Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Besluit houdende niet-toelating tot vergelijkend onderzoek, genomen na heronderzoek van eerder besluit - Beroepstermijn - Aanvang - Kennisgeving van nieuw besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Vergelijkend onderzoek op grondslag van examen - Vereiste van universitaire diploma' s - Begrip universitair diploma - Beoordeling aan hand van wettelijke regeling van staat waar studie is volbracht
3. Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Niet-toelating tot vergelijkend onderzoek - Bezwarend besluit - Motiveringsverplichting - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea; bijlage III, art. 5)
Samenvatting
1. Het besluit waarbij een jury van een vergelijkend onderzoek een kandidaat niet tot de examens toelaat, nadat zij op verzoek van de betrokkene zijn sollicitatie opnieuw heeft onderzocht, komt in de plaats van het eerdere besluit van de jury en kan niet als een loutere bevestiging daarvan worden beschouwd.
Aangezien het een besluit van een jury van een vergelijkend onderzoek is waartegen zonder voorafgaande klacht voor het Gerecht kan worden opgekomen, begint de beroepstermijn te lopen vanaf de datum van kennisgeving van het nieuwe besluit.
2. Bij gebreke van een andersluidende bepaling hetzij in een verordening of richtlijn die van toepassing is op de door de gemeenschapsinstellingen georganiseerde vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving, hetzij in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, moet het vereiste dat men in het bezit van een universitair diploma moet zijn om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, worden opgevat in de betekenis die daaraan wordt gegeven in de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de sollicitant de desbetreffende studie heeft gevolgd.
Aangezien de Lid-Staten namelijk bevoegd zijn ten aanzien van de inrichting van het op hun grondgebied gegeven onderwijs, moeten de gemeenschapsinstellingen op grond van hun verplichting, loyaal met de Lid-Staten samen te werken, de door deze laatsten in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheid vastgestelde regels eerbiedigen. Dit is inzonderheid het geval wanneer het om grondwettelijke bepaling gaat.
3. De in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut neergelegde verplichting, elk bezwarend besluit met redenen te omkleden, heeft in de eerste plaats tot doel de betrokkene de nodige gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit gegrond is, en in de tweede plaats een rechterlijke wettigheidstoetsing mogelijk te maken.
Het besluit waarbij een jury een kandidaat niet tot de examens van een vergelijkend onderzoek toelaat, op grond dat hij niet voldoet aan het vereiste van het bezit van een universitair diploma, is voldoende gemotiveerd, wanneer dit besluit duidelijk de reden vermeldt waarom de jury het door de kandidaat overgelegde diploma niet als een universitair diploma heeft beschouwd, en het bovendien vermeldt dat de jury zich niet gebonden acht aan door de verzoeker aangevoerde besluiten van jury' s van vergelijkende onderzoeken, volgens welke houders van hetzelfde diploma zouden zijn toegelaten tot door andere instellingen georganiseerde vergelijkende onderzoeken voor gelijkwaardige ambten.
Partijen
In zaak T-16/90,
A. Panagiotopoulou, wonende te Athene, vertegenwoordigd door S. Afendras, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-rue 31,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, bijgestaan door M. Peter, afdelingshoofd, en J. Pantalis, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Campinos, Bâtiment BAK III, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek PE/137/LA (Griekstalige vertalers) om verzoekster niet tot dit vergelijkend onderzoek toe te laten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Barrington en H. Kirschner, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 24 oktober 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 In het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1989 plaatste het Europees Parlement (hierna: "Parlement") een aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen (PE/137/LA) met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Griekstalige vertalers in de loopbaan LA 7/6 (PB 1989, C 33, Griekse editie, blz. 18). Volgens punt III, B, 1, van de aankondiging ("Vereiste diploma' s, getuigschriften of beroepservaring") moesten de sollicitanten
"op de uiterste sollicitatiedatum een met een diploma afgesloten, passende universitaire opleiding (talen, politieke wetenschappen, rechten, economie, enz.) hebben of een gelijkwaardige beroepservaring van ten minste vijf jaar als vertaler".
2 Volgens punt V van de aankondiging kon een heronderzoek van de sollicitaties plaatsvinden, onder de volgende voorwaarden:
"Elke sollicitant heeft het recht om een nieuw onderzoek van zijn sollicitatie te vragen, wanneer hij van mening is dat een vergissing is gemaakt. Binnen twintig dagen na de verzendingsdatum van de brief waarin hem wordt medegedeeld dat zijn sollicitatie niet in aanmerking is genomen, dient hij daartoe (...) een bezwaarschrift te zenden (...)"
3 In hetzelfde nummer van het Publikatieblad was een mededeling geplaatst, getiteld "Algemene voorwaarden voor algemene vergelijkende onderzoeken", gevolgd door "Wenken voor deelnemers aan vergelijkende onderzoeken van het Europees Parlement". Punt 1 "Aankondiging van het vergelijkend onderzoek" bevatte onder meer de volgende aanbevelingen:
"Leest u de aankondiging van het vergelijkend onderzoek zeer aandachtig en stelt u vast of u voldoet aan alle minimumvoorwaarden. Met name aan de voorwaarden betreffende nationaliteit, leeftijd en opleidingsniveau wordt streng de hand gehouden en u verspilt uw eigen tijd en die van het Europees Parlement wanneer u een sollicitatieformulier indient zonder aan deze voorwaarden te voldoen."
In punt 2 "Opleiding" werd verklaard:
"Het niveau van de opleiding zal zonodig door een kenner van het onderwijssysteem van uw land worden beoordeeld (...)
[Wat deze opleiding betreft, wordt erop gewezen, dat voor ambten van de categorie A of groep LA een met een diploma afgesloten volledig universitaire opleiding wordt vereist - van een erkende Griekse of buitenlandse universiteit - (...)] (...)
Sollicitanten die hun opleiding hebben afgesloten in een land dat niet lid is van de Gemeenschap, bij voorbeeld in de Verenigde Staten, wordt verzocht een zo volledig mogelijk dossier in te zenden ten einde een beoordeling van de diploma' s mogelijk te maken."
In punt 5, "Voornaamste bronnen van misverstanden", stond bovendien vermeld:
"het vereiste opleidingsniveau is niet altijd hetzelfde als voor nationale overheidsdiensten".
4 Verzoekster heeft haar sollicitatie binnen de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde termijn ingediend. Als bewijsstuk voor haar universitaire opleiding heeft zij bij haar sollicitatieformulier een copie van haar diploma "Bachelor of Arts" gevoegd, dat haar was uitgereikt door het "Deree College", een particuliere instelling die tot het "American College of Greece" behoort en te Athene is gevestigd.
5 Volgens artikel 16, lid 5, van de Griekse grondwet
"wordt het hoger onderwijs uitsluitend verzorgd door instellingen met de status van publiekrechtelijke rechtspersonen, die volledig zelfstandig zijn en onder toezicht van de Staat staan".
Op grond van lid 8, sub b, van hetzelfde artikel is het particulieren verboden om een hogeschool op te richten. In antwoord op vragen van het Gerecht hebben de Griekse regering en partijen verklaard, dat uit deze bepalingen voortvloeit, dat het Deree College, als een in Griekenland werkzame particuliere instelling, naar Grieks recht niet als een universiteit wordt beschouwd. Evenmin worden de diploma' s die zijn afgegeven door particuliere postsecundaire onderwijsinstellingen in Griekenland, naar Grieks recht als universitaire diploma' s beschouwd. Dienaangaande bestaat geen enkele procedure van erkenning of homologatie door de Griekse autoriteiten.
6 Bij brief van 16 oktober 1989 deelde de voorzitter van de jury van vergelijkend onderzoek PE/137/LA verzoekster mede, dat zij niet tot dit vergelijkend onderzoek was toegelaten. Deze standaardbrief bevatte een reeks aan te kruisen vakken waarmee aan de geadresseerde werd meegedeeld, aan welke toelatingsvoorwaarden hij niet voldeed. In de brief aan verzoekster stond een kruisje in het vak: "geen met een diploma afgesloten universitaire opleiding of geen beroepservaring van ten minste vijf jaar".
7 Op 6 november 1989 vroeg verzoekster om een nieuw onderzoek van haar sollicitatie overeenkomstig het reeds genoemde punt V van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, door bij de jury een "bezwaarschrift" in te dienen. Zij stelde met name, dat het door haar behaalde diploma "Bachelor" als universitair diploma wordt erkend door andere Lid-Staten, alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die houders van dit diploma heeft toegelaten tot vergelijkende onderzoeken ter vervulling van vacatures in de groep LA. Nadat de jury verzoeksters dossier op 14 november 1989 opnieuw had onderzocht, besloot zij om haar aanvankelijke besluit te handhaven. De voorzitter van de jury deelde verzoekster bij brief van 22 november 1989 mee:
"de jury van bovengenoemd vergelijkend onderzoek heeft op 14 november 1989 het dossier dat uw sollicitatieformulier vergezelde opnieuw onderzocht, en daarbij eveneens rekening gehouden met de verklaringen en argumenten in uw bezwaarschrift, maar heeft besloten haar aanvankelijke besluit te handhaven, omdat:
het Parlement als erkenningscriterium van opleidingen in Griekenland uitgaat van de erkenning door de Griekse Staat. Het Deree College wordt door het Griekse Ministerie van Onderwijs niet als een hoger-onderwijsinstelling erkend. Het feit dat de Commissie wel sollicitanten met het diploma van het Deree College tot vergelijkende onderzoeken heeft toegelaten, is in geen enkel opzicht bindend voor de jury' s van andere gemeenschapsinstellingen."
8 Na de indiening van het onderhavige beroep is verzoekster toegelaten tot de examens van algemeen vergelijkend onderzoek Raad/A/319, dat was georganiseerd met het oog op de vorming van een reserve voor de aanwerving van administrateurs.
Het procesverloop
9 Het beroep van Panagiotopoulou is op 28 maart 1980 ter griffie van het Gerecht ingeschreven. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.
10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten, zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Gerecht heeft de Griekse regering en partijen evenwel verzocht, enkele vragen te beantwoorden over de naar Griekse recht toepasselijke regeling voor de afgifte van diploma' s door particuliere hoger-onderwijsinstellingen.
11 In antwoord op deze vragen deelde de Griekse regering onder verwijzing naar artikel 16, lid 5, van de Griekse grondwet mee, dat "volgens de Griekse wet het Deree College, als een in Griekenland gehouden particuliere school, niet als een universiteit kan worden beschouwd". De Griekse overheid kan iemand met een diploma van het Deree College niet aanwerven op een niveau dat overeenkomt met dat van de ambten die worden bekleed door gediplomeerden van hoger-onderwijsinstellingen. Verder bracht de Griekse regering het Gerecht ter kennis, dat voor het beroep van vertaler (al dan niet in loondienst) in Griekenland geen speciale regeling bestaat, hetgeen betekent dat een werkgever in de particuliere sector vrij mag beoordelen of het door het Deree College afgegeven diploma "Bachelor of Arts" voldoet aan de vereiste voorwaarden voor de vacature die hij vervuld wenst te zien.
12 De Griekse regering heeft de aandacht van het Gerecht ook nog gevestigd op arrest nr. 2274/1990 van 8 juni 1990 van de Griekse Raad van State betreffende een besluit van het Interuniversitair centrum voor de homologatie van in het buitenland afgegeven diploma' s (Diapanepistimiako Kentro Anagnoriseos Titlon Spoudon tis Allodapis, hierna: "Dikatsa"), dat krachtens wet nr. 741/1977 bevoegd is om buitenlandse diploma' s te homologeren. In het bestreden besluit had Dikatsa geweigerd een postuniversitair diploma "Master of Arts" te homologeren, dat was uitgereikt door een Amerikaanse universiteit op basis van een door het Deree College te Athene afgegeven diploma "Bachelor of Arts". De Griekse Raad van State heeft dit besluit bekrachtigd. Het oordeelde dat Dikatsa niet een buitenlands postuniversitair diploma mocht erkennen, dat was uitgereikt op basis van een diploma dat zelf weer was afgegeven door een in Griekenland gevestigde particuliere instelling en waaruit bleek dat een cursus in het hoger onderwijs met succes was afgesloten. Een dergelijke erkenning zou volgens de Griekse Raad van State neerkomen op een erkenning van diploma' s of getuigschriften die zijn afgegeven door in Griekenland gevestigde particuliere hoger-onderwijsinstellingen, hetgeen in strijd zou zijn met de Griekse grondwet, die verbiedt dergelijke instellingen op te richten en te houden.
13 De antwoorden van partijen op de vragen van het Gerecht zullen nader worden behandeld in het kader van het onderzoek van de middelen die zij tot staving van hun conclusies hebben aangevoerd.
14 Ter terechtzitting van 24 oktober 1991 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij de door het Gerecht gestelde vragen beantwoord. Ter terechtzitting heeft het Parlement een brief van de Commissie van 1 oktober 1991 overgelegd, waaruit blijkt, dat het diploma van het Deree College niet door de Commissie zou worden erkend voor toelating tot een ambt van de categorie A, in de eerste plaats omdat deze instelling niet door de Griekse autoriteiten wordt erkend en in de tweede plaats, omdat de Commissie een diploma "lang curriculum" eist, zodat een door de Amerikaanse universiteiten afgegeven "Bachelor of Arts"-diploma' s als onvoldoende worden beschouwd, en steeds het "Master"-diploma wordt verlangd. Ook heeft het Parlement een verklaring van de Raad overgelegd, volgens welke verzoekster tot algemeen vergelijkend onderzoek Raad/A/319 is toegelaten op grond van een besluit van de jury van dat specifieke vergelijkend onderzoek en het niet gaat om een voor alle vergelijkende onderzoeken van de Raad geldende algemene regel.
15 Eveneens ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verzoekster aangeboden een lijst over te leggen met de namen van degenen die met een door het Deree College afgegeven diploma "Bachelor of Arts" thans als ambtenaar van de categorie A of de groep LA bij verschillende instellingen van de Europese Gemeenschappen werkzaam zijn. Na een gedachtenwisseling met het Gerecht over de vraag of dit bewijsaanbod te laat was gedaan, en na te hebben erkend dat uit deze lijst niet zou blijken of het diploma van het Deree College het enige diploma was dat de desbetreffende personen bij hun aanwerving bezaten, dan wel of zij nog over andere kwalificaties beschikten, heeft verzoeksters vertegenwoordiger zijn aanbod ingetrokken.
16 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek PE/137/LA (Griekstalige vertalers bij het Europees Parlement) van 22 november 1989, houdende afwijzing van het bezwaarschrift dat zij op 6 november 1989 heeft ingediend;
- tegen het besluit van dezelfde jury van 16 oktober 1989, waarbij zij niet tot de examens van genoemd vergelijkend onderzoek is toegelaten;
en/of
- tegen de weigering van dezelfde jury om het haar door het Deree College uitgereikte "Bachelor of Arts"-diploma als een universitair diploma te erkennen;
- het haar door het Deree College uitgereikte diploma als een universitair diploma te erkennen;
- vast te stellen dat de weigering van de jury van vergelijkend onderzoek PE/137/LA om haar tot de examens van dit vergelijkend onderzoek toe te laten, onwettig was;
- nietig te verklaren vergelijkend onderzoek PE/137/LA (Griekstalige vertalers), alsmede de lijst van geschikte kandidaten van dit vergelijkend onderzoek;
- verweerder in de kosten te verwijzen.
17 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- kosten rechtens.
De conclusies strekkende tot nietigverklaring van het besluit om verzoekster niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten.
De ontvankelijkheid
18 Zonder een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep op te werpen, heeft het Parlement niettemin de aandacht van het Gerecht gevestigd op de vraag of het op 28 maart 1990 tegen het besluit van de jury van 22 november 1989 neergelegde verzoekschrift, binnen de gestelde termijnen is ingediend. De voorzitter van de jury had verzoekster bij brief van 16 oktober 1989 van de afwijzing van haar sollicitatie in kennis gesteld, zodat de in artikel 91, lid 3, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "het Statuut") voorziene termijn van drie maanden ruimschoots was overschreden.
19 Verzoekster stelt, dat zij bij de jury een klacht uit hoofd van artikel 90, lid 2, van het Statuut had ingediend. Volgens haar is de termijn voor het instellen van een beroep pas gaan lopen op 29 december 1989, de datum waarop zij kennis heeft gekregen van het besluit van 22 november 1989, waarbij deze klacht werd afgewezen. Bovendien rust de bewijslast van de juiste datum van de kennisgeving van een besluit volgens vaste rechtspraak van het Hof op de instelling die deze kennisgeving doet.
20 Uit de brief van de voorzitter van de jury aan verzoekster van 22 november 1989 blijkt, dat de jury haar sollicitatie op haar verzoek opnieuw heeft onderzocht. Onder deze omstandigheden is het op 22 november 1989 na afloop van dit heronderzoek genomen besluit in de plaats gekomen van het eerdere besluit en kan het niet als een loutere bevestiging daarvan worden beschouwd (zie het arrest van het Hof van 16 december 1987, zaak 206/85, Beiten, Jurispr. 1987, blz. 5301). Aangezien het hier ging om een besluit van de jury van een vergelijkend onderzoek dat zonder voorafgaande klacht kan worden aangevochten, is de termijn voor het instellen van beroep gaan lopen vanaf de datum van kennisgeving van dit nieuwe besluit. Aangezien het Parlement geen enkel bewijs heeft geleverd van de datum waarop van dit besluit kennis is gegeven, kan het Gerecht slechts afgaan op de verklaringen van verzoekster en ervan uitgaan, dat zij pas op 29 december 1989 van het besluit kennis kon nemen. Het verzoek tot nietigverklaring van dit besluit dient dus ontvankelijk te worden geacht.
Ten gronde
21 Tijdens de schriftelijke procedure heeft verzoekster haar bezwaren tegen het besluit tot afwijzing van haar sollicitatie gearticuleerd in drie middelen. Het Gerecht is evenwel van mening, dat er vier middelen moeten worden onderscheiden: 1) discriminatie op grond van nationaliteit; 2) schending van artikel 48, lid 3, sub c, EEG-Verdrag; 3) schending van de artikelen 27 en volgende en 110 van het Statuut en van artikel 1, lid 1, sub d, van bijlage III bij het Statuut, en 4) onvoldoende motivering van het bestreden besluit. Bovendien heeft verzoekster eerst in haar antwoord op een vraag van het Gerecht en vervolgens ter terechtzitting een vijfde middel aangevoerd: de niet-toepasselijkheid van artikel 16 van de Griekse grondwet wegens vermeende onverenigbaarheid ervan met de artikelen 48 tot en met 66 EEG-Verdrag.
Het middel: discriminatie op grond van nationaliteit
22 Om aan te tonen, dat de afwijzing van haar sollicitatie een schending van het in de artikelen 7 en 48, lid 2, EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit oplevert, stelt verzoekster, dat het diploma van het Deree College door de bevoegde autoriteiten van Engelse universiteiten wordt erkend als een diploma dat toegang geeft tot postuniversitaire studies. Ten bewijze hiervan heeft zij in bijlage bij haar verzoekschrift een lijst van universitaire instellingen in het Verenigd Koninkrijk gevoegd die houders van een diploma van het Deree College hebben toegestaan postuniversitaire studies te volgen. Zij leidt hieruit af, dat de houders van dit diploma in het Verenigd Koninkrijk alle voordelen genieten die een universitair diploma geeft, daaronder begrepen de erkenning van dit diploma voor beroepsdoeleinden en de toegang tot de desbetreffende overheidsfuncties. Tot staving van dit argument betoogt zij, dat anders iemand met een diploma van het Deree College, die in het Verenigd Koninkrijk een diploma voor postuniversitaire studies heeft behaald, in de absurde situatie zou komen te verkeren, dat zijn postuniversitaire diploma wordt erkend, maar zijn universitaire basisdiploma niet. De absurditeit van deze situatie was voor de Commissie van de Europese Gemeenschappen aanleiding om het diploma van het Deree College te erkennen als een diploma dat recht geeft op deelname aan vergelijkende onderzoeken die zijn georganiseerd voor de aanwerving van ambtenaren van de categorie A en de groep LA.
23 Verzoekster stelt, dat een Engels onderdaan met een diploma van het Deree College zonder meer wordt toegelaten tot deelname aan vergelijkende onderzoeken "A" en "LA" van de Europese Gemeenschappen, omdat dit diploma in zijn land van herkomst als een universitair diploma wordt erkend. Daarentegen geldt dit niet voor een Grieks onderdaan met hetzelfde diploma, omdat de bevoegde Griekse autoriteiten weigeren dit diploma als universitair diploma te erkennen.
24 Voor deze argumenten zoekt verzoekster steun in richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s (PB 1989, L 19, blz. 16, hierna: "richtlijn 89/48"), waarin in artikel 1, eerste alinea, sub a wordt vastgesteld, wat in deze richtlijn onder een diploma wordt verstaan. Met name beroept zij zich op de tweede alinea van deze bepaling, die luidt: "alle diploma' s (...) die door een bevoegde autoriteit in een Lid-Staat zijn afgegeven, worden gelijkgesteld met een diploma in de zin van de eerste alinea, indien daarmee een in de Gemeenschap gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door een bevoegde autoriteit in die Lid-Staat als gelijkwaardig wordt erkend, en daaraan dezelfde rechten inzake toegang tot (...) een gereglementeerd beroep zijn verbonden".
25 Verzoekster betoogt, dat het door het Deree College afgegeven diploma in het Verenigd Koninkrijk wordt gelijkgesteld met een universitair diploma en dat de houder ervan dus toegang heeft tot bepaalde gereglementeerde beroepen, zoals leraar Engels of vertaler. De door het Deree College binnen de Gemeenschap gegeven opleiding heeft betrekking op een gereglementeerd beroep, waarbij het van belang is, dat het in casu gaat om een vergelijkend onderzoek dat is georganiseerd met het oog op de aanwerving van vertalers bij het Europees Parlement en dat de toelatingscriteria strikt zijn gedefinieerd. Om vast te stellen welke diploma' s de houders ervan recht gaven op deelname aan het betrokken vergelijkend onderzoek, had de jury van het vergelijkend onderzoek dus richtlijn 89/48 in aanmerking moeten nemen. Verzoekster erkent, dat de richtlijn tot de Lid-Staten is gericht en dat de termijn om deze in nationaal recht om te zetten, nog niet was verstreken op het tijdstip waarop zij haar beroep instelde, maar zij is van mening dat verweerder niettemin verplicht was zich aan de bepalingen ervan te houden, omdat de richtlijn het wederkerigheidsbeginsel, waarmee het Parlement haars inziens bij de totstandkoming van deze richtlijn in het kader van de samenwerkingsprocedure heeft ingestemd, niet opheft.
26 Verzoekster voegt hieraan toe, dat dit middel niet mag worden afgedaan met het argument, dat artikel 48 EEG-Verdrag zich enkel tot de Lid-Staten richt en niet bindend is voor de gemeenschapsinstellingen. Met een beroep op de rechtspraak van het Hof (arresten van 20 april 1978, gevoegde zaken 80/77 en 81/77, Commissionaires réunis, Jurispr. 1978, blz. 927, en 17 mei 1984, zaak 15/83, Denkavit Nederland, Jurispr. 1984, blz. 2171) stelt zij, dat de verdragsbepalingen ook de gemeenschapsinstellingen binden.
27 In antwoord op de vraag van het Gerecht of het diploma van het Deree College voldoet aan de voorwaarde in de "Wenken voor deelnemers aan een algemeen vergelijkend onderzoek dat wordt georganiseerd door het Europees Parlement", volgens welke voor de ambten van de categorie A of de groep LA een met een diploma afgesloten volledige universitaire opleiding wordt vereist - van een erkende Griekse of buitenlandse universiteit -, heeft verzoekster bevestigend geantwoord.
28 Volgens haar vormt dit diploma de afsluiting van een volledig universitair opleidingscurriculum: 1) tot het Deree College worden slechts studenten toegelaten die met succes een secundaire opleiding hebben gevolgd, alsmede, wat de afdeling Engelse taal- en letterkunde betreft, studenten die door het afleggen van een speciaal examen hebben aangetoond een voldoende kennis van de Engelse taal te bezitten; 2) de duur van de studie aan het Deree College bedraagt vier jaar (acht semesters); 3) het studieprogramma van de afdeling Engelse taal- en letterkunde is zodanig georganiseerd, dat studenten de theoretische en praktische basis kunnen verwerven die noodzakelijk is om de door hen bestudeerde materie te beheersen, en dit programma is vergelijkbaar met dat van de overeenkomstige faculteit van de universiteit te Athene; 4) de colleges van het Deree College worden door zeer bekwaam wetenschappelijk personeel gegeven, en 5) dit diploma wordt aan studenten afgegeven, nadat zij de colleges regelmatig hebben bijgewoond en zijn geslaagd voor examens die zij aan het eind van elke cursus moeten afleggen.
29 Wat betreft het vereiste dat het diploma moet zijn afgegeven door een erkende Griekse of buitenlandse universiteit, stelt verzoekster vooraf, dat in de "Wenken voor sollicitanten" niet wordt omschreven, welke criteria voor de erkenning van universiteiten gelden en evenmin welke autoriteit daartoe bevoegd is. Uit richtlijn 89/48 vloeit voort, dat het enige criterium voor de erkenning van een universitaire instelling de erkenning van het door haar afgegeven diploma is. Wanneer de aankondiging van vergelijkend onderzoek dit niet nauwkeurig bepaalt, is het volgens verzoekster ook niet van belang, welke autoriteit bevoegd is om een universitaire instelling te erkennen en is het voldoende dat een dergelijke erkenning bestaat, wat het geval is met betrekking tot het Deree College, dat, zoals blijkt uit een in bijlage bij haar verzoekschrift gevoegde lijst, door verschillende universiteiten in Europa en in de Verenigde Staten, alsmede door de Commissie en de Raad van de Europese Gemeenschappen als een instelling voor hoger onderwijs wordt erkend.
30 Op het verzoek van het Gerecht om commentaar op de praktische consequenties van artikel 16 van de Griekse grondwet voor de houders van een diploma dat door een particuliere onderwijsinstelling is afgegeven, verklaart verzoekster, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de particuliere sector en de openbare sector. In de particuliere sector kan de houder van een diploma van zowel een Griekse als een buitenlandse onderwijsinstelling zonder beperkingen of formaliteiten gelijkwaardige functies bekleden met hetzelfde salaris en onder dezelfde voorwaarden. In de publieke sector wordt onderscheid gemaakt tussen houders van diploma' s die zijn afgegeven door particuliere onderwijsinstellingen in het buitenland en houders van diploma' s die zijn afgegeven door in Griekenland gevestigde particuliere onderwijsinstellingen dan wel door buitenlandse universiteiten met een vestiging in Griekenland. De door eerstgenoemden afgegeven diploma' s kunnen overeenkomstig wet nr. 741/1977 door de Dikatsa worden erkend als diploma' s die gelijkwaardig zijn aan door openbare Griekse onderwijsinstellingen afgegeven diploma' s. De diploma' s die zijn afgegeven door particuliere onderwijsinstellingen in Griekenland, alsmede door vestigingen van buitenlandse universiteiten, die opleidingen in Griekenland verzorgen, worden daarentegen niet door de Griekse Staat gehomologeerd en hiervoor bestaat geen enkele erkenningsprocedure. Houders van deze diploma' s kunnen dus geen functies in de openbare sector bekleden, die zijn voorbehouden aan houders van diploma' s van het hoger onderwijs, en evenmin kunnen zij een gereglementeerd beroep (advocaat, arts, ingenieur, enzovoort) uitoefenen of lid van de desbetreffende beroepsorganisatie worden.
31 Ter terechtzitting heeft verzoekster nog aangevoerd, dat de omstandigheden in deze zaak in tweëerlei opzichten verschillen van die welke ten grondslag lagen aan het arrest van 13 juli 1989 (zaak 108/88, Jaenicke Cendoya, Jurispr. 1989, blz. 2711), waarin het Hof de vraag heeft onderzocht of de sollicitant in het kader van het desbetreffende vergelijkend onderzoek een universitair diploma bezat, zulks gelet op de wetgeving van de Lid-Staat waar hij de betrokken opleiding had gevolgd. In de eerste plaats was in de zaak Jaenicke Cendoya niet gesteld, dat het betrokken diploma in een andere Lid-Staat als een universitair diploma werd erkend. In de tweede plaats kende het in die zaak toegepaste nationale recht, anders dan het Griekse recht, de mogelijkheid van homologatie van het omstreden diploma, een mogelijkheid waarvan de verzoeker evenwel geen gebruik had gemaakt.
32 In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard, dat zij niet kon zeggen of het diploma van het Deree College door alle universiteiten van het Verenigd Koninkrijk wordt erkend als een diploma dat toegang tot postuniversitaire opleidingen geeft, noch haar bewering kon staven, dat de houders van het diploma "Bachelor of Arts" van het Deree College bij de Britse overheid toegang hebben tot functies waarvoor een hoger-onderwijsdiploma wordt vereist. Zij heeft evenwel aangeboden voor de desbetreffende verklaringen te zorgen en deze aan het Gerecht over te leggen.
33 Tegen dit middel voert het Europees Parlement aan, dat artikel 48 EEG-Verdrag zich tot de Lid-Staten richt en dus niet van toepassing is in dit geval, waarin het gaat om besluiten van de gemeenschapsinstellingen ter zake van de aanwerving van hun personeel. Verweerder is bovendien van mening, dat het onjuist zou zijn om sollicitanten in het kader van een vergelijkend onderzoek op een lijn te stellen met werknemers in de zin van artikel 48 EEG-Verdrag.
34 Met betrekking tot richtlijn 89/48 merkt verweerder op, dat deze richtlijn enkel tot de Lid-Staten is gericht en pas op 4 januari 1991 in nationaal recht behoeft te zijn omgezet. In dupliek voegt hij hieraan toe, dat deze richtlijn geen enkel automatisme voor de erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s invoert. Blijkens artikel 1 heeft de richtlijn enkel betrekking op de erkenning van diploma' s bij de afgifte waarvan een "bevoegde autoriteit" in een Lid-Staat betrokken was. Bij de huidige stand van zaken erkennen de Griekse autoriteiten het Deree College niet als een universitaire instelling met als gevolg dat deze instelling volgens de richtlijn niet kan worden beschouwd als een "bevoegde autoriteit" die gemachtigd is diploma' s, certificaten of andere titels af te geven. Gelet op artikel 16, lid 5, van de Griekse grondwet is het bovendien onzeker of in deze stand van zaken een wijziging zal komen na afloop van de termijn die voor de omzetting van de richtlijn is voorzien.
35 Uit de door verzoekster overgelegde documenten blijkt niet, dat de houders van diploma' s van het Deree College in het algemeen en zonder enige voorwaarde tot bepaalde universiteiten van het Verenigd Koninkrijk worden toegelaten, maar enkel dat zij tot dusverre in enkele gevallen zijn toegelaten.
36 Verweerder heeft ontkennend geantwoord op de vraag van het Gerecht, of het door het Deree College afgegeven diploma overeenkomt met de in de "Wenken voor sollicitanten" gegeven omschrijving van het diploma dat is vereist voor de vervulling van ambten van de categorie A en de groep LA bij de gemeenschapsinstellingen. In dit verband heeft hij verwezen naar de hiervoor beschreven rechtspraak van de Griekse Raad van State en naar de bepalingen van de Griekse grondwet.
37 Aangaande de praktische gevolgen van artikel 16 van de grondwet merkt verweerder op, dat uit deze bepaling voortvloeit, dat de activiteiten van particuliere hoger-onderwijsinstellingen verboden zijn. Ondanks het feit dat dergelijke instellingen "de facto" in Griekenland kunnen opereren, bestaan zij "de jure" dus niet, zoals wordt bevestigd door de genoemde uitspraak van de Raad van State. Deze situatie kan alleen door een grondswetwijziging worden veranderd. Wat de uitoefening van een beroep betreft kunnen de houders van diploma' s die zijn afgegeven door een particuliere onderwijsinstelling, onder voorbehoud dat zij voldoen aan de vereiste voorwaarden: een universitaire opleiding die is afgesloten met een in Griekenland erkend diploma, naar elke andere functie solliciteren.
38 Op de vraag of de jury van het vergelijkend onderzoek in casu - op grond van de in punt 2 van de "Wenken voor sollicitanten" bedoelde voorwaarden voor de beoordeling van diploma' s - een sollicitant die in het bezit was van een diploma "Bachelor of Arts" dat was afgegeven door een ander gelijkaardig "College" van hetzelfde niveau gelegen, in de Verenigde Staten en erkend door de "New England Association of Schools and Colleges", tot het vergelijkend onderzoek zou hebben toegelaten, heeft verweerder geantwoord, dat geen enkele sollicitant die enkel een niet door Dikatsa erkend diploma "Bachelor of Arts" bezat, door de jury van het vergelijkend onderzoek is toegelaten.
39 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de jury als reden voor het bestreden besluit heeft aangevoerd, dat de opleidingen van het Deree College te Athene door de Griekse Staat niet als een universitaire opleiding worden erkend. Een dergelijke reden houdt geen beoordeling van de waarde van de betrokken opleidingen in en is dus niet een van de specifieke bevoegdheden van de jury ter zake van de beoordelingen van de kwaliteit van de door de sollicitanten gevolgde opleidingen, een gebied waarop zij over een grote beoordelingsvrijheid beschikt. Zij heeft veeleer een zuiver juridisch karakter. Er zijn dus geen termen aanwezig om het toezicht van de communautaire rechter op de wettigheid van het omstreden besluit te beperken tot het onderzoek naar eventuele kennelijke beoordelingsfouten van de jury; nagegaan moet worden of de jury in casu de relevante rechtsregels juist heeft toegepast (zie het arrest van het Hof van 13 juli 1989, zaak 108/88, Jaenicke Cendoya, reeds aangehaald).
40 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster met dit middel in wezen betoogt, dat het feit dat de jury van vergelijkend onderzoek PE/137/LA haar diploma enkel op basis van het Griekse recht heeft beoordeeld, in strijd is met richtlijn 89/48 en niet ziet of er aan voorbij gaat dat haar diploma in het Verenigd Koninkrijk als een universitair diploma is erkend, hetgeen volgens haar een discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.
41 Het Gerecht is van mening, dat in de eerste plaats moet worden onderzocht of de bepalingen van de richtlijn 89/48 tot gevolg konden hebben, dat de jury verplicht was verzoeksters diploma als een universitair diploma te erkennen.
42 Aangaande de werking van richtlijnen in het algemeen zij eraan herinnerd, dat uit artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag, volgens hetwelk "een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen" voortvloeit, dat Lid-Staten waarvoor zij bestemd is, op grond van een richtlijn een resultaatsverplichting hebben, die na het verstrijken van de in de richtlijn vastgestelde termijn moet zijn nagekomen. Enkel wanneer een Lid-Staat de door de richtlijn voorgeschreven maatregelen niet tijdig heeft getroffen, kunnen uit deze verplichting rechten voortvloeien die door particulieren tegen deze Lid-Staat kunnen worden ingeroepen (zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 19 januari 1982, zaak 8/81, Becker, Jurispr. 1982, blz. 53). Hieruit volgt dat het verstrijken van de omzettingstermijn een onontbeerlijke voorwaarde is voordat de werking van een richtlijn zich van een verplichting voor de Lid-Staten om uitvoeringsmaatregelen te nemen, kan omvormen tot rechten waarop particulieren zich kunnen beroepen.
43 De Lid-Staten zijn op 4 januari 1989 van de richtlijn in kennis gesteld. In artikel 12 wordt bepaald, dat de Lid-Staten de nodige maatregelen moeten treffen om binnen twee jaar na deze datum aan de richtlijn te voldoen. De omzettingstermijn verstreek dus pas meer dan een jaar nadat de jury het bestreden besluit had genomen. De richtlijn had op de datum van het bestreden besluit geen andere werking dan een verplichting voor de Lid-Staten, de nodige maatregelen te nemen om eraan te voldoen. Daarentegen was het destijds uitgesloten, dat de richtlijn rechten in het leven riep waarop particulieren zich konden beroepen.
44 Bovendien beoogt de richtlijn weliswaar tussen de Lid-Staten van de Gemeenschap een stelsel van wederzijdse erkenning van diploma' s in te voeren, maar wil zij niet een onvoorwaardelijke erkenning van diploma' s afdwingen. Zo mogen de Lid-Staten op grond van artikel 4 van de richtlijn in bepaalde omstandigheden extra voorwaarden stellen aan de toegang tot gereglementeerde beroepen voor houders van buitenlandse diploma' s. Ondanks het feit dat de Lid-Staten over een zodanige beoordelingsvrijheid beschikken dat zij bij de uitvoering enige beperkende voorwaarden mogen stellen, sluit het Gerecht niet uit, dat de bepalingen van de richtlijn het onvoorwaardelijke en nauwkeurige karakter kunnen hebben dat noodzakelijk is om daaraan een werking te geven waarop particulieren zich tegenover een Lid-Staat kunnen beroepen. Een Lid-Staat die zijn verplichting tot omzetting van een richtlijn niet is nagekomen, kan namelijk niet de door die richtlijn ten behoeve van particulieren in het leven geroepen rechten frustreren met een beroep op zijn bevoegdheid om de uitoefening van deze rechten aan bepaalde voorwaarden te verbinden, welke bevoegdheid hij zou hebben kunnen uitoefenen ingeval hij de nodige maatregelen ter uitvoering van de richtlijn had genomen (zie voor een soortgelijke bevoegdheid met betrekking tot de beperking van het bedrag van de waarborg voor betaling aan werknemers van schulden die onbetaald zijn gebleven wegens insolvabiliteit van de werkgever, het arrest van het Hof van 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Francovich, Jurispr. 1991, blz. I-5357, r.o. 21). Zolang de termijn voor omzetting van de richtlijn nog niet is verstreken, staat de bevoegdheid van de Lid-Staten om beperkende voorwaarden in te voeren volstrekt eraan in de weg dat particulieren aan de richtlijn ontleende rechten inroepen.
45 Voorts blijkt uit artikel 3 van richtlijn 89/48, dat het doel van de richtlijn is, de erkenning in een Lid-Staat van diploma' s die in andere Lid-Staten zijn afgegeven. Zij ziet op situaties waarin particulieren een beroep willen uitoefenen in een andere Lid-Staat dan waar zij hun kwalificaties hebben verworven en waarbij zich dus een grensoverschrijdend element voordoet. In casu gaat het evenwel niet om de vraag of een diploma dat toegang geeft tot de uitoefening van een gereglementeerd beroep in de Lid-Staat waarin het is afgegeven, door een andere Lid-Staat moet worden erkend, maar om de niet-erkenning van een diploma door de Lid-Staat zelf waarin het is behaald. Richtlijn 89/48 bevat geen regeling voor een dergelijke zuiver nationale kwestie die slechts één enkele Lid-Staat aangaat.
46 Ten slotte merkt het Gerecht op, dat het volgens artikel 1 van de richtlijn aan het nationale recht van elke Lid-Staat wordt overgelaten om vast te stellen, welke autoriteiten bevoegd zijn om op zijn grondgebied de diploma' s af te geven die toegang tot de uitoefening van gereglementeerde beroepen geven, alsmede aan welke voorwaarden deze diploma' s moeten voldoen. Weliswaar kan volgens artikel 1 van de richtlijn een door de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat afgegeven diploma - onder bepaalde voorwaarden - eveneens een opleiding afsluiten die in een andere Lid-Staat is genoten, maar dit alternatief is in casu niet van belang, omdat het enige diploma waarop verzoekster zich beroept, haar is afgegeven in de Lid-Staat waar zij heeft gestudeerd. In het kader van het door richtlijn 89/48 beoogde stelsel van wederzijdse erkenning van diploma' s, zal de juridische waarde van dit diploma dus enkel op basis van de wetgeving van die Lid-Staat moeten worden bepaald.
47 Onder die omstandigheden verschafte richtlijn 89/48 de jury geen enkele basis waarop zij aan verzoeksters diploma de waarde van een universitair diploma had kunnen toekennen. Het Gerecht behoeft zich in casu dan ook niet uit te spreken over de meer algemene vraag of de bepalingen van deze richtlijn een werking kunnen hebben waarop particulieren niet alleen tegenover de Lid-Staten, maar ook tegenover de gemeenschapsinstellingen een beroep kunnen doen.
48 Vervolgens moet worden onderzocht of de jury bij haar besluit de bewoordingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek in acht heeft genomen. Deze aankondiging bevatte geen enkele bepaling die zich ertegen verzette, dat de jury het begrip "universitair diploma" opvatte als een verwijzing naar de omschrijving die de Griekse wetgeving hieraan geeft. In de "Wenken voor sollicitanten" werd zelfs verklaard, dat het vereiste diploma een volledige studiecyclus moest afsluiten aan "erkende Griekse of buitenlandse universiteiten", wat erop duidt, dat diploma' s waren bedoeld, die waren afgegeven door universiteiten die waren erkend in het land waar de opleiding is gevolgd.
49 Onder die omstandigheden moet eraan worden herinnerd, dat bij gebreke van een andersluidende bepaling hetzij in een verordening of richtlijn die van toepassing is op de door de gemeenschapsinstellingen georganiseerde vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving, hetzij in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, het vereiste van het bezit van een universitair diploma moet worden opgevat in de betekenis die daaraan wordt gegeven in de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de sollicitant de desbetreffende studie heeft gevolgd (zie het arrest van het Hof van 15 juli 1989, zaak 108/88, Jaenicke Cendoya, reeds aangehaald, en het arrest van het Gerecht van 7 februari 1991, zaak T-2/90, Ferreira de Freitas, Jurispr. 1991, blz. II-103).
50 Deze conclusie strookt overigens met de verdeling van bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten op het gebied van het onderwijs, zoals die uit het EEG-Verdrag blijkt. Het onderwijs, in het bijzonder wanneer het gaat om de toegang tot en deelneming aan beroepsopleidingen, valt zeker niet buiten het gemeenschapsrecht (zie bij voorbeeld het arrest van het Hof van 13 februari 1985, zaak 293/83, Gravier, Jurispr. 1985, blz. 593, r.o. 19) en de universitaire opleidingen beantwoorden in het algemeen aan criteria die het begrip beroepsopleiding afbakenen (zie het arrest van het Hof van 2 februari 1988, zaak 24/86, Blaizot, Jurispr. 1988, blz. 379). Bovendien machtigt artikel 57 EEG-Verdrag de gemeenschapswetgever richtlijnen voor de wederzijdse erkenning van diploma' s vast te stellen. Dit neemt evenwel niet weg, dat de inrichting van het onderwijs en het onderwijsbeleid als zodanig niet behoren tot de onderwerpen die het Verdrag onder de bevoegdheid van de gemeenschapsinstellingen heeft gebracht [zie bij voorbeeld de arresten van het Hof van 13 februari 1985, Gravier, reeds aangehaald; 21 juni 1988, zaak 197/86, Brown, Jurispr. 1988, blz. 3205, en 30 mei 1989, zaak 242/87, Commissie/Raad ("Erasmus"), Jurispr. 1989, blz. 1425, r.o. 31].
51 Aangezien de Lid-Staten bevoegd zijn ten aanzien van de inrichting van het op hun grondgebied gegeven universitair onderwijs, moeten de gemeenschapsinstellingen overeenkomstig het met name in artikel 5 EEG-Verdrag neergelegde beginsel dat de Lid-Staten en de gemeenschapsinstellingen over en weer tot loyale samenwerking verplicht, de door de Lid-Staten in het kader van deze bevoegdheid vastgestelde regels eerbiedigen (zie het arrest van het Hof van 10 februari 1983, zaak 230/81, Luxemburg/Parlement, Jurispr. 1983, blz. 255, r.o. 37). Dit is inzonderheid het geval wanneer het, zoals in casu, om grondwettelijke bepalingen gaat.
52 Hieruit volgt, dat de jury in het onderhavige geval moest onderzoeken of verzoekster een diploma had overgelegd waaruit bleek dat zij een universitaire opleiding in de zin van de Griekse wetgeving had afgesloten.
53 Wat de beoordeling van verzoeksters diploma in het licht van het Griekse recht betreft, blijkt uit de antwoorden op vragen van het Gerecht aan partijen en aan de Griekse regering, dat dit diploma, dat was afgegeven door een particuliere instelling, naar Grieks recht geen universitair diploma is. Dat iedere erkenning van een dergelijk diploma als universitair diploma door de Griekse grondwet zonder meer wordt uitgesloten, wordt bovendien bevestigd door het reeds aangehaalde arrest van de Griekse Raad van State van 8 juni 1990, volgens welke de desbetreffende bepalingen van de grondwet zich zelfs verzetten tegen een indirecte erkenning door middel van de homologatie van een buitenlands diploma dat is afgegeven op basis van een diploma van een in Griekenland gevestigde particuliere onderwijsinstelling. Onder deze omstandigheden heeft de jury het Griekse recht juist toegepast door te weigeren verzoeksters diploma van het Deree College te beschouwen als een universitair diploma waarmee een "passende universitaire opleiding" in de zin van de aankondiging van vergelijkend onderzoek was afgesloten.
54 Het feit dat de jury het recht van een Lid-Staat heeft toegepast, ontsloeg haar evenwel niet van de verplichting het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, waarop verzoekster zich beroept, te eerbiedigen. Verzoekster verwijst weliswaar naar de artikelen 7 en 48, lid 2, EEG-Verdrag, maar er moet op worden gewezen dat het Statuut, met name in de artikelen 5, lid 3, 7, lid 1, en 27, ook regels bevat die elke ongelijke behandeling op grond van nationaliteit verbieden. Hoewel verzoekster deze regels, die in het bijzonder in het kader van het ambtenarenrecht van de Gemeenschap gelden, niet uitdrukkelijk heeft genoemd, stelt zij in het door haar aangevoerde middel wel schending van het in deze regels neergelegde beginsel. Voor de gegrondheid van dit middel behoeft dus niet te worden vastgesteld of de artikelen 48, lid 2, en 7 EEG-Verdrag van toepassing zijn in de betrekkingen tussen ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en sollicitanten voor een ambtelijke functie bij de Gemeenschappen enerzijds, en de instellingen anderzijds.
55 Het beoordelen van diploma' s van sollicitanten in het kader van een vergelijkend onderzoek volgens het recht van de Lid-Staat waar zij hun opleiding hebben gevolgd, houdt evenwel niet in, dat sollicitanten, die onderdanen zijn van verschillende Lid-Staten, ongelijk worden behandeld. Volgens deze regel worden namelijk alle kandidaten die dezelfde opleiding hebben gevolgd, met betrekking tot hun deelname aan vergelijkende onderzoeken van de instellingen op dezelfde wijze behandeld, ongeacht hun nationaliteit en de rechtssituatie van hun diploma in het land van herkomst. Volgens het toegepaste criterium zou de jury een sollicitant uit Engeland met een diploma van het Deree College te Athene dus eveneens de toegang tot deelneming aan het vergelijkend onderzoek hebben moeten weigeren.
56 Ter terechtzitting heeft verzoekster nog een beroep gedaan op het verschil tussen de feiten in deze zaak en die in zaak 108/88 (arrest van 13 juli 1989, reeds aangehaald), dat zou voortvloeien uit het feit dat in het Verenigd Koninkrijk het diploma van het Deree College zou zijn erkend. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, ook al staat het de Lid-Staten vrij aan buitenlandse diploma' s meer effect toe te kennen dan eraan wordt toegekend in het recht van de Lid-Staat waarin zij zijn afgegeven, een dergelijk effect evenwel slechts de waarde van deze diploma' s betreft binnen de rechtsorde van de staat die ze erkent. Bovendien zijn de banden tussen deze staat en het betrokken diploma minder nauw dan die tussen het diploma en de staat waar het daarmee afgesloten onderwijs is gegeven. Laatstgenoemde staat verkeert namelijk in een betere positie dan de andere Lid-Staten om te kunnen beoordelen of deze opleiding aan dezelfde eisen voldoet als een universitaire opleiding. Hieruit volgt dat een administratieve praktijk als de door verzoekster aangevoerde - die voor diploma' s van het Deree College gunstiger uitvalt dan het bestreden besluit van de jury -, niet bindend is voor jury' s van door de instellingen georganiseerde vergelijkende onderzoeken.
57 Bovendien heeft verzoekster rechtens niet genoegzaam aangetoond, dat haar diploma in het Verenigd Koninkrijk toegang geeft tot postuniversitaire opleidingen of tot beroepsactiviteiten waarvoor volgens het nationale recht van deze staat een universitaire opleiding vereist is. Zij heeft namelijk pas ter terechtzitting aangeboden verklaringen te zullen vragen van alle universiteiten van die Lid-Staat en van de autoriteiten die bevoegd zijn ter zake van de toegang tot overheidsfuncties, ten einde te bewijzen dat het diploma van het Deree College volstaat om van rechtswege te worden toegelaten tot het volgen van postuniversitaire opleidingen of tot het bekleden van bepaalde overheidsfuncties. Aangezien verzoekster echter geen enkele omstandigheid heeft aangevoerd die haar zou hebben belet om dit bewijsaanbod in haar verzoekschrift te doen, moet het overeenkomstig artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht als tardief worden afgewezen.
58 Ten slotte betoogt verzoekster, dat het recht van de Lid-Staat waarin de opleiding is gevolgd, slechts van toepassing zou mogen zijn, wanneer de rechtsorde van die Lid-Staat een procedure kent voor de homologatie van diploma' s voor op zijn grondgebied gegeven opleidingen van particuliere instellingen. Het valt evenwel onder de bevoegdheid van de Lid-Staten op het gebied van de inrichting van het onderwijs om het statuut van op hun grondgebied opererende particuliere onderwijsinstellingen vast te stellen en te bepalen of de door deze instellingen afgegeven diploma' s officieel kunnen worden erkend. De ter zake door een Lid-Staat vastgestelde regeling moet door de gemeenschapsinstellingen worden geëerbiedigd, tenzij zij in strijd is met specifieke bepalingen van het gemeenschapsrecht.
59 Uit het voorgaande volgt, dat het middel: discriminatie op grond van nationaliteit, omdat de jury het diploma van verzoekster enkel aan de Griekse wetgeving heeft getoetst, ongegrond is.
Het middel: schending van artikel 48, lid 3, sub c, EEG-Verdrag
60 Verzoekster is van mening, dat de weigering van de jury om haar tot het betrokken vergelijkend onderzoek toe te laten een duidelijke rechtstreeks met artikel 48, lid 3, sub c, EEG-Verdrag strijdige beperking van de vrijheid van vestiging van werknemers vormt. Het besluit van de jury om haar sollicitatie af te wijzen beperkt haars inziens haar vrije arbeidskeuze doordat zij wordt gedwongen werk van een geringer niveau te zoeken dan waarvoor zij blijkens haar diploma de bekwaamheden bezit. In dit verband stelt zij ook, dat de verdragsbepalingen niet alleen de Lid-Staten binden, maar eveneens de instellingen van de Gemeenschappen.
61 Bovendien betoogt verzoekster, dat het in artikel 48 EEG-Verdrag bedoelde begrip werknemer zo ruim moet worden uitgelegd, dat hieronder ook gegadigden voor een vergelijkend onderzoek vallen. Zij beklemtoont, dat de verdragsregels het vrije verkeer waarborgen voor zowel degenen die een economische activiteit uitoefenen als degenen die zulks wensen te doen, en dat zij van toepassing zijn ingeval een werknemer die een duurzame beroepsactiviteit wil uitoefenen, zich hiervoor naar een andere Lid-Staat begeeft en serieuze en oprechte stappen onderneemt om zijn plannen te verwezenlijken, zoals in haar eigen geval. Zij meent derhalve, dat zij reeds bij het eenvoudige vooruitzicht op een vast dienstverband een beroep op artikel 48 EEG-Verdrag kan doen.
62 Eveneens in het kader van dit middel betwist verweerder, dat artikel 48 van toepassing is op aanwervingsbesluiten van de gemeenschapsinstellingen. De stelling van verzoekster dat de weigering van de jury om haar tot het vergelijkend onderzoek toe te laten in haar geval de in artikel 48, lid 3, sub c, EEG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van verblijf zou aantasten, wordt door hem verworpen. Verzoekster kan niet stellen dat haar verblijfsrecht een uitvloeisel is van het feit dat zij op grond van haar diploma nauwkeurig bepaalde werkzaamheden kan uitoefenen. Zij ziet namelijk over het hoofd, dat de toelating tot een vergelijkend onderzoek geenszins waarborgt, dat zij slaagt, wordt aangeworven of een functie krijgt aangeboden. Het enkele vooruitzicht op de aanbieding van een functie na deelname aan het vergelijkend onderzoek is niet voldoende om rechten te kunnen ontlenen aan artikel 48 EEG-Verdrag. Gelijk het Hof in zijn arrest van 21 juni 1988 (zaak 197/86, Brown, reeds aangehaald) heeft verklaard, zijn deze rechten namelijk uitsluitend toegekend aan werknemers in loondienst "die reële en daadwerkelijke arbeid verrichten". Verweerder voegt hieraan toe, dat het besluit om verzoeksters sollicitatie af te wijzen, - een besluit waarbij haar nationaliteit in elk geval geen rol heeft gespeeld -, haar niet heeft kunnen beletten om zich op zoek naar werk binnen de Gemeenschap te verplaatsen en te verblijven.
63 Opgemerkt zij, dat artikel 48, lid 3, sub c, EEG-Verdrag werknemers het recht garandeert in een Lid-Staat te verblijven ten einde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden. Deze garantie betreft de rechtspositie van werknemers ten opzichte van de Lid-Staat op wiens grondgebied zij werken, maar heeft niets te maken met de betrekkingen tussen de gemeenschapsinstellingen en gegadigden voor een functie bij de Europese Gemeenschappen. Bijgevolg is het middel: schending van artikel 48, lid 3, sub c, EEG-Verdrag, ongegrond.
Het middel: vermeende onverenigbaarheid van artikel 16 van de Griekse Grondwet met de artikelen 52 tot en met 66 EEG-Verdrag
64 In antwoord op de vierde vraag van het Gerecht aan partijen heeft verzoekster bovendien onderzocht of artikel 16 van de Griekse Grondwet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Na te hebben vastgesteld dat "onderwijs" nergens in het EEG-Verdrag - noch in de omschrijving van de taken of werkzaamheden van de Gemeenschap noch elders - uitdrukkelijk wordt vermeld, leidt zij uit artikel 128 EEG-Verdrag en de desbetreffende rechtspraak van het Hof (arresten van 13 februari 1985, Gravier, en 2 februari 1988, Blaizot, beide reeds aangehaald; 15 maart 1988, zaak 147/86, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 1637, en met name de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, Jurispr. 1988, blz. 1638 e.v.) af, dat het particuliere onderwijs niettemin tot het werkterrein van de Europese Gemeenschappen behoort. Zij voegt hieraan toe, dat het Hof heeft vastgesteld, dat zich op het terrein van de beroepsopleiding een gemeenschappelijke politiek aan het ontwikkelen is, en dat de Europese Gemeenschappen reeds de eerste maatregelen hebben genomen om een gemeenschappelijke onderwijspolitiek uit te stippelen.
65 Volgens verzoekster is het in strijd met de artikelen 48 tot en met 66 EEG-Verdrag, betreffende het vrije verkeer van werknemers, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, wanneer een grondwettelijke bepaling particulieren, of het nu gaat om nationale onderdanen dan wel om personen met een andere nationaliteit, de uitoefening van economische activiteiten totaal verbiedt. Ter terechtzitting stelde zij, dat een jury een dergelijke regel niet zou mogen toepassen ten einde de toelating tot een vergelijkend onderzoek te weigeren.
66 Verzoekster voegt hieraan toe, dat het verrichten van diensten op het gebied van het hoger onderwijs niet onder de in artikel 55 EEG-Verdrag vastgelegde uitzondering valt. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 15 maart 1988 (Commissie/Griekenland, reeds aangehaald) stelt zij, dat het in artikel 55 bedoelde begrip "openbaar gezag" restrictief moet worden uitgelegd en dat het feit dat onderwijs krachtens de Griekse grondwet een fundamentele taak van de staat vormt, niet betekent dat deze taak uitsluitend aan de staat is voorbehouden en van nature door de overheid moet worden uitgeoefend.
67 Ter terechtzitting heeft verweerder geantwoord, dat niemand het recht heeft, van een jury van een vergelijkend vooronderzoek te verlangen dat zij grondwettelijke bepalingen van een Lid-Staat negeert, en dat niet was aangetoond dat artikel 16 van de Griekse grondwet in strijd met het gemeenschapsrecht is.
68 Ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
69 Gevraagd door het Gerecht of dit middel niet te laat was voorgedragen, heeft verzoeksters vertegenwoordiger ter terechtzitting verklaard, dat de verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en dienstverlening niet in het verzoekschrift zijn vermeld, omdat verzoekster had gemeend, dat het gewraakte besluit hiermee niet rechtstreeks in strijd was, aangezien zij zich niet wilde vestigen om als zelfstandige een beroep uit te oefenen noch om diensten te verrichten. Op deze bepalingen is enkel een beroep gedaan in samenhang met artikel 16 van de Griekse grondwet, in het kader van het antwoord ter zake op de door het Gerecht gestelde vraag.
70 Ten einde te kunnen vaststellen of het onderhavige middel tijdig is voorgedragen, zij opgemerkt, dat verzoekster bestrijdt dat het verbod op het uitoefenen van een bepaalde economische activiteit, namelijk het exploiteren van een particuliere universitaire instelling in Griekenland, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Hoewel zij in dit verband de artikelen 48 tot en met 66 EEG-Verdrag aanhaalt, hebben zowel de mogelijkheid van een eventuele belemmering van het vrije verkeer van personen die in loondienst in het universitaire onderwijs werkzaam zijn, als de mogelijkheid van het geven van onderwijs in Griekenland door een in een andere Lid-Staat gevestigde instelling, niets met dit verwijt te maken, en houden zij bovendien geen enkel verband met de feiten in deze zaak. Bijgevolg vallen noch de artikelen 48 en volgende, betreffende het vrije verkeer van werknemers, noch de artikelen 59 en volgende, betreffende het vrij verrichten van diensten, binnen het kader van verzoeksters grief, die enkel betrekking heeft op de in artikel 52 EEG-Verdrag neergelegde vrijheid van vestiging.
71 Weliswaar gaat het in casu niet rechtstreeks om de vrijheid van vestiging van verzoekster zelf, maar zij beklaagt zich er wel over, dat op haar een nationale bepaling is toegepast, die haars inziens wegens onverenigbaarheid met artikel 52 EEG-Verdrag niet kon worden toegepast. Aldus betoogt zij dat het besluit van de jury op een met dit artikel strijdige nationale bepaling berust, zodat zij noodzakelijkerwijs stelt dat het gewraakte besluit eveneens in strijd met deze bepaling is. Er moet dus worden vastgesteld, dat het onderhavige middel in wezen op schending van artikel 52 EEG-Verdrag is gebaseerd.
72 Dat dit middel te laat is voorgedragen kan verzoekster niet rechtvaardigen met het feit dat zij een beroep op artikel 52 EEG-Verdrag heeft gedaan in antwoord op een vraag van het Gerecht betreffend artikel 16 van de Griekse grondwet. Uiterlijk vanaf het tijdstip waarop verzoekster door de jury in kennis was gesteld van het na heronderzoek van haar sollicitatie genomen besluit was namelijk duidelijk, dat haar sollicitatie was afgewezen op grond van bepalingen van Grieks recht, die zich ertegen verzetten dat particuliere onderwijsinstellingen als universiteiten worden beschouwd. Verzoekster had dus op het moment waarop zij haar beroep instelde, alle elementen moeten onderzoeken op grond waarvan zij de verenigbaarheid van deze nationale rechtsregels met de beginselen van het Verdrag in het geding kon brengen. Het onderhavige middel steunt dus niet op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken. Het moet dus worden verworpen.
73 Overigens zij in elk geval nog eraan herinnerd, dat artikel 16 van de Griekse grondwet de oprichting van particuliere universiteiten niet enkel aan onderdanen van andere Lid-Staten verbiedt, maar eveneens aan Griekse onderdanen. Volgens artikel 52, tweede alinea, EEG-Verdrag omvat de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. Een verbod dat geen discriminatie tussen Griekse onderdanen en onderdanen van andere Lid-Staten inhoudt, is dus niet in strijd met de vrijheid van vestiging. In zijn arrest van 15 maart 1988 (Commissie/Griekenland, reeds aangehaald), heeft het Hof dit beginsel overigens toegepast op het verbod om particuliere scholen voor beroepsonderwijs op te richten, dat bij gebreke van een wet die dergelijke scholen toestaat, uit artikel 16, lid 7, van de Griekse grondwet voortvloeit. Aangezien dit verbod zonder discriminatie zowel voor Griekse onderdanen als voor onderdanen van andere Lid-Staten gold, heeft het Hof vastgesteld, dat het niet in strijd met de verdragsbepalingen was (zie het arrest van 15 maart 1988, Commissie/Griekenland, reeds aangehaald).
74 Bijgevolg kan het middel: niet-toepasselijkheid van artikel 16 van de Griekse grondwet, niet slagen.
Het middel: schending van de artikelen 27 en volgende van het Statuut, artikel 1, lid 1, sub d, van bijlage III bij het Statuut en artikel 110 van het Statuut
75 Tot staving van dit middel stelt verzoekster, dat de Commissie houders van diploma' s van het Deree College wel aan vergelijkende onderzoeken voor ambten van de categorie A en de groep LA laat deelnemen, terwijl zij bij het Parlement slechts aan vergelijkende onderzoeken voor de aanwerving van ambtenaren van de categorie B kunnen deelnemen. Verzoekster acht deze behandeling discriminerend. De door het Statuut verlangde kwalificaties om ambtenaar te worden zijn voor alle instellingen gelijk. Zij erkent, dat het besluit van een instelling de andere instellingen niet bindt, maar iedere instelling is volgens haar wel verplicht met de door de andere instellingen op dit terrein genomen besluiten rekening te houden, ten einde verschillen in de toepassing van het Statuut te voorkomen. Gelet op de afwijkende praktijk van de Commissie, had de jury van vergelijkend onderzoek PE/137/LA moeten verzoeken dat overeenkomstig artikel 110 van het Statuut overlegd zou worden, ten einde het beleid van de instellingen op dit punt te harmoniseren. Aldus is verweerder volgens verzoekster voorbij gegaan aan het feit dat de Griekse Staat het betrokken diploma niet erkent, enkel om reden dat universitaire opleidingen krachtens de Griekse grondwet slechts door de Griekse Staat worden georganiseerd. Zij leidt hieruit af, dat de niet-erkenning van dit diploma door de Griekse Staat niet betekent, dat de desbetreffende studie niet van universitair niveau zou zijn. De juistheid van haar argument blijkt uit het feit, dat dit diploma zowel door de universiteiten van andere Lid-Staten als door de Commissie en de Raad gelijkwaardig aan een universitair diploma wordt geacht. Tot staving hiervan heeft zij bij haar repliek een brief van 8 mei 1990 gevoegd, waarin haar wordt meegedeeld dat zij is toegelaten tot een door de Raad met het oog op de aanwerving van administrateurs georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek (Raad/A/319).
76 Verweerder stelt, dat artikel 110 van het Statuut de gemeenschapsinstellingen niet verplicht, bij de uitvoering van het Statuut identieke besluiten te nemen. Hij beklemtoont, dat artikel 110, eerste alinea, elke instelling uitdrukkelijk toestaat de algemene bepalingen ter uitvoering van het Statuut vast te stellen. Uit dit artikel vloeit geen enkele verplichting voor de instellingen en hun jury' s voort om de organisatie van vergelijkende onderzoeken en met name het nemen van individuele besluiten op dit terrein te harmoniseren of te cooerdineren.
77 Met een beroep op 's Hofs rechtspraak stelt verweerder bovendien, dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van elke jury behoort om van geval tot geval te beoordelen of het overgelegde diploma of de beroepservaring van een kandidaat beantwoorden aan het in het Statuut verlangde niveau (arrest van 14 juni 1972, zaak 44/71, Marcato, Jurispr., blz. 427, r.o. 14). Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 2 oktober 1979 (zaak 178/78, Szemerey, Jurispr. 1979, blz. 2855) betoogt hij voorts, dat elke jury over een discretionaire bevoegdheid beschikt om te eisen, dat in het land van herkomst een volledige universitaire opleiding is voltooid. Volgens verweerder houdt deze bevoegdheid bij gebreke van een communautaire definitie van het begrip "universitair diploma" de mogelijkheid in om enkel universitaire opleidingen te erkennen die zijn afgesloten met een diploma dat in het land van herkomst officieel is erkend. Hiervoor verwijst hij naar het arrest van het Hof van 13 juli 1989 (Jaenicke Cendoya, reeds aangehaald).
78 Op basis van het arrest van het Hof van 28 april 1983 (zaak 143/82, Lipman, Jurispr. 1983, blz. 1301), beklemtoont hij bovendien het zelfstandige karakter van de vergelijkende onderzoeken die op verschillende wijze en met een verschillend doel worden georganiseerd, waardoor het voor een sollicitant onmogelijk is om zich op de toelatingsvoorwaarden van een ander vergelijkend onderzoek te beroepen, ook al is dit door dezelfde instelling georganiseerd. Bovendien, zo stelt verweerder, heeft artikel 1, lid 1, van bijlage III bij het Statuut enkel tot doel om te specificeren welke rubrieken elke aankondiging van een vergelijkend vooronderzoek dient te bevatten en kan het dus niet worden geacht tot gevolg te hebben de inhoud van elk van deze rubrieken te regelen. Tot slot betoogt verweerder, dat verzoeksters argument betreffende het niveau van de door haar bij de betrokken instelling gevolgde opleiding zijn twijfels ter zake niet kan wegnemen.
79 Met betrekking tot dit middel, waarin verzoekster stelt dat zij ten opzichte van sollicitanten voor vergelijkende onderzoeken van andere instellingen, ongelijk is behandeld, hetgeen een schending van het gelijkheidsbeginsel zou opleveren, zij in de eerste plaats opgemerkt, dat de vraag of een bepaalde studie of een diploma als universitair is aan te merken, door de jury ad hoc wordt beoordeeld, rekening houdend met de bijzondere kenmerken en de voorwaarden van elk vergelijkend vooronderzoek (zie het arrest van het Hof van 13 juli 1989, Jaenicke Cendoya, reeds aangehaald). Vervolgens zij eraan herinnerd, dat in casu geen enkele bepaling van de aankondiging van vergelijkend onderzoek of enige andere omstandigheid de jury toestond, bij de beoordeling van het universitaire karakter van verzoeksters diploma af te wijken van het recht van de Lid-Staat waarin zij haar opleiding had gevolgd. Onder deze omstandigheden, waarin de jury over geen enkele eigen beoordelingsvrijheid met betrekking tot de waardering van het diploma beschikte, maar zich tot een louter juridisch onderzoek heeft beperkt, is het niet van belang dat andere instellingen eventueel enkel op basis van het diploma van het Deree College sollicitanten hebben toegelaten tot vergelijkende onderzoeken voor de categorie A of de groep LA.
80 Bijgevolg is het middel: schending van de artikelen 27 en volgende van het Statuut, artikel 1, lid 1, sub d, van bijlage III van het Statuut, en 110 van het Statuut, ongegrond.
De motivering van het bestreden besluit
81 In het kader van de in haar repliek met betrekking tot het vorige middel aangevoerde argumenten beroept verzoekster zich bovendien op 's Hofs rechtspraak betreffende de plicht van elke jury van een vergelijkend onderzoek haar besluit in het bijzonder met redenen te omkleden, wanneer dezelfde sollicitant ongunstiger wordt beoordeeld dan bij een voorgaand vergelijkend onderzoek (arresten van 5 april 1979, zaak 112/78, Kobor, Jurispr. 1979, blz. 1573; 21 maart 1985, zaak 108/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 947, en 12 juli 1989, zaak 225/87, Belardinelli, Jurispr. 1989, blz. 2353). Verzoekster erkent, dat deze motiveringsplicht slechts geldt, wanneer de sollicitant de aandacht van de jury op dit punt heeft gevestigd. Zij beklemtoont, dat zij de jury in haar "bezwaarschrift" van 6 november 1989 uitdrukkelijk heeft gesignaleerd, dat houders van een door het Deree College afgegeven diploma waren toegelaten tot een door de Commissie georganiseerd vergelijkend onderzoek van hetzelfde niveau, en dat zij eveneens een brief van de Commissie heeft overgelegd waarin het betrokken diploma als een universitair diploma wordt erkend. Verzoekster verwijt verweerder, dat hij hiermee in zijn besluit van 22 november 1989 geen rekening heeft gehouden en, zich verschuilend achter de niet-erkenning van dit diploma door de Griekse Staat, niet heeft getracht zijn besluit nader en meer in het bijzonder te motiveren.
82 Met betrekking tot de motivering van het besluit tot afwijzing van verzoeksters sollicitatie stelt verweerder, dat het besluit van 22 november 1989 duidelijk twee in de rechtspraak van het Hof genoemde beslissende elementen vermeldt, namelijk in de eerste plaats het zelfstandig karakter van de organisatie der werkzaamheden en van de beoordelingsvrijheid van elke jury en in de tweede plaats de verwijzing naar de in het land van herkomst geldende nationale wetgeving inzake de erkenning van universitaire diploma' s. Verweerder acht deze motivering toereikend.
83 Hoewel verzoekster het middel: onvoldoende motivering van het bestreden besluit, eerst in het stadium van de repliek heeft voorgedragen en dus te laat, gelet op artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dient het Gerecht ambtshalve te onderzoeken of het bestreden besluit voldoende met redenen is omkleed (zie het arrest van het Gerecht van 13 december 1990, zaak T-115/89, González Holguera, Jurispr. 1990, blz. II-831).
84 De rechtspraak van het Hof betreffende de verplichting van de jury' s van vergelijkende onderzoeken om de weigering, een sollicitant tot een vergelijkend onderzoek toe te laten, in het bijzonder met redenen te omkleden is enkel van toepassing, wanneer de jury eenzelfde sollicitant ongunstiger beoordeelt dan bij een voorgaand vergelijkend onderzoek, waarvoor dezelfde of strengere toelatingsvoorwaarden golden dan voor het litigieuze vergelijkend onderzoek (zie het arrest van 13 december 1990, González Holguera, reeds aangehaald).
85 Verzoekster heeft slechts één vergelijkend onderzoek genoemd in het kader waarvan zij gunstiger is beoordeeld dan in het kader van het litigieuze vergelijkend onderzoek. Het gaat om algemeen vergelijkend onderzoek Raad/A/319 voor de aanwerving van administrateurs, dat evenwel na vergelijkend onderzoek PE/137/LA is gehouden. Onder deze omstandigheden was de jury in casu niet verplicht, haar besluit in het bijzonder met redenen te omkleden.
86 Verder heeft de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut neergelegde verplichting, elk bezwarend besluit met redenen te omkleden, in de eerste plaats tot doel de betrokkene de nodige gegevens te verschaffen om te boordelen of het besluit gegrond is, en in de tweede plaats een rechterlijke wettigheidstoetsing mogelijk te maken (zie bij voorbeeld het arrest van het Gerecht van 13 december, Gonzáles Holguera, reeds aangehaald). In de brief van 16 oktober 1989, waarin verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat de jury haar sollicitatie had afgewezen, werd weliswaar enkel vermeld, dat verzoekster niet voldeed aan het vereiste van een met een diploma afgesloten universitaire opleiding of van een gelijkwaardige beroepservaring, doch de brief van 22 november 1989, waarin aan verzoekster het in casu gewraakte, na heronderzoek van haar sollicitatie genomen besluit werd meegedeeld, vermeldde duidelijk de reden waarom de jury het diploma van het Deree College niet als een universitair diploma had beschouwd en vermeldde bovendien, dat de jury zich niet gebonden achtte aan de door verzoekster aangevoerde besluiten volgens welke houders van hetzelfde diploma zouden zijn toegelaten tot door de Commissie georganiseerde vergelijkende onderzoeken voor ambten van de groep LA. Deze aanwijzingen verschaffen verzoekster alle noodzakelijke elementen om te beoordelen of de afwijzing van haar sollicitatie al dan niet gegrond was en om haar rechten voor de gemeenschapsrechter naar behoren te kunnen verdedigen, zoals overigens is gebleken uit de argumenten die zij in het kader van het onderhavige beroep heeft aangevoerd.
87 Hieruit volgt, dat het middel: ontoereikende motivering van het besluit waarbij verzoekster de toegang tot het litigieuze vergelijkend onderzoek werd geweigerd, moet worden verworpen.
De overige conclusies van verzoekster
88 Aangezien alle door verzoekster tot staving van het onderhavige beroep aangevoerde middelen falen, moet worden vastgesteld, dat haar vorderingen, ertoe strekkende dat het door het Deree College afgegeven diploma als een diploma van universitair niveau wordt erkend, dat wordt vastgesteld dat de weigering haar toe te laten tot vergelijkend onderzoek PE/137/LA onwettig was en dat dit vergelijkend onderzoek en de lijst van geslaagden voor dit onderzoek nietig worden verklaard, ongegrond zijn. Zij moeten dus worden afgewezen zonder dat het Gerecht zich over hun ontvankelijkheid behoeft uit te spreken.
89 Uit al het voorgaande volgt dat het beroep moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
90 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partijen in de kosten worden verwezen. Ingevolge artikel 88 van dit Reglement blijven evenwel in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste. Elk der partijen dient dus de eigen kosten te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy