Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Werknemers ° Artsen, tandartsen en dierenartsen ° Toegang tot beroep ° Beperkingen gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van volksgezondheid ° Toelaatbaarheid ° Voorwaarden en grenzen ° Regel van één enkele praktijk die verbod meebrengt van toegang tot beroep in geval van handhaving van praktijk in andere Lid-Staat ° Onverenigbaarheid met EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 48 en 52)
Samenvatting
De onderdanen van een Lid-Staat die hun beroepsactiviteiten in een andere Lid-Staat uitoefenen, moeten de regels naleven die in die Lid-Staat de uitoefening van het betrokken beroep beheersen. Met betrekking tot het beroep van arts, tandarts en dierenarts zijn die regels met name ingegeven door het streven, de gezondheid van mensen of dieren zo doeltreffend en volledig mogelijk te beschermen. Voor zover die regels evenwel het recht van vestiging en het vrije verkeer van werknemers belemmeren, zijn zij slechts verenigbaar met het Verdrag wanneer de beperkingen die zij meebrengen, daadwerkelijk hun rechtvaardiging vinden in algemene vereisten zonder welke de uitoefening van de betrokken beroepen niet denkbaar is, en indien zij zowel voor de eigen onderdanen als voor de onderdanen van de andere Lid-Staten gelden. Dit is niet het geval wanneer die beperkingen kunnen leiden tot discriminatie van in andere Lid-Staten gevestigde beroepsbeoefenaren of wanneer zij de toegang tot het beroep meer belemmeren dan nodig is om het beoogde doel te bereiken.
Een nationale regeling die het houden van meer dan één praktijk verbiedt en die belet, dat in een andere Lid-Staat praktijk houdende of in loondienst werkzame artsen, tandartsen en dierenartsen zich vestigen of in loondienst werkzaam zijn met behoud van hun praktijk of dienstbetrekking in die andere Lid-Staat, is derhalve onverenigbaar met de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag. Deze regeling, die trouwens strikter wordt toegepast voor beroepsbeoefenaren die werkzaam zijn in andere Lid-Staten, dan voor degenen die werkzaam zijn op het nationale grondgebied, is immers te absoluut en te algemeen om te kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak, de continuïteit van de medische verzorging en een doeltreffende organisatie van de spoedgevallendienst te waarborgen, daar dit met minder beperkende middelen kan gebeuren.
Partijen
In zaak C-351/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. Lasnet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door L. Schiltz, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te diens kantore, Rue du fort Rheinsheim 2,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet te bepalen dat het in zijn regeling inzake de uitoefening van het beroep van arts, tandarts of dierenarts gestelde vereiste, dat de betrokkene slechts op één plaats praktijk houdt, onderdanen van Lid-Staten die zich in een andere Lid-Staat hebben gevestigd of daar in loondienst werkzaam zijn en die hun beroep in Luxemburg in een eigen praktijk of in loondienst willen uitoefenen, niet belet hun praktijk of dienstbetrekking in een andere Lid-Staat dan Luxemburg voort te zetten, de krachtens de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 10 maart 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 maart 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 november 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet te bepalen dat het in zijn regeling inzake de uitoefening van het beroep van arts, tandarts of dierenarts gestelde vereiste, dat de betrokkene slechts op één plaats praktijk houdt, onderdanen van Lid-Staten die zich in een andere Lid-Staat hebben gevestigd of daar in loondienst werkzaam zijn en die hun beroep in Luxemburg in een eigen praktijk of in loondienst willen uitoefenen, niet belet hun praktijk of dienstbetrekking in een andere Lid-Staat dan Luxemburg voort te zetten, de krachtens de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 De litigieuze regeling is neergelegd in de wet van 29 april 1983 betreffende de uitoefening van het beroep van arts, tandarts en dierenarts (Mémorial A ° nr. 31 van 10.5.1983, blz. 746; hierna: "de wet"). Artikel 16 van de wet bepaalt, dat een arts of tandarts slechts op één plaats praktijk mag houden. Artikel 29 bevat een soortgelijke bepaling voor dierenartsen. Ook zij mogen slechts één praktijk hebben.
3 Artikel 16, tweede zin, van de wet bepaalt evenwel, dat
"de minister van Volksgezondheid op advies van het 'collège médical' een in Luxemburg gevestigde arts of tandarts kan machtigen om op een tweede plaats in het land regelmatig consulten te houden, op voorwaarde dat dit gebeurt in een streek waar er geen arts met dezelfde specialisatie of geen tandarts is, en de medische verzorging van de bevolking in die streek onvoldoende gewaarborgd is".
4 De artikelen 2, lid 2, en 9 van de wet maken het mogelijk, dat een in een andere Lid-Staat gevestigde arts of tandarts in Luxemburg praktijk houdt als vervanger van een daar gevestigde arts of tandarts. Krachtens artikel 22, lid 2, van de wet geldt dat ook voor dierenartsen.
5 Ingevolge de artikelen 4, 11 en 25 van de wet ten slotte mogen in een andere Lid-Staat gevestigde artsen, tandartsen of dierenartsen die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Gemeenschap, in Luxemburg diensten verrichten.
6 Bij brief van 19 april 1989 vestigde de Commissie de aandacht van de Luxemburgse autoriteiten op de onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van het door de wet aan artsen, tandartsen en dierenartsen gestelde vereiste, dat de betrokkene slechts op één plaats praktijk houdt.
7 Toen deze brief onbeantwoord bleef, bracht de Commissie op 21 november 1989 overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Luxemburgse regering uitnodigde, de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden na de kennisgeving haar verplichtingen na te komen.
8 Bij brief van 29 januari 1990 betwistte de Luxemburgse regering de inhoud van het met redenen omkleed advies, op grond dat de wet niet dubbelzinnig was en evenmin discriminerend voor de onderdanen van Lid-Staten die in een andere Lid-Staat dan Luxemburg zijn gevestigd. Van oordeel, dat dit betoog onvoldoende was, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Opgemerkt zij, dat de zogenoemde "één-praktijkregel" voor artsen, tandartsen en dierenartsen het respectievelijk door de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag gewaarborgde vrije verkeer van werknemers en het recht van vestiging belemmert.
11 Er moet immers aan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie bij voorbeeld arresten van 12 juli 1984, zaak 107/83, Klopp, Jurispr. 1984, blz. 2971, r.o. 19; 7 juli 1988, zaak 143/87, Stanton, Jurispr. 1988, blz. 3877, r.o. 11, en gevoegde zaken 154/87 en 155/87, Wolf, Jurispr. 1988, blz. 3897, r.o. 11 en van 20 mei 1992, zaak C-106/91, Ramrath, Jurispr. 1992, blz. I-3351, r.o. 20) het recht van vestiging de mogelijkheid omvat om, met inachtneming van de voor het beroep geldende gedragsregels, binnen de Gemeenschap meer dan één centrum van werkzaamheid in te richten en te behouden.
12 Dit geldt evenzeer voor een in een Lid-Staat gevestigde loontrekkende of zelfstandige, die daarnaast in een andere Lid-Staat werkzaam wil zijn, ongeacht of deze daar als zelfstandige dan wel in loondienst wil werken (zie de arresten van 7 juli 1988, reeds aangehaald, r.o. 12 en van 20 mei 1992, reeds aangehaald, r.o. 25 en 26).
13 Zoals het Hof in het arrest van 30 april 1986 (zaak 96/85, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 1475, r.o. 10) heeft erkend, zijn de voorschriften die met betrekking tot het beroep van arts en tandarts moeten worden nageleefd, met name die welke zijn ingegeven door het streven, de gezondheid van de mensen zo doeltreffend en volledig mogelijk te beschermen. Aangenomen moet worden, dat de regels inzake de uitoefening van het beroep van dierenarts ditzelfde doel inzake gezondheid beogen.
14 Uit datzelfde arrest volgt evenwel, dat voor zover die regels met name het recht van vestiging en het vrije verkeer van werknemers belemmeren, zij slechts verenigbaar zijn met het Verdrag wanneer de beperkingen die zij meebrengen, daadwerkelijk hun rechtvaardiging vinden in algemene vereisten zonder welke een goede uitoefening van het betrokken beroep niet denkbaar is, en indien zij zonder onderscheid voor de eigen onderdanen en de onderdanen van de andere Lid-Staten gelden. In dit verband stelde het Hof vast, dat dit niet het geval is, wanneer die beperkingen kunnen leiden tot discriminatie van in andere Lid-Staten gevestigde beroepsbeoefenaren of wanneer zij de toegang tot het beroep meer belemmeren dan nodig is om het beoogde doel te bereiken.
15 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de één-praktijkregel, die door de Luxemburgse regering onmisbaar wordt geacht voor een permanente medische verzorging, strikter wordt toegepast voor artsen en tandartsen die werkzaam zijn in andere Lid-Staten, dan voor degenen die werkzaam zijn in Luxemburg. Ingevolge artikel 16, tweede zin, van de wet kan immers slechts voor degenen die in Luxemburg hun praktijk uitoefenen, van de één-praktijkregel worden afgeweken.
16 De Luxemburgse regering verklaart in dit verband, dat de uitzondering in bijzondere gevallen bij ministerieel besluit kan worden uitgebreid tot in andere Lid-Staten gevestigde personen.
17 Dit argument kan niet worden aanvaard. Enerzijds heeft artikel 16 van de wet het slechts over degenen die hun praktijk in Luxemburg hebben. Anderzijds kan de inachtneming van het in de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag vervatte beginsel van gelijke behandeling niet afhankelijk zijn van het goedvinden van de nationale autoriteiten.
18 Derhalve moet worden vastgesteld, dat ofschoon de objectieve rechtstoestand duidelijk is, in die zin dat de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk zijn op het grondgebied van de Lid-Staten, de handhaving van artikel 16 van de betrokken wet aanleiding geeft tot een dubbelzinnige feitelijke situatie, doordat de betrokken rechtssubjecten in een toestand van onzekerheid worden gehouden over hun mogelijkheden om zich op het gemeenschapsrecht te beroepen (zie het arrest van 4 april 1974, zaak 167/73, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1974, blz. 359, r.o. 41).
19 Voorts moet worden opgemerkt, dat een algemeen verbod voor in een andere Lid-Staat gevestigde of daar in loondienst werkzame medici om hun beroep vanuit een vestiging in Luxemburg uit te oefenen, te restrictief is.
20 De Luxemburgse regering stelt in dit verband, dat de één-praktijkregel objectief gerechtvaardigd is uit hoofde van de volksgezondheid, de openbare orde en het algemeen belang. Het medisch contract is volgens haar een overeenkomst "intuitu personae", die, teneinde een permanente medische verzorging te waarborgen, de voortdurende aanwezigheid van de arts in zijn praktijk of op de plaats waar hij werkzaam is, vereist. Verder zou de spoedgevallendienst worden ontwricht wanneer daaraan artsen met meer dan één praktijk deelnemen.
21 Ook dit betoog kan niet worden aanvaard.
22 In de eerste plaats is het niet nodig, dat een arts, of hij nu huisarts, tandarts, dierenarts of specialist is (zie het arrest van 30 april 1986, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, r.o. 13), zich voortdurend in de nabijheid van zijn patiënt of cliënt bevindt. De voortdurende beschikbaarheid van dezelfde arts wordt overigens door de één-praktijkregel niet ipso facto gewaarborgd, bij voorbeeld wanneer de arts op reis is, zijn werkzaamheden part-time verricht of deel uitmaakt van een groepspraktijk. Bovendien kunnen een permanente verzorging en een doeltreffende organisatie van de spoedgevallendienst met minder beperkende middelen worden gewaarborgd, bij voorbeeld met vereisten inzake minimumaanwezigheid of met regelingen om vervanging te garanderen.
23 Hieruit blijkt, dat het betrokken verbod te absoluut en te algemeen is om te kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak, de continuïteit van de medische verzorging te waarborgen.
24 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Groothertogdom Luxemburg, door te beletten dat in een andere Lid-Staat praktijk houdende of in loondienst werkzame artsen, tandartsen en dierenartsen met behoud van hun praktijk of dienstbetrekking in die andere Lid-Staat in Luxemburg praktijk houden of in loondienst werkzaam zijn, de krachtens de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart:
1) Door te beletten dat in een andere Lid-Staat praktijk houdende of in loondienst werkzame artsen, tandartsen en dierenartsen met behoud van hun praktijk of dienstbetrekking in die andere Lid-Staat in Luxemburg praktijk houden of in loondienst werkzaam zijn, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy