Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen - Individuele beschikking - Kennisgeving - Begrip
(EEG-Verdrag, art. 191, tweede alinea)
2. Procedure - Beroepstermijnen - Verval van instantie - Verschoonbare dwaling - Begrip
3. Procedure - Beroepstermijnen - Verval van instantie - Toeval of overmacht - Begrip
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 42, tweede alinea)
Samenvatting
1. Van een beschikking is naar behoren kennisgegeven wanneer zij is meegedeeld aan degene tot wie zij is gericht, en deze in staat is gesteld daarvan kennis te nemen. Wanneer de betekening geschiedt door middel van een aangetekende brief met ontvangstbevestiging, moet de datum van de ondertekening van deze ontvangstbevestiging worden beschouwd als de datum van kennisgeving, zonder dat rekening moet worden gehouden met de datum waarop de geadresseerde een gewoon ontvangstbewijs, dat bij de beschikking is gevoegd om eventuele fouten bij de post te ondervangen, terugzendt.
2. Omdat de communautaire regeling inzake de beroepstermijnen van openbare orde is, moet het begrip verschoonbare dwaling, dat het krachtens het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel mogelijk maakt hiervan af te wijken, restrictief worden uitgelegd en kan het slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling de oorzaak is voor de dwaling die zich voordoet door een gedrag dat, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken kan worden verlangd, een aanvaardbare verwarring kan veroorzaken.
3. Een verzoeker wiens beroep wordt getroffen door verval van instantie, kan dit slechts ongedaan maken wegens toeval of overmacht, zoals voorzien in artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, indien hij zich in abnormale moeilijkheden bevindt die onafhankelijk zijn van de wil van de verzoeker en die ondanks alle dienstige voorzorgsmaatregelen onvermijdelijk blijken te zijn.
Partijen
In zaak T-12/90,
Bayer AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Leverkusen (Bondsrepubliek Duitsland), vertegenwoordigd door J. Sedemund, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Jansen, lid van de juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende, in de huidige stand van de procedure, de ontvankelijkheid van een beroep krachtens artikel 173 EEG-Verdrag tot nietigverklaring van beschikking 90/38/EEG van de Commissie van 13 december 1989 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.026, Bayo-n-ox, PB 1990, L 21, blz. 71),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Saggio, kamerpresident, C. Yeraris, C. P. Briët, B. Vesterdorf en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 6 december 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 Bij beschikking 90/38/EEG van 13 december 1989 (PB 1990, L 21, blz. 71; hierna: "de beschikking") stelde de Commissie, dat van 10 juli 1986 tot en met 13 november 1989 tussen Bayer AG, tot wie de beschikking was gericht (hierna: "Bayer"), en haar afnemers overeenkomsten hebben bestaan, volgens welke laatstgenoemden "Bayo-n-ox Premix 10 %" uitsluitend voor eigen behoefte in hun bedrijven mochten gebruiken. Volgens de Commissie vormden deze overeenkomsten inbreuken op artikel 85 EEG-Verdrag. Om die reden legde zij Bayer een geldboete op van 500 000 Ecu op grond van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (PB 1962, nr. 13, blz. 204, hierna: "verordening nr. 17").
2 Deze beschikking werd Bayer op 20 december 1989 per post toegestuurd als aangetekende brief met ontvangstbewijs. Uit de processtukken, waarvan de juistheid niet wordt bestreden, blijkt dat deze brief op 28 december 1989 in de postkamer van Bayer is aangekomen.
3 Op de voorkant van de envelop waarin de beschikking zich bevond, waren aangebracht: een poststempel, een etiket met enerzijds de naam en het adres van de Commissie en anderzijds de woorden "An die Bayer Aktiengesellschaft - D-5090 Leverkusen République Fédérale d' Allemagne", een stempel aan de linkerbovenkant met de woorden "A.R. - Recommandé avec accusé de réception - Aangetekend met ontvangstbewijs" en ten slotte een rood omrand etiket met de aanduiding "R (rood) - Bruxelles 4 - Brussel 4 - 663 (rood)" links onder in de hoek. Op de achterkant van de envelop was aan beide uiteinden een verwijderbaar formulier in dik rood papier geplakt, waarop stond "avis de réception/de paiement/d' inscription" (ontvangstbevestiging). Bij de behandeling door de postkamer werd dit formulier verwijderd van de envelop, waarop evenwel zichtbare sporen achterbleven.
4 Een gevolmachtigde van Bayer die in de postkamer werkzaam was, schreef op de zojuist genoemde ontvangstbevestiging, in het hokje "date et signature du destinataire", de datum van 28 december 1989 en zette zijn handtekening. Het postkantoor Leverkusen bracht op de betrokken ontvangstbevestiging eveneens een stempel met de datum 28 december 1989 aan en stuurde haar terug naar de Commissie, die haar ook heeft ontvangen.
5 Een personeelslid in de postkamer van Bayer, die veronderstelde dat de brief bestemd was voor de octrooi-afdeling, stuurde hem naar deze afdeling door, zonder de envelop te openen of daarop de datum van binnenkomst in de postkamer te vermelden. De octrooi-afdeling plaatste op de voorkant van de envelop een rode stempel met de aanduiding "Nicht K-RP Patentabteilung" (niet bestemd voor de octrooi-afdeling) en stuurde de brief met de interne post terug naar de postkamer. Een personeelslid van de postkamer opende de envelop op 3 januari 1990 en plaatste op de voorkant daarvan een stempel met de datum van die dag. Daarna stuurde hij de envelop met inhoud naar de afdeling juridische zaken van Bayer.
6 In de betrokken envelop bevonden zich de tekst van de reeds genoemde beschikking van de Commissie, een begeleidend schrijven van 19 december 1989, een standaardformulier voor een bankgarantie en een formulier met het opschrift "Acknowledgement of receipt/Accusé de réception" (ontvangstbewijs). Het secretariaat van de juridische afdeling van Bayer plaatste een stempel op de beschikking met de datum van 3 januari 1990. Twee medewerkers van de juridische afdeling noteerden op het ontvangstbewijs de datum van 3 januari 1990 en ondertekenden het. Vervolgens werd dit formulier teruggestuurd naar de Commissie, die het ook heeft ontvangen.
7 Op 15 januari 1990 stuurde de juridische afdeling van Bayer Sir Leon Brittan, vice-voorzitter van de Commissie, een brief over deze beschikking. In deze brief werd 3 januari 1990 genoemd als de datum van betekening van de beschikking.
Procedure
8 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 maart 1990, heeft Bayer verzocht om nietigverklaring van de reeds genoemde beschikking van de Commissie, subsidiair tot intrekking van de haar opgelegde boete van 500 000 Ecu, en meer subsidiair tot verlaging van de genoemde geldboete.
9 Bij afzonderlijke akte, neergelegd op 30 maart 1990, heeft de Commissie krachtens artikel 91, paragraaf 1, Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op grond van artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht (hierna: "Reglement voor de procesvoering van het Hof"), het Gerecht verzocht, zonder op de zaak ten gronde in te gaan, uitspraak te doen op een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de beroepstermijn. Op 7 mei 1990 heeft Bayer haar opmerkingen over dit verzoek ingediend.
10 Het Gerecht (Tweede kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten de mondelinge procedure betreffende deze exceptie van niet-ontvankelijkheid te openen. De partijen werd verzocht, bepaalde vragen te beantwoorden, en verzoekster werd verzocht, de originele envelop waarmee de betekening had plaatsgevonden, over te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan. De overlegging van de envelop ter aanvulling van de schriftelijke verklaringen van de partijen, stelde het Gerecht in staat de hierboven in punt 3 tot en met 7 vermelde constateringen te doen.
11 De terechtzitting betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid vond plaats op 6 december 1990. Aan het einde heeft de kamerpresident de mondelinge procedure voor gesloten verklaard.
12 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens overschrijding van de beroepstermijn;
- verzoekster in de kosten te verwijzen.
13 Bayer betoogt dat het beroep binnen de gestelde termijn is ingesteld. Subsidiair voert zij aan, dat een eventuele overschrijding van de in artikel 173, derde alinea, bedoelde termijn haar niet kan worden aangerekend.
De ontvankelijkheid van het beroep
14 De Commissie stelt dat het op 9 maart 1990 door verzoekster ingestelde beroep strekt tot nietigverklaring van de haar op 28 december 1989 betekende beschikking. Aangezien de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring ingevolge artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag twee maanden bedraagt, deze termijn op grond van artikel 81, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aanvangt op de dag volgende op die waarop de handeling ter kennis van de betrokkene is gebracht, en hij in casu op grond van artikel 81, paragraaf 2, juncto artikel 1, tweede streepje, van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof uit hoofde van afstand met zes dagen wordt verlengd, omdat verzoekster in de Bondsrepubliek Duitsland is gevestigd, is de termijn voor de instelling van een beroep tot nietigverklaring verstreken op 6 maart 1990. Het op 9 maart 1990 ingestelde beroep is derhalve te laat ingesteld en dientengevolge niet-ontvankelijk.
15 Bayer heeft drie verweermiddelen aangevoerd tegen deze exceptie van niet-ontvankelijkheid: het eerste middel heeft betrekking op de onregelmatigheid van de door de Commissie verrichte betekening; het tweede middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, betreft omstandigheden die haar dwaling inzake de aanvang van de beroepstermijn verschoonbaar maken; het derde middel betreft omstandigheden die voor haar toeval of overmacht opleverden. De drie door verzoekster aangevoerde verweermiddelen moeten nu achtereenvolgens worden onderzocht.
16 Vooraf merkt het Gerecht op, dat vaststaat dat in casu de beroepstermijn volgens artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag, juncto artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en artikel 1 van bijlage II bij genoemd reglement, twee maanden en zes dagen bedroeg en inging op de dag volgende op die waarop verzoekster de bestreden beschikking heeft ontvangen of daarvan kennis heeft gekregen.
De onregelmatigheid van de betekening
17 Bayer betoogt om te beginnen dat de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag bedoelde beroepstermijn van twee maanden pas op 3 januari 1990 begon te lopen en, gelet op de in artikel 1 van bijlage II bij het Reglement voor de procesvoering van het Hof bedoelde termijn van zes dagen uit hoofde van afstand, pas op 9 maart 1990 was verstreken. Het feit dat de slechts aan "Bayer Aktiengesellschaft - D-5090 Leverkusen" geadresseerde beschikking op 28 december 1989 in haar postkamer was aangekomen, betekent niet dat deze op die dag aan haar is betekend of dat zij daarvan op die dag kennis heeft genomen. Verzoekster wijst erop dat volgens artikel 10 van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, nr. 127, blz. 2268, hierna: "verordening nr. 99/63") een dergelijke beschikking per aangetekende post met ontvangstbevestiging aan de geadresseerde moet worden toegezonden of tegen een ontvangstbewijs moet worden overhandigd. Door in de aangetekende brief het formulier met het opschrift "Acknowledgement of Receipt/Accusé de réception" (ontvangstbewijs) te voegen, heeft de Commissie beide manieren van betekening gebruikt. Het feit dat in casu deze beide manieren van betekening gelijktijdig zijn gebruikt, maakte de betekening onregelmatig. De beroepstermijn ging derhalve pas in op de dag dat verzoekster daadwerkelijk kennis heeft genomen van de beschikking, dat wil zeggen, zoals zij overigens meent te hebben aangetoond, op 3 januari 1990. Verzoekster voegt hieraan toe dat, aangezien de Commissie het ontvangstbewijs met daarop de datum van 3 januari 1990 zonder bezwaar heeft geaccepteerd, het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel zich ertegen verzetten dat zij zich later beroept op een ontvangstbevestiging die op een eerder tijdstip is ondertekend.
18 Wat de regelmatigheid van de betekening betreft, het Gerecht wijst erop, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof verzending per aangetekende brief met ontvangstbevestiging een juiste wijze van betekening is, omdat hierdoor het begin van de beroepstermijn met zekerheid kan worden vastgesteld. Evenzo is van een beschikking naar behoren kennisgegeven, zodra zij is meegedeeld aan degene aan wie zij is gericht en deze in staat is gesteld daarvan kennis te nemen (arrest van 26 november 1985, zaak 42/85, Cockerill-Sambre/Commissie, Jurispr. 1985, blz. 3749).
19 In casu heeft het Gerecht vastgesteld, dat de betrokken diensten van de Commissie verzoekster de beschikking hebben toegezonden als aangetekende brief met ontvangstbevestiging en dat deze brief op 28 december 1989 onder normale omstandigheden bij verzoeksters zetel in Leverkusen is aangekomen. Bijgevolg was verzoekster op die dag in staat, kennis te nemen van de inhoud van de brief en de bewoordingen van de beschikking.
20 Het feit dat in de envelop een formulier zat met het opschrift "Acknowledgement of receipt/Accusé de réception" betekent namelijk in geen geval, dat er buiten de regelmatige betekening via de post nog een tweede betekening was. In dit stadium van de motivering kan in het midden worden gelaten, welke gevolgen de omstandigheid dat dit formulier was bijgesloten, heeft ten aanzien van de begrippen "verschoonbare dwaling", "toeval" en "overmacht"; hier volstaat het op te merken, dat een met behulp van een "Acknowledgement of receipt/Accusé de réception" verrichte betekening zou hebben doen vermoeden, dat de beschikking door een naar behoren gevolmachtigd vertegenwoordiger van de Commissie persoonlijk was overhandigd aan een personeelslid van Bayer, hetgeen in casu echter niet het geval was. In werkelijkheid moest de verzending van dit formulier in één en dezelfde envelop als de beschikking er slechts voor zorgen dat, zoals de Commissie heeft verklaard, de Commissie zeker zou weten, op welke datum de onderneming van de beschikking heeft kennis gekregen, voor het geval de betrokken postadministratie in gebreke zou blijven en de ontvangstbevestiging niet naar de Commissie zou terugsturen, hetgeen hier overigens niet het geval was. Van de bestreden beschikking is derhalve aan verzoekster regelmatig en op geldige wijze kennisgegeven op 28 december 1989.
21 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters eerste verweermiddel moet worden verworpen.
Verschoonbare dwaling
22 Verzoekster betoogt subsidiair, dat zelfs indien wordt aangenomen dat de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn op 28 december 1989 begon te lopen, het beroep niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Dit blijkt uit de rechtspraak van het Hof, volgens welke een beroep, ondanks het niet in acht nemen van de door de desbetreffende voorschriften vastgestelde termijnen, toch ontvankelijk kan zijn wanneer de verzoeker op een verschoonbare wijze heeft gedwaald ten aanzien van de aanvang van de termijn (arresten van 18 oktober 1977, zaak 25/68, Schertzer/Parlement, Jurispr. 1977, blz. 1729, en 5 april 1979, zaak 117/78, Orlandi/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 1613, inz. blz. 1620). In dit verband heeft verzoekster vier argumenten aangevoerd tot staving van haar stelling dat haar dwaling in casu verschoonbaar was.
23 Allereerst betoogt verzoekster dat de Commissie tijdens de administratieve procedure die aan de vaststelling van de beschikking voorafging, alle voor verzoekster bestemde mededelingen zonder uitzondering als aangetekende brief met ontvangstbevestiging rechtstreeks aan haar afdeling juridische zaken heeft geadresseerd. Verzoekster mocht derhalve verwachten, dat de eindbeschikking eveneens rechtstreeks naar de afdeling juridische zaken zou worden gestuurd. Anders dan zij tot dan toe steeds had gedaan, heeft de Commissie de beschikking echter aan "Bayer Aktiengesellschaft" geadresseerd, zonder nader aan te geven voor welke afdeling zij bestemd was.
24 In de tweede plaats merkt verzoekster op, dat zij heeft gedaan wat in haar vermogen lag om fouten bij de afhandeling van de inkomende post te vermijden. Verzoekster geeft echter toe, dat haar gevolmachtigde in de postkamer niet heeft gehandeld in overeenstemming met de interne instructies volgens welke medewerkers van de postkamer om te beginnen elke envelop moeten openen waarop niet duidelijk genoeg is aangegeven voor welke dienst zij is bestemd, vervolgens op de envelop een stempel dienen te plaatsen met de datum van binnenkomst in de postkamer en ten slotte het betrokken document te zamen met de envelop waarop de stempel met de datum van binnenkomst is aangebracht, moeten doorsturen naar de bevoegde afdeling.
25 In de derde plaats stelt verzoekster dat de verschoonbaarheid van haar dwaling duidelijk blijkt uit het feit dat in de envelop een ontvangstbewijs zat dat door de Commissie bij de beschikking was ingesloten. Gelet op artikel 10 van verordening nr. 99/63 mocht de afdeling juridische zaken ervan uitgaan, dat dit ontvangstbewijs het enige document was dat door de Commissie voor de betekening van de beschikking was gebruikt; zij kon derhalve niet vermoeden, dat de postkamer reeds een ontvangstbevestiging met een andere datum had ingevuld en teruggestuurd.
26 Ten vierde is verzoekster van mening dat het feit dat de Commissie haar op geen enkel moment, noch bij ontvangst van het ontvangstbewijs noch in de latere correspondentie en inzonderheid niet bij ontvangst van de brief van 15 januari 1990, op haar dwaling opmerkzaam heeft gemaakt, zeer duidelijk ten gunste van de verschoonbaarheid van deze dwaling pleit. Door op dit punt haar stilzwijgen te bewaren, heeft de Commissie in strijd gehandeld met zowel het rechtszekerheids- als het vertrouwensbeginsel, die zij jegens verzoekster diende te eerbiedigen.
27 De Commissie heeft tijdens de mondelinge procedure op al deze argumenten in hoofdzaak geantwoord dat, gelet op het belang van de voorschriften inzake de beroepstermijnen, niet kan worden aanvaard dat de aanvang van de beroepstermijn kan worden uitgesteld door een dwaling die het gevolg is van ernstige fouten binnen een onderneming en waarvoor alleen de werknemers van die onderneming verantwoordelijk zijn.
28 Volgens het Gerecht moet vooraf duidelijk worden aangegeven, wat de draagwijdte is van het begrip verschoonbare dwaling, dat volgens het arrest van het Hof van 18 oktober 1977 in zaak 25/68 (Schertzer/Parlement, reeds aangehaald) in uitzonderlijke gevallen ertoe kan leiden dat het recht van beroep na afloop van de beroepstermijn bewaard blijft. Dit begrip, dat uitdrukkelijk moet worden onderscheiden van de in artikel 42 van het protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "' s Hofs Statuut") genoemde begrippen "toeval" of "overmacht", vindt zijn oorsprong rechtstreeks in het streven, de eerbiediging van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel te verzekeren.
29 Met betrekking tot de beroepstermijnen, waarover volgens vaste rechtspraak noch de partijen noch de rechter vrijelijk kunnen beschikken en die van openbare orde zijn, moet het begrip verschoonbare dwaling beperkt worden uitgelegd en kan het slechts betrekking hebben op uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een burger te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken kan worden verlangd, een aanvaardbare verwarring kan veroorzaken. In een dergelijk geval kan het bestuur namelijk geen beroep doen op haar eigen miskenning van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel die de oorzaak was voor de dwaling van de burger.
30 Met inachtneming van deze overwegingen moet worden onderzocht, of de vier in casu door verzoekster aangevoerde omstandigheden haar dwaling ten aanzien van het begin van de beroepstermijn verschoonbaar kunnen maken.
31 Gelet op de verplichtingen die op iedere marktdeelnemer met een normale kennis van zaken rusten, is het Gerecht in de eerst plaats van mening, dat het feit dat de Commissie de bestreden beschikking naar verzoeksters zetel heeft gestuurd, terwijl zij vroeger al haar mededelingen rechtstreeks naar de afdeling juridische zaken van laatstgenoemde stuurde, niet een zodanige uitzonderlijke omstandigheid vormt dat verzoeksters dwaling daardoor verschoonbaar wordt.
32 In de tweede plaats mist het argument dat verzoekster alles wat in haar vermogen lag heeft gedaan om fouten bij de afhandeling van de aan haar geadresseerde post te vermijden, gesteld dat dit juist is, volgens het Gerecht in casu elke grondslag, aangezien uit de stukken blijkt, en ook niet is betwist, dat bij de aankomst van de aangetekende brief binnen verzoeksters onderneming inderdaad fouten zijn gemaakt.
33 De eerste door verzoekster niet betwiste fout was, dat haar postkamer de interne instructies niet heeft opgevolgd, volgens welke medewerkers van de postkamer elke envelop moesten openen waarvan de bestemming binnen de onderneming niet duidelijk leek vast te staan. De tweede fout was dat de postkamer van de onderneming heeft nagelaten op de envelop een stempel te plaatsen met de datum van binnenkomst in de postkamer. De derde fout was een gevolg van de beide voorgaande en bestond erin dat het betrokken document niet onmiddellijk te zamen met de envelop aan de bevoegde afdeling werd doorgestuurd. De vierde fout ten slotte was, dat de afdeling juridische zaken van de onderneming geen rekening heeft gehouden met de stempel "Nicht K-RP Patentabteilung", die door de patentafdeling op de voorkant van de envelop was geplaatst, noch met de goed zichtbare sporen van de ontvangstbevestiging op de envelop.
34 Zonder de drie genoemde fouten van de postkamer had de afdeling juridische zaken van Bayer noodzakelijkerwijs kennis genomen van de op 28 december 1989 door de Commissie verrichte regelmatige betekening van de bestreden beschikking. Anderzijds moest de afdeling juridische zaken van Bayer in verband met al deze fouten, zoals elke afdeling die de normale zorgvuldigheid betracht had moeten doen, zeer zorgvuldig nagaan wanneer de brief, vóór de omweg via de patentafdeling, oorspronkelijk bij de postkamer van de onderneming was binnengekomen. Verzoekster heeft echter noch in haar schriftelijke opmerkingen noch ter terechtzitting betoogt, dat een dergelijk onderzoek is verricht.
35 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster zich niet kan beroepen op het gebrekkig functioneren van haar interne organisatie of op de omstandigheid dat haar interne instructies niet zijn opgevolgd, om te pogen het verschoonbare karakter van haar dwaling aan te tonen, vooral omdat vaststaat dat deze instructies niet zijn nageleefd en dat de diensten van de Commissie in elk geval op geen enkele wijze hebben bijgedragen tot het gebrekkig functioneren van de afdelingen van Bayer.
36 Wat verzoeksters derde argument betreft, te weten dat de envelop een door de Commissie bij de beschikking gevoegd ontvangstbewijs bevatte, is het niet uitgesloten dat een dergelijke omstandigheid bij de ontvanger een zekere twijfel kan doen ontstaan over de door de Commissie toegepaste wijze van betekening, vooral omdat de Commissie, zoals zij ter terechtzitting ook uitdrukkelijk heeft toegegeven, hetzelfde formulier in de regel gebruikt voor de betekening door middel van afgifte tegen ontvangstbewijs en tegelijk, zoals in casu, voor haar eigen administratieve afhandeling van de dossiers. In het onderhavige geval had het ingesloten formulier met het opschrift "Acknowledgement of receipt/Accusé de réception" bij verzoekster echter geen verwarring kunnen veroorzaken, indien zij met de normale zorgvuldigheid te werk was gegaan en de verschillende afdelingen niet de genoemde fouten hadden gemaakt.
37 Bijgevolg moet verzoeksters derde argument worden verworpen.
38 Met betrekking tot het argument dat de Commissie bij ontvangst van het formulier met het opschrift "Acknowledgement of receipt/Accusé de réception", waarop verzoekster 3 januari 1990 als dag van betekening had aangegeven, enerzijds in het geheel niet heeft gereageerd, en vervolgens in de op de betekening gevolgde briefwisseling, en inzonderheid na ontvangst van verzoeksters brief van 15 januari 1990 waarin dezelfde foutieve datum van betekening werd genoemd, verzoekster niet op haar vergissing heeft gewezen, is het Gerecht ten slotte van mening dat verzoekster zich in het onderhavige geval niet met succes op een dergelijk argument kan beroepen tot staving van haar stelling dat haar dwaling verschoonbaar was of om de Commissie schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel te verwijten met betrekking tot de wijze van berekening van de voor haar geldende beroepstermijn.
39 Ten aanzien van het eerste deel van verzoeksters betoog, dat de omstandigheid betreft dat de Commissie haar niet opmerkzaam heeft gemaakt op de discrepantie tussen de datum van 28 december 1989, de datum van de betekening door middel van een aangetekende brief met ontvangstbevestiging, en de datum van 3 januari 1990 die de afdeling juridische zaken bij vergissing op het formulier met het opschrift "Acknowledgement of Receipt/Accusé de réception" had genoteerd, stelt het Gerecht allereerst vast, dat de Commissie de op 28 december 1989 gedateerde en door een gevolgmachtigde van verzoekster ondertekende ontvangstbevestiging inderdaad heeft ontvangen. Rekening houdend met het doel van het formulier met het opschrift "Acknowledgement of receipt/Accusé de réception", namelijk, zoals de Commissie heeft verklaard, om haar ten minste zekerheid te verschaffen over de datum van kennisneming voor het uitzonderlijke geval dat de postadministratie de ontvangstbevestiging niet zou terugsturen, is het Gerecht verder van mening, dat de Commissie onder de omstandigheden van de onderhavige zaak en in de toenmalige stand van de procedure, waarbij het ontvangstbewijs haar inderdaad was toegestuurd, niet verplicht was na te gaan of de op de beide stukken vermelde data met elkaar overeenstemden, aangezien slechts de datum van de regelmatige betekening op de ontvangstbevestiging van belang was. De Commissie was des te minder tot dit onderzoek verplicht, daar een dergelijke discrepantie tussen de data op beide genoemde stukken in principe niet kan voorkomen, tenzij, zoals in casu, als gevolg van fouten waarvoor de onderneming verantwoordelijk is.
40 Wat het tweede gedeelte van verzoekster betoog betreft, dat het stilzwijgen van de Commissie na ontvangst van verzoeksters brief van 15 januari 1990 betreft, het Gerecht merkt op dat redelijkerwijs van de diensten van de Commissie niet kan worden verwacht dat zij uit zichzelf, wanneer het geschil zoals in deze zaak niet specifiek betrekking heeft op de aanvang van de beroepstermijn, alle onjuiste data corrigeren die slechts terloops worden genoemd in de door de verschillende marktdeelnemers aan haar gerichte correspondentie.
41 Uit het voorgaande volgt, dat de vier door Bayer tot staving van haar tweede middel aangevoerde argumenten moeten worden verworpen en dat derhalve dit middel zelf niet kan slagen.
Toeval of overmacht
42 Ten slotte meent verzoekster zich te kunnen beroepen op toeval of overmacht in de zin van artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut. Aangezien zij in elk opzicht heeft voldaan aan haar organisatie- en controleplichten, kan haar geen schuld worden verweten en kan haar derhalve, gelet op het gedrag van de Commissie in zijn totaliteit, het verzuim van de voorgeschreven beroepstermijn niet worden aangerekend.
43 De Commissie heeft hierop geantwoord, dat het Gerecht op grond van de omstandigheden van het onderhavige geval niet kan concluderen dat de uitzonderingsbepalingen betreffende toeval of overmacht van toepassing zijn. Voor de in verzoeksters onderneming gemaakte fouten zijn alleen haar personeelsleden verantwoordelijk. In de aaneenschakeling van gemaakte fouten draagt de Commissie zelf geen verantwoordelijkheid.
44 Met betrekking tot de vraag of verzoekster omstandigheden heeft aangetoond op grond waarvan sprake is van toeval of overmacht, zij opgemerkt dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof moet gaan om abnormale moeilijkheden die onafhankelijk zijn van de wil van verzoekster en die ondanks alle dienstige voorzorgsmaatregelen onvermijdelijk blijken te zijn (arresten van 9 februari 1984, zaak 284/82, Busseni/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 557, en 30 mei 1984, zaak 224/83, Ferriera/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 2349).
45 Verzoekster nu voert tot staving van dit middel dezelfde argumenten aan als zij heeft aangevoerd ter ondersteuning van het middel betreffende de verschoonbaarheid van haar dwaling. Gelet op hetgeen zojuist is verklaard over de vermeend verschoonbare dwaling blijkt duidelijk, dat in het onderhavige geval a fortiori niet is voldaan aan de zojuist genoemde voorwaarden voor het bestaan van omstandigheden op grond waarvan sprake is van toeval of overmacht in de zin van artikel 42 van 's Hofs Statuut, waardoor een overschrijding van de beroepstermijn wordt gerechtvaardigd.
46 Uit al het voorgaande volgt dat de drie door verzoekster aangevoerde verweermiddelen moeten worden verworpen. Het beroep, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 9 maart 1990, is dus ingediend na afloop van de voor verzoekster geldende beroepstermijn van twee maanden en zes dagen, en moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
47 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
rechtdoende,
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy