Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade voor verzoeker
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering, art. 83, paragraaf 2)
Samenvatting
De volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering voor het gelasten van opschorting van tenuitvoerlegging of voorlopige maatregelen vereiste spoedeisendheid moet worden getoetst aan de vraag, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die het verzoek in kort geding heeft ingediend. Deze partij dient derhalve aan te tonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder persoonlijk en met voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen schade te lijden.
Partijen
In zaak C-356/90 R,
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, bijgestaan door E. Marissens, advocaat te Brussel, en P. Devers, advocaat te Gent, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur T. F. Cusack en door B. S. Drijber, lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 90/627/EEG van de Commissie van 4 juli 1990 betreffende kredieten van de Belgische autoriteiten aan twee rederijen voor de aankoop van, respectievelijk, een LPG-schip van 34 000 m3 en twee koelschepen (PB 1990, L 338, blz. 21),
geeft
De President van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 december 1990, heeft het Koninkrijk België krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de op 4 oktober 1990 aan de Permanente vertegenwoordiging van België ter kennis gebrachte beschikking 90/627/EEG van de Commissie van 4 juli 1990 betreffende kredieten van de Belgische autoriteiten aan twee rederijen voor de aankoop van, respectievelijk, een LPG-schip van 34 000 m3 en twee koelschepen (PB 1990, L 338, blz. 21).
2 In artikel 1 van deze beschikking wordt vastgesteld, dat de kredieten met een subsidie-equivalent van 35 % welke door de Belgische regering aan rederij Fertex en aan rederij Europese Transport Maatschappij Crystal Prince zijn toegekend voor de bouw van, respectievelijk, een LPG-schip van 34 000 m3 en twee koelschepen op de scheepswerf Boelwerf, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.
3 Ingevolge artikel 2 van de beschikking dient de Belgische regering krachtens artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag de voorwaarden van deze kredieten te herzien en deze op een maximumpeil van 26 % aan subsidie-equivalent te brengen, hetgeen overeenkomt met het plafond dat door de Commissie voor 1989 overeenkomstig artikel 4, lid 2, van richtlijn 87/167/EEG van de Raad van 26 januari 1987 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB 1987, L 69, blz. 55) is vastgesteld.
4 Bij een eveneens op 6 december 1990 ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akte heeft het Koninkrijk België krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, ertoe strekkende de tenuitvoerlegging van genoemde beschikking te doen opschorten en de Commissie te doen gelasten de administratieve procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag te heropenen.
5 Verweerster heeft op 21 december 1990 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
6 Bij een op 31 januari 1991 ter griffie van het Hof neergelegde brief heeft verzoeker bevestigd, dat tussen partijen besprekingen waren gehouden en dat het niet uitgesloten was dat hij zijn verzoek in kort geding zou intrekken.
7 Bij een op 26 maart 1991 ter griffie van het Hof ingeschreven telexbericht heeft verzoeker het Hof laten weten, dat hij zijn verzoek in kort geding handhaafde.
8 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, dient in het kort te worden herinnerd aan het rechtskader van de bestreden beschikking en aan de voorgeschiedenis van het geschil.
9 Volgens artikel 92, lid 3, sub d, EEG-Verdrag kan de Raad bepalen, welke soorten van steunmaatregelen, andere dan de sub a tot en met c genoemde, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd.
10 Op grond van deze bepaling heeft de Raad op 26 januari 1987 genoemde richtlijn 87/167/EEG betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw vastgesteld. Deze richtlijn was volgens haar artikel 13 van toepassing van 1 januari 1987 tot en met 31 december 1990.
11 Ingevolge artikel 4, lid 1, van deze richtlijn kan produktiesteun ten behoeve van de scheepsbouw of -verbouwing als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van de steun voor een bepaald contract in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt in een percentage van de waarde van het contract vóór de steun.
12 Volgens artikel 4, leden 2 en 3, wordt het plafond door de Commissie vastgesteld en door deze om de twaalf maanden herzien. Dit plafond is per 1 januari 1989 vastgelegd op 26 % (mededeling 89/C 32/06 van de Commissie inzake steun aan de scheepsbouw, PB 1989, C 32, blz. 3).
13 Uit de artikelen 3, lid 2, en 4, lid 4, van de richtlijn blijkt, dat het plafond niet alleen van toepassing is op alle vormen van rechtstreekse produktiesteun aan de scheepswerven, maar ook op alle vormen van steun aan reders die beschikbaar zijn als steun voor de scheepsbouw of -verbouwing wanneer deze steun daadwerkelijk wordt gebruikt voor de scheepsbouw of -verbouwing op scheepswerven van de Gemeenschap.
14 De steunregeling voor de reders, vervat in de Belgische wet van 23 augustus 1948 strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden van de koopvaardij en de vissersvloot en van de scheepsbouw, en houdende instelling, te dien einde, van een Fonds voor het Uittreden en het Aanbouwen van Zeeschepen, is overeenkomstig artikel 3, lid 1, van de richtlijn aan de Commissie ter kennis gebracht.
15 Uit de processtukken blijkt, dat deze regeling voorziet in de toekenning van steun in de vorm van verhaalbare voorschotten tegen verlaagde interest welke, behoudens bijzondere afwijking, niet meer dan 70 % van de waarde van een nieuw schip mogen bedragen, in de vorm van staatswaarborg voor de extra leningen aangegaan bij kredietinstellingen en in de vorm van een subsidie voor de helft van het interestpercentage dat voor deze leningen geldt, welke subsidie evenwel niet meer dan 3 % mag bedragen. Alle voorschotten en gewaarborgde leningen te zamen mogen niet meer dan 85 % van de prijs van het schip belopen. In de bestreden beschikking wordt gepreciseerd, dat volgens de gegevens die de Belgische autoriteiten aan de Commissie hebben verstrekt, de voorschotten worden toegekend tegen een interest van 4 tot 5 % en terugbetaalbaar zijn over een periode van vijftien jaar met een aflossingsvrije periode van twee jaar te rekenen vanaf de levering van het schip.
16 De omstreden steun, die betrekking had op de bouw van drie schepen door Boelwerf, is door de Belgische autoriteiten verleend in de loop van 1989 en bestaat in de toekenning van voorschotten ten belope van 85 % van de overeengekomen prijs tegen een interestvoet van 2 % en terugbetaalbaar over een periode van vijftien jaar met een aflossingsvrije periode van drie jaar.
17 In de bestreden beschikking wijst de Commissie erop, dat aangezien de commerciële interestvoet destijds 8,25 % bedroeg, de aldus verleende steun overeenkomt met een subsidie-equivalent van 35 %, dat wil zeggen 9 % meer dan het voor 1989 vastgestelde plafond, terwijl deze steun bij inachtneming van de steunvoorwaarden van de voorheen aan de Commissie ter kennis gebrachte Belgische regeling slechts een subsidie-equivalent van 20,5 % zou hebben opgeleverd.
18 Verzoeker betwist de door de Commissie aldus verrichte berekening van het subsidie-equivalent niet, maar betoogt, dat de Commissie voorbijgaat aan het dubbele doel van de betrokken steunregeling. Volgens de tekst zelf van de Belgische wet zag deze regeling niet alleen op de steun voor de uitbreiding van de vloten - bij voorkeur door aanbouw op Belgische scheepswerven -, maar ook op de steun voor de exploitatie van Belgische zeevaartondernemingen. De Commissie had, alvorens deze berekening te verrichten, het gedeelte van de steun dat betrekking had op de exploitatie van onder Belgische vlag varende schepen, moeten afzonderen. Verzoeker voert ook aan, dat richtlijn 87/167/EEG, waarop de Commissie zich baseert, slechts een vermoeden vestigt dat steun die het vastgestelde plafond overschrijdt, onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. De Commissie had moeten aantonen, dat de toegekende steun in strijd was met het ware doel van deze richtlijn, namelijk de verhoging van de capaciteit van de scheepswerven in de Gemeenschap vermijden. Zij had verzoeker op zijn minst tijdens de administratieve procedure de gelegenheid moeten geven het bewijs te leveren dat de betrokken steun niet in strijd was met dit doel.
19 Volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, is voor opschorting van de tenuitvoerlegging van een beschikking of voor een beslissing waarbij voorlopige maatregelen worden gelast, het bestaan vereist van omstandigheden waaruit de spoedeisendheid blijkt, alsmede van middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de opschorting of de voorlopige maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen.
20 Volgens vaste rechtspraak moet het spoedeisende karakter van een verzoek om opschorting of om voorlopige maatregelen worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de opschorting of om de voorlopige maatregelen verzoekt.
21 Verzoeker betoogt dienaangaande, dat zonder opschorting de nog niet betaalde schijven van de voorschotten niet tijdig aan de betrokken rederijen kunnen worden uitgekeerd. Deze zouden daardoor niet alleen schade lijden bij de uitoefening van hun werkzaamheden, maar ook, en vooral, het gevaar lopen dat zij hun financiële verplichtingen jegens Boelwerf niet kunnen nakomen. De daaruit voortvloeiende stillegging van de bouw van de drie betrokken schepen zou de herstructurering van deze scheepswerf ernstig in gevaar brengen.
22 Verzoeker wijst erop, dat hij zeer veel belang hecht aan de herstructurering van Boelwerf. Deze herstructurering is in 1986 met medewerking van de Belgische autoriteiten begonnen en is erop gericht de capaciteit van deze scheepswerf te verminderen. Het is voor deze herstructurering van het allergrootste belang, dat begeleidende maatregelen, zoals steun aan de rederijen, kunnen worden getroffen. Verzoeker zou in zijn nationale belangen worden geschaad wanneer een dergelijke noodzakelijke herstructurering niet met begeleidende maatregelen gepaard zou kunnen gaan.
23 Met betrekking tot de aldus gestelde schade dient eraan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie met name de beschikking van de president van het Hof van 15 juni 1987, zaak 142/87 R, België/Commissie, Jurispr. 1987, blz. 2589) de partij die om opschorting verzoekt, dient aan te tonen dat zij niet op de uitspraak in de hoofdzaak kan wachten zonder persoonlijk en met voor haar ernstige en onherstelbare gevolgen schade te lijden.
24 De schade die de rederijen dreigen te lijden, en de eventuele schade van Boelwerf, waarvan de herstructurering in gevaar zou komen, vormen geen van beide een schade die verzoeker zelf dreigt te lijden. Deze laatste wijst erop, dat de herstructurering van de scheepswerf het nationaal belang raakt, maar draagt geen elementen aan op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen, dat de hinder die de bestreden beschikking voor deze herstructurering dreigt op te werpen, hem ernstige en onherstelbare schade zou toebrengen.
25 Daarbij komt overigens, dat zelfs al ware het de betrokken scheepswerf die had aangevoerd dat zonder opschorting de bestreden beschikking haar een ernstige en onherstelbare schade dreigde toe te brengen, deze scheepswerf nog had moeten aantonen, dat een herziening van de voorwaarden van deze kredieten, de enige maatregel die de Belgische regering moet nemen, tot gevolg zou hebben, dat de rederijen, die deze kredieten zouden ontvangen, niet meer in staat zouden zijn hun verbintenissen jegens haar na te komen, en dat zij daardoor nog vóór de uitspraak van het Hof in de hoofdzaak ernstige en onherstelbare schade zou lijden. Gelijk de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft verklaard, staat de bestreden beschikking immers geenszins in de weg aan de betaling van de resterende schijven van de voorschotten, mits de voorwaarden van alle toegekende kredieten te zamen aldus worden herzien, dat deze het maximum van 26 % aan subsidie-equivalent niet overschrijden.
26 Uit het voorgaande volgt, dat het verzoek om opschorting niet aan het vereiste van spoedeisendheid voldoet.
27 Aangezien het verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking dus moet worden afgewezen, dient ook afwijzend te worden beschikt op het verzoek om de Commissie te gelasten de administratieve procedure van artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag te heropenen, daar dat verzoek onderstelt dat die beschikking niet wordt uitgevoerd.
28 Mitsdien moet het verzoek in kort geding in zijn geheel worden afgewezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 8 mei 1991
Full & Egal Universal Law Academy