle in de aankondiging van vergelijkend onderzoek verlangde bewijsstukken hadden ingediend, werden, nadat zij daartegen een klacht hadden ingediend, alsnog toegelaten op grond dat de ontbrekende bewijsstukken in hun bij het tot aanstelling bevoegde gezag berustende persoonsdossier voorkwamen.
4 Na afloop van het vergelijkend onderzoek werd Hanning met 72 punten als eerste geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten. De drie overige op de lijst geplaatste kandidaten waren: mevrouw Beck (69 punten) en de heren Spence en Waters (ieder 63 punten). Volgens de puntenlijst had nog een vijfde sollicitant, Tate, met 58 punten het aantal punten behaald dat minimaal vereist was om op de lijst te worden geplaatst. Daar deze lijst evenwel niet meer dan vier geslaagden mocht bevatten, werd hij er niet op geplaatst.
5 Nadat Hanning had vernomen dat hij op de lijst was geplaatst en op verzoek van het Parlement het aan aanstelling voorafgaande medisch onderzoek had ondergaan, werd hem bij brief van 6 april 1988, ondertekend door het hoofd van de personeelsdienst, meegedeeld, dat de voorzitter van het Parlement "onregelmatigheden had geconstateerd in de procedure" van het vergelijkend onderzoek, "en derhalve had besloten om niet over te gaan tot een aanstelling, maar een nieuw algemeen vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen uit te schrijven".
6 Op 17 juni 1988 diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut tegen dat besluit een klacht in bij de voorzitter van het Parlement.
7 Op 30 maart 1988 publiceerde het Parlement de aankondiging van een nieuw algemeen vergelijkend onderzoek, nr. PE/41a/A, ten einde in dezelfde post te voorzien (PB 1988, C 82, blz. 17). Verzoeker nam aan dit vergelijkend onderzoek deel. Op de aan het einde van dat vergelijkend onderzoek opgestelde lijst van geschikte kandidaten stonden de volgende vier kandidaten: Bond met 80,5 punten, verzoeker met 73 punten, Holdsworth met 72 punten en Wood met 70,5 punten. Tate bevond zich met 66 punten wederom op de vijfde plaats. Na het vergelijkend onderzoek werd Bond aangesteld.
8 Bij verzoekschrift, dat ter griffie van het Hof is neergelegd op 29 juni 1988 en, overeenkomstig artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, naar het Gerecht is verwezen bij beschikking van het Hof van 15 november 1989, vorderde Hanning nietigverklaring van het in de brief van 6 april 1988 vervatte besluit van de voorzitter van het Europees Parlement, en erkenning van zijn recht op aanstelling op grond van vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A, alsmede veroordeling van het Parlement tot betaling van 1 BFR als vergoeding voor geleden morele en persoonlijke schade en tot betaling van volledige vergoeding van zijn materiële schade.
9 Tot staving van zijn beroep riep Hanning, aldus het Gerecht, vijf middelen in: schending door het Parlement van artikel 33 van het Statuut; schending van het vertrouwensbeginsel; schending van de voorwaarden voor intrekking van administratieve besluiten; misbruik van bevoegdheid en ontoereikende en onjuiste motivering.
10 Na een door het Parlement tegen de vordering van Hanning opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te hebben verworpen (r.o. 23), is het Gerecht ingegaan op de argumenten van partijen omtrent de eerste vier middelen en heeft het besloten het middel betreffende de motivering van het bestreden besluit nader te onderzoeken (r.o. 37 en 38).
11 Het Gerecht oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende met redenen was omkleed (r.o. 40). Maar vervolgens is het nagegaan, of de door het Parlement in de loop van het geding gegeven uitleg dit vormgebrek kon goedmaken en een wettige grondslag voor het bestreden besluit kon verschaffen (r.o. 41-44).
12 Allereerst verwierp het de door het Parlement in het verweerschrift aangevoerde grond, dat het tot aanstelling bevoegde gezag vrij zou zijn om de aanwervingsprocedure te sluiten, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof (arrest van 9 februari 1984, gevoegde zaken 316/82 en 40/83, Kohler, Jurispr. 1984, blz. 641), volgens welke het tot aanstelling bevoegde gezag, hoewel niet verplicht om in de vacature te voorzien, een procedure alleen kan beëindigen om ernstige, duidelijk en volledig te vermelden redenen (r.o. 45-48).
13 Vervolgens onderzocht het de redenen die de juridische dienst van het Parlement had genoemd in zijn advies van 9 februari 1988, dat zij had uitgebracht naar aanleiding van de tegen de procedure van vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A ingediende klachten, en die het Parlement bij dupliek had aangevoerd als zijnde de redenen die aan het bestreden besluit ten grondslag hadden gelegen.
14 In de eerste plaats merkte het Gerecht op dat het advies, dat Spence en Waters op onregelmatige wijze tot het vergelijkend onderzoek waren toegelaten, omdat zij niet alle in de aankondiging vereiste bewijsstukken hadden ingediend (r.o. 50-55), juist was.
15 In de tweede plaats was het Gerecht van oordeel dat, in tegenstelling tot hetgeen in het advies daaromtrent was vermeld, geen van de klachten tegen vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A kon slagen en dus geen wettige grond konden opleveren voor de annulering van dat vergelijkend onderzoek door het Parlement (r.o. 56-67).
16 In de derde plaats vermeldde het Gerecht, dat het Parlement in het licht van de arresten van 23 oktober 1986 (zaak 321/85, Schwiering, Jurispr. 1986, blz. 3199, en gevoegde zaken 322/85 en 323/85, Hoyer, Jurispr. 1986, blz. 3215) had onderzocht, welke consequenties het voor het vergelijkend onderzoek had dat Tate niet op de lijst van geschikte kandidaten kon worden geplaatst doordat twee andere kandidaten daar ten onrechte op stonden, en tot de slotsom was gekomen dat het het vergelijkend onderzoek kon annuleren (r.o. 68 en 69).
17 Vervolgens overwoog het Gerecht in de rechtsoverwegingen 70 en volgende:
"70 In dit verband moet worden vastgesteld, dat de feiten van de onderhavige zaak verschillen van die in de zojuist aangehaalde arresten Schwiering en Hoyer. In die zaken was de procedure van het vergelijkend onderzoek onregelmatig, omdat de jury ten onrechte had geweigerd sollicitanten toe te laten; de onderhavige procedure van vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A is onregelmatig doordat twee sollicitanten die hadden moeten worden afgewezen, ten onrechte zijn toegelaten. Ofschoon in beginsel alle onderdelen van een vergelijkend onderzoek noodzakelijkerwijs gebrekkig zijn wanneer een sollicitant ten onrechte niet is toegelaten, geldt zulks niet in geval een of meer sollicitanten ten onrechte wel zijn toegelaten. In dat geval ziet het tot aanstelling bevoegde gezag zich geplaatst voor een procedure van vergelijkend onderzoek en een lijst van geschikte kandidaten, waarvan de onderdelen die onregelmatig zijn kunnen worden losgekoppeld van de onderdelen die dat niet zijn. In casu zijn alleen de deelneming van Spence en Waters aan het vergelijkend onderzoek en hun plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten onwettig. De overige sollicitanten hebben op geldige wijze aan het vergelijkend onderzoek deelgenomen en hun daarop gevolgde indeling is niet beïnvloed door de onwettige deelneming van de twee ten onrechte toegelaten sollicitanten.
71 Past men de door het Hof in de arresten van 23 oktober 1986 (321/85, Schwiering; 322/85 en 323/85, Hoyer, reeds aangehaald) gekozen oplossing toe op de onderhavige zaak, waarin de procedure van het vergelijkend onderzoek gedeeltelijk gebrekkig is, dan moet worden geconcludeerd dat het tot aanstelling bevoegde gezag niet gebonden was aan de besluiten van de jury, voor zover deze onwettig waren. Dat betekent evenwel niet, dat het om die reden geen sollicitant op basis van dat vergelijkend onderzoek kon aanstellen. De verplichting om enkel wettige besluiten te nemen belette hem alleen, over te gaan tot aanstelling van Spence of Waters, die wegens de onregelmatigheden van het vergelijkend onderzoek niet op de lijst van geschikte kandidaten hadden mogen voorkomen. Daarentegen moest het tot aanstelling bevoegde gezag wel de mogelijkheid overwegen om verzoeker aan te stellen, daar deze terecht op die lijst was geplaatst. Hieraan moet trouwens worden toegevoegd, dat het tot aanstelling bevoegde gezag ook de eventuele aanstelling van Beck in overweging moest nemen, daar de inschrijving op de lijst van deze sollicitant evenmin onwettig was.
72 Onder die omstandigheden was het tot aanstelling bevoegde gezag gehouden, de uitspraak van het Hof in de zaak Kohler in acht te nemen (arrest van 9 februari 1984, gevoegde zaken 316/82 en 40/83, reeds aangehaald). Volgens dat arrest moest het tot aanstelling bevoegde gezag, alvorens aan de uitslag van het vergelijkend onderzoek voorbij te gaan, de mogelijkheid overwegen om in de vacante post te voorzien door aanstelling van een van de regelmatig op de lijst geplaatste geslaagden. Het moest dus in de eerste plaats onderzoeken of verzoeker kon worden aangesteld, die als eerste op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst (zie de arresten van 15 december 1966, zaak 62/65, Serio, Jurispr. 1966, blz. 807, 820 e.v.; 18 december 1986, zaak 246/84, Kotsonis, Jurispr. 1986, blz. 3989, 4005 e.v.). Immers, ofschoon het Hof in die arresten erkent dat het tot aanstelling bevoegde gezag om hem moverende redenen, welker rechtsgeldigheid tot genoegen van het Hof moet blijken, mag afwijken van de volgorde waartoe het vergelijkend onderzoek heeft geleid, moet worden beklemtoond dat er redenen van dienstbelang moeten zijn om een andere dan de als eerste geplaatste kandidaat aan te stellen. Ook al had het tot aanstelling bevoegde gezag kunnen vaststellen dat redenen van dienstbelang, niet zijnde de onregelmatigheden van het vergelijkend onderzoek, zich tegen aanstelling van verzoeker verzetten, dan had het toch, volgens diezelfde rechtspraak, de mogelijkheid van aanstelling van Beck moeten onderzoeken.
73 Bij dat onderzoek naar de mogelijkheid om verzoeker of Beck aan te stellen, had het Parlement ook rekening moeten houden met de verdiensten van Tate, die ten onrechte niet op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst, enkel wegens de onregelmatigheden in het vergelijkend onderzoek. Artikel 30 van het Statuut, op grond waarvan enkel een op de lijst van geschikte kandidaten voorkomende kandidaat mag worden aangesteld, stond eerst na een dergelijk onderzoek aan de uiteindelijke aanstelling van Tate in de weg. Het tot aanstelling bevoegde gezag kon Tate - de vijfde kandidaat die het minimum aantal punten had behaald - dus rechtsgeldig vergelijken met verzoeker en met Beck, in het kader van het onderzoek naar de redenen van dienstbelang die aan de aanstelling van een van beide bovenaan de lijst staande kandidaten in de weg konden staan. Aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag niet tot een dergelijk onderzoek is overgegaan, heeft het zijn beoordelingsbevoegdheid niet op wettige wijze uitgeoefend.
74 Slechts indien het Parlement rechtsgeldig had besloten dat redenen van dienstbelang de aanstelling van Tate rechtvaardigden, zou artikel 30 van het Statuut aan dat besluit in de weg hebben gestaan. Indien het Parlement, na bij een deugdelijk gemotiveerd besluit de aanstelling van verzoeker en van Beck te hebben uitgesloten, Tate had willen aanstellen, zouden de aan de procedure van het vergelijkend onderzoek klevende onregelmatigheden daaraan in de weg hebben gestaan. In dat geval was een besluit om aan de uitslag van het vergelijkend onderzoek voorbij te gaan, dus om ernstige redenen gerechtvaardigd geweest. Daar niet is onderzocht of verzoeker dan wel Beck konden worden aangesteld, is het bestreden besluit bijgevolg gebrekkig wegens rechtsdwaling."
18 Concluderend oordeelde het Gerecht, dat nu het Parlement geen serieuze reden heeft kunnen aanvoeren om de beëindiging van het vergelijkend onderzoek te rechtvaardigen, het bestreden besluit niet naar behoren met redenen was omkleed en derhalve nietig moest worden verklaard (r.o. 75).
19 Het Parlement staaft zijn vordering tot vernietiging van dit arrest met één enkel middel, inhoudende dat het Gerecht de rechten en verplichtingen van het tot aanstelling bevoegde gezag in het kader van een vergelijkend onderzoek heeft miskend. Het Gerecht zou het beginsel hebben miskend, dat het tot aanstelling bevoegde gezag niet tot benoeming kan overgaan op basis van een onregelmatig tot stand gekomen lijst van geschikte kandidaten. Aangezien in dit geval twee ten onrechte tot het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten op de lijst waren geplaatst, waardoor deze, zoals het Gerecht heeft vastgesteld, ernstige gebreken vertoonde, kon deze volgens het Parlement niet meer als grondslag dienen voor de benoeming van Hanning. Daarnaast stelt het Parlement dat het Gerecht, door het tot aanstelling bevoegde gezag te verplichten een kandidaat te kiezen uit een lijst waarop minder kandidaten voorkwamen dan de jury had bepaald, om aldus de aan deze lijst klevende onregelmatigheden te neutraliseren, de aan dat gezag toekomende beoordelingsvrijheid bij de keuze van de te benoemen kandidaat niet heeft geëerbiedigd en eenvoudigweg zijn eigen beoordeling in de plaats heeft gesteld van die van het tot aanstelling bevoegde gezag.
20 Hanning, die benadrukt dat het Gerecht het litigieuze besluit impliciet wegens misbruik van bevoegdheid heeft willen kritiseren, stelt dat het bestreden arrest volkomen in overeenstemming is met het Ambtenarenstatuut en met de rechtspraak van het Hof. De gesignaleerde onregelmatigheden hebben de lijst van geschikte kandidaten niet in die mate aangetast, dat zij tot een annulering van het vergelijkend onderzoek moesten leiden. Door aan te geven dat het Parlement eerst had moeten onderzoeken of de regelmatig op de lijst geplaatste kandidaten konden worden benoemd en vervolgens de verdiensten van de eerste, niet op de lijst geplaatste kandidaat in de beschouwing had moeten betrekken, alvorens de uitslag van het vergelijkend onderzoek naast zich neer te leggen, heeft het Gerecht niet meer gedaan dan het Parlement de weg te wijzen om alle consequenties uit het arrest te trekken, zonder daarbij in zijn beoordelingsvrijheid te treden.
21 Voor een nadere uiteenzetting van het procesverloop alsmede van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
22 In de arresten van 23 oktober 1986 (Schwiering, reeds aangehaald, r.o. 11 en 12, en Hoyer, reeds aangehaald, r.o. 12 en 13) oordeelde het Hof, dat het tot aanstelling bevoegde gezag weliswaar niet bevoegd is om besluiten van een jury nietig te verklaren of te wijzigen, maar in de uitoefening van zijn eigen bevoegdheden geen onwettige besluiten mag nemen. Het kan dan ook niet gebonden zijn aan jurybesluiten waarvan de onwettigheid zijn eigen besluiten zou kunnen aantasten.
23 Zoals hierboven uiteengezet, overwoog het Gerecht in het bestreden arrest enerzijds, dat Spence en Waters op onregelmatige wijze tot het vergelijkend onderzoek waren toegelaten en derhalve ook op onregelmatige wijze op de lijst van geschikte kandidaten waren geplaatst, en anderzijds dat Tate, die het in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek genoemde minimum aantal punten had behaald, niet op de lijst kon worden geplaatst omdat daarop al vier kandidaten - volgens de aankondiging het maximale aantal - stonden, waaronder de twee onregelmatig geplaatste kandidaten. Niettemin was het Gerecht van oordeel, dat het Parlement, alvorens het vergelijkend onderzoek te kunnen annuleren, eerst had moeten nagaan of het geen keuze kon maken uit de twee regelmatig op de lijst geplaatste kandidaten, en de verdiensten van Tate met de hunne had moeten vergelijken.
24 Terecht stelt het Parlement, dat het Gerecht met deze motivering zijn arrest niet wettig heeft gemotiveerd.
25 Immers, doordat twee ten onrechte tot het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten op de lijst van geschikte kandidaten waren geplaatst, waarop maximaal vier namen mochten worden vermeld, hoewel zij daarop niet hadden mogen voorkomen, was het voor Tate, die het vereiste aantal punten had behaald om te mogen verlangen om op de lijst te worden geplaatst, op onregelmatige wijze onmogelijk geworden om door de jury op die lijst te worden opgenomen en om door het Parlement voor de betrokken post te worden gekozen.
26 Anders dan het Gerecht in rechtsoverweging 73 van zijn arrest heeft geoordeeld, mocht en kon het Parlement niet, zonder onwettig zijn bevoegdheid voor die van de jury in de plaats te stellen, de sollicitatie van Tate in overweging nemen, aangezien Tate niet op de lijst van geschikte kandidaten stond en dus niet kon worden benoemd.
27 In de tweede plaats dient de door de jury opgestelde lijst van geschikte kandidaten blijkens de artikelen 27 tot en met 30 van het Statuut het tot aanstelling bevoegde gezag in staat te stellen, de kandidaat te kiezen die hem het meest geschikt lijkt om de aan de post verbonden werkzaamheden uit te oefenen.
28 Het tot aanstelling bevoegde gezag mag daarbij, om hem moverende redenen, welker rechtsgeldigheid tot genoegen van het Hof moet blijken, afwijken van de volgorde waartoe het vergelijkend onderzoek heeft geleid, op voorwaarde evenwel, dat het het begrip "vergelijkend onderzoek" niet van zijn inhoud berooft door, wanneer daartoe geen ernstige redenen kunnen worden aangevoerd, op de uitslag van het vergelijkend onderzoek nagenoeg geen acht te slaan (arrest van 18 december 1986, zaak 246/84, Kotsonis, Jurispr. 1986, blz. 3989, r.o. 9).
29 Ten einde de keuze van het tot aanstelling bevoegde gezag te vergemakkelijken, is overigens in artikel 5, vijfde alinea, van bijlage III bij het Statuut bepaald, dat het aantal op de lijst geplaatste kandidaten zo mogelijk ten minste tweemaal het aantal der ambten moet bedragen die de inzet van het vergelijkend onderzoek vormen. In casu was in de aankondiging van vergelijkend onderzoek zelfs uitdrukkelijk voorzien, dat de lijst van geschikte kandidaten niet meer dan vier geslaagden kon bevatten.
30 Wanneer kandidaten onregelmatig - bij voorbeeld als gevolg van een onregelmatige toelating tot het vergelijkend onderzoek - op de lijst van geschikte kandidaten worden geplaatst, kan het tot aanstelling bevoegde gezag hen niet benoemen en wordt zijn keuzemogelijkheid dus dienovereenkomstig verminderd. Aldus wordt de beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegde gezag op onregelmatige wijze beperkt.
31 In dit geval werden de keuzemogelijkheden van het tot aanstelling bevoegde gezag met de helft teruggebracht, aangezien twee van de vier door de jury op de lijst geplaatste kandidaten niet konden worden benoemd.
32 Uit het voorgaande volgt, dat het vergelijkend onderzoek onregelmatig was en dat het Parlement het wettig heeft kunnen annuleren.
33 Derhalve heeft het Gerecht, door op de hierboven in rechtsoverweging 17 vermelde en in rechtsoverweging 23 samengevatte gronden te oordelen dat het besluit van het Parlement niet wettig is gemotiveerd, het recht geschonden.
34 Punt 1 van het dictum van het bestreden arrest moet daarom worden vernietigd.
35 Artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG bepaalt: "In geval van gegrondheid van de hogere voorziening vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Het kan dan de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht."
36 Zoals hierboven in rechtsoverweging 32 is verklaard, was het vergelijkend onderzoek in zijn geheel onregelmatig en heeft het Parlement wettig tot de annulering ervan kunnen besluiten.
37 Aangezien het Parlement op wettige gronden heeft besloten het vergelijkend onderzoek te annuleren, kunnen de door Hanning voor het Gerecht ingestelde vorderingen tot nietigverklaring van dat besluit slechts worden verworpen.
38 Gelet op deze omstandigheden zijn er voor het Hof termen aanwezig, zelf rechtdoende krachtens artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, de door Hanning ingestelde vordering tot nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het Parlement van 19 februari 1988 om, met voorbijgaan aan de uitslag van vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A, een nieuw vergelijkend onderzoek in te leiden, alsmede van het stilzwijgend besluit van het Parlement tot afwijzing van verzoekers klacht van 17 juni 1988, te verwerpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
39 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.
40 Opgemerkt zij enerzijds dat de door Hanning voor het Gerecht ingestelde vordering tot nietigverklaring moet worden afgewezen, zoals hierboven in rechtsoverweging 38 is verklaard, en anderzijds dat de hogere voorziening niet is gericht tegen punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht, waarbij Hannings beroep voor het overige werd verworpen. Daarom moet Hanning worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij.
41 Uit artikel 122, juncto artikel 70, van dat Reglement volgt evenwel, dat de door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste blijven, wanneer de hogere voorziening door hen is ingesteld.
42 Derhalve dient elk der partijen haar eigen kosten betreffende de onderhavige procedure alsmede betreffende de procedure voor het Gerecht te dragen en punt 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht te worden vernietigd.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt de punten 1 en 3 van het dictum van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 20 september 1990 (zaak T-37/89, Hanning/Parlement, Jurispr. 1990, blz. II-463).
2) Verwerpt de door Hanning in zijn verzoekschrift ingestelde vordering tot nietigverklaring van het besluit van de voorzitter van het Parlement van 19 februari 1988 om, met voorbijgaan aan de uitslag van vergelijkend onderzoek nr. PE/41/A, een nieuw vergelijkend onderzoek in te leiden, alsmede van het stilzwijgend besluit van het Parlement tot afwijzing van verzoekers klacht van 17 juni 1988.
3) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten betreffende de onderhavige procedure alsmede betreffende de procedure voor het Gerecht zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy