Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Tardiviteit van beroep van ambtenaar - Medische vaststellingen inzake beroepsmatige oorsprong van invaliditeit - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
(Statuut van het Hof van Justitie EEG, art. 51)
Samenvatting
Hogere voorziening kan slechts worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, zodat zij slechts ontvankelijk is voor zover het verzoekschrift erover klaagt, dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren.
Is derhalve niet-ontvankelijk het middel waarmee wordt opgekomen tegen de feitelijke vaststellingen op grond waarvan het Gerecht heeft verklaard, dat het beroep van een ambtenaar tardief was, gelet op de in het Statuut gestelde termijn voor het indienen van een klacht of het instellen van een beroep.
Is eveneens niet-ontvankelijk het middel waarmee wordt opgekomen tegen de beoordeling door het Gerecht van de medische aard van de vaststellingen van de commissie die ermee was belast, zich over de beroepsmatige oorsprong van de invaliditeit uit te spreken.
Partijen
In zaak C-346/90 P,
ingesteld door F., vertegenwoordigd door F. Jongen, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
requirant,
ondersteund door NV Royale Belge, vertegenwoordigd door F. van der Mensbrugghe, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Wildgen, Rue Zithe 6,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest op 26 september 1990 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen gewezen in zaak T-122/89 tussen F. en Commissie van de Europese Gemeenschappen,
en,
bij memorie van antwoord, door Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier als gemachtigde, bijgestaan door C. Verbraeken en D. Waelbroeck, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
requirante in reconventie,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 oktober 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 27 november 1990, heeft F., krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA, hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 26 september 1990 (zaak T-122/89, F., Jurispr. 1990, blz. II-517), waarbij het Gerecht van eerste aanleg het besluit van de Commissie van 15 juli 1988, voor zover het de blijvende invaliditeit van F. op slechts 50 % bepaalt, heeft nietigverklaard, en zijn schadevordering heeft verworpen.
2 Met zijn hogere voorziening, strekkende tot vernietiging van voornoemd arrest van het Gerecht, voor zover daarbij het middel ontleend aan schending door de Commissie van artikel 78 Ambtenarenstatuut wegens tardiviteit niet-ontvankelijk is verklaard en zijn schadevordering is verworpen, verzoekt F. het Hof zijn aanspraken te erkennen op een invaliditeitspensioen krachtens die bepaling en op vergoeding van de geleden schade, begroot op 24 maanden salaris van een ambtenaar in de rang A 5/6, subsidiair een ex aequo et bono te bepalen bedrag.
3 Tot staving van de hogere voorziening draagt F. twee middelen voor, inhoudende dat het arrest, met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het middel ontleend aan schending van artikel 78 Ambtenarenstatuut, en met betrekking tot de verwerping van zijn schadevordering, een onjuiste beoordeling bevat.
4 Bij memorie van antwoord heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen hetzelfde arrest van het Gerecht. Overeenkomstig artikel 116, lid 1, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering strekken de conclusies van die memorie tot toewijzing van het door de Commissie in eerste aanleg gevorderde. De Commissie vordert vernietiging van dat arrest, voor zover daarbij haar besluit van 15 juli 1988 is nietigverklaard waar dit de invaliditeit van F. op slechts 50 % bepaalde.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Vooraf zij eraan herinnerd, dat ingevolge artikel 168 A EEG-Verdrag en de overeenkomstige bepalingen van het EGKS en het EGA-Verdrag hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen. Aan deze beperking herinneren artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en EGA, waarin de middelen worden aangegeven waarop hogere voorziening kan worden gebaseerd, te weten onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
7 Ook moet eraan worden herinnerd, dat hogere voorziening slechts kan worden gebaseerd op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van iedere feitelijke beoordeling, zodat zij slechts ontvankelijk is voor zover het verzoekschrift erover klaagt, dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren (zie arrest van 1 oktober 1991, zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 12 en 13).
De hogere voorziening van requirant
Het eerste middel
8 In rechtsoverweging 22 van voornoemd arrest van 26 september 1990 heeft het Gerecht vastgesteld, dat de Commissie verzoeker bij brief van 11 juni 1985 in kennis had gesteld van haar besluit de krachtens artikel 78 Ambtenarenstatuut ingeleide invaliditeitsprocedure te beëindigen, wat erop neerkwam, dat zijn op dat artikel gebaseerde aanvraag was afgewezen. Ook werd vastgesteld, dat het besluit van 15 juli 1988 was genomen in het kader van de procedure van artikel 73 Ambtenarenstatuut. Op grond van deze vaststellingen heeft het Gerecht geconcludeerd, dat de in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut gestelde termijnen om op te komen tegen het besluit van 11 juni 1985, waren verstreken toen het beroep werd ingesteld.
9 F. betoogt, dat anders dan het Gerecht in rechtsoverweging 23 van zijn arrest stelt, de brief van 11 juni 1985, waarbij de directeur-generaal hem meedeelde dat de voortzetting van de invaliditeitsprocedure geen zin meer had, geen besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om invaliditeitspensioen was. F. voegt daaraan toe, dat zijn brief van 26 juni 1985 aan diezelfde directeur-generaal derhalve niet als een klacht in de zin van artikel 90 Ambtenarenstatuut, doch enkel als een schriftelijke precisering moet worden beschouwd. F. beklemtoont ten slotte, dat zijn aanvraag om invaliditeitspensioen eerst in het besluit van 15 juli 1988 duidelijk werd afgewezen.
10 Voor zover requirant met dit middel wil opkomen tegen de feitelijke vaststellingen van het Gerecht, die uit zijn beoordeling van voormelde brieven voortvloeien, zij erop gewezen, dat een dergelijke betwisting niet het voorwerp van hogere voorziening kan zijn.
11 Bijgevolg moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat de andere aangevoerde argumenten behoeven te worden onderzocht.
Het tweede middel
12 In rechtsoverweging 34 van het bestreden arrest was het Gerecht van oordeel, dat requirant voldoende recht wordt gedaan wanneer het besluit van de Commissie nietig wordt verklaard en de Commissie vervolgens ter uitvoering van dit arrest verzoekers blijvende beroepsmatige invaliditeit opnieuw bepaalt.
13 Tegen deze beoordeling is het tweede middel van F. gericht. Hij herhaalt in wezen de argumenten die hij dienaangaande tijdens de procedure voor het Gerecht heeft aangevoerd. Het besluit van 15 juli 1988 en de langdurige procedure die eraan vooraf is gegaan, zouden tot de verslechtering van zijn gezondheidstoestand hebben bijgedragen en zijn kansen op herplaatsing hebben verminderd. Dit onbillijke besluit zou hem er ook toe hebben genoopt, de kosten van een procedure in rechte op zich te nemen. In ieder geval zou de nietigverklaring van dat besluit hem geen compensatie bieden voor de ellende die hij heeft moeten doormaken om de erkenning van zijn recht te verkrijgen.
14 Vastgesteld dient te worden, dat requirant in het kader van dit middel geen enkel element vermeldt dat in een procedure in hogere voorziening kan worden aangevoerd. Hij beroept zich niet op schending van een rechtsregel, doch beperkt zich ertoe, de beoordeling van de feiten door het Gerecht (r.o. 16 van het bestreden arrest) te betwisten en te stellen, dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.
15 In die omstandigheden moet ook het tweede middel van requirant niet-ontvankelijk worden verklaard.
De hogere voorziening van requirante in reconventie
16 Het Gerecht bevestigt (in r.o. 15 van het bestreden arrest), dat de medische commissie enkel de medische conclusies heeft getrokken uit haar bevindingen inzake de oorsprong van de ziekte van F., en zich niet op het terrein van de juridische toetsing heeft begeven.
17 Dienaangaande voert de Commissie aan, dat de medische commissie, waar zij overwoog dat de 18 % bij de vaststelling van de aan requirant toegekende vergoeding moest worden meegerekend, haar bevoegdheden, die beperkt zijn tot het geven van een medisch oordeel, heeft overschreden. Zij beklemtoont, dat alleen de administratie bevoegd is, aan de medische vaststellingen rechtsgevolgen te verbinden en met name te beoordelen of de invaliditeit het gevolg is van een met de statutaire verplichtingen van de ambtenaar strijdige gedraging.
18 Het aldus door requirante in reconventie voorgedragen middel beperkt zich ertoe, de beoordeling van het Gerecht, volgens welke de vaststelling van de medische commissie van medische aard was, te betwisten. Het moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven de in ambtenarenberoepen door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste. Ingevolge artikel 122 van het Reglement evenwel is artikel 70 niet van toepassing bij hogere voorziening ingesteld door ambtenaren en andere personeelsleden.
20 Uit artikel 69, lid 3, eerste alinea, en artikel 122, tweede alinea, tweede streepje, van het Reglement voor de procesvoering volgt echter, dat het Hof kan beslissen de kosten geheel of gedeeltelijk over de partijen te verdelen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld, wegens bijzondere redenen of indien de billijkheid dit vergt. Aangezien partijen in hun respectieve vorderingen in het ongelijk zijn gesteld, dient te worden beslist dat elk hunner, interveniënte daaronder begrepen, de eigen kosten zal dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verstaat dat elk der partijen, interveniënte daaronder begrepen, de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy