Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Vaststelling van voorlopige maatregelen - Bevoegdheid van Commissie - Voorwaarden voor uitoefening
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
2. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Groepsvrijstelling - Verordening nr. 123/85 - Optreden van tussenpersoon tussen dealer en eindgebruiker - Voorwaarden - Uitsluiting van beroepsmatig handelende tussenpersonen - Op eerste gezicht ontoelaatbaar
(Verordening nr. 123/85 van de Commissie, art. 3, punt 11; mededeling van de Commissie van 12 december 1984)
3. Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Vaststelling van voorlopige maatregelen - Vaststelling vooraf van inbreuk op eerste gezicht
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
4. Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Vaststelling van voorlopige maatregelen - Spoedeisendheid - Afweging van alle betrokken belangen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
5. Procedure - Kosten - Toepasselijke regels - Werkingssfeer ratione temporis
Samenvatting
1. Het staat aan de Commissie om, in het kader van de controle waarmee het Verdrag en verordening nr. 17 haar op het gebied van de mededinging belasten, krachtens artikel 3, lid 1, van deze verordening te beslissen of voorlopige maatregelen moeten worden genomen wanneer een daartoe strekkend verzoek tot haar is gericht. Deze maatregelen dienen echter voorlopig van aard te zijn, beperkt te blijven tot hetgeen in de gegeven situatie noodzakelijk is en te passen binnen het kader van de te geven eindbeschikking.
De Commissie blijft binnen dit kader wanneer zij een leverancier van motorvoertuigen gelast, binnen bepaalde grenzen, de tenuitvoerlegging van een circulaire, met daarin verschillende aanwijzingen voor de dealers van zijn distributienet, op te schorten totdat een beschikking ten gronde zal zijn gegeven, wanneer deze laatste beschikking betrekking zal hebben op de vraag of deze circulaire al dan geen inbreuk maakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
2. Door te bepalen dat de groepsvrijstelling van verordening nr. 123/85 voor bepaalde distributieovereenkomsten in de automobielsector eveneens geldt, wanneer de dealer zich verbindt om "motorvoertuigen uit het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, slechts te verkopen, wanneer zij voor de aankoop van een bepaald motorvoertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke, en bij inontvangstneming van het motorvoertuig door de tussenpersoon, tevens de inontvangstneming bestrijkende volmacht hebben gegeven", wil artikel 3, punt 11, van deze verordening de mogelijkheid van het optreden van een tussenpersoon behouden, op voorwaarde dat er een rechtstreekse contractuele band tussen de dealer en de eindgebruiker bestaat. Er is nergens voorzien in de mogelijkheid om van een tussenpersoon afkomstige bestellingen van voertuigen te weigeren en hem dergelijke voertuigen niet te leveren.
De stellingname van de Commissie, ongeacht of het nu gaat om haar mededeling van 12 december 1984 of haar reactie op een informele mededeling van een ontwerp-circulaire afkomstig van een autoconstructeur en bestemd voor zijn dealers, bevat geen enkele aanwijzing op grond waarvan het aannemelijk kan lijken dat een beroepsmatig handelend tussenpersoon een dergelijke weigering zou kunnen worden tegengeworpen. Derhalve kan niet worden gesteld dat de Commissie, door het vaststellen van een voorlopige maatregel waardoor deze autoconstructeur wordt gelast af te zien van het door haar in strijd met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag geachte verbod aan zijn distributienet om te voldoen aan de vraag van een dergelijk tussenpersoon, het rechtszekerheidsbeginsel zou hebben geschonden.
3. Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 17 voorlopige maatregelen vaststelt, is zij niet met dezelfde mate van zekerheid als is vereist voor een eindbeschikking gehouden tot vaststelling van een inbreuk op het eerste gezicht, op de mededingingsregels.
