Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Invaliditeit - Wijze van berekening van vergoeding in geval van latere verergering van letsel
(Ambtenarenstatuut, art. 73, lid 2, sub c; Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 2)
2. Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Uitkeringen - Forfaitair karakter - Invaliditeitsvergoeding - Latere verergering van letsel - Herwaardering, rekening houdend met waardevermindering van geld - Ontoelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 73, lid 2, sub b en c)
Samenvatting
1. De in artikel 73, lid 2, sub c, Ambtenarenstatuut bedoelde vergoeding moet in geval van verergering van de letsels na het ongeval worden berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval, en niet op de grondslag van het maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan de stabilisatie van de verergering van de letsels.
De verergering van de letsels kan immers niet worden gelijkgesteld met een nieuw ongeval in de zin van artikel 2 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten, en kan derhalve evenmin worden beschouwd als een nieuw feit dat recht op vergoeding doet ontstaan. Een andere uitlegging zou leiden tot invoering van een verschillend vergoedingsstelsel al naar gelang de letsels onmiddellijk na het ongeval dan wel pas later blijken, wat een ongelijke behandeling zou kunnen meebrengen van de ambtenaren die het slachtoffer zijn geweest van een ongeval in de zin van voormelde Regeling.
2. De in artikel 73 bedoelde uitkeringen zijn sociale-zekerheidsuitkeringen en geen uitkeringen tot vergoeding van schade in het kader van een vordering wegens burgerlijke aansprakelijkheid. De in artikel 73, lid 2, sub b en c, bedoelde vergoeding is derhalve niet verschuldigd ter vergoeding van schade, maar is een forfaitaire geldsom die wordt berekend aan de hand van de blijvende gevolgen van het ongeval.
In geval van verergering van de letsels na het ongeval kan deze vergoeding, zowel wegens haar forfaitair karakter als wegens het ontbreken van daartoe strekkende bepalingen in het Ambtenarenstatuut en in de Regeling, op het ogenblik van stabilisatie van de letsels niet worden geherwaardeerd om rekening te houden met de intussen opgetreden waardevermindering van het geld.
Partijen
In zaak T-8/90,
M. Colmant, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door E. Lebrun, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Schiltz, advocaat aldaar, Rue du Fort Rheinsheim 2,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Naamloze Vennootschap Royale Belge, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door F. van der Mensbrugghe, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Wildgen, advocaat aldaar, Rue Zithe 6,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 januari 1989 tot vaststelling van de op grond van artikel 73, lid 2, Ambtenarenstatuut aan verzoeker te betalen aanvullende uitkeringen wegens verergering van zijn letsel, en van het besluit van de Commissie van 15 november 1989 tot afwijzing van verzoekers klacht,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, D. A. O. Edward en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, M. Colmant, ambtenaar van de rang A 4 bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, werd op 29 maart 1975 het slachtoffer van een verkeersongeval.
2 Bij nota van 22 februari 1979 deelde de directeur-generaal Personeelszaken en administratie verzoeker mee, dat de medische commissie die verslag moest uitbrengen over de nawerking van het ongeval, een blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 5 %, waarvan 4 % voor objectieve nawerking en 1 % voor nadelige invloed op zijn sociale betrekkingen, had aangenomen. Bij nota van 23 maart 1979 deelde de directeur-generaal verzoeker mee, dat hem krachtens artikel 73, lid 2, sub c, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Ambtenarenstatuut") en de artikelen 12 en 14 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: "de Regeling") een kapitaal van 446 182 BFR was toegekend.
3 Op 18 december 1985 diende verzoeker wegens de verergering van het ten gevolge van dat ongeval opgelopen letsel een verzoek tot herziening van de daarvoor toegekende vergoedingen in; hij verzocht om verhoging van het percentage van blijvende gedeeltelijke invaliditeit dat overeenkomstig artikel 12 van de Regeling in aanmerking was genomen, en van het bedrag dat hem krachtens artikel 14 was toegekend als vergoeding van de nadelige invloed op zijn sociale betrekkingen.
4 Bij een ontwerp-besluit van 14 juli 1987, dat verzoeker overeenkomstig artikel 21 van de Regeling ter kennis is gebracht, deelde de Commissie laatstgenoemde mee, dat zij inging op zijn verzoek tot heropening van het dossier en dat zij, gelet op de bevindingen van de door haar aangewezen arts, van oordeel was, dat de verergering van het letsel kon worden vergoed op de voet van 4 % blijvende gedeeltelijke invaliditeit bovenop de vroeger vastgestelde 5 %. Daarop is aan verzoeker een aanvullend kapitaal van 372 946 BFR uitgekeerd, berekend op basis van diens maandsalaris tijdens de twaalf maanden vóór het ongeval uit 1975.
5 Bij nota van 11 september 1987 verklaarde verzoeker zich akkoord met de uitkering van een aanvullend kapitaal op de voet van 4 % blijvende gedeeltelijke blijvende invaliditeit vastgesteld met toepassing van artikel 12 van de Regeling, maar verzocht hij overeenkomstig artikel 21 om het inwinnen van het advies van de in artikel 23 bedoelde medische commissie over de verergering van de nadelige invloed op zijn sociale betrekkingen als bedoeld in artikel 14.
6 Bij nota van 11 december 1987 deelde de Commissie verzoeker mee, dat de 4 % blijvende gedeeltelijke invaliditeit die hem op 14 juli 1987 was toegekend, bestond uit 2 % uit hoofde van artikel 12 en 2 % uit hoofde van artikel 14.
7 Bij nota van 15 april 1988 liet verzoeker de Commissie weten, dat zich een bijkomende verergering van de lichamelijke nawerking van zijn ongeval had voorgedaan, namelijk een hydrarthrose van de rechterknie, die op 4 januari 1988 voor het eerst was vastgesteld en waarmee bij het onderzoek door de arts van de instelling dus geen rekening was gehouden; hij verklaarde, dat hij het niet eens was met de in de nota van 11 december 1985 verrichte opsplitsing van de 4 %, en vroeg, dat zowel over de verergering van de lichamelijke nawerking bedoeld in artikel 12 als over de verergering van de nadelige invloed op zijn sociale betrekkingen bedoeld in artikel 14 het advies van de medische commissie zou worden ingewonnen.
8 Bij nota van 26 januari 1989 deelde afdelingshoofd Reynier verzoeker mee, dat de medische commissie haar bij meerderheid van stemmen genomen conclusies op 8 december 1988 had neergelegd, en dat hij op grond daarvan had besloten, de blijvende gedeeltelijke invaliditeit vast te stellen op 10 %, namelijk 6 % uit hoofde van artikel 12 en 4 % uit hoofde van artikel 14 van de Regeling. De datum van stabilisatie van de verergering van de letsels werd vastgesteld op 23 november 1988. Aan verzoeker is een bijkomend kapitaal van 93 236 BFR uitgekeerd.
9 Op 26 april 1989 diende verzoeker tegen het besluit van 26 januari 1989 een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut. Daarin kwam hij op tegen:
- de samenstelling van de medische commissie, die niet in overeenstemming was met artikel 23 van de Regeling, en haar werkwijze;
- de conclusies van de medische commissie en de door deze vastgestelde percentages van blijvende gedeeltelijke invaliditeit, die in het bestreden besluit van 26 januari 1989 zijn overgenomen;
- het bedrag van het hem toegekende kapitaal, wegens de voor de berekening ervan in aanmerking genomen grondslag.
Hij verzocht, het kapitaal te berekenen op basis van zijn salaris tijdens de twaalf maanden vóór de aangehouden datum van stabilisatie van de letsels en de nieuwe nawerking, en niet op basis van zijn salaris tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan het ongeval uit 1975.
10 Bij nota van 15 november 1989 aanvaardde de Commissie een deel van deze klacht, op grond van de vaststelling, dat "de medische commissie niet in overeenstemming was met artikel 23 van de Regeling"; zij besloot, "een nieuwe medische commissie om advies over het geval Colmant te verzoeken", en was van oordeel, dat zij zich, gelet op deze vaststelling, niet diende "uit te spreken over de andere in de klacht vermelde middelen betreffende de werking en de conclusies van de medische commissie". De rest van de klacht wees zij af op grond van de opvatting, dat in geval van verergering van de invaliditeit het in artikel 73, lid 2, sub c, Ambtenarenstatuut bedoelde kapitaal noodzakelijkerwijze moet worden berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval en niet op de grondslag van het maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden vóór de datum van stabilisatie van de verergering van de letsels.
Het procesverloop
11 In die omstandigheden heeft verzoeker bij een op 14 februari 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
12 Bij beschikking van 13 juni 1990 heeft het Gerecht de NV Royale Belge, als hoofdassuradeur gebonden door een met de Europese Gemeenschappen gesloten groepsverzekering tegen ongevallen en beroepsziekten toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerster. Interveniënte heeft op 30 juli 1990 haar schriftelijke opmerkingen ter griffie van het Gerecht neergelegd.
13 Het Gerecht heeft besloten maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen: het heeft de Commissie namelijk een aantal vragen gesteld over de regelingen die in het recht van de Lid-Staten en van bepaalde internationale organisaties (zoals de Wereldgezondheidsorganisatie en het Internationaal Arbeidsbureau), voor de aan de sociale zekerheid en het stelsel voor de overheidsambtenaren onderworpen personen gelden ter zake van uitkeringen in geval van een ongeval dat een blijvende gedeeltelijke invaliditeit veroorzaakt, en inzonderheid ter zake van de uitkeringen in geval van latere verergering van een dergelijke blijvende gedeeltelijke invaliditeit, met name wat betreft de aanpassing van de uitkeringen aan de kosten van levensonderhoud, de stijging van het loonpeil of de stijging van de arbeidsproduktiviteit. De Commissie heeft deze vraag beantwoord bij brief van 13 juni 1991, neergelegd op 20 juni 1991.
14 Het Gerecht (Vierde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Deze heeft op 11 juli 1991 plaatsgevonden. De vertegenwoordigers van partijen zijn gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.
15 Verzoeker heeft geconcludeerd dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- derhalve:
- nietig te verklaren verweersters besluit van 26 januari 1989, voor zover daarin de aanvullende kapitaalsuitkeringen die aan verzoeker verschuldigd zijn voor een extra 4 % en 1 % blijvende gedeeltelijke invaliditeit, respectievelijk op 372 946 BFR en 93 236 BFR zijn bepaald;
- nietig te verklaren verweersters besluit van 15 november 1989, waarbij verzoekers klacht betreffende de berekeningsgrondslag voor de in geval van verergering verschuldigde uitkering is afgewezen;
- voor recht te verklaren, dat in geval van verergering de in artikel 73 Ambtenarenstatuut bedoelde vergoeding moet worden berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris, toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan de datum die is aangehouden voor de stabilisatie van de verergerde letsels, of, subsidiair, voor recht te verklaren, dat voor de uitkering bij verergering rekening moet worden gehouden met de waardevermindering van de betaalvaluta tussen de datum van het ongeval en die van de stabilisatie van de verergerde letsels;
- verweerster te veroordelen om als voorlopige aanvulling op de toegekende aanvullende uitkeringen voor de verergering van het letsel ten gevolge van het ongeval van 29 maart 1975 aan verzoeker te betalen een bedrag van 1 000 000 BFR, vermeerderd met vertragingsrente op de voet van 8 % per jaar met ingang van de door het Gerecht vast te stellen datum tot op de dag van de daadwerkelijke betaling;
- verweerster in de kosten te verwijzen.
16 De Commissie heeft geconcludeerd dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- kosten rechtens.
17 Interveniënte heeft geconcludeerd, dat het het Gerecht behage de conclusies van de Commissie toe te wijzen.
Ten gronde
Verzoekers vordering, dat de hem krachtens artikel 73, lid 2, sub c, Ambtenarenstatuut verschuldigde vergoeding wordt berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan de datum die is aangehouden voor de stabilisatie van de verergering van zijn letsels.
- Het enige middel, te weten schending van de artikelen 5 en 73 Ambtenarenstatuut en van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid en het billijkheidsbeginsel
18 Volgens verzoeker moet het kapitaal dat in geval van verergering van de blijvende gedeeltelijke invaliditeit aan de betrokkene moet worden uitgekeerd, niet worden berekend op de grondslag van diens maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval, maar wel op de grondslag van diens maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan de datum die is aangehouden voor de stabilisatie van de verergering der letsels. Hij erkent, dat bij "strikte" toepassing van artikel 73, lid 2, sub b en c, de door de Commissie voorgestelde berekeningsgrondslag van het kapitaal zou moeten worden gehanteerd. Een dergelijke oplossing is evenwel overduidelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel en is onrechtvaardig en onbillijk. Verzoeker merkt op, dat artikel 73 Ambtenarenstatuut niet voorziet in de hypothese van verergering van het letsel, een "lacune" die door artikel 22 van de Regeling wordt opgevuld. In een dergelijk geval zou een bepaling aldus moeten worden uitgelegd, dat zij verenigbaar is met de hogere rechtsregels, en zou zij zelfs gewoon buiten beschouwing moeten worden gelaten indien zij niet met deze regels verenigbaar is. Daarom moet de verergering van de letsels volgens hem bij analogie worden gelijkgesteld met een nieuw ongeval; deze verergering is volgens hem een nieuw feit, dat net als het ongeval recht op vergoeding doet ontstaan. Hij is tevens van oordeel, dat de oplossing die voortvloeit uit de door verweerster aan artikel 73 Ambtenarenstatuut gegeven uitlegging, discriminerend en onbillijk is: door te stellen, dat in geval van invaliditeit het kapitaal moet worden berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval, houdt verweerster immers geen rekening met het feit, dat verzoekers basissalaris sinds het ongeval is gestegen, net als de verplichte bijdragen voor de ongevallenverzekering. Volgens verzoeker is in het onderhavige geval artikel 5 Ambtenarenstatuut geschonden, voor zover daarin het gelijkheidsbeginsel wordt geponeerd.
19 De Commissie is van mening, dat er geen sprake kan zijn van schending van artikel 5 Ambtenarenstatuut, daar dit artikel enkel betrekking heeft op de indeling der ambten in categorieën en rangen en op het verband tussen rang en functie.
20 Zij betoogt, dat verzoekers uitlegging van artikel 73 Ambtenarenstatuut een uitlegging ultra legem is. Volgens haar is de tekst van artikel 73 duidelijk genoeg en is het niet gerechtvaardigd, dit artikel extensief uit te leggen. Haars inziens is er slechts één feit dat het recht op vergoeding doet ontstaan, namelijk het ongeval van maart 1975, en kan de verergering van de nawerking niet los van het ongeval worden gezien.
21 Vervolgens onderzoekt zij artikel 73 tegen de achtergrond van de door verzoeker in zijn middel genoemde beginselen, te weten het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel merkt zij op, dat artikel 73 zonder onderscheid wordt toegepast op alle ambtenaren die het slachtoffer van een ongeval in de zin van de Regeling zijn geweest. Met betrekking tot het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid of het billijkheidsbeginsel herinnert zij eraan, dat het gemeenschapsrecht geen algemeen rechtsbeginsel kent, volgens hetwelk een geldende norm niet mag worden toegepast wanneer zij voor de betrokkene een hardheid meebrengt die de gemeenschapswetgever stellig had willen vermijden, indien hij ze had voorzien toen hij de norm uitvaardigde. Zij preciseert, dat er volgens de rechtspraak van het Hof in het gemeenschapsrecht geen algemeen beginsel van "objectieve onbillijkheid" bestaat.
22 Interveniënte geeft als haar mening te kennen, dat artikel 5 enkel betrekking heeft op de indeling van de statutaire ambten, en verklaart, dat zij niet inziet, hoe dit artikel verzoekers stelling kan staven.
23 Met betrekking tot de schending van artikel 73 Ambtenarenstatuut betoogt zij, dat dit artikel geen lacune vertoont, daar het op algemene wijze de basisregels van het sociale-zekerheidsstelsel van de ambtenaren van de Gemeenschappen formuleert; het bepaalt immers de gedekte risico' s en de gewaarborgde uitkeringen, die in geval van blijvende gedeeltelijke invaliditeit worden berekend op de grondslag van het maandsalaris dat aan de betrokkene is toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval. Haars inziens ziet dit artikel op alle mogelijke gewaarborgde uitkeringen en laat het aan de Regeling enkel over, te bepalen onder welke voorwaarden die gewaarborgde uitkeringen worden toegekend. Artikel 22 van de Regeling laat artikel 73 Ambtenarenstatuut dus onverlet, wat de berekeningsgrondslag van deze uitkeringen betreft.
24 Met betrekking tot de door verzoeker verrichte "gelijkstelling" van het ongeval en de stabilisatie van de verergering van de letsels, neemt interveniënte hetzelfde standpunt in als verweerster, namelijk dat het recht op gewaarborgde uitkeringen ontstaat door het ongeval, en dat de stabilisatie enkel gevolgen heeft voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering, doordat zij bepalend is voor het percentage blijvende invaliditeit. Bijgevolg kan niet bij analogie worden geredeneerd.
25 Aangaande de schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid en het billijkheidsbeginsel, geeft interveniënte als haar mening te kennen, dat deze beginselen door verzoekers uitlegging worden geschonden, daar deze uitlegging zou leiden tot een stelsel, waarin de sociale-zekerheidsuitkeringen verschillen naar gelang het letsel van de ambtenaar al dan niet een latere verergering van diens invaliditeit meebrengt, ofschoon de uitkeringen steeds hun oorzaak vinden in hetzelfde ongeval. Bovendien staat het aan de Commissie noch aan het Gerecht om het stelsel van artikel 73 te vervangen door een stelsel dat zij beter achten; dat is de taak van de gemeenschapswetgever.
26 Het Gerecht stelt enerzijds vast, dat de verwijzing naar artikel 5 Ambtenarenstatuut niet ter zake dienend is, daar deze bepaling geen enkel verband houdt met het voorwerp van het onderhavige beroep.
27 Het Gerecht is anderzijds van oordeel, dat waar artikel 73 Ambtenarenstatuut door het bepalen van de gedekte risico' s en van de gewaarborgde uitkeringen op algemene wijze de basisregels betreffende de sociale zekerheid van de ambtenaren van de Gemeenschappen vaststelt, deze bepaling niet als onvolledig kan worden beschouwd op de enkele grond, dat zij met betrekking tot ongevallen die blijvende gedeeltelijke invaliditeit tot gevolg hebben, niet voorziet in het geval van verergering van de letsels. Doordat artikel 73 het aan de instellingen overlaat om bij wege van een in onderlinge overeenstemming vastgestelde regeling de toepassingsvoorwaarden van de erin opgenomen regels te bepalen, machtigt het de instellingen om in het kader van die regeling rechtmatig te voorzien in het geval van verergering van de letsels.
28 Voorts wijst het Gerecht erop, dat de verergering van de letsels na het ongeval geenszins met een nieuw ongeval kan worden gelijkgesteld, en derhalve evenmin kan worden beschouwd als een nieuw feit dat recht op vergoeding doet ontstaan, daar het nog steeds het ongeval is dat het recht op vergoeding doet ontstaan. Een andere uitlegging zou leiden tot de invoering van een vergoedingsstelsel, dat verschilt naar gelang de letsels onmiddellijk na het ongeval dan wel pas later blijken. Ten slotte beklemtoont het Gerecht, dat volgens artikel 2 van de Regeling als ongeval wordt beschouwd "elke van buiten komende en plotselinge dan wel gewelddadige of ongewone gebeurtenis of inwerking, waardoor de ambtenaar lichamelijk en/of geestelijk letsel wordt toegebracht", en dat een verergering van de letsels daar niet aan beantwoordt. Hieruit volgt, dat de regeling van artikel 73, volgens welke de uitkeringen worden berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris toegekend over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval, eveneens moet worden toegepast in geval van verergering van de letsels na het ongeval.
29 Met betrekking tot de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid en het billijkheidsbeginsel, merkt het Gerecht op, dat artikel 73 zonder onderscheid wordt toegepast op alle ambtenaren die het slachtoffer van een ongeval in de zin van de Regeling zijn geworden, en derhalve geen discriminatie kan opleveren; de toepassing van een verschillende berekeningsgrondslag naar gelang van de datum van stabilisatie van de verergering van de letsels zou daarentegen wel discriminatie kunnen opleveren. Om dezelfde redenen is er in het onderhavige geval geen sprake van schending van het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid en van het billijkheidsbeginsel.
30 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
Verzoekers subsidiaire vordering, dat voor de hem krachtens artikel 73, lid 2, sub c, Ambtenarenstatuut verschuldigde vergoedingen rekening wordt gehouden met de waardevermindering van het geld tussen de datum van het ongeval en die van de stabilisatie van de verergering van zijn letsels.
- Het enige middel: schending van artikel 5 Ambtenarenstatuut en miskenning van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid en het billijkheidsbeginsel
31 Verzoeker is van oordeel, dat indien zijn primaire vordering niet wordt toegewezen, het rechtvaardig en billijk zou zijn, bij de berekening van de vergoedingen die hem wegens de verergering van de uit zijn ongeval voortvloeiende letsels toekomen, rekening te houden met de waardevermindering van de betaalvaluta (de Belgische frank) tussen de datum van het ongeval - 29 maart 1975 - en de voor de stabilisatie van de verergering van de letsels aangehouden datum - 23 november 1988 -, een periode waarin de Belgische frank van index 100 in 1975 tot 198,9 in 1988 is geëvolueerd.
32 De Commissie is evenwel van mening, dat het Ambtenarenstatuut noch de Regeling thans voorziet in een methode om de over de twaalf maanden vóór het ongeval toegekende salarissen te herwaarderen ten einde rekening te houden met de waardevermindering van het geld, en dat enkel de gemeenschapswetgever daartoe kan besluiten. Bovendien zijn de door verzoeker ingeroepen algemene beginselen niet van dien aard, dat zij voor de administratie een geldige rechtsgrond vormen om bij de toepassing van artikel 73, lid 2, sub c, Ambtenarenstatuut het bedrag van de uitkeringen aan te passen in geval van een aanzienlijke wijziging van de kosten van levensonderhoud of van waardevermindering van het geld tussen de datum van het ongeval en die van de stabilisatie van de verergering van de opgelopen letsels. Daarbij komt, dat een vordering als die van verzoeker berust op verwarring tussen de schadevergoeding in het kader van een vordering wegens burgerlijke aansprakelijkheid en de beginselen die gelden in het kader van een ongevallenverzekering. Voorts wijst zij erop, dat verzoeker niet tracht aan te tonen, dat verweerster een fout heeft begaan, bestaande in het onnodig vertragen van het onderzoek van het op artikel 73 gebaseerde verzoek.
33 In repliek stelt verzoeker, dat de door de huidige teksten gedicteerde oplossing onrechtvaardig en onbillijk is, en dat aan genoemde algemene rechtsbeginselen de voorrang moet worden gegeven boven de bepalingen van positief recht. Voorts betoogt hij, dat hij de schadevergoeding in het kader van een vordering wegens burgerlijke aansprakelijkheid niet verwart met de beginselen die gelden in het kader van een ongevallenverzekering, daar zijn verzoek om rekening te houden met de waardevermindering van het geld, niet is gebaseerd op de regels en beginselen betreffende schadevergoeding in het kader van een vordering wegens burgerlijke aansprakelijkheid, maar op hogere rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van de verdelende rechtvaardigheid en het billijkheidsbeginsel.
34 Interveniënte betoogt, dat het kapitaal waarop een ambtenaar krachtens artikel 73 aanspraak kan maken, niet het volledige herstel van het geleden nadeel tot doel heeft. Dit artikel bevat slechts een sociale-zekerheidsregeling die de ambtenaar die een ongeval heeft gehad, een forfaitaire kapitaalsuitkering garandeert. Het gaat dus niet om een vergoeding die "verschuldigd" is om een op de dag van betaling bestaand nadeel te verhelpen, maar om een "verschuldigde geldsom", waarvan het forfaitaire bedrag wordt bepaald aan de hand van de criteria van artikel 73. Zij merkt eveneens op, dat de wettekst duidelijk is, dat geen enkele bepaling van positief gemeenschapsrecht voorschrijft dat het genoemde bedrag moet worden aangepast aan de waardevermindering van het geld, en dat een dergelijk "algemeen rechtsbeginsel" haars inziens in het gemeenschapsrecht noch in het recht van de Lid-Staten bestaat.
35 Het Gerecht acht het allereerst nuttig eraan te herinneren, dat de in artikel 73 bedoelde uitkeringen sociale-zekerheidsuitkeringen zijn, en geen uitkeringen tot vergoeding van schade in het kader van een vordering wegens burgerlijke aansprakelijkheid; het in artikel 73, lid 2, sub b en c, bedoelde kapitaal is derhalve geen vergoeding die verschuldigd is om een nadeel te verhelpen, maar een verschuldigd forfaitair bedrag, dat wordt berekend aan de hand van de blijvende gevolgen van het ongeval (arrest van het Hof van 21 mei 1981, zaak 156/80, Morbelli, Jurispr. 1981, blz. 1357, r.o. 34).
36 Het Gerecht is van oordeel, dat artikel 73, lid 2, Ambtenarenstatuut noch artikel 22 van de Regeling het mogelijk maakt, het uitgekeerde kapitaal in geval van latere verergering van de letsels te herwaarderen om rekening te houden met de waardevermindering van het geld.
37 Voorts wijst het Gerecht erop, dat volgens artikel 20, eerste alinea, van de Regeling "het besluit tot vaststelling van de graad van invaliditeit wordt genomen na de stabilisatie van het door de ambtenaar opgelopen letsel", en dat luidens de tweede alinea van dat artikel "wanneer bij beëindiging van de medische behandeling de graad van invaliditeit nog niet definitief kan worden vastgesteld, het advies van de in artikel 19 bedoelde arts of artsen of, in voorkomend geval, het rapport van de medische commissie bedoeld in artikel 23, de uiterste datum dient aan te geven waarop het dossier van de ambtenaar aan een hernieuwd onderzoek moet worden onderworpen". Hieruit blijkt, dat het recht op uitkering van de vergoeding voor blijvende invaliditeit niet ontstaat naarmate elk letsel zich stabiliseert, maar slechts bij de stabilisatie van alle letsels, en dat is voorzien, dat er een onbepaalde tijd kan verstrijken tussen het ongeval en de stabilisatie van de letsels.
38 De Regeling bepaalt evenwel, dat een voorlopige vergoeding slechts wordt uitgekeerd, indien de graad van invaliditeit op ten minste 20 % wordt geschat. Artikel 20, derde alinea, van de Regeling bepaalt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag in dat geval een voorlopige vergoeding toekent tot het niet betwiste gedeelte van het percentage blijvende invaliditeit; die vergoeding wordt in mindering gebracht op de definitieve uitkeringen.
39 Het Gerecht is dan ook van mening, dat er geen enkele rechtsgrondslag is voor de stelling, dat het als vergoeding voor blijvende invaliditeit uitgekeerde kapitaal in voorkomend geval op het ogenblik van de stabilisatie van de letsels moet worden geherwaardeerd om rekening te houden met de eventueel intussen ingetreden waardevermindering van het geld.
40 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat aangezien deze oplossing voor alle ambtenaren geldt, zij niet in strijd is met de in het middel aangehaalde algemene rechtsbeginselen.
41 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
42 Hieruit volgt, dat verzoekers vordering tot nietigverklaring moet worden afgewezen.
Verzoekers vordering, de Commissie te veroordelen hem een "voorlopige aanvulling" uit te keren
43 Verzoeker vraagt, verweerster te veroordelen om hem als voorlopige aanvulling op de hem toegekende aanvullende uitkeringen voor de verergering van het letsel ten gevolge van het ongeval van 29 maart 1975 een bedrag van 1 000 000 BFR uit te keren, vermeerderd met vertragingsrente op de voet van 8 % per jaar met ingang van de door het Gerecht vast te stellen datum tot op de dag van de daadwerkelijke betaling.
44 De Commissie merkt op, dat het Ambtenarenstatuut noch de Regeling bepaalt, dat de betrokkene de administratie om uitkering van een voorlopige vergoeding kan verzoeken. Voorts herinnert zij eraan, dat overeenkomstig artikel 176 EEG-Verdrag slechts uit de nietigverklaring van een van haar handelingen, verplichtingen voor de administratie kunnen voortvloeien, en dat het Gerecht in het kader van de wettigheidstoetsing op basis van artikel 91 Ambtenarenstatuut niet bevoegd is om de administratie bevelen te geven. Hieruit volgt haars inziens, dat deze vordering niet-ontvankelijk, of althans niet gegrond moet worden verklaard.
45 In repliek antwoordt verzoeker, dat hij niet vraagt om toekenning van aanvullende vergoedingen zonder daartoe strekkende conclusies van de raadgevende arts of van de medische commissie, maar om uitkering van een aanvulling op de vergoedingen die reeds zijn toegekend, welke aanvulling, indien zijn andere vorderingen worden toegewezen, verschuldigd is omdat de toegekende aanvullende vergoedingen zijn berekend op de grondslag van het maandelijkse salaris over de twaalf maanden voorafgaande aan het ongeval (29 maart 1975) in plaats van op de grondslag van het maandelijkse salaris over de twaalf maanden voorafgaande aan de datum van stabilisatie van de verergering van de letsels (23 november 1988) of, subsidiair, omdat bij de toegekende aanvullende vergoedingen geen rekening is gehouden met de waardevermindering van het geld. Met betrekking tot de bevoegdheid van het Gerecht om van deze vordering kennis te nemen, herinnert hij eraan, dat het Gerecht in ambtenarenzaken volle rechtsmacht bezit ter zake van gedingen met een geldelijk karakter, en dat hij slechts vraagt om veroordeling tot betaling van "hetgeen hij te weinig heeft ontvangen".
46 Daar het Gerecht verzoekers vorderingen betreffende de berekeningswijze van het in artikel 73, lid 2, sub c, Ambtenarenstatuut bedoelde kapitaal heeft afgewezen, moet ook deze vordering, waarvan het lot verbonden is met dat van de vorige, worden afgewezen.
47 Mitsdien moet het beroep worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy