Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Verval van recht
(EEG-Verdrag, art. 173, derde alinea)
2. Beroep wegens nalaten - Nemen van besluit - Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 175)
Partijen
In zaak C-250/90,
Control Union Gesellschaft fuer Warenkontrolle mbH, een vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Bremen (Bondsrepubliek Duitsland), vertegenwoordigd door F.-M. Hohrmann, advocaat te Bremen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Arendt & Harles, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep strekkende, primair, tot veroordeling van de Commissie om Control Union te belasten met taken inzake cooerdinatie van de verzending alsmede inzake controle op de kwaliteit en de hoeveelheid van voedingsprodukten in de laadhavens van de Europese Gemeenschap, en, subsidiair, tot veroordeling van de Commissie om de bechikking van 1 maart 1990, waarbij zij besliste dat de keuze bij een aanbesteding niet op verzoekster kon vallen, te annuleren en ten aanzien van verzoekster een nieuwe beschikking vast te stellen,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, T. F. O' Higgins, J. C. Moitinho de Almeida, G. C. Rodríguez Iglesias en M. Díez de Velasco, kamerpresidenten, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, F. Grévisse, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 6 augustus 1990 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de vennootschap Control Union Gesellschaft fuer Warenkontrolle mbH (hierna: "verzoekster") een beroep ingesteld strekkende, primair, tot veroordeling van de Commissie om verzoekster te belasten met taken inzake cooerdinatie van de verzending alsmede inzake controle op de kwaliteit en de hoeveelheid van voedingsprodukten in de laadhavens van de Europese Gemeenschappen, en, subsidiair, tot veroordeling van de Commissie om de beschikking van 1 maart 1990, waarbij zij besliste dat de keuze bij een aanbesteding niet op verzoekster kon vallen, te annuleren en ten aanzien van verzoekster een nieuwe beschikking vast te stellen.
2 In mei 1987 publiceerde de Commissie een "Bericht van voorselectie van de ondernemingen die mogen deelnemen aan een later te houden besloten aanbesteding voor het verrichten van taken inzake cooerdinatie van verzendingen alsmede inzake controle op de kwaliteit en de hoeveelheid van voedingsprodukten" (PB 1987, C 127, blz. 2). Volgens dat bericht zouden de geselecteerde ondernemingen bedoelde taken moeten verrichten in de laadhavens in de Lid-Staten van de Gemeenschap en in de loshavens en bepaalde in het binnenland gelegen losplaatsen in de landen die voedselhulp ontvangen. Het bericht had betrekking op maatregelen in het kader van verordening (EEG) nr. 2200/87 van de Commissie van 8 juli 1987 tot vaststelling van algemene voorschriften voor de beschikbaarstelling in de Gemeenschap van produkten voor levering als communautaire voedselhulp (PB 1987, L 204, blz. 1).
3 Verzoekster was een van de ondernemingen die zich voor de voorselectie aanmeldden.
4 Op 22 december 1987 deelde de Commissie verzoekster mee, dat zij voorgeselecteerd was voor de controles op de leveringen in de laadhavens. Daar verzoekster echter geen filialen in de ontvangende landen had, meende de Commissie haar niet te kunnen selecteren voor controles in de loshavens en losplaatsen.
5 Op 20 juni 1989 zond verzoekster de Commissie een lijst van agentschappen en filialen in bepaalde ontvangende landen, waarbij zij toezegde dat zij, ingeval zij zou worden gekozen, kantoren zou openen in diverse andere ontvangende landen.
6 Op 1 maart 1990 stelde de Commissie verzoekster ervan in kennis, dat bij de selectie rekening was gehouden met het net van overzeese filialen waarover de ondernemingen beschikten, en dat zij derhalve noch was gekozen voor controletaken in de laadhavens noch voor die in de loshavens en losplaatsen. De Commissie voegde hieraan toe, dat de selectieprocedure met deze beschikking was afgesloten.
7 Op 4 mei 1990 tekende verzoekster bezwaar aan tegen de motivering waarmee de Commissie haar inschrijving had afgewezen. Bij brief van 2 juli 1990 deelde de Commissie haar mee, dat zij bij haar beslissing bleef.
8 Tot staving van haar beroep stelt verzoekster, dat de selectieprocedure op diverse punten gebreken vertoonde. In de eerste plaats zou de Commissie in strijd met het bericht van voorselectie hebben gehandeld door haar keuze te laten vallen op een Zwitserse onderneming, terwijl de inschrijving volgens het bericht enkel openstond voor natuurlijke en rechtspersonen uit de Lid-Staten. In de tweede plaats zou de Commissie, door voor de controletaken enkel ondernemingen met een omvangrijk net van overzeese agentschappen te kiezen, een criterium hebben gehanteerd dat zowel rechtens als feitelijk irrelevant was: rechtens, omdat volgens de considerans van verordening nr. 2200/87 van de Commissie (reeds aangehaald) de procedures ter controle van de produkten in de laadhavens voldoende waarborgen moeten bieden dat de levering uiteindelijk goed zal worden uitgevoerd; feitelijk, omdat de voorwaarde dat de inschrijver over een uitgebreid net van overzeese agentschappen dient te beschikken, hoe dan ook geen geschikt criterium is om te beoordelen of hij in staat is de goederen te controleren.
9 Bij een verzoek overeenkomstig artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en het Hof verzocht, op deze exceptie uitspraak te doen zonder op de grond van de zaak in te gaan. Verzoeksters beroep zou een beroep tot nietigverklaring zijn, dat te laat is ingesteld en daarom niet-ontvankelijk is.
10 In haar opmerkingen over deze exceptie betoogt verzoekster, dat haar beroep als een beroep wegens stilzitten is te beschouwen: het strekt ertoe, te doen vaststellen dat de Commissie heeft nagelaten, in rechtens bindende vorm over de inschrijvingsvoorwaarden te beslissen. Volgens verzoekster is er geen sprake van een beroep tot nietigverklaring. De weigering van de Commissie is geen beschikking in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, omdat zij gebaseerd is op een rechtens onhoudbaar criterium en gespeend is van iedere deugdelijke motivering.
11 Uit de hiervóór gerelateerde omstandigheden blijkt, dat de Commissie verzoekster bij brief van 1 maart 1990 in kennis heeft gesteld van haar beslissing haar niet te selecteren, en dit in bewoordingen die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten.
12 Verzoekster had binnen de in artikel 173 van het Verdrag bepaalde termijn met een beroep tot nietigverklaring tegen die beschikking kunnen opkomen, onder aanvoering van met name het middel dat zij ontleent aan onrechtmatigheid van het door de Commissie gehanteerde criterium.
13 Verzoekster had overigens al op uiterlijk 4 mei 1990 kennis van de beschikking, want op die datum heeft zij verscheidene bezwaren tegen het verloop van de selectieprocedure kenbaar gemaakt.
14 De brief van de Commissie van 2 juli 1990 heeft voorts geen nieuwe beroepstermijn doen ingaan. Die brief behelsde immers niets meer dan een bevestiging van de beschikking van 1 maart 1990.
15 Indien dus, zoals de Commissie stelt, het beroep als een beroep tot nietigverklaring is te beschouwen, moet het niet-ontvankelijk worden verklaard op grond dat het niet is ingesteld binnen de in artikel 173, derde alinea, van het Verdrag bepaalde termijn van twee maanden, verlengd met de termijn wegens afstand bedoeld in bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
16 Indien het daarentegen, zoals verzoekster betoogt, gebaseerd is op artikel 175 van het Verdrag, kan worden volstaan met vast te stellen dat de Commissie jegens haar een besluit heeft genomen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van dit artikel.
17 Mitsdien dient het beroep met toepassing van artikel 92, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het geding.
Luxemburg, 9 juli 1991.
Full & Egal Universal Law Academy