Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen ° Portugal ° Nationale monopolies van commerciële aard ° Verplichting tot geleidelijke aanpassing gedurende overgangsperiode ° Draagwijdte ° Vaststelling van bepaalde concrete en passende maatregelen door nationale autoriteiten
(Toetredingsakte van 1985, art. 208, lid 1; aanbeveling 87/525 van de Commissie)
Samenvatting
Artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte van 1985 inzake de geleidelijke aanpassing van de Portugese nationale monopolies van commerciële aard, laat Portugal een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de middelen die geschikt zijn om de betrokken monopolies geleidelijk aan te passen, in dier voege dat uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie als bedoeld in die bepaling is uitgesloten. Dit artikel verplicht Portugal evenwel, daadwerkelijk met de aanpassingsprocedure te beginnen, zodat het binnen de gestelde termijn aan zijn verplichting kan voldoen. Dienaangaande behoeft het slechts concrete maatregelen vast te stellen die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van het voorgeschreven doel, zonder dat het verplicht is contingenten voor vrije invoer te openen volgens het tijdschema dat is neergelegd in een aanbeveling die de Commissie krachtens die bepaling heeft gedaan.
Partijen
In zaak C-361/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Rodríguez Galindo, lid van de juridische dienst, en H. Varandas, bij de juridische dienst gedetacheerd Portugees ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door J. Mota de Campos, L. Inez Fernandes, directeur van de juridische dienst, M. J. Abecassis, juriste bij het Staatssecretariaat voor Landbouw, en T. Moreira, juriste bij het directoraat-generaal Mededinging en Prijzen van het Ministerie van Handel, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Portugese ambassade, Allée Scheffer 33,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet over te gaan tot de geleidelijke aanpassing van het monopolie voor ethylalcohol, verkregen uit landbouwprodukten, en voor ethylalcohol, niet uit landbouwprodukten verkregen, en van het monopolie voor de verkrijging en de levering van gedistilleerde dranken, verkregen uit wijn, bestemd voor de vervaardiging van portwijn, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 208, lid 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 24 juni 1992, waarbij de Commissie werd vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Caeiro, bijgestaan door A. C. Jessen, lid van de juridische dienst, als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 september 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 december 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Portugese Republiek, door niet over te gaan tot de geleidelijke aanpassing van het monopolie voor ethylalcohol, verkregen uit landbouwprodukten, en voor ethylalcohol, niet uit landbouwprodukten verkregen, en van het monopolie voor de verkrijging en de levering van gedistilleerde dranken, verkregen uit wijn, bestemd voor de vervaardiging van portwijn, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 208, lid 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23; hierna: "Toetredingsakte").
2 Artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte bepaalt het volgende:
"Onverminderd lid 2 van het onderhavige artikel past de Portugese Republiek vanaf 1 januari 1986 haar nationale monopolies van commerciële aard, als bedoeld in artikel 37, lid 1, van het EEG-Verdrag, geleidelijk aan, in dier voege dat vóór 1993 elke discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten.
De huidige Lid-Staten gaan jegens de Portugese Republiek gelijkwaardige verplichtingen aan.
De Commissie doet aanbevelingen met betrekking tot de wijze waarop en het ritme waarin de in dit lid voorgeschreven aanpassing moet worden verwezenlijkt, met dien verstande dat deze wijze en dit ritme dezelfde dienen te zijn voor de Portugese Republiek en voor de huidige Lid-Staten."
3 Op 8 oktober 1987 richtte de Commissie op grond van artikel 208 van de Toetredingsakte een aanbeveling tot de Portugese Republiek inzake de wijziging van het nationale alcoholmonopolie van commerciële aard jegens de overige Lid-Staten (PB 1987, L 306, blz. 32; hierna: "aanbeveling"). Daarin deed zij de Portugese Republiek de aanbeveling, contingenten te openen voor ethylalcohol, verkregen uit landbouwprodukten, voor ethylalcohol, niet verkregen uit landbouwprodukten, alsmede voor gedistilleerd uit wijn, bestemd voor de vervaardiging van portwijn. De aanbeveling bevat tevens zeer nauwkeurige bepalingen omtrent de percentages en de verhoging van deze contingenten tot en met 31 december 1992.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 Tot staving van haar beroep betoogt de Commissie, dat de Portugese regering op het in het met redenen omkleed advies vastgestelde tijdstip geen van de in de aanbeveling genoemde maatregelen had genomen en de monopolies voor ethylalcohol en gedistilleerd uit wijn niet in dier voege had aangepast, dat uitvoering werd gegeven aan artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte.
6 Ter beoordeling van de gegrondheid van dit middel moet eerst de omvang worden vastgesteld van de verplichting die artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte aan de Portugese Republiek oplegt met betrekking tot de geleidelijke aanpassing van die monopolies in de periode tussen 1 januari 1986 en 1 januari 1993 (hierna: "overgangsperiode").
7 In dit verband zij opgemerkt dat de uitsluiting, aan het einde van de overgangsperiode, van elke discriminatie, een welbepaalde verplichting vormt waarvan de nakoming door het geleidelijk verloop van de voorziene aanpassing moet worden vergemakkelijkt, zonder daarvan afhankelijk te worden gesteld. Het Hof had de gelegenheid, dit in het arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181, r.o. 24) nader te omschrijven met betrekking tot artikel 37, lid 1, van het Verdrag, dat verplichtingen behelst van gelijke omvang als die van artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte.
8 Volgens voornoemd arrest is de termijn welke aldus aan de Lid-Staten is gelaten om de betrokken nationale monopolies geleidelijk aan te passen, bedoeld om gemakkelijker te kunnen komen tot nieuwe situaties die te verenigen zijn met de uitsluiting, aan het einde van de overgangsperiode, van elke discriminatie.
9 De aan de Commissie bij artikel 208, lid 1, derde alinea, van de Toetredingsakte opgedragen taak om tot de betrokken Lid-Staten niet-bindende handelingen in de vorm van aanbevelingen te richten met betrekking tot de wijze waarop en het ritme waarin de in dit artikel voorgeschreven aanpassing moet worden verwezenlijkt, moet in het licht van die doelstelling worden gezien.
10 Gelet op bovenstaande overwegingen moet worden vastgesteld, dat de Portugese Republiek ingevolge artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de keuze van de middelen die geschikt zijn om de betrokken monopolies geleidelijk aan te passen in dier voege, dat uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie als bedoeld in die bepaling is uitgesloten.
11 Hoewel het bijgevolg aan de Portugese regering staat, de ter bereiking van dat doel geschikte maatregelen te bepalen en het ritme ervan vast te stellen, verplicht het geleidelijk verloop van de door artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte voorgeschreven aanpassing haar in de overgangsperiode ertoe, daadwerkelijk met de aanpassingsprocedure te beginnen opdat zij kan voldoen aan de verplichting, aan het einde van die periode elke discriminatie uit te sluiten.
12 Zonder dat de door partijen uitgewisselde argumenten gedetailleerd behoeven te worden onderzocht, moet derhalve worden nagegaan, of de Commissie het bewijs heeft geleverd, dat de Portugese regering op het in het met redenen omkleed advies vastgestelde tijdstip geen maatregelen had vastgesteld die ertoe strekten, vóór het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, uit te sluiten.
13 Volgens de Commissie kunnen de vóór dit tijdstip door de Portugese regering genomen maatregelen niet worden beschouwd als een aanpassing van de betrokken monopolies overeenkomstig artikel 208, lid 1, eerste alinea, van de Toetredingsakte. Het zou hier slechts gaan om eenvoudige maatregelen ter voorbereiding van een toekomstige aanpassing van die monopolies.
14 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de Commissie geenszins het criterium voor het onderscheid tussen aanpassingsmaatregelen en maatregelen ter voorbereiding van een toekomstige aanpassing heeft toegelicht, noch heeft weten aan te tonen, dat de door de Portugese regering getroffen maatregelen veeleer tot de laatste dan tot de eerste categorie behoren.
15 Wat betreft zowel het monopolie voor ethylalcohol, al dan niet uit landbouwprodukten verkregen, als het monopolie voor de verkrijging en de levering van gedistilleerd, verkregen uit wijn, bestemd voor de vervaardiging van portwijn, had de Portugese regering immers, zoals de advocaat-generaal in punt 4 van zijn conclusie heeft opgemerkt, op het in het met redenen omkleed advies vastgestelde tijdstip concrete maatregelen genomen, waarvan de Commissie het bestaan geenszins bestrijdt en waarvan zij niet heeft aangetoond dat zij niet bijdroegen tot het doel, vóór het einde van de overgangsperiode elke discriminatie uit te sluiten.
16 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de Portugese regering op het in het met redenen omkleed advies vastgestelde tijdstip daadwerkelijk een begin had gemaakt met het proces van geleidelijke aanpassing van de betrokken monopolies, overeenkomstig de haar bij artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte opgelegde verplichting.
17 Aan die vaststelling kan niet worden afgedaan door de omstandigheid, dat de Portugese regering op dat tijdstip noch voor ethylalcohol noch voor gedistilleerd uit wijn contingenten voor de invoer en vrije verhandeling van ingevoerde produkten had geopend volgens het tijdschema neergelegd in de aanbeveling die de Commissie op 8 oktober 1987 tot haar had gericht.
18 Anders dan het geval is bij het monopolie voor aardolieprodukten, waarvoor in artikel 208, lid 2, van de Toetredingsakte uitvoerige voorschriften betreffende de vrijmaking van de markten zijn neergelegd, bevat artikel 208, lid 1, geen enkele specificatie van de middelen waarmee de geleidelijke aanpassing van de litigieuze monopolies moet plaatsvinden. Zoals reeds hiervoor in punt 10 werd vermeld, wordt bijgevolg de keuze van deze middelen aan de Portugese Republiek gelaten.
19 Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld, dat het beroep wegens niet-nakoming ongegrond is en derhalve moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Daar de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy