Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Vormvoorschriften - Klacht opgesteld door advocaat van ambtenaar - Ondertekening door belanghebbende - Niet-wezenlijk voorschrift
(Ambtenarenstatuut, art. 90)
2. Ambtenaren - Verlof - Vakantieverlof - Overboeking - Redenen van dienstbelang - Rechtvaardiging door alle bewijsmiddelen
(Ambtenarenstatuut, art. 57; Bijlage V, art. 4, eerste alinea)
Samenvatting
1. De administratieve klacht van een ambtenaar is aan geen enkele voorwaarde naar vorm of inhoud onderworpen, en zij moet door de administratie worden uitgelegd en begrepen met de zorgvuldigheid die een grote en deugdelijk toegeruste organisatie jegens haar justitiabelen, daaronder begrepen haar personeelsleden, betaamt.
Aangezien het belanghebbenden niet kan worden verboden zich in de precontentieuze fase van de bijstand van een advocaat te verzekeren, zou het van een volstrekt excessief, wettelijk ongefundeerd en met 's Hofs rechtspraak strijdig formalisme getuigen, te verlangen dat de ambtenaar de door zijn advocaat geredigeerde klacht ondertekent.
2. De instellingen mogen in het kader van de hun toegekende interne organisatiebevoegdheid weliswaar een interne verlofprocedure vaststellen, doch deze procedure mag de ambtenaar niet het recht ontnemen om in geval van betwisting betreffende de overboeking van verlofdagen naar het volgend jaar, met alle bewijsmiddelen aan te tonen dat het overschot aan verlofdagen het gevolg is van redenen van dienstbelang, daar dit dienstbelang het beslissende criterium is voor de overboeking van verlofdagen.
Partijen
In zaak C-348/90 P,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, M. Peter en J. L. Rufas Quintana als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) op 26 september 1990 gewezen in zaak T-139/89 tussen G. Virgili-Schettini en Europees Parlement, en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
G. Virgili-Schettini, vertegenwoordigd door V. Elvinger, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Rue Tony Neuman 4, die heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beslissing en tot verwijzing van requirant in de proceskosten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 oktober 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 november 1990, heeft het Europees Parlement krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 26 september 1990 in zaak T-139/89, waarbij het Gerecht van eerste aanleg het besluit van het Europees Parlement van 1 februari 1989, voor zover betrekking hebbende op de overboeking van verlofdagen van een van zijn tijdelijke functionarissen, G. Virgili-Schettini, nietig heeft verklaard.
2 Tot staving van de hogere voorziening, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, voert het Parlement drie middelen aan. Het eerste is gebaseerd op de stelling, dat het Gerecht het beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, het tweede is ontleend aan gebrek aan motivering van het bestreden arrest, en het derde aan schending door het Gerecht van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut").
3 Voor een nadere uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport van de rechter -rapporteur. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
4 Met zijn eerste middel verwijt het Parlement het Gerecht, het beroep ontvankelijk te hebben verklaard op grond dat het was voorafgegaan door een administratieve klacht in de zin van artikel 91, lid 2, van het Statuut, zulks terwijl die klacht in casu ongeldig was, omdat zij in strijd met artikel 90, lid 2, van het Statuut afkomstig was van enkel de advocaat van Virgili-Schettini.
5 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken - zoals ook het Gerecht heeft gedaan -, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de administratieve klacht van een ambtenaar aan geen enkel vormvoorschrift is onderworpen, en dat zij door de administratie moet worden uitgelegd en begrepen met de zorgvuldigheid die een grote en deugdelijk toegeruste organisatie jegens haar justitiabelen, daaronder begrepen haar personeelsleden, betaamt (arrest van 9 maart 1978, zaak 54/77, Herpels, Jurispr. 1978, blz. 585). Het Hof vervolgde in dat arrest, dat het belanghebbenden niet kan worden verboden zich in de precontentieuze fase van de bijstand van een advocaat te verzekeren. Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld, dat het van een volstrekt excessief, wettelijk ongefundeerd en met 's Hofs rechtspraak strijdig formalisme zou getuigen, te verlangen dat de ambtenaar de door zijn advocaat geredigeerde klacht ondertekent.
