Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Vergelijkend onderzoek op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examen - Vereiste van universitaire diploma' s - Begrip universitair diploma - Beoordeling aan hand van wettelijke regeling van staat waar studie is volbracht - Bepaling van datum van behalen van diploma - Bevoegdheid van nationale administratieve instanties - Rechterlijke toetsing - Onbevoegdheid van Gerecht
2 . Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Identiteit van voorwerp - Middelen en argumenten niet vermeld in, doch nauw aansluitend bij klacht - Ontvankelijkheid
( Ambtenarenstatuut, art . 90 en 91 )
3 . Ambtenaren - Aanwerving - Indeling in salaristrap - Extra salarisanciënniteit - Beoordelingsvrijheid van administratie - Bevoegdheid niet afhankelijk van criteria voor indeling van ambten in artikel 5 van Statuut
( Ambtenarenstatuut, art . 5 en 32, alinea 2 )
4 . Ambtenaren - Aanwerving - Aanstelling in rang en indeling in salaristrap - Inaanmerkingneming van beroepservaring - Beoordelingsvrijheid van administratie - Extra salaristrap - Enkel inaanmerkingneming van beroepservaring na diploma dat toegang verleent tot vergelijkend onderzoek
( Ambtenarenstatuut, art . 31 en 32, alinea 2 )
5 . Ambtenaren - Aanwerving - Aanstelling in rang en indeling in salaristrap - Interne richtlijn van instelling inzake toepasselijke criteria - Rechtsgevolgen
Samenvatting
1 . In het kader van een algemeen vergelijkend onderzoek voor de vorming van een aanwervingsreserve moet het toelatingsvereiste van het bezit van een universitair diploma noodzakelijkerwijs worden opgevat in de betekenis die daaraan wordt gegeven in de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de sollicitant de relevante studie heeft gevolgd .
De bepaling van de datum waarop de betrokkene als houder van dit diploma moet worden erkend, behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de administratieve instanties van die staat en is onttrokken aan rechterlijke toetsing door het Gerecht . Enkel de rechterlijke instanties van de betrokken Lid-Staat zijn bevoegd om kennis te nemen van geschillen betreffende de toepassing van de betrokken wettelijke regeling door die administratieve instanties .
2 . In de precontentieuze procedure moet het tot aanstelling bevoegde gezag met voldoende nauwkeurigheid kennis kunnen nemen van de bezwaren die de betrokkene tegen het bestreden besluit formuleert .
Daar de precontentieuze procedure echter een informeel karakter heeft en partijen in die fase in de regel niet door een advocaat worden bijgestaan, mag de administratie de klachten niet restrictief uitleggen, doch moet ze integendeel met openheid van geest onderzoeken .
In de gerechtelijke fase moeten de conclusies weliswaar hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van de voorafgaande administratieve klacht, maar voor het Gerecht kunnen ter nadere precisering van de in de klacht geformuleerde bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten .
3 . Artikel 5 Ambtenarenstatuut beoogt in algemene zin het minimumniveau van een ambtenaar in de betrokken categorie naar gelang van de aard der te bekleden ambten te omschrijven . Het betreft niet de aanwervingsvoorwaarden en maakt de uitoefening van de bevoegdheid om bij aanwerving van een ambtenaar een extra salarisanciënniteit toe te kennen, die het tot aanstelling bevoegd gezag krachtens artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut heeft, niet afhankelijk van de opleiding en de bijzondere beroepservaring van de betrokkene .
4 . Met betrekking tot de indeling in rang en salaristrap bij de aanwerving, beschikt het tot aanstelling bevoegde gezag, binnen het kader van de artikelen 31 en 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut of van de interne besluiten ter uitvoering hiervan, bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangeworven, over een ruime discretionaire bevoegdheid, zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als ten aanzien van de mate waarin zij relevant is voor de te bezetten post .
Het tot aanstelling bevoegde gezag miskent de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet, wanneer het voor de toekenning van een extra salarisanciënniteit enkel rekening houdt met de bijzondere beroepservaring van de betrokkene, in de zin van artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, vanaf het behalen van het diploma dat toegang verleent tot het vergelijkend onderzoek dat tot de aanwerving heeft geleid .
5 . Een aan al haar personeel meegedeeld besluit van een instelling van de Gemeenschappen inzake de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving is een interne richtlijn die, ook al kan het niet als een algemene uitvoeringsbepaling in de zin van artikel 110 Ambtenarenstatuut worden aangemerkt, moet worden beschouwd als een gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij desgevallend niet zonder vermelding van redenen kan afwijken, op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling .
In beginsel staat niets eraan in de weg, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij wege van intern besluit met algemene strekking regelen stelt voor de uitoefening van de hem door het Ambtenarenstatuut toegekende discretionaire bevoegdheid . Het streven om aan alle op basis van hetzelfde vergelijkend onderzoek aangeworven ambtenaren een gelijke behandeling te verzekeren bij de uitoefening van de krachtens artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut aan de administratie toekomende bevoegdheid, is een doelstelling die zij wettig kan nastreven .
Partijen
In zaak T-2/90,
A . Fernandes Ferreira de Freitas, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te haren huize, 21, boulevard Grande-Duchesse-Charlotte,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs J . Griesmar en A . Caeiro als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om toekenning van een extra salaristrap en om herindeling, ten einde overeenkomstig artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut rekening te houden met haar opleiding en beroepservaring,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : C . Yeraris, kamerpresident, A . Saggio en K . Lenaerts, rechters,
griffier : B . Pastor, administrateur,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 16 januari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster, sinds 1 september 1988 ambtenaar in de rang LA 5, salaristrap 1, bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, betwist haar indeling, gelet op haar vroegere beroepservaring en op de datum waarop zij het universitair diploma heeft behaald dat toegang geeft tot de door haar uitgeoefende functie .
2 Op 9 mei 1958 slaagde verzoekster voor het laatste examen van de studierichting Duitse taal - en letterkunde ( daaronder begrepen Engels ), die zij sinds 1951 volgde aan de universiteit van Lissabon . Daar zij zich tevreden stelde met het door de universiteit afgegeven getuigschrift inhoudende dat zij voor de examens was geslaagd, diende zij niet de voor het behalen van het diploma vereiste afstudeerscriptie in .
3 Na haar studie heeft verzoekster verscheidene jaren gewerkt als vertaalster bij diverse particuliere instellingen, zoals de "Gulbenkianstichting" en filmmaatschappijen .
4 Op 27 juli 1974 besloot de Portugese minister van Onderwijs en cultuur, de beheerscommissies van de instellingen van hoger onderwijs bij wijze van uitzondering voor het universitair jaar 1973/1974 de bevoegdheid te verlenen om de beoordelingswijze van de kennis en het werk van de studenten te bepalen . De commissies kregen onder meer de bevoegdheid "te beslissen over handhaving of afschaffing van de afstudeerscripties of andere -werkstukken" ( punt 1.2 van het besluit ).
5 De beheerscommissie van de letterenfaculteit van Lissabon maakte onmiddellijk gebruik van deze mogelijkheid en stelde de studenten op basis van het besluit van 27 juli 1974 vrij van het maken van een afstudeerscriptie .
6 Voor de letterenfaculteiten werd de afstudeerscriptie afgeschaft bij besluit van de staatssecretaris voor Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van 14 januari 1975, verschenen in Diário da República van 20 februari 1975 . Iedereen die voor of tijdens het universitair jaar 1973/1974 het onderwijsprogramma van de studierichting had voltooid, verkreeg automatisch de hoedanigheid van licentiaat .
7 Op 30 juli 1976 verleende de rector van de universiteit van Lissabon aan verzoekster een diploma dat bevestigde, dat zij sinds 27 juli 1974 licentiaat in de Duitse taal - en letterkunde was .
8 Op 6 november 1986 publiceerde de Commissie de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/LA/503 voor de vorming van een aanwervingsreserve van Portugeestalige reviseurs/hoofdvertalers/hoofden van een groep ( PB 1986, C 280, blz . 15-Portugese editie ). Volgens punt III van de aankondiging (" Voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek ") moesten de kandidaten een volledige universitaire opleiding hebben genoten en in het bezit zijn van het als afsluiting daarvan toegekende diploma, en moesten zij blijk geven van een postuniversitaire beroepservaring .
9 Aan het slot van het vergelijkend onderzoek werd verzoekster op de lijst van geschikte kandidaten geplaatst . Op 22 juni 1988 bood de Commissie haar een post van hoofdvertaler aan .
10 Bij besluit van 31 augustus 1988 werd verzoekster met ingang van 1 september 1988 aangesteld als ambtenaar op proef, met voorlopige indeling in rang LA 5, salaristrap 1, en met een salarisanciënniteit ingaande 1 september 1988 .
11 Bij twee brieven, ingeschreven bij de Commissie op 15 november 1988 en 26 januari 1989, vroeg verzoekster om haar indeling te herzien en daarbij rekening te houden met haar volledige beroepservaring .
12 Bij besluit van 2 maart 1989 benoemde de Commissie verzoekster per 1 september 1988 in rang LA 5, salaristrap 1, evenwel met toekenning van een salarisanciënniteit vanaf 1 september 1987 .
13 Tijdens zijn vergadering van 13 april 1989 onderzocht het indelingscomité verzoeksters geval opnieuw en adviseerde het, haar in te delen in rang LA 5, salaristrap 1, met toekenning van een anciënniteit van twaalf maanden in die salaristrap, op grond dat enkel rekening kon worden gehouden met de beroepservaring die was opgedaan na het behalen van het diploma dat toegang geeft tot rang 5 van de groep voor de talendienst, in casu dus na 27 juli 1974, de datum vermeld op het door de universiteit van Lissabon afgegeven document .
14 Bij brief van 11 mei 1989 bevestigde het tot aanstelling bevoegd gezag de indeling zoals vastgesteld bij het besluit van 2 maart 1989 .
15 Bij brief van 1 juni 1989, ingeschreven op 6 juni daaraanvolgend, diende verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : Ambtenarenstatuut ) een klacht in tegen het besluit van 2 maart 1989 .
16 Bij brief van 26 juni 1989 vulde verzoekster haar klacht nader aan .
17 Aangezien de administratie niet heeft geantwoord, moet deze klacht worden geacht op 1 oktober 1989 bij een stilzwijgend genomen besluit te zijn afgewezen .
Het procesverloop
18 Bijgevolg heeft verzoekster, bij een op 2 januari 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, het onderhavige beroep ingesteld, waarmee zij vordert, haar een extra salarisanciënniteit toe te kennen en haar opnieuw in te delen om rekening te houden met haar opleiding en beroepservaring overeenkomstig artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut .
19 Het Gerecht ( Derde kamer ) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan .
20 Bij brief van 4 oktober 1990 heeft het Gerecht krachtens artikel 21, tweede alinea, van het Protocol betreffende het Hof van Justitie van de Europese Economische Gemeenschap de Portugese regering de volgende vraag gesteld :
"Verleent het besluit van de staatssecretaris voor Hoger onderwijs van 14 januari 1975 aan de personen die vóór 1973 zijn geslaagd voor het laatste examen Duitse en Engelse taal - en letterkunde, maar die geen afstudeerscriptie hebben ingediend, de hoedanigheid van licentiaat vanaf het tijdstip waarop zij voor hun laatste examen slaagden, of enkel vanaf de inwerkingtreding van dit besluit? Met andere woorden, moet iemand die op 9 mei 1958 aan de universiteit van Lissabon is geslaagd voor het laatste examen, vanaf die datum als licentiaat worden beschouwd of eerst vanaf 20 februari 1975 ( de datum van publikatie van het besluit van 14 januari 1975 ) dan wel vanaf 27 juli 1974, de datum vermeld op het op 30 juli 1976 afgegeven diploma van de betrokkene?"
21 Bij een op 10 december 1990 ter griffie van het Gerecht ingeschreven nota heeft de algemene directie Hoger onderwijs van het Portugese Ministerie van Onderwijs deze vraag als volgt beantwoord :
"1 ) Volgens de wetgeving zoals die op 24 april 1974 van kracht was, werd de graad van licentiaat van de letterenfaculteit verkregen door :
a ) het met goed gevolg afleggen van de examens in de vakken die tot het programma van de betrokken studierichting behoren;
b ) een scriptie te schrijven en die met succes te verdedigen .
2 ) De verplichte afstudeerscriptie is afgeschaft bij besluit van de universitaire organen, krachtens een generieke machtiging daartoe van de regering, dan wel bij het besluit van 14 januari 1975 van het staatssecretariaat voor Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ( 1 ); al wie tijdens of voor dat universitair jaar het onderwijsprogramma, dat wil zeggen het in punt a ) bedoelde deel, had beëindigd, werd als licentiaat beschouwd .
3 ) De datum van verkrijging van de graad van licentiaat is de datum van afschaffing van de sub b genoemde eis . ( 2 )
4 ) Die datum is de op het door de universiteit afgegeven diploma vermelde .
22 De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 1991 plaatsgehad . De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben geantwoord op de vragen van het Gerecht .
Conclusies van partijen
23 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage :
1 ) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2 ) bijgevolg nietig te verklaren :
- het besluit van 2 maart 1989 van de Commissie, voor zover verzoekster daarin per 1 september 1987 wordt ingedeeld in rang LA 5, salaristrap 1;
- voor zoveel nodig, het stilzwijgend besluit van de Commissie tot afwijzing van de krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut op 1 juni 1989 tegen voornoemd besluit ingediende klacht;
3 ) verweerster te verwijzen in de kosten van het geding .
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage :
- het beroep te verwerpen;
- kosten rechtens .
Ten gronde
24 Tot staving van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan : in de eerste plaats schending van de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Commissie inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving ( hierna : het besluit ), in werking getreden op 1 september 1983 en aan het personeel medegedeeld op 21 oktober 1983, en in de tweede plaats schending van de artikelen 5 en 32 Ambtenarenstatuut en van de algemene beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling van ambtenaren onderling .
Het eerste middel
25 Met dit middel betoogt verzoekster, dat aangezien zij haar universitaire studie in 1958 voltooid heeft, zij krachtens de artikelen 2 en 3 van het besluit en de artikelen 5 en 32 Ambtenarenstatuut in haar rang een salarisanciënniteit had moeten krijgen van 48 in plaats van slechts 12 maanden, wat haar recht zou hebben gegeven op indeling in de derde salaristrap van die rang .
26 Verzoekster stelt namelijk dat zij, gezien de terugwerkende kracht van het besluit van de Portugese staatssecretaris voor Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek van 14 januari 1975, moet worden geacht sinds 1958 houder te zijn van het diploma dat haar conform artikel 5 Ambtenarenstatuut toegang geeft tot de LA-groep, en niet sinds 1974, zoals de Commissie op grond van het haar door de universiteit van Lissabon afgegeven diploma meent .
27 Het betrokken besluit bepaalt :
"1 . Ongeacht de toekomstige regeling die in de nieuwe studieprogramma' s van de letterenfaculteiten zal worden opgenomen, wordt de afstudeerscriptie afgeschaft evenals het licentiaatsexamen van de hervorming van 1930 ( decreet nr . 18003 van 25 februari 1930 ). Iedereen die voor of tijdens het universitair jaar 1973/1974 het studieprogramma heeft voltooid, wordt automatisch als licentiaat beschouwd .
2 . Het gemiddelde van de studieresultaten van de licentiaten die geen scriptie hebben voorgelegd, wordt berekend als volgt :
2.1 . Hervorming van 1930 : gemiddelde van de resultaten in alle vakken die tot de verplichte stof voor het verkrijgen van de licentie behoorden .
2.2 . Andere hervormingen : gemiddelde van de resultaten in de vakken van de groep, vermeerderd met het cijfer van het werkcollege, waarna het gemiddelde opnieuw wordt berekend . Het gemiddelde van de resultaten in de niet tot de groep behorende vakken wordt enkel in aanmerking genomen, indien het het eindgemiddelde verhoogt .
3 . De in punt 2 omschreven diploma' s worden afgegeven door de universiteit waar de student zijn laatste universitaire taak heeft verricht .
4 . De licentie van de studenten die geen afstudeerscriptie hebben voorgelegd, heeft dezelfde waarde als de andere; zij die een scriptie hebben voorgelegd, kunnen haar echter onder nader vast te stellen voorwaarden en naargelang haar waarde aanbieden ter verkrijging van een aanvullende licentie, ingeval een dergelijke graad in de letterenfaculteit wordt ingesteld .
5 . Dit wordt per geval door de faculteit onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met de waarde van de scriptie en waarbij ze voor het verkrijgen van die graad in aanmerking wordt genomen ."
28 Volgens verzoekster volgt zowel uit de letter als uit de ratio legis van dit besluit, dat het niet alleen ex nunc de verplichting afschafte een scriptie voor te leggen ter verkrijging van het diploma van licentiaat in de letteren, maar dat het eveneens ex tunc dit diploma verleende aan iedereen die was geslaagd voor de voor het behalen van de licentiaatstitel vereiste examens . Daar zij het laatste examen op 9 mei 1958 had afgelegd, meent verzoekster dat zij vanaf die dag als licentiaat in de letteren moet worden beschouwd .
29 Na kennisneming van het antwoord van de Portugese regering op de vraag van het Gerecht heeft verzoekster ter terechtzitting verklaard, dat dit antwoord het probleem niet oplost, dat het strijdig is met het betrokken Portugese besluit en dat de communautaire rechter zelf dit besluit dient uit te leggen ten einde de relevante bepalingen van het Ambtenarenstatuut correct toe te passen .
30 De Commissie betwist de gegrondheid van dit middel en verwerpt de door verzoekster gegeven uitlegging aan het besluit van de Portugese staatssecretaris . Volgens de Commissie is alleen de op het diploma vermelde datum beslissend voor de gelding ervan . Indien de universiteit van Lissabon, als Portugese administratieve autoriteit, zich in deze zou hebben vergist, had verzoekster haar diploma gemakkelijk kunnen laten verbeteren en had de Commissie haar verzoek kunnen inwilligen .
31 Verwijzend naar de arresten van het Hof van 13 juli 1989 ( Cendoya/Commissie, zaak 108/88, Jurispr . 1989, blz . 2711, r.o . 14 ) en van 9 november 1989 ( gevoegde zaken 75/88, 146/88 en 147/88, Bonazzi-Bertottilli e.a./Commissie, Jurispr . 1989, blz . 3599, r.o . 20 ) stelt de Commissie verder, dat beantwoording van de vraag, vanaf wanneer verzoekster als houdster van het licentiaatsdiploma moet worden erkend, in elk geval tot de uitsluitende bevoegdheid van de Portugese administratie behoort . Volgens punt 4 van het antwoord van de Portugese regering op de vraag van het Gerecht is die datum de "op het door de universiteit afgegeven diploma vermelde", namelijk 27 juli 1974 .
32 Vastgesteld moet worden, dat het vereiste van het bezit van een universitair diploma noodzakelijkerwijs moet worden begrepen in de betekenis die daaraan wordt gegeven in de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de sollicitant heeft gestudeerd, in casu de Portugese wetgeving ( zie het arrest van 13 juli 1989, zaak 108/88, Cendoya, reeds aangehaald, r.o . 14 ).
33 Krachtens deze wetgeving heeft de bevoegde administratieve autoriteit, de universiteit van Lissabon, de datum vanaf welke het diploma van verzoekster gold, op 27 juli 1974 bepaald .
34 Het Gerecht is niet bevoegd om na te gaan, of deze ondubbelzinnige toepassing van de Portugese wetgeving door de universiteit van Lissabon juist was . Dit geschilpunt behoort immers tot de uitsluitende bevoegdheid van de Portugese rechterlijke instanties en het staat alleen aan de betrokkenen die instanties te adiëren onder de in het nationale recht bepaalde voorwaarden ( zie het arrest van 9 november 1989, gevoegde zaken 75/88, 146/88 en 147/88, Bonazzi-Bertottilli, reeds aangehaald, r.o . 20 ). Daaruit volgt dat, indien zij dat nuttig oordeelde, verzoekster voor de bevoegde Portugese rechter de datum van gelding van haar diploma had moeten betwisten en, in voorkomend geval, de gecorrigeerde versie van haar diploma aan de Commissie had moeten voorleggen .
35 Door zich te houden aan de op het diploma van verzoekster vermelde datum, heeft de Commissie derhalve de duur van verzoeksters beroepservaring waarmee ingevolge artikel 2, zesde alinea, en artikel 3 van het besluit rekening moet worden gehouden, correct berekend .
36 Mitsdien kan het eerste middel niet worden aanvaard .
Het tweede middel
37 In dupliek betwist de Commissie de ontvankelijkheid van dit middel, voor zover ermee wordt gesteld dat het besluit met het Ambtenarenstatuut onverenigbaar is . Zij betoogt, dat noch in verzoeksters klacht van 1 juni 1989, noch in de aanvulling daarop van 26 juni 1989, werd gesproken van het besluit en nog minder de verenigbaarheid ervan met het Ambtenarenstatuut in twijfel werd getrokken .
38 Ter terechtzitting heeft verzoekster uiteengezet, dat haar klacht, waarmee zij zich keerde tegen de wijze waarop haar indeling door de administratie was vastgesteld, misschien impliciete, maar niettemin stellige kritiek bevatte op de bepaling op grond waarvan de Commissie haar zeer lange, van vóór 1975 daterende, beroepservaring terzijde heeft geschoven . Zij had haar klacht tegen het indelingsbesluit opgesteld zonder bijstand van een advocaat en zonder formalisme, in de geest van een precontentieuze procedure die een oplossing in der minne mogelijk wil maken . Tenslotte heeft de Commissie nooit op haar klacht geantwoord, zodat zij nu moeilijk voor het Gerecht kan bepleiten, dat het de klacht juridisch gezien aan nauwkeurigheid ontbrak .
39 Opgemerkt moet worden, dat verzoekster in de aanvulling op haar klacht, waarvan de Commissie niet betwist dat ze van die klacht integraal deel uitmaakt, het volgende stelt : "Zoals gebruikelijk werd voor mijn indeling enkel rekening gehouden met de beroepservaring die ik had opgedaan vanaf de datum van het officiële diploma ( 1974 ) ... Ik verzoek u mijn geval opnieuw te willen onderzoeken, daar deze indeling niet overeenstemt met de werkelijke toestand, aangezien enerzijds deze geen rekening houdt met mijn werkelijke ervaring, en anderzijds ik de studie die toegang verleent tot mijn categorie in 1958 heb voltooid ."
40 Uit onderzoek van verzoeksters klacht blijkt, dat zij er twee "bezwaren" in formuleert ( arrest van het Hof van 14 maart 1989, zaak 133/88, Del Amo Martinez/Parlement, Jurispr . 1989, blz . 689, r.o . 10 ), namelijk in de eerste plaats, dat voor haar indeling geen rekening is gehouden met de beroepservaring opgedaan vóór de datum van afgifte van haar diploma, en in de tweede plaats, dat haar diploma gelding heeft vanaf 1958 en niet eerst vanaf 1974 .
41 Het eerste bezwaar wordt uitgewerkt in het tweede middel . Uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat in de klacht vermelde bezwaren voor het Hof kunnen worden ontwikkeld door middelen en argumenten aan te voeren die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten ( arrest van 14 maart 1989, zaak 133/88, Del Amo Martinez, reeds aangehaald, r.o . 10 ). In dit verband heeft het Hof er nog op gewezen, dat aangezien de precontentieuze procedure een informeel karakter heeft en partijen in die fase in de regel niet door een advocaat worden bijgestaan, de administratie de klachten niet restrictief mag uitleggen, doch ze - integendeel - met openheid van geest moet onderzoeken ( arrest van 14 maart 1989, zaak 133/88, Del Amo Martinez, r.o . 11 ).
42 Indien het tot aanstelling bevoegd gezag de onderhavige klacht zonder vooringenomenheid had geïnterpreteerd, had het moeten begrijpen, dat verzoekster met haar eerste, hoewel juridisch niet nader uitgewerkte bezwaar, het besluit, dat zij als "gebruik" aanmerkte, in twijfel trok .
43 Aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag derhalve in staat was om met voldoende nauwkeurigheid kennis te nemen van de bezwaren die de betrokkene tegen het besluit formuleert, heeft de precontentieuze procedure haar doel volledig kunnen bereiken .
44 De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet derhalve worden afgewezen .
45 Wat het onderzoek van het tweede middel betreft, dient in de eerste plaats artikel 2, zesde alinea, van het besluit te worden geciteerd, dat luidt als volgt :
"De beroepservaring wordt slechts aangerekend vanaf het tijdstip van het verkrijgen van het eerste diploma dat overeenkomstig artikel 5 van het Statuut toegang verleent tot de categorie waartoe het te vervullen ambt behoort, (...) en deze ervaring moet qua niveau met deze categorie overeenstemmen ."
46 Verzoekster zet uiteen dat, in tegenstelling tot artikel 2 van het besluit, artikel 5 Ambtenarenstatuut voor de aanstelling tot ambtenaar van categorie A niet uitdrukkelijk het bezit van een diploma voorschrijft, maar enkel spreekt van "kennis op universitair niveau" of een gelijkwaardige beroepservaring . Haars inziens kan niet worden betwist, dat zij "kennis op universitair niveau" bezit sinds 9 mei 1958, op welke datum zij slaagde voor het laatste examen van het onderwijsprogramma van de studierichting Duitse taal - en letterkunde van de universiteit van Lissabon .
47 Verzoekster voegt daaraan toe dat artikel 2 van het besluit, in zover het automatisch en zonder mogelijkheid van beroep elke vóór het behalen van een universitair diploma verworven beroepservaring op universitair niveau negeert, onwettig is . Deze bepaling heeft voor de aanwerving van personeel te starre consequenties, daar zij het de instelling onmogelijk maakt rekening te houden met de uiteenlopende situaties die voortvloeien uit de verschillende onderwijssystemen van de Lid-Staten . Deze starheid heeft daarenboven tot gevolg, dat alle ambtenaren die louter op basis van een beroepservaring van gelijkwaardig niveau als een universitair diploma tot een vergelijkend onderzoek zijn toegelaten, in geen enkel geval aanspraak kunnen maken op inaanmerkingneming van de voor hun indiensttreding verworven ervaring, ongeacht de duur ervan .
48 Ten slotte merkt verzoekster op, dat de Commissie, door de kandidaten die een scriptie hebben ingediend en degenen die dat niet hebben gedaan, verschillend te behandelen, de Commissie niet alleen het Portugese besluit van 14 januari 1975 schendt, maar tevens de algemene beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling van ambtenaren onderling .
49 Ter terechtzitting heeft verzoekster daarenboven gesteld, dat haar situatie anders zou zijn geweest indien zij na tien jaar ( in 1968 ) had besloten de scriptie in te dienen om aldus de oude licentiaatstitel te behalen . In deze veronderstelling zou zij zich hebben bevonden in de situatie van iemand die willens en wetens zijn studie heeft onderbroken; wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag dan conform artikel 2, zesde alinea, van het besluit enkel de na het behalen van het diploma verworven beroepservaring in aanmerking had genomen was dat gerechtvaardigd geweest . Verzoekster stelt, dat haar situatie echter fundamenteel verschillend is, daar het in haar geval de Portugese politieke overheid is geweest die besliste haar een diploma te verlenen, zonder ook maar de minste bijkomende universitaire prestatie te eisen, louter en alleen om haar juridische situtatie met de feitelijke in overeenstemming te brengen . Verzoekster concludeert daaruit, dat het tot aanstelling bevoegd gezag artikel 2, zesde alinea, van het besluit niet klakkeloos behoefde toe te passen, maar de mogelijkheid had, rekening houdend met het uitzonderlijk karakter van haar geval, de totale sinds 1958 verworven beroepservaring in aanmerking te nemen .
50 De Commissie antwoordt, dat artikel 5, lid 1, van het Ambtenarenstatuut geenszins verbiedt om van de kandidaten die reageren op de aankondiging van een vergelijkend onderzoek dat toegang geeft tot de categorie A, niet alleen "kennis op universitair niveau" te eisen, maar tevens het bewijs van die kennis door overlegging van een diploma . Voor de Commissie is er "niets tegen dat er in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek aan degenen die bepaalde ambten of categorieën van ambten willen bekleden, strengere voorwaarden worden gesteld dan de minimumvoorwaarden, uit de indeling der ambten resulterende ( artikel 5, lid 1, Ambtenarenstatuut ), om het even of het gaat om de vervulling van een vacature dan wel om de vorming van een reserve met het oog op de bezetting van posten, tot een bepaalde categorie behorende" ( arrest van het Hof van 2 oktober 1979, zaak 178/78, Szemerey/Commissie, Jurispr . 1979, blz . 2855, r.o . 3 ). Deze uitspraak, naar aanleiding van een aankondiging van vergelijkend onderzoek die strengere toelatingsvoorwaarden bevatte dan de in artikel 5, lid 1, van het Ambtenarenstatuut voor de indeling der ambten vermelde "minimumvoorwaarden", is op dezelfde gronden in casu van toepassing op de voorwaarden voor de indeling in rangen en salaristrappen, zoals bepaald in artikel 2 van het besluit . De tegenovergestelde opvatting leidt tot het wegvallen van de samenhang binnen één en dezelfde materie, namelijk de aanwerving van ambtenaren . De Commissie acht het daarom ontoelaatbaar, indien verzoekster zich ter verkrijging van extra salarisanciënniteit zou kunnen beroepen op een beroepservaring die niet in aanmerking kon worden genomen bij de toelating tot het vergelijkend onderzoek dat tot haar aanwerving heeft geleid .
51 Wat betreft de vermeende onwettigheid van artikel 2, zesde alinea, van het besluit, in zover het vóór het behalen van een universitair diploma verworven gelijkwaardige beroepservaring uitsluit, en de beweerde starheid die eruit zou voortvloeien, stelt de Commissie in hoofdzaak, dat op grond van artikel 2, achtste alinea, van het besluit volgens een bijzondere regeling wel degelijk rekening kan worden gehouden met de vóór de benoeming opgedane beroepservaring, ingeval "voor de toegang tot het betrokken ambt geen diploma is vereist", en dat zij derhalve, door vaststelling van deze bepaling, geen ongeoorloofd gebruik heeft gemaakt van de ruime beoordelingsbevoegdheid die artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut haar verleent . Dit is des te meer waar omdat, zoals de derde overweging van de considerans van het besluit zegt, artikel 2, zesde alinea, van het besluit is goedgekeurd om "aan de ambtenaren gelijke voorwaarden ten aanzien van aanwerving en loopbaanontwikkeling te waarborgen in het kader van artikel 5, lid 3, van het Statuut ."
52 Ter terechtzitting heeft de Commissie daar nog aan toegevoegd, dat - in tegenstelling tot wat verzoekster beweert - de gelijke behandeling van Portugese ambtenaren die onder het oude stelsel van de licentie in de letteren een scriptie hebben ingediend, en degenen die dat niet hebben gedaan, juist vereist dat de beroepservaring van ieder slechts in aanmerking wordt genomen vanaf de datum waarop hun formele diploma gelding verkrijgt . Anders zou verzoekster haar beroepservaring vanaf 1958 in aanmerking kunnen laten nemen, terwijl degenen die na 1958 een scriptie hebben ingediend dat slechts zouden kunnen doen vanaf de datum van indiening van die scriptie, bekrachtigd door een formeel diploma . Daaruit zou een naar gemeenschapsrecht onaanvaardbare ongelijke behandeling van ambtenaren voortvloeien .
53 Het Gerecht merkt op, dat het tweede middel zich in hoofdzaak keert tegen de weigering van het tot aanstelling bevoegd gezag, op basis van artikel 2, zesde alinea, van het besluit, om de door verzoekster vóór 27 juli 1974 opgedane beroepservaring in aanmerking te nemen voor de berekening van haar salarisanciënniteit; die weigering zou strijdig zijn met de artikelen 5 en 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut .
54 Wat artikel 5 Ambtenarenstatuut betreft, kan worden volstaan met te verwijzen naar het reeds aangehaalde arrest van het Hof van 2 oktober 1979 ( zaak 178/78, Szemerey, r.o . 3 ), waaruit blijkt, dat dit artikel "beoogt in algemene zin het minimumniveau van een ambtenaar in deze categorie naar gelang van de aard der te bekleden ambten te omschrijven; het betreft niet de aanwervingsvoorwaarden ." Aldus kunnen in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek strengere voorwaarden worden gesteld dan de uit de indeling der ambten voortvloeiende minimumvoorwaarden . Evenzo is ook de uitoefening van de bevoegdheid om een extra salarisanciënniteit toe te kennen, die het tot aanstelling bevoegde gezag krachtens artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut heeft, niet afhankelijk van het in artikel 5, lid 1, Ambtenarenstatuut omschreven "minimumniveau" voor een ambtenaar van de betrokken rang .
55 Bijgevolg moet worden onderzocht, of het tot aanstelling bevoegde gezag de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut hem toekent, heeft miskend door artikel 2, zesde alinea, van het besluit vast te stellen en door deze bepaling in casu toe te passen .
56 Volgens vaste rechtspraak van het Hof beschikt "het tot aanstelling bevoegde gezag, binnen het kader van de artikelen 31 en 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut of van de interne besluiten ter uitvoering hiervan, bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangesteld, over een ruime discretionaire bevoegdheid, zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als ten aanzien van de mate waarin zij relevant is voor de te bezetten post" ( zie laatstelijk het arrest van het Hof van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 214/86 en 215/86, De Szy-Tarisse/Commissie, Jurispr . 1988, r.o . 26, blz . 6028 ).
57 Wanneer de zesde en de achtste alinea van artikel 2 van het besluit in onderling verband worden gelezen zoals de Commissie voorstelt, dan moet worden geconcludeerd, dat de zesde alinea enkel van toepassing is op ambtenaren die zijn aangeworven na een vergelijkend onderzoek waarvoor de aankondiging zoals in casu een met een einddiploma afgesloten volledige universitaire studie als toelatingsvoorwaarde stelde . Voor hen kan volgens de zesde alinea van artikel 2 van het besluit slechts rekening worden gehouden met de "bijzondere beroepservaring van de betrokkene" in de zin van artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut vanaf het behalen van het diploma dat toegang verleent tot het vergelijkend onderzoek dat tot de aanwerving van de ambtenaar heeft geleid .
58 Gelet op de "ruime discretionaire bevoegdheid" waarover het tot aanstelling bevoegde gezag beschikt, moet deze regeling, die zowel op de duur en de aard van de in aanmerking te nemen beroepservaring als op het verband tussen deze beroepservaring en de te bezetten post ( of posten ) op basis van de aankondiging van het betrokken vergelijkend onderzoek is geënt, als redelijk worden beschouwd . Dit te meer, daar zij er toe strekt te verzekeren, dat ook bij de krachtens artikel 32, tweede alinea, toe te kennen extra salarisanciënniteit artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuur op iedereen wordt toegepast die op grond van hetzelfde vergelijkend onderzoek wordt aangeworven . Dit streven naar gelijke behandeling van alle op grond van een zelfde vergelijkend onderzoek aangeworven ambtenaren, volgt niet alleen uit de considerans van het besluit, maar eveneens uit artikel 10, tweede alinea, een overgangsbepaling die preciseert, dat ingeval op de datum van inwerkingtreding van het besluit de voor een vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten reeds op grond van het besluit van 6 juni 1973 zijn ingedeeld, alle kandidaten uit hetzelfde vergelijkend onderzoek overeenkomstig dit besluit worden ingedeeld .
59 Overigens moet eraan worden herinnerd, dat waar het tot aanstelling bevoegde gezag zich voor de datum van gelding van verzoeksters diploma diende te richten naar het besluit van de Portugese administratieve overheid, het aangevochten besluit de artikelen 2, zesde alinea, en 3 van het besluit correct toepast .
60 Daaruit volgt, dat verzoeksters bezwaren tegen het aangevochten besluit geen andere strekking kunnen hebben dan dat zij daarmee wenst, dat haar "bijzondere beroepservaring" in de zin van artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut meer in aanmerking wordt genomen dan de in de artikelen 2, zesde alinea, en 3 van het besluit vastgelegde grenzen toelaten .
61 In dit verband moet erop worden gewezen dat het besluit, ook al kan het niet als een algemene uitvoeringsbepaling in de zin van artikel 110 Ambtenarenstatuut worden aangemerkt, een interne richtlijn is, die moet worden beschouwd als een indicatieve gedragsregel die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij niet zonder vermelding van redenen kan afwijken, op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling ( arresten van het Hof van 1 december 1983, zaak 190/82, Blomefield/Commissie, Jurispr . 1983, blz . 3981, r.o . 20, en zaak 343/82, Michael/Commissie, Jurispr . 1983, blz . 4023, r.o . 14 ). Inderdaad staat in beginsel niets eraan in de weg, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij wege van intern besluit met algemene strekking regelen stelt voor de uitoefening van de hem door het Ambtenarenstatuut toegekende discretionaire bevoegdheid . Het streven om aan alle op basis van hetzelfde vergelijkend onderzoek aangeworven ambtenaren een gelijke behandeling te verzekeren bij de uitoefening van de krachtens artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag toekomende bevoegdheid, is een doelstelling die het wettig kan nastreven ( zie de arresten van het Hof van 15 januari 1985, zaak 266/83, Samara/Commissie, Jurispr . 1985, blz . 189, r.o . 15, en van 6 juni 1985, zaak 146/84, De Santis/Rekenkamer, Jurispr . 1985, blz . 1723, r.o . 11 ).
62 In die omstandigheden kan verzoekster geen aanspraak maken op enig statutair recht op grond waarvan met haar "bijzondere beroepservaring" meer rekening zou moeten worden gehouden dan voor alle op basis van algemeen vergelijkend onderzoek COM/LA/503 aangeworven ambtenaren voortvloeit uit de correcte toepassing van de artikelen 2, zesde alinea, en 3 van het besluit, zelfs indien het tot aanstelling bevoegde gezag in voorkomend geval, met vermelding van de redenen die het daartoe hebben gebracht, van die bepalingen zou hebben kunnen afwijken .
63 Deze gevolgtrekking wordt niet ontkracht door het argument van verzoekster, dat de toepassing van de artikelen 2, zesde alinea, en 3 van het besluit leidt tot een ongunstige behandeling van verzoekster, vergeleken met degenen die onder het oude Portugese systeem van de licentie in de letteren hun diploma hebben behaald na een scriptie te hebben ingediend, en voor wie de "bijzondere beroepservaring" derhalve in aanmerking wordt genomen vanaf een vóór 27 juli 1974 gelegen tijdstip .
64 Het verschil in behandeling tussen verzoekster en deze andere ambtenaren vloeit immers niet voort uit de tekst of de toepassing van de artikelen 2, zesde alinea, en 3 van het besluit op dit concrete geval, maar uit de bewuste keuze van de Portugese overheid, zoals die in de punten 3 en 4 van het antwoord van de Portugese regering op de vraag van het Gerecht is beschreven . De Portugese overheid heeft de gelijkheid van behandeling willen veiligstellen door een voorziening te treffen, die rekening houdt met de objectieve verschillen die bestaan tussen degenen die wel en degenen die geen scriptie hebben ingediend . Vanuit dit perspectief heeft zij bepaald, dat degenen die een afstudeerscriptie hadden ingediend, als licentiaat zijn te beschouwen voor de aan 27 juli 1974 voorafgaande periode, en dat degenen die dat tot op die datum niet hadden gedaan, zijn gelijk te stellen met studenten die hun studie onder het nieuwe stelsel voltooien . Bovendien heeft de Portugese overheid voor de periode na die datum de mogelijkheid gecreëerd voor de licentiaten van het oude stelsel hun scriptie aan te bieden om een aanvullende titel te verkrijgen, ten blijke dat zij, in tegenstelling tot de gewone licentiaten, een scriptie hebben voorgelegd .
65 Zoals de Commissie overigens terecht heeft gesteld, zou de door verzoekster voorgestane opvatting in het gemeenschapsrecht tot een ongelijke behandeling leiden, aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag dan in haar geval rekening zou houden met de bijzondere beroepservaring sinds haar laatste universitaire examen ( 1958 ), doch met die van de andere studenten van haar jaar slechts vanaf een na de datum van het laatste examen gelegen tijdstip, namelijk dat van indiening van de scriptie .
66 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster zich noch op een normatieve bepaling van hogere rang, noch op het hogere rechtsbeginsel van gelijke behandeling kan beroepen om te eisen dat het tot aanstelling bevoegde gezag haar een hogere extra salarisanciënniteit toekent dan die welke haar is toegekend krachtens de artikelen 2, zesde alinea, en 3 van het besluit . Bijgevolg kan het tweede middel evenmin worden aanvaard .
67 Mitsdien moet het beroep worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
68 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien dat is gevorderd . Ingevolge artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen gemaakt ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen, te hunnen laste .
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde kamer ),
rechtdoende :
1 . Verwerpt het beroep .
2 . Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy