Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Ernstige en onherstelbare schade - Financiële schade
( EEG-Verdrag, artikelen 185 en 186; Reglement voor de procesvoering, artikel 83, paragraaf 2 )
Samenvatting
Het spoedeisende karakter van een verzoek om opschorting of om voorlopige maatregelen moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om opschorting of om voorlopige maatregelen verzoekt . Financiële schade is in beginsel alleen dan als ernstig en onherstelbaar te beschouwen, indien ze niet geheel kan worden goedgemaakt wanneer de verzoekende partij in haar beroep ten principale in het gelijk wordt gesteld . Dit kan onder meer het geval zijn, wanneer de gestelde schade het voortbestaan van de betrokken onderneming bedreigt of wanneer de schade, indien deze zich verwezenlijkt, niet kan worden becijferd .
Partijen
In zaak C-51/90 R,
Comos-Tank BV en Matex Nederland BV, vennootschappen naar Nederlands recht, respectievelijk gevestigd te Amsterdam en Rotterdam, vertegenwoordigd door B . H . ter Kuile, advocaat te 's-Gravenhage, en P . H . Wackie Eysten, advocaat te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
en in zaak C-59/90 R,
Mobil Oil BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Rotterdam, vertegenwoordigd door A . J . Braakman en P . Glazener, advocaten te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende primair verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening ( EEG ) nr . 313/90 van de Commissie van 5 februari 1990 betreffende de indeling van bepaalde goederen onder code 27 10 00 69 van de gecombineerde nomenclatuur,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE
VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 maart 1990, hebben Comos-Tank BV ( hierna : Comos ) en Matex Nederland BV ( hierna : Matex ) krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag een beroep ingesteld strekkende tot vergoeding van de schade die de Commissie hun zou hebben veroorzaakt door verordening ( EEG ) nr . 313/90 van 5 februari 1990 betreffende de indeling van bepaalde goederen onder code 2710 00 69 van de gecombineerde nomenclatuur ( PB 1990, L 35, blz . 7 ).
2 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op dezelfde datum, hebben Comos en Matex krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag eveneens een verzoek in kort geding ingediend, dat primair strekt tot opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr . 313/90 ten aanzien van verzoeksters .
3 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 maart 1990, heeft Mobil Oil BV ( hierna : Mobil Oil ) krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag een beroep ingesteld strekkende tot vergoeding van de schade die de Commissie haar zou hebben veroorzaakt door verordening nr . 313/90 .
4 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op dezelfde datum, heeft Mobil Oil krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag eveneens een verzoek in kort geding ingediend, dat primair strekt tot opschorting van de tenuitvoerlegging van deze verordening te haren aanzien .
5 Subsidiair vragen de drie verzoeksters het Hof te bepalen, dat de verordening ten aanzien van verzoeksters geen toepassing kan vinden dan in de gevallen waarin naar objectieve maatstaven volledig is voldaan aan de cumulatieve en stricte voorwaarden van de verordening .
6 De Commissie heeft schriftelijke opmerkingen ingediend op 30 maart 1990 . Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 4 mei 1990 .
7 De twee verzoeken in kort geding betreffen hetzelfde onderwerp en zijn zodanig met elkaar verknocht, dat zij bij dezelfde beschikking kunnen worden behandeld .
8 Alvorens de gegrondheid van de verzoeken in kort geding te onderzoeken, dient eerst kort te worden ingegaan op verordening nr . 313/90 van de Commissie en de juridische context daarvan .
9 De gecombineerde nomenclatuur, die is ingesteld bij verordening ( EEG ) nr . 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief - en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1987, L 256, blz . 1 ), onderscheidt in hoofdstuk 27 voor wat gasolie betreft, tussen gasolie "bestemd om een aangewezen behandeling te ondergaan" ( onderverdeling 27 10 00 61 ), gasolie bestemd om chemisch te worden verwerkt ( onderverdeling 27 10 00 65 ) en gasolie "bestemd voor ander gebruik" ( onderverdeling 27 10 00 69 ).
10 Blijkens dezelfde verordening wordt geen invoerrecht geheven van gasolie die bestemd is om een "aangewezen behandeling" te ondergaan ( onderverdeling 27 10 00 61 ), terwijl voor gasolie bestemd voor ander gebruik ( onderverdeling 27 10 00 69 ) een invoerrecht van 3,5 % geldt .
11 Volgens een voetnoot in de gecombineerde nomenclatuur is de indeling onder code 27 10 00 61 onderworpen aan de voorwaarden en bepalingen, vastgesteld bij de op dit gebied geldende communautaire bepalingen . Punt 4 van de aanvullende aantekeningen bij hoofdstuk 27 van de nomenclatuur geeft aan, welke bewerkingen als "aangewezen behandeling" in de zin van voormelde onderverdelingen worden beschouwd . Een van de daar opgesomde veertien bewerkingen is de "vacuuemdistillatie ".
12 Krachtens artikel 9, lid 1, van verordening nr . 2658/87 van de Raad is de Commissie bevoegd om volgens de in deze verordening voorziene procedure maatregelen betreffende de toepassing van de gecombineerde nomenclatuur vast te stellen, onder meer wat betreft de indeling van goederen in deze nomenclatuur . Op grond van deze bepaling heeft de Commissie op 5 februari 1990 verordening nr . 313/90 vastgesteld betreffende de indeling van bepaalde goederen onder code 27 10 00 69 van de gecombineerde nomenclatuur .
13 In de considerans van deze verordening wordt opgemerkt, dat blijkens de structuur en de inhoud van hoofdstuk 27 van de nomenclatuur een behandeling uitsluitend als "aangewezen behandeling" kan worden aangemerkt, dit wil zeggen recht geven op vrijstelling van douanerecht, indien de kenmerken van het basisprodukt daardoor aanmerkelijk worden gewijzigd . Volgens de considerans is dit niet het geval bij de vacuuemdistillatie van gasolie met een ontvlammingspunt van 55 °C of meer, bedoeld "ter verhoging van het ontvlammingspunt ten einde de zekerheid te verkrijgen dat het ontvlammingspunt in het eindprodukt, na in het vrije verkeer te zijn gebracht, vanwege het vervoer in verontreinigde tanks of na de toevoeging van kerosine ( lamppetroleum of lampolie ) om de mate van vloeibaarheid te verhogen, niet daalt beneden 55 °C, in het algemeen het vereiste minimum voor het in de handel brengen van het onderhavige produkt als gasolie ". In de considerans van de verordening wordt beklemtoond, dat deze behandeling noch om technische noch om economische reden noodzakelijk lijkt, wanneer het ingevoerde basisprodukt zowel voor als na de behandeling als motorbrandstof of als huisbrandolie kan worden aangewend .
14 In artikel 1 van deze verordening is bijgevolg bepaald, dat gasolie met een ontvlammingspunt van 55 °C of meer en bestemd om een vacuuemdistillatie te ondergaan met het hierboven aangegeven doel wordt ingedeeld onder code 27 10 00 69 "gasolie bestemd voor ander gebruik ".
15 Verordening nr . 313/90 is op 28 februari 1990 in werking getreden .
16 Ingevolge artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering kunnen opschorting van de tenuitvoerlegging en andere voorlopige maatregelen slechts worden toegestaan in omstandigheden waaruit blijkt van de spoedeisendheid, en indien er middelen, zowel feitelijk als rechtens, zijn aangevoerd op grond waarvan de opschorting of de voorlopige maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen .
17 Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het spoedeisende karakter van een verzoek om opschorting of om voorlopige maatregelen worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om opschorting of om voorlopige maatregelen verzoekt .
18 In de eerste plaats moet worden onderzocht, of aan deze voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan .
19 Comos en Matex zijn opslagbedrijven die voor rekening en op naam van hun cliënten onder meer aardolieprodukten importeren en opslaan . Beide ondernemingen beschikken over een installatie voor vacuuemdistillatie .
20 Mobil Oil, de Nederlandse dochtermaatschappij van een multinationale onderneming, exploiteert een verouderde raffinaderij die aan haar opslagbedrijf toebehoort . Dit bedrijf verzorgt de import en opslag van onder meer aardolieprodukten, hetzij voor rekening van verzoekster zelf, hetzij op naam en voor rekening van derden . Dit bedrijf beschikt eveneens over een installatie voor vacuuemdistillatie .
21 De drie verzoeksters betogen, dat zij reeds jarenlang gasolie importeren uit derde landen, onder meer uit de Sovjet-Unie . Tot dusver konden zij gasolie voor hun cliënten invoeren zonder dat de laatsten douanerechten moesten betalen, door namelijk de gasolie een behandeling te doen ondergaan waardoor het produkt voldeed aan onderverdeling 27 10 00 61 . Tot 31 december 1989 hadden de Nederlandse autoriteiten aanvaard, dat een stabilisatieprocédé, dat verzoeksters in staat waren in hun installaties toe te passen, voldeed aan de communautaire vereisten om als "aangewezen behandeling" te kunnen worden beschouwd ten behoeve van deze onderverdeling . Dit procédé wordt echter niet langer erkend, zodat zij gasolie thans nog slechts onder code 27 10 00 61 zouden kunnen invoeren door het produkt een vacuuemdistillatie te doen ondergaan .
22 Voorts wijzen zij erop dat, daar zij opslagbedrijven zijn, hun installaties niet geschikt zijn voor een andere "aangewezen behandeling" van de gasolie dan de vacuuemdistillatie en dat, wat de invoer van gasolie betreft, zij moeten concurreren tegen de raffinaderijen, wier installaties geschikt zijn om verschillende van de veertien "aangewezen behandelingen" uit te voeren die voor code 27 10 00 61 zijn erkend . De ingevoerde gasolie zou een zodanig kwalitatief homogeen produkt zijn, dat het voor de gebruiker niet van belang zou zijn, of het produkt de ene dan wel de andere technische behandeling heeft ondergaan .
23 Ten slotte stellen zij, dat zij door verordening nr . 313/90 van de Commissie niet langer in staat zijn de gasolie zonder betaling van het douanerecht van 3,5 % voor hun cliënten in te voeren . De opdrachtgevers voor wie verzoeksters gewoonlijk gasolie uit derde landen invoeren, zouden zich dientengevolge tot de raffinaderijen wenden, die deze invoer steeds kunnen verzorgen . De investeringen in de installaties voor vacuuemdistillatie zouden als verloren zijn te beschouwen en verzoeksters zouden behalve het aandeel van deze importen in hun omzet, ook hun aandelen in de betrokken markt verliezen; deze laatste schade zou moeizaam zijn goed te maken vanwege de kenmerken van de markt, met name het bestaan van lange-termijncontracten .
24 Het is vaste rechtspraak van het Hof ( cf . in het bijzonder de beschikking van de president van het Hof van 26 september 1988, zaak 229/88 R, Cargill, Jurispr . 1988, blz . 5183 ), dat financiële schade in beginsel alleen dan als ernstig en onherstelbaar is te beschouwen, indien ze niet geheel kan worden goedgemaakt wanneer de verzoekende partijen in hun beroep ten principale in het gelijk worden gesteld . Dit kan onder meer het geval zijn, wanneer de gestelde schade het voortbestaan van de betrokken onderneming bedreigt of wanneer de schade, zelfs indien deze zich verwezenlijkt, niet kan worden becijferd . Derhalve dient te worden onderzocht, of de schade dan wel de kans op schade, die elk van verzoeksters heeft aangevoerd, ernstig is en bovendien, of deze als onherstelbaar in vorenbedoelde zin dient te worden aangemerkt .
25 Mobil Oil heeft omtrent haar schade gesteld, dat zij sinds 1985 940 000 HFL heeft geïnvesteerd in een installatie voor vacuuemdistillatie en dat het verlies van de markt van de invoer van gasolie voor rekening van derden een inkomstenderving van naar schatting 2 miljoen HFL per jaar betekent . Haar opslagbedrijf zou daardoor verliesgevend worden .
26 Gelet op het feit, dat de jaaromzet van Mobil Oil volgens haar zeggen 750 miljoen HFL bedraagt, kan het gestelde verlies niet als voldoende ernstig worden beschouwd om voorlopige maatregelen te kunnen rechtvaardigen .
27 Comos heeft omtrent haar schade gesteld, dat zij 2 miljoen HFL heeft geïnvesteerd in een installatie voor vacuuemdistillatie die in de loop van 1989 in bedrijf is gesteld . In 1989 vertegenwoordigde de invoer van gasolie uit derde landen volgens haar een waarde van 1,75 miljoen HFL bij een totale omzet van 25,6 miljoen HFL . Zij stelt, dat zij voor 1990 op een geraamde totale omzet van 27 miljoen HFL een verlies dreigt te lijden van 3,2 miljoen HFL in verband met de invoer van gasolie bestemd om een vacuuemdistillatiebehandeling te ondergaan .
28 Ter terechtzitting is gebleken, dat de invoer van gasolie door Comos bestemd voor vacuuemdistillatie na de inwerkingtreding van verordening nr . 313/90 niet belangrijk is gedaald in vergelijking tot voormelde ramingen . Comos meent nochtans, dat zij deze importen ieder moment dreigt te verliezen wegens de onzekerheid over de toepassing van de in deze verordening gestelde voorwaarden voor erkenning van de vacuuemdistillatie als "aangewezen behandeling ".
29 Vastgesteld moet worden, dat Comos tot op dit moment geen schade lijkt te hebben geleden ten gevolge van verordening nr . 313/90 van de Commissie en dat zij evenmin heeft aangetoond, dat de dreiging van zodanige schade zo waarschijnlijk is, als voor het treffen van een voorlopige voorziening vereist is .
30 Matex ten slotte stelt omtrent haar schade, dat zij ongeveer 2,5 miljoen HFL heeft geïnvesteerd in een installatie voor vacuuemdistillatie die op 15 december 1989 in bedrijf is gesteld . Voorts zou zij vanaf de inwerkingtreding van verordening nr . 313/90 van de Commissie nagenoeg alle cliënten zijn kwijtgeraakt voor wie zij gewoonlijk gasolie importeerde . Voor 1990 zou haar verlies tussen 3,5 à 5,5 miljoen HFL bedragen op een geraamde totale omzet van 157,5 miljoen HFL . Dit cijfer zou het verlies van het marktaandeel vertegenwoordigen, dat verzoekster bij de invoer en opslag van gasolie uit de USSR had, ofwel 9 % op de Nederlandse markt en 6,8 % op de gemeenschappelijke markt .
31 Voor een onderneming van de omvang van Matex kan een dergelijk verlies een ernstige schade betekenen, doch niet is aangetoond, dat dit verlies niet geheel zou kunnen worden goedgemaakt wanneer verzoekster in haar principale beroep in het gelijk werd gesteld . Enerzijds is niet gesteld en nog minder bewezen, dat dit verlies een bedreiging vormt voor het voortbestaan van Matex . Anderzijds, wat het verlies aan marktaandeel betreft dat moeilijk zou zijn terug te veroveren, lijkt het niet aannemelijk, dat een dergelijk verlies niet kan worden gekwantificeerd . De door Matex gestelde schade kan derhalve niet als onherstelbaar worden aangemerkt .
32 Aangezien de voorwaarde van spoedeisendheid voor geen van de verzoeksters is vervuld, kunnen de andere voorwaarden voor het treffen van een voorlopige voorziening onbesproken blijven .
33 Om dezelfde reden kan in het midden blijven, of een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling ontvankelijk is, wanneer dezelfde verzoeker een beroep heeft ingesteld dat enkel strekt tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van de toepassing van de betrokken handeling stelt te lijden, alsook of het Hof eventueel bevoegd zou zijn om bij wijze van voorlopige maatregel de nationale autoriteiten te gelasten een gemeenschapsverordening op een bepaalde manier toe te passen; partijen hebben deze kwesties overigens niet aan de orde gesteld .
Dictum
De president
rechtdoende bij voorraad,
beschikt :
1 ) De verzoeken in kort geding worden verworpen .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 23 mei 1990 .
Full & Egal Universal Law Academy