6 Daaruit volgt, dat het eerste middel van het Parlement ongegrond moet worden verklaard, zelfs zonder dat behoeft te worden nagegaan, of het niet niet-ontvankelijk is omdat het voor het Gerecht niet is aangevoerd.
7 Als tweede middel stelt het Parlement, dat uit het arrest niet blijkt, welke juridische criteria het Gerecht bij de berekening van de 27 aan verzoekster te betalen verlofdagen heeft toegepast.
8 Uit de rechtsoverwegingen 26, 27, 35 en 36 van het bestreden arrest blijkt, dat het Gerecht zich in rechte heeft gebaseerd op artikel 4, eerste alinea, van bijlage V bij het Statuut, betreffende de overboeking van verlofdagen, en op artikel 58 van het Statuut, betreffende het moederschapsverlof. Uitgaande van die bepalingen, heeft het Gerecht enerzijds vastgesteld dat de opeenhoping van verlofdagen door Virgili-Schettini aan redenen van dienstbelang viel toe te schrijven, en anderzijds dat het Parlement de zes weken vóór de bevalling mocht beschouwen als deel uitmakend van het moederschapsverlof. Het Gerecht heeft verzoekster dus ten dele in het gelijk gesteld, doch - op dit punt de argumenten van het Parlement bijtredend - de dagen overeenkomend met het moederschapsverlof in mindering gebracht.
9 Uit het voorgaande blijkt, dat het bestreden arrest, wat de juridische criteria betreft die bij de berekening van de door het Parlement te vergoeden verlofdagen zijn gehanteerd, naar behoren is gemotiveerd. Bijgevolg moet het tweede middel van het Parlement ongegrond worden verklaard.
10 Met zijn derde middel ten slotte verwijt het Parlement het Gerecht, te hebben geoordeeld dat Virgili-Schettini op grond van artikel 4 van bijlage V bij het Statuut meer dan 12 dagen mocht overboeken naar het volgende jaar, zonder dat zij een verklaring van haar hiërarchieke meerderen behoefde over te leggen, waaruit bleek dat dit bijzonder grote aantal restant-verlofdagen aan redenen van dienstbelang viel toe te schrijven. Dusdoende, zou het Gerecht geen rekening hebben gehouden met het interne reglement van het Parlement noch met de in vaste rechtspraak erkende interne organisatiebevoegdheid van de instellingen. Bovendien zou door die uitlegging de bewijslast worden omgekeerd en het Parlement gedwongen worden een negatief bewijs te leveren, namelijk dat redenen van dienstbelang ontbraken.
11 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de instellingen in het kader van de hun toegekende interne organisatiebevoegdheid weliswaar een interne verlofprocedure mogen vaststellen, doch dat deze procedure de ambtenaar niet het recht mag ontnemen om met alle bewijsmiddelen aan te tonen dat het overschot aan verlofdagen het gevolg is van redenen van dienstbelang. Het Gerecht heeft het Statuut dus juist uitgelegd door te oordelen dat het voor de overboeking van verlofdagen aankomt op de vraag, of die overboeking al dan niet gerechtvaardigd is om redenen verband houdend met het belang van de dienst waarbij de ambtenaar tewerk is gesteld.
12 Met toepassing van dit criterium heeft het Gerecht vastgesteld, dat de in de loop der jaren ontstane opeenhoping van verzoeksters verlofdagen in de eerste plaats viel toe te schrijven aan redenen verband houdend met het belang van de dienst waarbij zij tewerk was gesteld. Het gaat hierbij om een feitelijke beoordeling, waarover het Hof zich niet kan uitspreken.
13 Mitsdien moet het derde middel van het Parlement ongegrond worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste Kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst het Parlement in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy