Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Arrest van Gerecht waarvan hogere voorziening is ingesteld - Voorwaarden - "Fumus boni juris" - Ernstige en onherstelbare schade
( EEG-Verdrag, art . 185; 's Hofs Statuut-EEG, art . 53; Reglement voor de procesvoering, art . 83, paragraaf 2 )
Samenvatting
In het kader van het onderzoek van een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een arrest van het Gerecht waarvan bij het Hof hogere voorziening is ingesteld, moet de voorwaarde inzake de "fumus boni juris" worden geacht te zijn vervuld, wanneer de redenering op grond waarvan het Gerecht zijn beslissing heeft genomen en die in hogere voorziening wordt aangevochten, principiële vragen opwerpt met betrekking tot de grenzen van de rechterlijke controle op besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag, over welke vragen het Hof zich nog niet heeft kunnen uitspreken .
Ook de voorwaarde dat moet worden voorkomen dat de verzoeker van de hogere voorziening ernstige en onherstelbare schade leidt, moet worden geacht te zijn vervuld, wanneer de instelling die de hogere voorziening heeft verzocht, heeft aangetoond dat de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest een ernstige verstoring van de werking van zijn diensten zou veroorzaken, waarvoor het belang van de door het Gerecht in het gelijk gestelde ambtenaar bij onmiddellijke tenuitvoerlegging, moet wijken .
Partijen
In zaak C-345/90 P-R,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J . Campinos, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A . Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, ten kantore van de juridisch adviseur, Bâtiment BAK, Kirchberg,
requirant,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest door het Gerecht van eerste aanleg op 20 september 1990 gewezen in zaak T-37/89 tussen J . Hanning en Europees Parlement,
andere partij in de procedure :
J . Hanning, ambtenaar van de Raad van Europa, vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A . Schmitt, Avenue Guillaume 62,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE
VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 23 november 1990, heeft het Parlement krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de statuten-EGKS en -EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 20 september 1990 waarbij het Gerecht het besluit van het Parlement om met voorbijgaan aan de uitslag van vergelijkend onderzoek nr . PE/41/A, vergelijkend onderzoek nr . PE/41a/A in te leiden, nietig heeft verklaard .
2 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde datum neergelegd ter griffie van het Hof, heeft het Parlement voorts overeenkomstig artikel 53 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en -EGA, alsook artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering, een verzoek in kort geding ingediend tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest .
3 De verzoeker in de procedure voor het Gerecht heeft op 19 december 1990 schriftelijke opmerkingen ingediend over het verzoek in kort geding en partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 14 januari 1991 .
4 Allereerst zij in het kort herinnerd aan de omstandigheden die het Gerecht aanleiding hebben gegeven om vorengenoemd besluit van het Parlement nietig te verklaren, zoals die omstandigheden uit het bestreden arrest blijken .
5 Het Parlement organiseerde in 1986 het algemeen vergelijkend onderzoek nr . PE/41/A op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, om te voorzien in het ambt van afdelingshoofd van de rang A 3 bij het voorlichtingsbureau van het Parlement te Londen .
6 J . Hanning nam deel aan dat vergelijkend onderzoek en werd, als eerste van vier kandidaten, door de jury op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst, welke lijst volgens de aankondiging van het vergelijkend onderzoek niet meer dan vier geslaagden mocht omvatten .
7 Op 6 april 1988 deelden de diensten van het Parlement Hanning evenwel mee, dat de voorzitter van het Parlement onregelmatigheden in de procedure van het vergelijkend onderzoek had geconstateerd en derhalve had besloten, niet tot aanstelling over te gaan, maar een nieuw vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen uit te schrijven .
8 Op 29 juni 1988 stelde Hanning beroep in tegen dat besluit . Tegelijkertijd diende hij een verzoek in kort geding in strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit, voor zover daarbij een nieuwe aanwervingsprocedure was ingeleid met voorbijgaan aan de uitslag van vergelijkend onderzoek nr . PE/41/A .
9 Bij beschikking van 11 juli 1988 ( zaak 176/88 R, Hanning, Jurispr . 1988, blz . 3915 ), gegeven voordat de zaak naar het Gerecht werd verwezen, wees de president van de Derde kamer van het Hof het verzoek in kort geding af, op grond dat er voor verzoeker geen sprake kon zijn van onherstelbare schade als gevolg van de tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit, aangezien, indien hij de zaak zou winnen, de eventuele benoeming van een andere kandidaat aan het einde van de nieuwe aanwervingsprocedure nietig zou zijn en de eerste aanwervingsprocedure gewoon verder zou gaan als ware het bestreden besluit nooit genomen .
10 Hanning nam deel aan het door het Parlement georganiseerde nieuwe vergelijkend onderzoek nr . PE/41a/A en werd ook door de jury van dat vergelijkend onderzoek op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst . Hij stond evenwel als tweede op de lijst van vier kandidaten, na iemand die niet aan het eerste vergelijkend onderzoek had deelgenomen .
11 Daarop werd de als eerste geplaatste kandidaat aangesteld als hoofd van het voorlichtingsbureau van het Parlement te Londen .
12 In zijn arrest overweegt het Gerecht, dat het bestreden besluit, zoals dat ter kennis van de verzoeker in de procedure voor het Gerecht was gebracht, onvoldoende met redenen was omkleed, daar het geen aanwijzingen bevatte betreffende de aard van de tijdens de procedure van het eerste vergelijkend onderzoek begane onregelmatigheden .
13 Het Gerecht overweegt evenwel, dat een dergelijke ontoereikende motivering volgens de rechtspraak van het Hof niet automatisch moet leiden tot nietigverklaring van de handeling, indien de tijdens de beroepsprocedure door de instelling verstrekte nadere gegevens de rechter in staat stellen te controleren of de gegeven motivering het betrokken besluit kan schragen .
14 Volgens de door het Parlement voor het Gerecht gegeven toelichting was het besluit genomen op basis van een advies van de juridische dienst van het Parlement .
15 In dat advies had de juridische dienst van het Parlement vastgesteld, dat twee kandidaten, die als derde en vierde op de lijst van geschikte kandidaten waren geplaatst, ten onrechte waren toegelaten . Die beide kandidaten waren ambtenaar van het Parlement en hadden niet, zoals in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek was geëist, de noodzakelijke bewijsstukken bij hun sollicitatie gevoegd . De jury had deze sollicitaties eerst afgewezen, doch daarna besloten ze alsnog toe te laten, daar zij - ten onrechte - van mening was, dat de stukken die zich in het door de administratie van het Parlement beheerde persoonsdossier van die kandidaten bevonden, aan de eisen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek voldeden .
16 In het advies worden voorts drie klachten over het verloop van de procedure van het vergelijkend onderzoek besproken . De juridische dienst was van mening, dat een van die klachten, ingediend door een sollicitant die niet was toegelaten wegens het ontbreken van bewijsstukken en die klaagde over de toelating van twee andere kandidaten bij wie dat eveneens het geval was, ontvankelijk was en dat het tot aanstelling bevoegd gezag bevoegd was om de wettigheid van de gevolgde procedure te onderzoeken .
17 De juridische dienst van het Parlement wees voorts op de rechtspraak van het Hof ( onder meer het arrest van 23 oktober 1986, zaak 321/85, Schwiering, Jurispr . 1986, blz . 3199 ), volgens welke het tot aanstelling bevoegd gezag enerzijds niet gebonden kan zijn aan jurybesluiten waarvan de onwettigheid zijn eigen besluiten zou kunnen aantasten, en anderzijds geen van de kandidaten zou kunnen aanstellen wanneer het van mening was, dat de jury een of meer sollicitanten ten onrechte had afgewezen en dat de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek daardoor gebrekkig was .
18 Gelet op die rechtspraak merkte de juridische dienst op, dat naast de vier op de lijst van geschikte kandidaten geplaatste personen een vijfde kandidaat het benodigde minimumaantal punten had behaald, maar dat het tot aanstelling bevoegd gezag deze kandidaat niet kon aanstellen, daar deze niet op de lijst was geplaatst doordat er twee kandidaten op stonden die er niet op behoorden te staan . De juridische dienst van het Parlement kwam tot de conclusie, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de uitslag van het vergelijkend onderzoek naast zich kon neerleggen en gerechtigd was een nieuw vergelijkend onderzoek uit te schrijven .
19 In zijn arrest bevestigt het Gerecht de juistheid van dat advies voor zover het de onregelmatigheid betreft van de toelating van de twee kandidaten die verzuimd hadden de vereiste bewijsstukken over te leggen, en stelt het vast, dat de procedure van het vergelijkend onderzoek inderdaad onregelmatig was geweest .
20 Met betrekking tot de door de juridische dienst van het Parlement gegrond geachte klacht wijst het Gerecht er evenwel op, dat die dienst had moeten vaststellen dat die klacht ongegrond was . De betrokken kandidaat, die terecht was afgewezen wegens het ontbreken van bewijsstukken, kon immers geen aanspraak maken op toelating op grond dat andere kandidaten ten onrechte door de jury waren aanvaard . Het Gerecht stelt dan ook vast, dat de betrokken klacht het bestreden besluit niet kan rechtvaardigen .
21 De rechtspraak ten slotte waarnaar de juridische dienst had verwezen, is volgens het Gerecht in casu niet relevant . Die rechtspraak betreft het geval, dat de onregelmatigheid is gelegen in de onterechte uitsluiting van kandidaten, waardoor de gehele procedure van het vergelijkend onderzoek ongeldig wordt . In het onderhavige geval is de onregelmatigheid gelegen in de onterechte toelating van twee kandidaten, in welk geval de procedure van het vergelijkend onderzoek slechts gedeeltelijk gebrekkig is . De onderdelen van de procedure en van de lijst van geschikte kandidaten die onregelmatig zijn, kunnen worden gesplitst van de onderdelen die dat niet zijn, voor zover de deelneming en de klassering van de regelmatig toegelaten kandidaten niet zijn beïnvloed door de onwettige deelneming van de twee ten onrechte toegelaten kandidaten .
22 In die omstandigheden had het Parlement volgens het Gerecht moeten onderzoeken, of één van de twee regelmatig op de lijst geplaatste kandidaten kon worden aangesteld . Het Gerecht verklaart dienaangaande, dat het Parlement tevens de verdiensten van die twee kandidaten had moeten vergelijken met die van de vijfde kandidaat, die wegens de onregelmatigheden in de procedure ten onrechte niet op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst . Volgens het arrest van het Gerecht had het Parlement slechts ingeval het rechtsgeldig had besloten dat redenen van dienstbelang de aanstelling van de vijfde kandidaat rechtvaardigden, ofschoon deze niet op de lijst stond en dus niet kon worden aangesteld, kunnen besluiten de uitslag van het vergelijkend onderzoek naast zich neer te leggen . Daar het Parlement die vergelijking niet had gemaakt, had het zijn beoordelingsbevoegdheid niet wettig uitgeoefend en was het bestreden besluit ongeldig wegens rechtsdwaling .
23 Het Gerecht concludeert bijgevolg, dat de door het Parlement tijdens de procedure in rechte gegeven motivering het bestreden besluit niet kan schragen en dat dit besluit derhalve nietig moet worden verklaard .
24 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht ingevolge artikel 53 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van de Statuten-EGKS en -EGA geen schorsende werking heeft, onverminderd evenwel de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en de overeenkomstige bepalingen in het EGKS - en het EGA-Verdrag .
25 Volgens die bepalingen kan het Hof van Justitie, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden beslissing gelasten .
26 Krachtens artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan een beslissing tot opschorting uit hoofde van vorengenoemde artikelen slechts worden genomen in omstandigheden waaruit blijkt van spoedeisendheid, en indien er middelen, zowel feitelijk als rechtens, zijn aangevoerd op grond waarvan de opschorting aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (" fumus boni juris "). Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat de spoedeisendheid van een verzoek om opschorting moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om opschorting verzoekt .
27 Onderzocht moet worden of in casu aan die voorwaarden is voldaan .
28 Wat in de eerste plaats de voorwaarde inzake de fumus boni juris betreft, stelt het Parlement, dat het Gerecht in zijn arrest de aard en de functie van de lijst van geschikte kandidaten in de procedure van het vergelijkend onderzoek miskent en de beginselen schendt die ten grondslag moeten liggen aan de handelwijze van het tot aanstelling bevoegd gezag bij aanwerving via een vergelijkend onderzoek, met name zijn verplichting om de regelmatigheid van de procedure te controleren . Het arrest zou het Parlement ertoe verplichten, gebruik te maken van een onregelmatig tot stand gekomen, onvolledige lijst van geschikte kandidaten, en daardoor de beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag beperken .
29 In dit stadium van de procedure behoeft slechts te worden opgemerkt, dat de redenering van het Gerecht zoals hiervoor in de overwegingen 21 en 22 weergegeven, principiële vragen opwerpt met betrekking tot de grenzen van de rechterlijke controle op besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag, over welke vragen het Hof zich nog niet heeft kunnen uitspreken .
30 Men dient derhalve vast te stellen, dat de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen, voor zover zij de redenering van het Gerecht in twijfel trekken, niet onmiddellijk ongegrond voorkomen, zodat aan de voorwaarde inzake de fumus boni juris is voldaan .
31 Met betrekking tot de voorwaarde van spoedeisendheid stelt het Parlement, dat tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerecht zou betekenen dat de aanstelling van de ambtenaar die als eerste op de uit vergelijkend onderzoek nr . PE/41a/A voortgekomen lijst stond en die sinds 16 januari 1989 het ambt van hoofd van het voorlichtingsbureau van het Europees Parlement te Londen bekleedt, geannuleerd moet worden, waardoor dat ambt gedurende langere tijd vacant zou blijven . Het Parlement beklemtoont, dat de activiteiten van zijn "antennes" in de hoofdsteden van de Gemeenschap van groot belang zijn en dat het dienstbelang ernstig zou worden geschaad indien er lange tijd niemand aan het hoofd van dat voorlichtingsbureau zou staan .
32 Opgemerkt zij dat het Parlement, wanneer het het arrest van het Gerecht zou uitvoeren, de op grond van vergelijkend onderzoek nr . PE/41a/A verrichte aanstelling zou moeten annuleren, en het valt niet uit te sluiten, dat wanneer het betrokken ambt als gevolg daarvan vacant blijft, dit, zoals het Parlement stelt, tot ernstige en naar haar aard onherstelbare schade voor de werking van zijn diensten leidt .
33 Zelfs indien door hervatting van het eerste vergelijkend onderzoek snel in deze vacature zou kunnen worden voorzien door aanstelling van een van de twee personen die bovenaan de lijst van dat vergelijkend onderzoek stonden, moet toch worden erkend, dat ook het risico dat het Parlement na de procedure in hogere voorziening opnieuw een andere ambtenaar in dat ambt moet aanstellen, voor die instelling ernstige en onherstelbare schade zou opleveren . Het belang van het Parlement om niet aan een dergelijk risico te worden blootgesteld, alsook het belang van de ambtenaar die dat ambt thans vervult na een vergelijkend onderzoek dat in het geheel niet is aangevochten, moeten in dit geval zwaarder wegen dan het belang van de door het Gerecht in het gelijk gestelde partij bij een aanstelling die eventueel snel kan plaatshebben, maar achteraf ook precair kan blijken te zijn .
34 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat ook aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan .
35 Derhalve moet de opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest worden bevolen .
Dictum
DE PRESIDENT
beschikt :
1 ) De tenuitvoerlegging van het arrest door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen op 20 september 1990 gewezen in zaak T-37/89 tussen J . Hanning en Europees Parlement, wordt opgeschort .
2 ) De beslissing omtrent de kosten worden aangehouden .
Luxemburg, 31 januari 1991 .
Full & Egal Universal Law Academy