Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep wegens nalaten - Natuurlijke of rechtspersonen - Nalaten dat vatbaar is voor beroep - Verzoek om tot verzoeker gerichte beschikking van Commissie, houdende bevestiging van jegens Lid-Staat geclaimd recht - Verzoek waaraan slechts kan worden voldaan door instelling van beroep wegens niet-nakoming - Niet-ontvankelijkheid
( EEG-Verdrag, artikelen 169 en 175, derde alinea )
Samenvatting
Natuurlijke en rechtspersonen kunnen zich op grond van artikel 175, derde alinea, van het Verdrag slechts tot het Hof wenden ten einde te doen vaststellen, dat een gemeenschapsinstelling in strijd met het Verdrag heeft nagelaten besluiten te nemen waarvan zij de potentiële adressaten zijn .
Is derhalve niet-ontvankelijk een op deze bepaling gebaseerd beroep tegen het nalaten om jegens verzoeker een besluit te nemen houdende erkenning van een door deze laatste jegens een Lid-Staat geclaimd recht, welk beroep, gelet op de middelen waarover de Commissie beschikte om aan het verzoek van verzoeker te voldoen, blijkt te zijn gericht tegen het nalaten om tegen deze Lid-Staat een beroep wegens niet-nakoming in te stellen .
Partijen
In zaak C-247/90,
M.-Th . Emrich, Rechtsanwaeltin te Wiesbaden ( Bondsrepubliek Duitsland ),
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 175 EEG-Verdrag, strekkende tot vaststelling dat de Commissie in strijd met artikel 155 EEG-Verdrag heeft nagelaten, door middel van een tot verzoekster gerichte bindende beschikking ervoor te zorgen, dat verzoekster haar werkzaamheid als Rechtsanwalt daadwerkelijk bij alle Duitse rechterlijke instanties kan uitoefenen,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en M . Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C . N . Kakouris, R . Joliet, F . A . Schockweiler, F . Grévisse en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : J.-G . Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 augustus 1990, heeft M.-Th . Emrich, advocaat ( Rechtsanwaeltin ) te Wiesbaden, op grond van artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld, in wezen strekkende tot vaststelling dat de Commissie in strijd met artikel 155 EEG-Verdrag heeft nagelaten, door middel van een tot verzoekster gerichte bindende beschikking en met toepassing van het discriminatieverbod ten gunste van verzoekster ervoor te zorgen, dat deze laatste haar werkzaamheid als Rechtsanwalt daadwerkelijk bij alle Duitse rechterlijke instanties kan uitoefenen overeenkomstig de artikelen 59, 60, 63, 65, 7 en 8 EEG-Verdrag en richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten ( PB 1977, L 78, blz . 17 ).
2 Artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt : "Wanneer het Hof kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een verzoekschrift dat aan de vereisten van artikel 38, paragraaf 1, beantwoordt, kan het Hof bij met redenen omklede beschikking dit verzoekschrift niet-ontvankelijk verklaren . Deze beschikking kan worden gegeven nog voordat het verzoekschrift aan de wederpartij is toegezonden ."
3 Het door verzoekster ingestelde beroep, dat op artikel 175, derde alinea, van het Verdrag is gebaseerd, strekt tot vaststelling dat de Commissie, door na te laten tot verzoekster een bindende beschikking te richten ten einde deze in staat te stellen haar werkzaamheid als Rechtsanwalt daadwerkelijk bij alle Duitse rechterlijke instanties uit te oefenen, in strijd met het Verdrag heeft verzuimd een besluit te nemen .
4 Er moet op worden gewezen, dat natuurlijke en rechtspersonen zich op grond van artikel 175, derde alinea, van het Verdrag slechts tot het Hof kunnen wenden ten einde te doen vaststellen, dat een gemeenschapsinstelling in strijd met het Verdrag heeft nagelaten besluiten te nemen waarvan zij de potentiële adressaten zijn .
5 Bij het onderhavige beroep verwijt verzoekster de Commissie, te hebben nagelaten een besluit te nemen dat haar in staat zou hebben gesteld haar werkzaamheid als Rechtsanwalt voor alle Duitse rechterlijke instanties uit te oefenen .
6 Zonder een standpunt in te nemen over de vraag, of het beginsel van het vrij verrichten van diensten betrekking heeft op situaties als die waarin verzoekster zich bevindt, dient erop te worden gewezen, dat volgens het stelsel van het Verdrag de enige handeling die de Commissie zou kunnen stellen, bestaat in het inleiden van een procedure krachtens artikel 169 EEG-Verdrag tegen de Bondsrepubliek Duitsland .
7 Derhalve moet worden vastgesteld, dat het onderhavige beroep in feite hetzelfde doel heeft als het beroep in zaak C-371/89 ( beschikking van 30 maart 1990, Emrich, Jurispr . 1990, blz . I-1555 ), en dat het overeenkomstig artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard nog voordat het verzoekschrift aan de wederpartij is toegezonden .
8 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
beschikt :
1 ) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard .
2 ) Verzoekster wordt verwezen in de kosten .
Luxemburg, 7 november 1990 .
Full & Egal Universal Law Academy