Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet-nakoming - Rechtvaardiging - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 169)
Samenvatting
Een Lid-Staat kan zich ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van in gemeenschapsrichtlijnen voorgeschreven verplichtingen en termijnen niet beroepen op nationale bepalingen, praktijken of situaties.
Partijen
In zaak C-377/90,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht vastgesteld op het gebied vallende onder richtlijn 87/540/EEG van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma' s, certificaten en andere titels niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, R. Joliet en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 1990, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door de tekst van de bepalingen van intern recht vastgesteld op het gebied vallende onder richtlijn 87/540/EEG van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma' s, certificaten en andere titels (PB 1987, L 322, blz. 20), de krachtens artikel 11 van deze richtlijn en de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 11 van richtlijn 87/540 bepaalt, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen in werking doen treden om uiterlijk op 30 juni 1988 aan deze richtlijn te voldoen, en dat zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Daar de Commissie van de Belgische regering geen enkele mededeling van ter uitvoering van de richtlijn vastgestelde wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen had ontvangen, maande zij deze regering bij brief van 21 augustus 1988 aan, haar opmerkingen in te dienen. Aangezien op deze brief niet werd geantwoord, bracht de Commissie op 7 maart 1990 een met redenen omkleed advies uit. Toen hierop wederom geen antwoord volgde, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport van de rechter-rapporteur. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
5 De Belgische regering heeft erkend, dat door tal van interne en institutionele moeilijkheden de maatregelen die nodig zijn om de richtlijn in intern recht om te zetten, niet waren genomen.
6 Volgens vaste rechtspraak vormt dit soort moeilijkheden voor een Lid-Staat geen rechtvaardiging om de voor de uitvoering van een richtlijn nodige maatregelen niet te nemen (zie met name het arrest van 11 juni 1991, zaak C-290/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-2851).
7 Aangezien de Commissie het voorwerp van haar beroep heeft beperkt tot het uitblijven van mededeling van de ter uitvoering van de richtlijn genomen maatregelen, kan het Hof het beroep slechts in zoverre aanvaarden.
8 Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door de tekst van de bepalingen van intern recht die zijn vastgesteld op het gebied vallende onder richtlijn 87/540 van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma' s, certificaten en andere titels niet binnen de gestelde termijn mee te delen, de krachtens artikel 11 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door de tekst van de bepalingen van intern recht die zijn vastgesteld op het gebied vallende onder richtlijn 87/540/EEG van de Raad van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma' s, certificaten en andere titels niet binnen de gestelde termijn mee te delen, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 11 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt in de kosten verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy