Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure - Herziening van arrest - Voorwaarden voor ontvankelijkheid van verzoek - Nieuw feit - Verzoek betreffende op hogere voorziening gewezen arrest, waarbij Hof slechts over rechtsvragen besliste en zaak naar Gerecht van eerste aanleg terugverwees - Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 41)
Samenvatting
Niet-ontvankelijk is een verzoek tot herziening van een arrest waarbij het Hof de hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht van eerste aanleg gegrond verklaarde op grond dat het Gerecht het gemeenschapsrecht had geschonden, en de zaak voor een uitspraak ten gronde naar het Gerecht terugverwees. In een dergelijk arrest beslist het Hof immers slechts over rechtsvragen, zonder zich uit te spreken over de door het Gerecht vastgestelde feiten. Daaruit volgt, dat een dergelijk arrest niet het voorwerp kan zijn van een verzoek tot herziening op grond van het gestelde bestaan van een nieuw feit.
Partijen
In zaak C-185/90 P Rev.,
W. Gill, wonende te Long Barn, Stoke-by-Clare, Sudbury, Suffolk (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door. A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Grand-rue 31,
verzoeker tot herziening,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Griesmar en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot herziening van het door het Hof van Justitie (Tweede kamer) op 4 oktober 1991 gewezen arrest in zaak C-185/90 P (Gill/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-4779),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse en P. J. G. Kapteyn, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Díez de Velasco, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 december 1991, heeft W. Gill, voormalig ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, krachtens artikel 41 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA verzocht om herziening van het door het Hof van Justitie (Tweede kamer) op 4 oktober 1991 gewezen arrest in zaak C-185/90 P (Gill, Jurispr. 1991, blz. I-4779).
2 Bij dit arrest heeft het Hof de hogere voorziening van de Commissie tegen het op 6 april 1990 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) in zaak T-43/89 gewezen arrest tussen W. Gill en de Commissie toegewezen, laatstgenoemd arrest vernietigd en de zaak naar het Gerecht verwezen.
3 Gill concludeert dat het den Hove behage:
"I. Primair:
1) te verklaren dat het verzoek binnen de door het Reglement voor de procesvoering van het Hof gestelde termijn is ingediend en derhalve ontvankelijk is;
2) rechtsoverweging 26 van het arrest van het Hof van 4 oktober 1991, waarin het rapport van de invaliditeitscommissie verkeerd is geïnterpreteerd, te herzien;
3) te verstaan, dat het arrest van 4 oktober 1991 moet worden herzien op grond dat de medische attesten van dokter Schneider van 24 februari 1989 en 1 oktober 1991 nieuwe feiten aan het licht hebben gebracht;
4) derhalve te verstaan, dat gelet op die nieuwe feiten de door artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut vereiste oorzakelijke band, samenhang en continuïteit vaststaan, en dat het gemeenschapsrecht dus niet is geschonden;
5) bijgevolg te verstaan, dat het tweede middel van de hogere voorziening ongegrond moet worden verklaard;
6) uit deze herziening de juridische gevolgen te trekken en het dictum van het arrest van het Hof van 4 oktober 1991 dienovereenkomstig te wijzigen;
7) de zaak voor afdoening naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen;
II. subsidiair:
8) voor zoveel nodig en voor zover het Hof gebruik zou maken van het evocatierecht waarin artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering lijkt te voorzien, de zaak ten gronde te onderzoeken, met name tegen de achtergrond van de nieuwe feiten;
III. zeer subsidiair:
9) indien het Hof van oordeel is, niet over voldoende informatie te beschikken, te gelasten dat een nieuwe invaliditeitscommissie wordt ingesteld met de opdracht zich uit te spreken over het causaal verband tussen de werkzaamheden die verzoeker bij de Commissie heeft verricht, en de verslechtering van diens gezondheidstoestand; zoniet, overeenkomstig de artikelen 45 en volgende van het Reglement voor de procesvoering bij wege van beschikking de te bewijzen feiten aan te wijzen en een deskundigenonderzoek over dat causaal verband te gelasten;
in elk geval:
10) verzoeker alle andere rechten, vorderingen en acties voor te behouden,
11) kosten rechtens."
4 In haar opmerkingen, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 januari 1992, concludeert de Commissie dat het den Hove behage:
- het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoeker in de kosten te verwijzen.
5 Tot staving van zijn verzoek betoogt Gill, dat rechtsoverweging 26 van het arrest van het Hof moet worden herzien, op grond dat de overweging van het Hof, dat de invaliditeitscommissie het bestaan van elk causaal verband tussen de ziekte van de ambtenaar en diens werkzaamheden bij de Gemeenschappen had ontkend, een kennelijk verkeerde interpretatie inhoudt. Zijns inziens heeft de invaliditeitscommissie het bestaan van een causaal verband tussen de verslechtering van de gezondheidstoestand van de ambtenaar en de uitoefening van diens werkzaamheden bij de Gemeenschappen immers niet uitdrukkelijk uitgesloten, doch hooguit twijfel dienaangaande geuit en moet de twijfel in een zaak als de onderhavige in het voordeel van de ambtenaar spelen.
6 Gill stelt voorts, dat zijn verzoek ook is gebaseerd op het bestaan van een nieuw feit dat door twee medische attesten, van 24 februari 1989 en 1 oktober 1991, aan het licht is gebracht. Volgens die attesten is zijn gezondheidstoestand immers gestabiliseerd en vervolgens licht verbeterd sinds hij niet meer bij de Commissie werkzaam is. Bijgevolg is het bestaan van een causaal verband tussen ziekte of de verergering ervan en de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen aangetoond, en heeft het Gerecht het gemeenschapsrecht niet geschonden door verzoekers beroep gegrond te verklaren.
7 De Commissie acht het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
8 Zij stelt in dit verband, dat het tot staving van Gills verzoek gevoerde betoog, als zou het Hof het rapport van de invaliditeitscommissie kennelijk verkeerd hebben geïnterpreteerd, geen verband houdt met het opduiken van een nieuw feit en derhalve het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof niet in geding kan brengen.
9 Met betrekking tot Gills argument, dat de twee medische attesten een nieuw feit aan het licht hebben gebracht, betoogt de Commissie in de eerste plaats, dat verzoeker de in artikel 98 van het Reglement voor de procesvoering gestelde termijn van drie maanden niet in acht heeft genomen; Gill had immers al sinds 24 februari 1989 kennis van het eerste medisch attest, en het tweede attest bevestigde slechts het in het eerste attest geformuleerde oordeel. Voorts wijst de Commissie erop, dat het in het onderhavige geval gestelde nieuwe feit het Hof noch verzoeker tot herziening onbekend was, en niet doorslaggevend kan zijn geweest voor het arrest van het Hof van 4 oktober 1991. Gill had immers al ten minste sedert februari 1989 kennis van het ingeroepen feit, dat Gerecht en het Hof sinds 14 februari 1990, de dag waarop verzoeker het attest van 24 februari 1989 ter terechtzitting in zaak T-43/89 heeft neergelegd. Bovendien kan het feit, dat Gills gezondheidstoestand enigszins is verbeterd sinds hij alle beroepsactiviteiten heeft gestaakt, de wettigheid van het overeenkomstig de bevindingen van de invaliditeitscommissie genomen besluit van de Commissie noch 's Hofs juridische beoordeling van de motivering van het arrest van het Gerecht in geding brengen.
10 Bij een op 18 december 1991 ter griffie van het Hof neergelegde brief, heeft Union Syndicale-Luxembourg, interverniënte ter ondersteuning van Gills conclusies in zaak C-185/90 P, het Hof meegedeeld, dat zij geen opmerkingen had over het verzoek tot herziening.
11 Ten einde de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek te beoordelen, moet eraan worden herinnerd, dat volgens artikel 41, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG,
"herziening van een arrest aan het Hof slechts kan worden verzocht op grond van de ontdekking van een feit, dat van beslissende invloed kan zijn en dat, vóór de uitspraak van het arrest, onbekend was aan het Hof en aan de partij, die de herziening verzoekt".
12 Hieruit blijkt, dat herziening geen vorm van hoger beroep is, maar een buitengewoon rechtsmiddel, dat het mogelijk maakt, het gezag van gewijsde van een eindarrest in geding te brengen op grond van de feiten waarop de rechterlijke instantie zich heeft gebaseerd. Herziening vooronderstelt de ontdekking van aan de uitspraak van het arrest voorafgaande feiten die de rechter die het arrest heeft gewezen, en de verzoeker tot herziening tot dan toe onbekend waren, en die de rechter, indien hij ze in aanmerking had kunnen nemen, tot een andere oplossing hadden kunnen brengen dan die welke aan het geschil is gegeven.
13 In het onderhavige geval vraagt verzoeker evenwel om herziening van een arrest waarbij het Hof de hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht gegrond heeft verklaard en dit arrest heeft vernietigd op grond dat het Gerecht het gemeenschapsrecht had geschonden. Het Hof heeft de zaak vervolgens niet zelf afgedaan, maar deze voor een uitspraak ten gronde naar het Gerecht verwezen.
14 In dit op hogere voorziening gewezen arrest heeft het Hof dus slechts over rechtsvragen beslist, zonder zich uit te spreken over de door het Gerecht vastgestelde vastgestelde feiten.
15 Doordat de zaak naar het Gerecht is verwezen, is het geschil trouwens in zijn geheel aldaar aanhangig, zodat verzoeker, die het bestaan van een nieuw feit aanvoert, dit nieuwe feit in de procedure voor het Gerecht kan inroepen.
16 Uit een en ander volgt, dat het arrest van 4 oktober 1991, waarin het Hof geen uitspraak diende te doen over de feiten, niet het voorwerp kan zijn van een verzoek tot herziening op grond van het gestelde bestaan van een nieuw feit.
17 Mitsdien moet het verzoek tot herziening van het arrest van het Hof van 4 oktober 1991, zonder dat de door de Commissie daartegen geformuleerde bezwaren behoeven te worden onderzocht, krachtens artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
18 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen in beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
beschikt:
1) Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Elk der partijen zal zijn eigen kosten dragen.
Luxemburg, 25 februari 1992.
Full & Egal Universal Law Academy