Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Voorlopige maatregelen - Bevoegdheden van president krachtens artikel 84, paragraaf 2, Reglement voor de procesvoering
( EEG-Verdrag, artikel 186; Reglement voor de procesvoering, artikel 84, paragraaf 2 )
Partijen
In zaak C-195/90 R,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . Waegenbaur en R . Gosalbo Bono, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland,
verweerster,
betreffende een verzoek in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van het "Gesetz ueber Gebuehren fuer die Benutzung von Bundesfernstrassen mit schweren Lastfahrzeugen", van 30 april 1990,
geeft
de president van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 23 juni 1990 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door het "Gesetz ueber Gebuehren fuer die Benutzung von Bundesfernstrassen mit schweren Lastfahrzeugen" van 30 april 1990 ( wet inzake de wegengebruiksbelasting voor vrachtauto' s; hierna : "de wet ") vast te stellen, de krachtens de artikelen 76, 95 en 5 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
2 Bij afzonderlijke akte, eveneens op 23 juni 1990 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft de Commissie krachtens artikel 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, ertoe strekkende dat het Hof de Bondsrepubliek Duitsland zal gelasten de nodige maatregelen te nemen om de tenuitvoerlegging van de wet op te schorten totdat het Hof op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist .
3 De Commissie verzoekt het Hof uitdrukkelijk, krachtens artikel 84, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering nog voordat de wederpartij haar opmerkingen heeft voorgedragen, de gevraagde voorlopige maatregel te treffen totdat op het verzoek in kort geding is beslist .
4 Naar uit het dossier blijkt, zal de wet van 30 april 1990 op 1 juli 1990 van kracht worden .
5 Bij artikel 1 van de wet wordt, behoudens bepaalde vrijstellingen, een nieuwe belasting ingevoerd op het gebruik van bondsautowegen en bondswegen buiten de bebouwde kom door vrachtauto' s met een toegelaten of feitelijk gewicht van meer dan 18 ton, ongeacht in welk land die vrachtauto' s zijn geregistreerd .
6 Al naar gelang het totale gewicht van het voertuig, ligt het bedrag van de belasting tussen 1 000 DM en 9 000 DM per jaar . De belasting kan volgens zekere modaliteiten worden voldaan voor bepaalde periodes, naar keuze vast te stellen in dagen ( 24 uur ), weken of maanden .
7 Bij betaling van de belasting wordt een bewijsstuk afgegeven, dat in het voertuig aanwezig dient te zijn . De vereiste controles worden door, onder meer, de politie en de douane verricht; de controles aan de grenzen met andere Lid-Staten kunnen evenwel slechts steekproefsgewijs te zamen met andere controles plaatsvinden .
8 De wet bevat in artikel 2 voorts een wijziging van de wet op de motorrijtuigenbelasting (" Kraftfahrzeugsteuer "). Hierbij wordt een tijdelijk verlaagd tarief voor deze, voor ieder motorrijtuig verschuldigde belasting ingevoerd; die verlaging is afhankelijk van het totaal gewicht van het motorrijtuig, doch bedraagt in geen geval meer dan 3 500 DM per jaar .
9 Voorts blijkt uit het dossier, dat het ontwerp van genoemde wet op 21 maart 1989 is voorgelegd aan de Commissie, overeenkomstig de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaand onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de Lid-Staten op het gebied van het vervoer worden overwogen ( PB 1962, blz . 720 ).
10 In het overeenkomstig die beschikking uitgebrachte advies van de Commissie van 15 juni 1989 wordt erop gewezen, dat de voorgestelde verlaging van de motorrijtuigenbelasting enkel aan Duitse vervoerders ten goede zal komen, aangezien vervoerders uit de andere Lid-Staten ingevolge bilaterale akkoorden van die belasting zijn vrijgesteld, en dat die verlaging nagenoeg gelijk is aan het bedrag van de beoogde wegengebruiksbelasting . De invoering van laatstgenoemde belasting zou derhalve geen lastenverzwaring betekenen voor de Duitse vervoerders, doch uitsluitend voor de vervoerders uit andere Lid-Staten; deze zouden de wegengebruiksbelasting moeten betalen zonder dat daar voor hen het voordeel van een lagere motorrijtuigenbelasting tegenover staat .
11 De Commissie komt in haar advies tot de slotsom, dat de regeling die de Bondsrepubliek Duitsland voor ogen staat, inbreuk maakt op de "standstill"-verplichting van artikel 76 EEG-Verdrag, volgens welke, zolang een gemeenschappelijk vervoerbeleid als voorzien in artikel 75, lid 1, niet tot stand is gebracht, en behoudens met eenparigheid van stemmen verleende goedkeuring van de Raad, geen enkele Lid-Staat de onderscheidene bepalingen die ter zake gelden bij de inwerkingtreding van het Verdrag, zodanig mag veranderen, dat zij in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking minder gunstig worden voor de vervoerondernemers der overige Lid-Staten dan voor de nationale vervoerondernemers . Volgens het advies zou de beoogde regeling daarenboven in strijd zijn met, met name, artikel 95 EEG-Verdrag .
12 Na de goedkeuring van het ontwerp op 6 april 1990 deed de Commissie de Duitse autoriteiten op 11 april daaraanvolgend een aanmaningsbrief toekomen, op 1 juni 1990 gevolgd door het in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag bedoelde met redenen omkleed advies .
13 In hun antwoorden van 30 april en 22 juni 1990 op de aanmaningsbrief respectievelijk het met redenen omkleed advies verklaren de Duitse autoriteiten, dat met de wet enerzijds wordt beoogd, de voor vrachtauto' s zeer hoge motorrijtuigenbelasting op het gemiddelde Europese niveau te brengen en aldus de mededingingsvoorwaarden te harmoniseren, en anderzijds het buitenlandse vrachtvervoer meer te laten bijdragen in de kosten van het Duitse wegennet . De getroffen maatregelen zouden met name niet in strijd zijn met artikel 76 EEG-Verdrag - dit artikel bevat immers geen "standstill"-verplichting, doch is een bijzondere non-discriminatiebepaling -, aangezien noch de nieuwe wegengebruiksbelasting noch de verlaging van de motorrijtuigenbelasting op zich discriminerend zijn .
14 In hun antwoorden wijzen de Duitse autoriteiten erop, dat de wegengebruiksbelasting in overeenstemming is met het beleid dat de Commissie zelf voorstaat in haar voorstel van 8 januari 1988 voor een richtlijn van de Raad betreffende de toerekening van de infrastructuurkosten aan bepaalde zware vrachtvoertuigen, en dat de wet een beperkte geldigheidsduur heeft en in 1993 zal vervallen, in de verwachting dat er in tussentijd een geharmoniseerd gemeenschappelijk belastingstelsel is vastgesteld .
15 Met betrekking tot de spoedeisendheid van haar verzoek in kort geding stelt de Commissie met name, dat eenzijdige invoering van de wegengebruiksbelasting een ondraaglijke inbreuk op de communautaire openbare orde zou betekenen, de vervoersmarkt ernstig zou verstoren en een groot aantal kleine en middelgrote vervoersondernemingen uit de andere Lid-Staten in hun bestaan zou bedreigen .
16 Voorts wijst de Commissie erop, dat de invoering van de wegengebruiksbelasting de andere Lid-Staten aanleiding zou kunnen geven tot vergeldingsmaatregelen, wat de markt nog meer zou verstoren en elke hoop om tot een gemeenschappelijk beleid te komen, de bodem zou inslaan .
17 Ingevolge artikel 84, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering kan de president een verzoek om voorlopige maatregelen toestaan nog voordat de wederpartij haar opmerkingen heeft voorgedragen . Deze maatregel kan nadien, ook ambtshalve, worden gewijzigd of ingetrokken .
18 Opgemerkt zij, dat het in dit stadium van de procedure, nu de regering van de Bondsrepubliek Duitsland haar standpunt met betrekking tot het verzoek in kort geding van de Commissie nog niet ten volle uiteen heeft kunnen zetten, niet mogelijk is te beslissen, of de door de Commissie aangevoerde middelen feitelijk en rechtens de door haar verlangde voorlopige maatregelen voldoende kunnen rechtvaardigen .
19 Die middelen lijken aanvankelijk evenwel niet ongegrond te zijn, en het valt niet uit te sluiten, dat uit de omstandigheden waarop de Commissie zich beroept, kan blijken van de voor voorlopige maatregelen vereiste spoedeisendheid .
20 In deze omstandigheden en gelet op de bijzonderheden van de zaak - met name het feit dat de in geding zijnde wet binnenkort in werking zal treden -, lijkt het om wille van een goede rechtsbedeling noodzakelijk, in afwachting van een beslissing over het verzoek in kort geding de status quo voor de vervoerders uit de andere Lid-Staten te handhaven . Mitsdien dient de Bondsrepubliek Duitsland bij wege van bewarende maatregel te worden gelast, tot de uitspraak van de beschikking die een einde zal maken aan dit kort geding, de heffing van de in de wet van 30 april 1990 voorziene wegengebruiksbelasting ten aanzien van in de andere Lid-Staten geregistreerde voertuigen op te schorten .
Dictum
DE PRESIDENT
beschikt :
1 ) Tot de uitspraak van de beschikking die een einde zal maken aan dit kort geding, zal de Bondsrepubliek Duitsland bij wege van bewarende maatregel de heffing van de in de wet van 30 april 1990 voorziene wegengebruiksbelasting opschorten ten aanzien van in de andere Lid-Staten geregistreerde voertuigen .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 28 juni 1990 .
Full & Egal Universal Law Academy