Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Kort geding - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Geldelijke schade
( EEG-Verdrag, artikel 186; Reglement voor de procesvoering, artikel 83, paragraaf 2 )
2 . Kort geding - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Zekerheidstelling
( EEG-Verdrag, artikel 186; Reglement voor de procesvoering, artikel 83, paragraaf 2 )
Samenvatting
1 . De in artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering genoemde spoedeisendheid van een maatregel in kort geding moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is om te voorkomen dat door onverwijlde toepassing van de regeling waartegen het beroep in de hoofdzaak is gericht, ernstige en onherstelbare schade ontstaat .
Ofschoon geldelijke schade in principe niet als onherstelbaar is te beschouwen, kan dit in bijzondere gevallen anders zijn, namelijk wanneer een vergoeding in geld niet volstaat om de gelaedeerde terug te brengen in de positie waarin hij vóór het optreden van de schade verkeerde .
2 . Ingeval in het verzoek om een voorlopige maatregel wordt bewilligd, kan er voor het stellen van zekerheid overeenkomstig artikel 86, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering slechts aanleiding bestaan indien de partij van wie dit wordt verlangd, schuldenaar is van de bedragen welker betaling aldus moet worden verzekerd, en er gevaar bestaat dat zij buiten staat zal geraken haar schuld te voldoen . Een dergelijk gevaar bestaat niet, wanneer de Gemeenschap de schuldenaar van die bedragen is .
Partijen
In zaak C-195/90 R,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . Waegenbaur en R . Gosalbo Bono, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door E . Marissens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L . Dupong, advocaat aldaar, 14 A, rue des Bains,
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J . Molde, juridisch adviseur bij het ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Deense ambassade, 11 B, boulevard Joseph-II,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door J.-P . Puissochet, directeur Juridische Zaken, en G . de Bergues, adjunct eerste secretaris bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, 9, boulevard Prince-Henri,
Groothertogdom Luxemburg, vertegenwoordigd door F . Kesseler, eerste regeringsraad bij het Ministerie van Vervoer, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij genoemd ministerie, 19-21, boulevard Royal,
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door A . Bos, juridisch adviseur, en J . W . de Zwaan, adjunct-juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, 5, rue C . M . Spoo,
interveniënten,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E . Roeder, Regierungsdirektor, en J . Karl, Oberregierungsrat bij het bondsministerie van Economische Zaken, en door J . Sedemund, advocaat te Keulen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Duitse ambassade, 20-22, avenue Émile-Reuter,
verweerster,
betreffende een verzoek in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van het "Gesetz ueber Gebuehren fuer die Benutzung von Bundesfernstrassen mit schweren Lastfahrzeugen", van 30 april 1990 ( BGBl . I, blz . 826 ),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler en M . Zuleeg, kamerpresidenten, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias, F . Grévisse en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 23 juni 1990 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door het "Gesetz ueber Gebuehren fuer die Benutzung von Bundesfernstrassen mit schweren Lastfahrzeugen" van 30 april 1990 ( wet inzake de wegengebruiksbelasting voor vrachtauto' s; hierna : "de wet ") vast te stellen, de krachtens de artikelen 76, 95 en 5 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
2 Bij afzonderlijke akte, eveneens op 23 juni 1990 neergelegd ter griffie van het Hof, heeft de Commissie krachtens artikel 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, ertoe strekkende dat het Hof de Bondsrepubliek Duitsland zal gelasten de nodige maatregelen te nemen om de tenuitvoerlegging van de wet op te schorten totdat het Hof op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist .
3 Bij beschikking van 28 juni 1990 heeft de president van het Hof, overeenkomstig artikel 84, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering uitspraak doende op het verzoek van de Commissie om voorlopige maatregelen te treffen nog voordat de wederpartij haar opmerkingen had voorgedragen, beschikt als volgt :
" 1 ) Tot de uitspraak van de beschikking die een einde zal maken aan dit kort geding, zal de Bondsrepubliek Duitsland bij wege van bewarende maatregel de heffing van de in de wet van 30 april 1990 voorziene wegengebruiksbelasting opschorten ten aanzien van in de andere Lid-Staten geregistreerde voertuigen .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden ."
4 Bij beschikking van 27 juni 1990, in werking getreden op 29 juni daaraanvolgend, heeft de president van het Hof krachtens artikel 85, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek in kort geding voor de eindbeslissing naar het Hof verwezen .
5 Bij beschikkingen van 4 juli 1990 zijn het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden toegelaten tot interventie in de kort-gedingprocedure ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie .
6 Het Koninkrijk België, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden hebben schriftelijke opmerkingen ingediend tot staving van hun verzoek tot interventie . De Bondsrepubliek Duitsland heeft op 29 juni 1990 schriftelijke opmerkingen ingediend . De Commissie, verzoekster, en het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden, interveniënten, alsmede de Bondsrepubliek Duitsland, verweerster, zijn in hun mondelinge opmerkingen gehoord ter terechtzitting van het Hof van 6 juli 1990 .
7 Bij artikel 1 van de wet van 30 april 1990 wordt, behoudens bepaalde vrijstellingen, een belasting (" Strassenbenutzungsgebuehr ") ingevoerd op het gebruik van bondsautowegen en bondswegen buiten de bebouwde kom door vrachtauto' s met een toegelaten laadgewicht van meer dan 18 ton, ongeacht in welk land die vrachtauto' s zijn geregistreerd .
8 Al naar gelang het totale gewicht van het voertuig, ligt het bedrag van de belasting tussen 1 000 DM en 9 000 DM per jaar . De belasting kan volgens zekere modaliteiten worden voldaan voor bepaalde periodes, naar keuze vast te stellen in dagen ( 24 uur ), weken of maanden .
9 Bij betaling van de belasting wordt een bewijsstuk afgegeven, dat in het voertuig aanwezig dient te zijn . De vereiste controles worden door, onder meer, de politie en de douane verricht; de controles aan de grenzen met andere Lid-Staten kunnen evenwel slechts steekproefsgewijs te zamen met andere controles plaatsvinden .
10 De wet bevat in artikel 2 voorts een wijziging van de wet op de motorrijtuigenbelasting (" Kraftfahrzeugsteuer "). Hierbij wordt tot eind 1993 een verlaagd tarief voor deze, voor ieder motorrijtuig verschuldigde belasting ingevoerd; die verlaging is afhankelijk van het totaal gewicht van het motorrijtuig, doch bedraagt in geen geval meer dan 3 500 DM per jaar .
11 Artikel 5 van de wet bepaalt, dat deze op 1 juli 1990 van kracht wordt en aan het eind van 1993 vervalt .
12 Voorts blijkt uit het dossier, dat het ontwerp van genoemde wet op 21 maart 1989 is voorgelegd aan de Commissie, overeenkomstig de beschikking van de Raad van 21 maart 1962 houdende vaststelling van een procedure voor het voorafgaand onderzoek en overleg omtrent bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke door de Lid-Staten op het gebied van het vervoer worden overwogen ( PB 23 van 1962, blz . 720 ).
13 In het overeenkomstig die beschikking uitgebrachte advies van de Commissie van 15 juni 1989 werd erop gewezen, dat de voorgestelde verlaging van de motorrijtuigenbelasting enkel aan Duitse vervoerders ten goede zou komen, aangezien vervoerders uit de andere Lid-Staten ingevolge bilaterale akkoorden van die belasting zijn vrijgesteld, en dat die verlaging nagenoeg gelijk was aan het bedrag van de beoogde wegengebruiksbelasting . De invoering van laatstgenoemde belasting zou derhalve geen lastenverzwaring betekenen voor de Duitse vervoerders, doch uitsluitend voor de vervoerders uit andere Lid-Staten; deze zouden de wegengebruiksbelasting moeten betalen zonder dat daar voor hen het voordeel van een lagere motorrijtuigenbelasting tegenover staat .
14 De Commissie kwam in haar advies tot de slotsom, dat de regeling die de Bondsrepubliek Duitsland voor ogen stond, inbreuk maakte op de "standstill"-verplichting van artikel 76 EEG-Verdrag, volgens welke, zolang een gemeenschappelijk vervoerbeleid als voorzien in artikel 75, lid 1, niet tot stand is gebracht, en behoudens met eenparigheid van stemmen verleende goedkeuring van de Raad, geen enkele Lid-Staat de onderscheidene bepalingen die ter zake gelden bij de inwerkingtreding van het Verdrag, zodanig mag veranderen, dat zij in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking minder gunstig worden voor de vervoerondernemers der overige Lid-Staten dan voor de nationale vervoerondernemers . Volgens het advies zou de beoogde regeling daarenboven in strijd zijn met, met name, artikel 95 EEG-Verdrag .
15 Na de goedkeuring van het ontwerp op 6 april 1990 deed de Commissie de Duitse autoriteiten op 11 april daaraanvolgend een aanmaningsbrief toekomen, op 1 juni 1990 gevolgd door het in artikel 169, eerste alinea, EEG-Verdrag bedoelde met redenen omkleed advies .
16 In hun antwoorden van 30 april en 22 juni 1990 op de aanmaningsbrief respectievelijk het met redenen omkleed advies verklaarden de Duitse autoriteiten, dat met de wet enerzijds werd beoogd, de mededingingsvoorwaarden voor de Duitse vervoerders en die uit de andere Lid-Staten dichter bij elkaar te brengen, en anderzijds een passende bijdrage in de kosten van het Duitse wegennet in te voeren . Artikel 76 EEG-Verdrag zou geen "standstill"-verplichting voor een situatie als de onderhavige bevatten, maar een bijzondere toepassing zijn van het algemene discriminatieverbod . Noch de nieuwe wegengebruiksbelasting noch de verlaging van de motorrijtuigenbelasting zou echter op zich discriminerend zijn .
17 In haar bovenbedoelde antwoorden wees de Bondsrepubliek Duitsland erop, dat de wegengebruiksbelasting in overeenstemming was met het beleid dat de Commissie zelf voorstond in haar voorstel van 8 januari 1988 voor een richtlijn van de Raad betreffende de toerekening van de infrastructuurkosten aan bepaalde zware vrachtvoertuigen, en dat de wet een beperkte geldigheidsduur had, in de verwachting dat er voor het einde van 1993 een geharmoniseerd gemeenschappelijk belastingstelsel zou zijn vastgesteld .
18 Volgens artikel 185 EEG-Verdrag heeft een beroep op het Hof geen schorsende werking . Overeenkomstig artikel 186 van het Verdrag evenwel kan het Hof in de bij hem aanhangige zaken de voorlopige maatregelen gelasten die het noodzakelijk acht .
19 Ingevolge artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering is een beschikking waarbij voorlopige maatregelen worden gelast, slechts mogelijk wanneer, naast omstandigheden waaruit blijkt van spoedeisendheid, middelen feitelijk en rechtens worden aangevoerd op grond waarvan de gevraagde voorlopige maatregel aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt .
20 Wat de middelen feitelijk en rechtens betreft, die de voorlopige maatregel aanvankelijk gerechtvaardigd doen voorkomen, stellen de Commissie en de aan haar zijde interveniërende Lid-Staten schending van artikel 76, van artikel 95 en van artikel 5 juncto artikel 8 A EEG-Verdrag .
21 De Commissie betoogt, dat de Bondsrepubliek Duitsland artikel 76 EEG-Verdrag heeft geschonden door maatregelen vast te stellen die de vervoerders uit de andere Lid-Staten discrimineren, en door de in die bepaling vervatte "standstill"-clausule niet in acht te nemen .
22 De Duitse wetgeving zou eveneens in strijd zijn met artikel 95 EEG-Verdrag, doordat de vervoerders uit de andere Lid-Staten aan een zwaardere belasting worden onderworpen dan de Duitse vervoerders en doordat deze belasting, die tot een verhoging van de vervoerskosten leidt, onvermijdelijk invloed zal hebben op de prijs van ingevoerde goederen .
23 Ten slotte betoogt de Commissie, dat de Bondsrepubliek Duitsland heeft gehandeld in strijd met artikel 5 van het Verdrag, dat haar verplicht zich te onthouden van eenzijdige maatregelen die het gemeenschappelijk beleid inzake de belasting van zware vrachtvoertuigen wegens het gebruik van de verkeersinfrastructuur in gevaar kunnen brengen . Daardoor heeft de Bondsrepubliek belemmeringen opgeworpen voor de totstandkoming van een ruimte zonder binnengrenzen als bedoeld in artikel 8 A van het Verdrag .
24 De Bondsrepubliek Duitsland betwist de gestelde schending van artikel 76 EEG-Verdrag . Zij betoogt dat de wegengebruiksbelasting voor zware vrachtauto' s, ook indien gepaard gaande met een verlaging van de motorrijtuigenbelasting, niet discriminerend is . De wet van 30 april 1990 zou een tweeledig doel hebben, namelijk enerzijds het nader tot elkaar brengen van de mededingingsvoorwaarden voor de Duitse vervoerders en die uit de andere Lid-Staten, en anderzijds de invoering van een passende bijdrage in de kosten van de verkeersinfrastructuur, zowel met het oog op de ontlasting van het wegennet als ter bescherming van het milieu . Met betrekking tot de eerste doelstelling preciseert de Bondsrepubliek Duitsland, dat zo de vervoerders uit andere Lid-Staten geen baat hebben bij de verlaging van de motorrijtuigenbelasting, dit komt doordat zij op grond van overeenkomsten tussen de Bondsrepubliek en hun land van vestiging van deze belasting zijn vrijgesteld . Zo gezien zou de wet van 30 april 1990 niet in strijd zijn met de in artikel 76 EEG-Verdrag vervatte "standstill"-verplichting .
25 Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 95 EEG-Verdrag beklemtoont de Bondsrepubliek Duitsland, dat de belasting niet discriminerend is; tevens wijst zij erop, dat het om een indirecte belasting in de zin van artikel 99 van het Verdrag gaat, die overeenkomstig de algemene voorschriften van het Verdrag moet worden geharmoniseerd .
26 Artikel 5 EEG-Verdrag zou ten slotte geen algemene "standstill"-clausule bevatten en zolang er geen gemeenschappelijk vervoerbeleid overeenkomstig de artikelen 74 en 75 van het Verdrag tot stand is gebracht, zouden de Lid-Staten in principe hun bevoegdheid op dat gebied behouden .
27 Met betrekking tot het eerste middel van de Commissie moet worden vastgesteld, dat deze ernstig te nemen argumenten heeft aangevoerd voor haar stelling, dat artikel 76 EEG-Verdrag moet worden gelezen als een verbod op alle eenzijdige nationale maatregelen die al dan niet rechtstreeks tot gevolg hebben, dat ten nadele van de andere Lid-Staten wijziging wordt gebracht in de bestaande situatie met betrekking tot de voorwaarden waaronder internationaal vervoer vanuit of naar een Lid-Staat, dan wel via het grondgebied van een of meer Lid-Staten, plaatsvindt .
28 Dit kan zich met name voordoen bij een door een Lid-Staat nieuw ingevoerde wegengebruiksbelasting voor zware vrachtauto' s, wanneer die belasting voor de binnenlandse vervoerders grotendeels gecompenseerd wordt door een verlaging van de motorrijtuigenbelasting, waaraan de vervoerders uit andere Lid-Staten op grond van bilaterale overeenkomsten tussen hun staat van vestiging en de staat die de belasting heeft ingevoerd, niet zijn onderworpen .
29 Met betrekking tot het argument van de Duitse regering, dat door de wet van 30 april 1990 de overgang van wegvervoer naar vervoer per spoor of te water wordt gestimuleerd, moet worden vastgesteld, dat de bescherming van het milieu volgens 's Hofs rechtspraak weliswaar een der wezenlijke doelstellingen van de Gemeenschap is ( arrest van 20 september 1988, zaak 302/86, Commissie/Denemarken, Jurispr . 1988, blz . 4607 ), waarvan het belang bovendien door de Europese Akte is bevestigd, maar dat dit niet betekent dat een Lid-Staat zich om die reden aan de krachtens artikel 76 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen kan onttrekken . Uit de memorie van toelichting bij de wet en de verklaringen van de Duitse autoriteiten tijdens de procedure blijkt trouwens, dat de wet van 30 april 1990 in de eerste plaats tot doel heeft, de mededingingsvoorwaarden voor de Duitse ondernemers te verbeteren, en dat de ontlasting van het wegennet en de milieubescherming slechts secundaire doelstellingen zijn .
30 Zonder dat de overige middelen in dit stadium behoeven te worden onderzocht, moet worden vastgesteld, dat het middel ontleend aan schending van artikel 76 EEG-Verdrag voorshands voldoende grondslag biedt voor de verlangde voorlopige maatregel .
31 Wat de voorwaarde van spoedeisendheid betreft, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de in artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering genoemde spoedeisendheid van een voorlopige maatregel moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is om te voorkomen dat door onverwijlde toepassing van de regeling waartegen het beroep in de hoofdzaak is gericht, ernstige en onherstelbare schade ontstaat .
32 Op dit punt betoogt de Commissie, hierin ondersteund door de aan haar zijde interveniërende Lid-Staten, dat toepassing van de bestreden belasting althans sommige vervoerders uit de andere Lid-Staten onherstelbare schade dreigt te berokkenen . Die schade zou bestaan in een verhoging van de vervoerskosten, waardoor die vervoerders zich gedwongen kunnen zien hun tarieven te verhogen, wat tot verlies van klanten zou kunnen leiden, dan wel genoegen te nemen met minder winst met het risico dat zij hun werkzaamheden moeten staken . In meer algemene zin zou de eenzijdige invoering van de wegengebruiksbelasting door de Bondsrepubliek Duitsland een onaanvaardbare verstoring van de communautaire openbare orde betekenen . Invoering van die belasting zou aanleiding kunnen geven tot vergeldingsmaatregelen van de andere Lid-Staten en iedere vooruitgang bij de verwezenlijking van het gemeenschappelijk vervoerbeleid illusoir maken .
33 De Bondsrepubliek Duitsland betwist de door de Commissie gestelde onherstelbare schade voor de communautaire openbare orde en voor de ondernemers op de vervoermarkt .
34 De Duitse belasting zou immers mededingingsneutraal zijn en het Duitse belastingstelsel dichter bij dat van de andere Lid-Staten brengen . Doel van de wet zou zijn, een op het territorialiteitsbeginsel gebaseerd vervoerbeleid tot stand te brengen . Men zou derhalve niet kunnen stellen, dat zij de verwezenlijking van het gemeenschappelijk vervoerbeleid in gevaar brengt .
35 Gezien de geringe invloed van de nieuwe belasting op de vervoerskosten, zou zij evenmin de concurrentiepositie van de vervoerders uit de andere Lid-Staten aantasten . Het zouden juist de Duitse vervoerders zijn wier concurrentiepositie dreigt te verslechteren, aangezien zij zwaardere fiscale lasten te dragen hebben dan hun vakgenoten uit de andere Lid-Staten .
36 Voorts betoogt de Bondsrepubliek Duitsland, dat men bij afweging van alle betrokken belangen voorrang dient te geven aan de bescherming van het milieu en de ontlasting van het Duitse wegennet .
37 Ook wanneer het Hof het beroep in de hoofdzaak zou toewijzen en tot het oordeel zou komen, dat de Bondsrepubliek Duitsland, door de in geding zijnde belasting in te voeren, tekort is geschoten in haar communautaire verplichtingen, zou herstel van de eventuele schade van de vervoerondernemingen uit de andere Lid-Staten mogelijk zijn . Daarentegen zou de schade die de Bondsrepubliek Duitsland door een beschikking tot opschorting van de toepassing van de wet van 30 april 1990 zou lijden, onherstelbaar zijn .
38 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat ofschoon geldelijke schade in principe niet als onherstelbaar is te beschouwen, dit in bijzondere gevallen anders kan zijn, namelijk wanneer een vergoeding in geld niet volstaat om de gelaedeerde terug te brengen in de positie waarin hij vóór het optreden van de schade verkeerde .
39 Het valt niet uit te sluiten dat dat in casu het geval zou zijn . Immers, wegens de vaak zeer smalle winstmarges van tal van middelgrote vervoerondernemingen, waarop ter terechtzitting is gewezen, bestaat het gevaar, dat het effect van de in geding zijnde belasting op de rentabiliteitsdrempel van de vervoerders uit de andere Lid-Staten velen van hen zal dwingen hun activiteiten te staken . Bovendien kan het door de toepassing van de belasting komen tot niet meer ongedaan te maken verschuivingen in de marktaandelen van de Duitse vervoerders enerzijds en die van de vervoerders uit de andere Lid-Staten anderzijds . Een dergelijke, door een eenzijdige nationale maatregel veroorzaakte plotse en ingrijpende wijziging van de huidige situatie op de markt van het wegvervoer in de Gemeenschap, die later, wanneer de in geding zijnde regeling in strijd met het Verdrag zou blijken te zijn, niet meer volledig kan worden teruggedraaid, zou ook de ontwikkeling en voltooiing van het door artikel 74 EEG-Verdrag verlangde gemeenschappelijk vervoerbeleid bemoeilijken .
40 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat de Commissie, in deze ondersteund door de interveniënten, een reëel gevaar van ernstige en onherstelbare schade heeft aangetoond .
41 De Bondsrepubliek Duitsland betoogt, dat zij, wanneer de gevraagde voorlopige maatregel zou worden genomen, onherstelbare schade zal lijden door derving van belastinginkomsten zolang de procedure in de hoofdzaak loopt, en door de bedreiging van het economisch overleven van de Duitse vervoerondernemers .
42 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de door de Bondsrepubliek Duitsland gestelde schade enkel het nadelige gevolg zou zijn van een situatie die al vóór de invoering van de nieuwe belasting bestond . Evenmin is aangetoond, dat de getroffen maatregelen noodzakelijk waren wegens een belangrijke ontwikkeling in de feitelijke situatie, die de omvang van de bestaande schade aanzienlijk had kunnen vergroten en grond had kunnen opleveren voor een veranderde houding van de Duitse autoriteiten . Ten slotte is het onwaarschijnlijk, dat de gestelde schade in de tijd die tot de beslissing in de hoofdzaak zal verlopen, aanzienlijk zal toenemen .
43 Wat met name de schade betreft bestaande in gederfde en achteraf onmogelijk nog te verwerven belastinginkomsten, kan worden volstaan met vast te stellen, dat de betrokken belasting in het verleden nooit heeft bestaan en dat het derhalve uitgesloten kan worden geacht, dat de gestelde inkomstenderving de openbare financiën van de Bondsrepubliek Duitsland sterk zal beïnvloeden .
44 Wat het argument aangaat, dat de Duitse vervoerders in hun economisch bestaan worden bedreigd, lijkt het op het eerste gezicht evident, dat waar de marktsituatie niet wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van die welke lange tijd heeft bestaan, een dergelijk gevaar zich in de eerstkomende maanden niet zal kunnen voordoen .
45 Met betrekking tot het bijzondere argument inzake de aantasting van het milieu, moet worden opgemerkt, dat de Duitse regering niet overtuigend heeft weten aan te tonen, dat de toepassing van de in geding zijnde belasting op de vervoerders uit de andere Lid-Staten daadwerkelijk eerder een verlegging van het wegvervoer naar het vervoer per spoor en te water tot gevolg zou hebben dan een verschuiving van marktaandelen naar de Duitse vervoerders ten nadele van de vervoerders uit de andere Lid-Staten .
46 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan .
47 Mitsdien moet de Bondsrepubliek Duitsland bij wege van bewarende maatregel worden gelast, in afwachting van het arrest in de hoofdzaak de heffing van de wegengebruiksbelasting, voorzien in het "Gesetz ueber Gebuehren fuer die Benutzung von Bundesfernstrassen mit schweren Lastfahrzeugen" van 30 april 1990, op te schorten ten aanzien van in de andere Lid-Staten geregistreerde voertuigen .
48 Voor het geval in het verzoek van de Commissie zou worden bewilligd, heeft de Bondsrepubliek Duitsland verzocht, de Commissie te gelasten een waarborg van 500 miljoen DM te stellen tot zekerheid van de betaling van de belastingen die de vervoerders uit de andere Lid-Staten tijdens de duur van de procedure verschuldigd worden en die de Duitse regering, zelfs indien zij in het gelijk wordt gesteld, achteraf niet meer zal kunnen innen . Dienaangaande zij erop gewezen, dat er voor het stellen van zekerheid overeenkomstig artikel 86, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering slechts aanleiding kan bestaan indien de partij van wie dit wordt verlangd, schuldenaar is van de bedragen welker betaling aldus moet worden verzekerd, en er gevaar bestaat dat zij buiten staat zal geraken haar schuld te voldoen .
49 Aan deze voorwaarden is in casu niet voldaan, daar hoe dan ook niet valt te verwachten, dat de Gemeenschap niet in staat zal zijn de gevolgen te dragen van haar eventuele veroordeling tot schadevergoeding .
50 De voorlopige maatregel behoeft derhalve niet afhankelijk te worden gesteld van een zekerheidstelling ten bedrage van 500 miljoen DM door de Commissie .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt :
1 ) In afwachting van het arrest in de hoofdzaak zal de Bondsrepubliek Duitsland de heffing van de wegengebruiksbelasting, voorzien in het "Gesetz ueber Gebuehren fuer die Benutzung von Bundesfernstrassen mit schweren Lastfahrzeugen" van 30 april 1990 ten aanzien van in de andere Lid-Staten geregistreerde voertuigen opschorten .
2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 12 juli 1990 .
Full & Egal Universal Law Academy