4. Er is sprake van spoedeisendheid die rechtvaardigt dat krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 voorlopige maatregelen worden vastgesteld waarbij een automobielconstructeur wordt verboden bepaalde maatregelen uit te voeren die zijn bedoeld om de werkzaamheid te belemmeren van een onderneming die als tussenpersoon optreedt in de automobielhandel, wanneer de toepassing van die maatregelen tot gevolg zou hebben dat die tussenpersoon zich bedreigd ziet in zijn bestaan, terwijl zijn werkzaamheid in elk geval slechts een minimale invloed kan hebben op het functioneren van het distributienet van de automobielconstructeur, zulks gelet op de omstandigheid dat de voorlopige maatregelen de werkzaamheid van de tussenpersoon beperken tot het oude volume.
5. Zodra zij ten dele onder het materiële recht vallen omdat zij de belangen van de partijen in het geding rechtstreeks raken, zijn de regels die moeten worden toegepast ter bepaling van de verdeling van de kosten de regels van het Reglement voor de procesvoering dat geldt op het moment dat de mondelinge behandeling wordt afgesloten en de zaak in beraad wordt gebracht, en niet de regels van het Reglement dat geldt op de, overigens onzekere, datum van de uitspraak van het arrest.
Partijen
In zaak T-23/90,
Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA, vennootschappen naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door X. de Roux, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Bourgeois, juridisch hoofdadviseur, vervolgens door G. Marenco, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door F. Herbert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Berardis, lid van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
ondersteund door
Eco System SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Rouen (Frankrijk), vertegenwoordigd door R. Collin, advocaat te Parijs, en N. Decker, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Avenue Marie-Thérèse 16,
Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC), internationale vereniging naar Belgisch recht, gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door P. Bentley, Barrister van Lincoln' s Inn, en K. Adamantopoulos, advocaat te Athene, beiden van het kantoor Stanbrook and Hooper te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Kronshagen, Boulevard de la Foire 12,
en
regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. A. Kaya als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënten,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 maart 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/33.157 Eco System/Peugeot - Voorlopige maatregelen),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, R. Schintgen, D. A. O. Edward, H. Kirschner en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 17 april 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De bestreden beschikking is gegeven nadat de vennootschap Eco System op 19 april 1989 bij de Commissie een klacht had ingediend tegen Automobiles Peugeot SA en drie van haar erkende wederverkopers in België, op grond dat deze Eco System sinds maart 1989 beletten, in België en in het Groothertogdom Luxemburg als lasthebber op te treden voor rekening van Franse eindgebruikers die via haar auto' s van het merk Peugeot willen kopen. In haar klacht had Eco System de Commissie tevens verzocht, voorlopige maatregelen te treffen om een einde te maken aan de ernstige schade die zij ten gevolge van bovengenoemde belemmeringen leed.
2 Op 9 mei 1989 verspreidde Peugeot SA via dochtermaatschappijen van Automobiles Peugeot SA een circulaire waarin zij haar erkende dealers en wederverkopers in Frankrijk, België en Luxemburg verzocht om hun leveranties aan Eco System op te schorten en van deze vennootschap geen bestellingen voor nieuwe auto' s van het merk Peugeot meer te accepteren, ongeacht of zij voor eigen rekening handelde of voor rekening van haar lastgevers. De tekst van deze circulaire was ongeveer drie weken daarvoor naar de diensten van de Commissie gestuurd.
3 Op 27 november 1989 leidde de Commissie tegen Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA de procedure in voorzien in verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17").
4 Bij beschikking van 26 maart 1990 gelastte de Commissie Peugeot SA en Automobiles Peugeot SA op straffe van een dwangsom, binnen twee weken aan al hun dealers en wederverkopers een brief te versturen waarin de tenuitvoerlegging van de circulaire van 9 mei 1989 werd opgeschort totdat een definitieve beschikking zou zijn gegeven in de op klacht van Eco System ingeleide hoofdprocedure, en stelde zij het contingent vast - 1 211 auto' s per jaar met een maximum van 150 per maand - van de transacties die Eco System, gedurende diezelfde periode, voor rekening van haar klanten op basis van een voorafgaande schriftelijke lastgeving met het distributienet van Peugeot zou mogen verrichten en waartegen verzoeksters zich niet zouden kunnen verzetten. Ten slotte gelastte de Commissie verzoeksters om de erkende leden van hun distributienet in Frankrijk, België en Luxemburg opdracht te geven, de Commissie in kennis te stellen van het aantal en de modellen van de via Eco System verkochte auto' s.
5 In haar beschikking voerde de Commissie ter rechtvaardiging van deze voorlopige maatregelen aan dat, gezien de vastgestelde feiten, een inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag voldoende waarschijnlijk was, dat Eco System ernstige en onherstelbare schade kon lijden indien geen conservatoire maatregelen werden gelast, en dat het dus dringend noodzakelijk was dat dergelijke maatregelen werden getroffen.
6 Ter bepaling van het aantal transacties dat Eco System jaarlijks met het distributienet van Peugeot zou mogen verrichten gedurende de periode waarin bedoelde maatregelen golden, ging de Commissie uit van het aantal transacties in de twaalf maanden vóór 9 mei 1989, de datum waarop de bewuste circulaire van Peugeot was verspreid. De controle op die transacties zou geschieden door dubbele mededeling aan de Commissie, in de eerste plaats door de betrokken dealers - waarna de Commissie op haar beurt Peugeot zou inlichten zonder de naam van de koper te noemen - en in de tweede plaats door Eco System, die zich daartoe op verzoek van de Commissie had verbonden.
7 Voor het overige merkt het Gerecht op, dat Eco System op 25 augustus 1985 een eerste klacht tegen Peugeot-Talbot SA had ingediend, die was gericht tegen de weigering van de dealers van het distributienet van Peugeot in België om haar nieuwe auto' s te verkopen. Het onderzoek naar deze klacht, dat leidde tot verschillende verzoeken om inlichtingen alsmede tot een voorlopige standpuntbepaling door de diensten van de Commissie, werd gesloten nadat Eco System haar klacht op 18 januari 1988 had ingetrokken.
De procedure
8 Bij op 24 april 1990 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift hebben de vennootschappen Automobiles Peugeot SA en Peugeot SA (hierna: "Peugeot") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag het onderhavige beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 maart 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/33.157 Eco System/Peugeot - Voorlopige maatregelen -).
9 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven, hebben verzoeksters voorts krachtens artikel 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikking.
10 Bij beschikking van 21 mei 1990 heeft de president van het Gerecht dit verzoek afgewezen.
11 Bij beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 5 juli 1990 is de vennootschap Eco System (hierna: "Eco System") toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerster. Bij beschikkingen van het Gerecht (Eerste kamer) van 24 september 1990 zijn het Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC) en de regering van het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerster.
12 Het Gerecht (Eerste kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 17 april 1991 zijn partijen in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord. De president heeft aan het einde van de terechtzitting de mondelinge behandeling gesloten verklaard.
13 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 maart 1990 nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
14 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen.
15 Eco System concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen.
16 Het Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC) concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten, die in verband met de interventie van het BEUC daaronder begrepen.
17 De regering van het Verenigd Koninkrijk concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten, die in verband met de interventie van het Verenigd Koninkrijk daaronder begrepen.
Ten gronde
18 Tot staving van hun conclusies voeren verzoeksters in hoofdzaak twee middelen aan. In de eerste plaats betogen zij, dat de Commissie rechtens niet had aangetoond dat er op het eerste gezicht sprake was van een inbreuk, zodat zij niet gerechtigd was voorlopige maatregelen te nemen. In de tweede plaats verwijten verzoeksters de Commissie, dat zij niet het bewijs heeft geleverd van spoedeisendheid en van ernstige en onherstelbare schade voor Eco System.
19 Alvorens de verschillende argumenten te onderzoeken die verzoeksters aanvoeren tot staving van hun middelen strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking, zij eraan herinnerd dat het, gelijk het Hof verklaarde in zijn beschikking van 17 januari 1980 (zaak 792/79 R, Camera Care/Commissie, Jurispr. 1980, blz. 119), aan de Commissie staat om, in het kader van de controle waarmee het Verdrag en verordening nr. 17 haar op het gebied van de mededinging belasten, krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 te beslissen of voorlopige maatregelen moeten worden genomen wanneer een daartoe strekkend verzoek tot haar is gericht. Deze maatregelen dienen echter voorlopig en conservatoir van aard te zijn en beperkt te blijven tot hetgeen in de gegeven situatie noodzakelijk is.
20 Zoals het Hof voorts verklaarde in zijn arrest van 28 februari 1984 (gevoegde zaken 228/82 en 229/82, Ford/Commissie, Jurispr. 1984, blz. 1129), moeten de voorlopige maatregelen die de Commissie kan vaststellen, bovendien passen binnen het kader van de door de Commissie te geven eindbeschikking.
21 Om in het onderhavige geval de wettigheid van de beschikking van de Commissie na te gaan, zal het Gerecht allereerst moeten nagaan of de Commissie in haar beschikking mocht overwegen dat Peugeot, door haar dealers opdracht te geven om niet te verkopen aan een naar behoren gevolmachtigd beroepsmatig handelend tussenpersoon, op het eerste gezicht verder ging dan op grond van de toepasselijke gemeenschapsrechtelijke bepalingen toelaatbaar was, zodat ernstig moest worden betwijfeld of haar gedrag verenigbaar was met die bepalingen.
22 Bovendien moet worden onderzocht, of de gelaste maatregelen voorlopig en conservatoir van aard zijn en beperkt zijn tot hetgeen noodzakelijk is om te waarborgen dat de Commissie een doeltreffend gebruik zal kunnen maken van haar beschikkingsbevoegdheid, dat wil zeggen of er een dringende reden was om deze maatregelen vast te stellen ten einde, hangende een beschikking van de Commissie ten gronde, te voorkomen dat de voortzetting van de litigieuze praktijken bij gebreke van dergelijke voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade zou veroorzaken.
A - Het middel volgens hetwelk rechtens niet is aangetoond, dat er op het eerste gezicht sprake was van een inbreuk
23 Volgens verzoeksters heeft de Commissie een verkeerde uitlegging gegeven aan de communautaire verordeningen en de grenzen van haar bevoegdheid overschreden. Dienaangaande voeren zij in hoofdzaak vier argumenten aan.
24 In de eerste plaats betogen verzoeksters, dat verordening (EEG) nr. 123/85 van de Commissie van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (PB 1985, L 15, blz. 16; hierna: "verordening nr. 123/85") exclusieve en selectieve afzetovereenkomsten in de automobielsector aan de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag onttrekt wanneer zij voldoen aan een aantal in deze verordening gestelde voorwaarden, met name die voorzien in artikel 3, punt 11, bepalende dat de buitentoepassingverklaring eveneens geldt wanneer de dealer zich verbindt om "motorvoertuigen uit het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, slechts te verkopen, wanneer zij voor de aankoop van een bepaald motorvoertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke (...) volmacht hebben gegeven". Volgens verzoeksters zijn deze voorwaarden opgenomen in de standaard-distributieovereenkomst die Peugeot met haar dealers sluit.
25 Verzoeksters vervolgen dat de Commissie in haar mededeling 85/C 17/03 van 12 december 1984 met betrekking tot verordening nr. 123/85 (PB 1985, C 17, blz. 4; hierna: "de mededeling van 12 december 1984") artikel 3, punt 11, van deze verordening aldus heeft uitgelegd, dat een tussenpersoon die een met de wederverkoop overeenstemmende activiteit uitoefent, zich niet kan beroepen op artikel 3, punt 11, en dat tegen hem de contractuele beperkingen van de fabrikant op die voorwaarden kunnen worden aangevoerd. Mitsdien, aldus verzoeksters, mochten zij op het eerste gezicht van oordeel zijn dat de activiteit van Eco System overeenstemde met de wederverkoop in de zin van de mededeling van de Commissie. Eco System, zo betogen zij, biedt de consument een alternatieve bron voor auto' s van het merk Peugeot aan tegen dezelfde voorwaarden als een willekeurige automobielhandelaar, omdat zij zich verbindt ten aanzien van de maximumprijzen en de levertijden van de voertuigen, zelf het door haar aan de uiteindelijke klant te leveren voertuig betaalt, de financiering van de aankoop verzorgt en verkooppunten opent, met name in warenhuizen (in het onderhavige geval de warenhuisketen "Carrefour"), waar voertuigen worden tentoongesteld. Hieruit zou volgen, dat de maatregelen die Peugeot in haar circulaire van 9 mei 1989 heeft getroffen om haar stelsel van selectieve distributie te beschermen, op het eerste gezicht verenigbaar zijn met de in verordening nr. 123/85 voorziene vrijstelling.
26 De Commissie beklemtoont in de eerste plaats, dat het Hof in zijn arrest van 18 december 1986 (zaak 10/86, VAG France, Jurispr. 1986, blz. 4071) met betrekking tot verordening nr. 123/85 heeft verklaard, dat contracten die de mededinging beperken en de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden in beginsel verboden zijn, tenzij de bepalingen van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag door de Commissie overeenkomstig artikel 85, lid 3, buiten toepassing zijn verklaard.
27 De Commissie vervolgt, dat de eindgebruiker eerst over de reële mogelijkheid beschikt, in een willekeurige Lid-Staat een voertuig te kopen bij een willekeurig erkend distributienet, indien hij een beroep kan doen op een tussenpersoon die vooraf schriftelijk is gevolmachtigd om een bepaald voertuig te kopen en in voorkomend geval in ontvangst te nemen. Verordening nr. 123/85 zou nergens onderscheid maken al naar gelang de tussenpersoon die door de eindgebruiker is gevolmachtigd om in zijn naam en voor zijn rekening een voertuig te kopen, al dan niet beroepsmatig handelt.
28 Eco System, interveniënte, betoogt dat verordening nr. 123/85 het rechtskader voor het beroep van lasthebber in de automobielsector aangeeft. Deze verordening zou de drie essentiële voorwaarden aangeven waaronder selectieve distributie verenigbaar is met artikel 85 EEG-Verdrag. In de eerste plaats zou de eindgebruiker moeten kunnen kiezen, waar in de Gemeenschap hij zijn voertuig koopt; in de tweede plaats zouden tegen die aankoop geen misbruik opleverende belemmeringen mogen worden opgeworpen; ten slotte zou de eindgebruiker de mogelijkheid moeten hebben een beroep te doen op een beroepsmatig handelend tussenpersoon die hem bij de aankoop van een voertuig in een andere Lid-Staat bijstaat. Eco System betoogt voorts dat wanneer de beroepsmatig handelend lasthebber van de bepalingen van verordening nr. 123/85 werd uitgesloten, zulks zou betekenen dat de eindgebruiker wordt belet, het gewenste voertuig in een willekeurige Lid-Staat bij een willekeurige erkende dealer tegen de gunstigste prijs te kopen, gezien het grote aantal handelingen dat moet worden verricht en de ingewikkelde formaliteiten die de overbrenging van een voertuig van de ene Lid-Staat naar de andere met zich meebrengt.
29 Ter terechtzitting heeft Eco System ontkend, enig voertuig voor expositie- en verkoopdoeleinden in voorraad te hebben gehad. Zij zou alleen voertuigen in haar bezit hebben gehad die in naam en voor rekening van haar lastgevers waren gekocht. Slechts gedurende korte tijd, tussen de aankomst van de voertuigen en de vervulling van de administratieve formaliteiten die moeten worden afgehandeld voordat zij worden overgedragen aan hun eigenaar, zouden de voertuigen in het bezit van Eco System zijn geweest en eventueel in haar gebouwen zijn tentoongesteld. Eén voertuig van het merk Peugeot, geleend door één van de lastgevers van Eco System, zou gedurende ongeveer tien dagen zijn tentoongesteld in de "Carrefour"- winkels. Verzoeksters hebben deze verklaringen niet bestreden.
30 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn er belangrijke aanwijzingen die op het eerste gezicht doen vermoeden, dat de mededingingsregels zijn geschonden. Uit de bewoordingen van artikel 3, punt 11, van verordening nr. 123/85 zou duidelijk blijken, dat de uit die bepaling voortvloeiende vrijstelling niet geldt wanneer wordt geweigerd te leveren aan een tussenpersoon die tevoren schriftelijk is gemachtigd, in naam van de eindgebruiker een bepaald voertuig te kopen en in voorkomend geval in ontvangst te nemen.
31 Er zij aan herinnerd, dat verordening nr. 123/85 artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag overeenkomstig artikel 85, lid 3, buiten toepassing verklaart voor groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen, voor zover deze overeenkomsten aan een aantal in deze verordening gestelde voorwaarden voldoen.
32 Op grond van artikel 3, punt 11, van deze verordening geldt de overeenkomstig artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag verleende buitentoepassingverklaring eveneens wanneer de dealer zich verbindt om "motorvoertuigen uit het door de overeenkomst bestreken gamma of daarmee overeenstemmende produkten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, slechts te verkopen, wanneer zij voor de aankoop van een bepaald motorvoertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke, en bij inontvangstneming van het motorvoertuig door de tussenpersoon, tevens de inontvangstneming bestrijkende volmacht hebben gegeven."
33 Blijkens haar opbouw heeft deze bepaling tot doel, de mogelijkheid van het optreden van een tussenpersoon te behouden, op voorwaarde dat er een rechtstreekse contractuele band tussen de dealer en de eindgebruiker bestaat. Deze rechtstreekse contractuele band moet volgens verordening nr. 123/85 worden aangetoond door een vooraf door de koper van het voertuig aan de tussenpersoon verstrekte schriftelijke volmacht.
34 In haar circulaire van 9 mei 1989 gelastte Peugeot haar dealers, van Eco System geen bestellingen meer aan te nemen voor nieuwe of sedert minder dan drie maanden geregistreerde voertuigen van het merk Peugeot, ongeacht of Eco System in eigen naam en voor eigen rekening of in naam en voor rekening van haar opdrachtgevers handelde, en om Eco System dergelijke voertuigen niet meer te leveren.
35 Dienaangaande moet worden beklemtoond, dat artikel 3, punt 11, van verordening nr. 123/85 niet voorziet in de mogelijkheid om van een tussenpersoon afkomstige bestellingen van voertuigen te weigeren en die tussenpersoon geen voertuigen te leveren, indien hij handelt in naam en voor rekening van zijn opdrachtgevers.
36 In casu is niet aangetoond dat Eco System, zelfs met betrekking tot de in haar eigen ruimtes en in de "Carrefour"-winkels tentoongestelde voertuigen, bij de dealers van het distributienet van Peugeot buiten het kader van de haar door de eindgebruikers gegeven volmachten zou zijn getreden.
37 De Commissie was derhalve terecht van oordeel, dat de betrokken circulaire op het eerste gezicht niet voldeed aan de door artikel 3, punt 11, van verordening nr. 123/85 gestelde voorwaarde om buiten het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag te vallen.
38 In de tweede plaats betogen verzoeksters, dat de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden doordat zij zich niet heeft gehouden aan de uitlegging die zij zelf in haar mededeling van 12 december 1984 aan artikel 3, punt 11, van verordening nr. 123/85 had gegeven. Deze miskenning van het rechtzekerheidsbeginsel zou nog worden versterkt doordat in het onderhavige geval het ontwerp van de circulaire vooraf was voorgelegd aan de bevoegde diensten van de Commissie, die er zich niet tegen hadden verzet.
39 Volgens de Commissie is het argument dat verzoeksters ontlenen aan de aan haar mededeling van 12 december 1984 verbonden rechtszekerheid irrelevant. Deze mededeling zou alleen verduidelijken, dat wanneer een tussenpersoon voor rekening van een eindgebruiker handelt, het bepaalde in artikel 3, punten 10 en 11, van verordening nr. 123/85 zich ertegen verzet dat het de leden van een distributienet wordt verboden, aan deze tussenpersoon te leveren. Gesteld al, zo voegt de Commissie daaraan toe, dat de mededeling moet worden geacht verder te gaan dan het bepaalde in artikel 3, punt 11, in die zin dat een naar behoren gevolmachtigd tussenpersoon van levering kan worden uitgesloten, dan kan die mededeling in geen geval de normatieve bepaling van verordening nr. 123/85 opzij zetten.
40 Ten aanzien van de grief die is gebaseerd op de omstandigheid, dat het ontwerp van de circulaire vooraf aan de bevoegde diensten van de Commissie was voorgelegd, merkt laatstgenoemde op, dat dit ontwerp omstreeks 18 april 1989 aan de heer Cadieux, adjunct-directeur-generaal van het Directoraat-generaal Concurrentie (DG IV), persoonlijk was gestuurd. Omdat Cadieux zich ertoe had beperkt te antwoorden dat hij de circulaire door zijn diensten zou laten onderzoeken, om te zien welke problemen zij opleverde, berichtte Peugeot Cadieux op 25 april van datzelfde jaar, dat de circulaire als officieel toegezonden moest worden beschouwd. Cadieux antwoordde op deze verklaring van verzoeksters, dat hij nog geen standpunt kon innemen omdat het onderzoek door de bevoegde diensten nog niet was afgerond.
41 De Commissie merkt voorts op, dat reeds de toezending van het ontwerp van de circulaire verzoeksters' stelling ondermijnt, dat de inhoud van de circulaire duidelijk was gedekt door de in de mededeling van 12 december 1984 gegeven uitlegging van de bepalingen van de verordening. Zij voegt hieraan toe dat verzoeksters de circulaire naar behoren hadden moeten aanmelden ten einde absolute rechtszekerheid te verkrijgen dat de diensten van de Commissie moesten reageren.
42 Eco System, interveniënte, merkt dienaangaande op dat, anders dan verzoeksters beweren, de Commissie in haar mededeling van 12 december 1984 de gevallen waarin verkoop aan bepaalde derden op wettige wijze kan worden geweigerd en het geval waarin een naar behoren gemachtigde derde niet kan worden belet zijn werkzaamheid uit te oefenen, duidelijk heeft afgebakend. Het tweede gedeelte van punt I, 3, van de mededeling zou namelijk onderscheid maken tussen bepaalde werkzaamheden die een weigering om te verkopen rechtvaardigen en een werkzaamheid die geen rechtvaardiging vormt voor een dergelijke weigering. Verordening nr. 123/85 laat er volgens Eco System immers geen twijfel over bestaan dat een derde van wiens bestaan de dealer van het distributienet vooraf schriftelijk op de hoogte is gesteld en die in naam en voor rekening van de eindgebruiker optreedt, zijn werkzaamheid zonder belemmering moet kunnen uitoefenen.
43 Interveniënt, het BEUC, betoogt, dat verordening nr. 123/85, inzonderheid artikel 3, punten 10 en 11, dermate duidelijk is dat een beroep op de in de mededeling van 12 december 1984 gegeven uitlegging overbodig is. Deze mededeling, aldus het BEUC, kan in geen geval de inhoud van de verordening wijzigen, omdat de Commissie zich niet kan binden op een wijze die tegen normatieve bepalingen ingaat. Bovendien, zo vervolgt het BEUC, was Peugeot reeds gewaarschuwd voor de onwettigheid van haar gedrag door middel van een - door verweerster in dupliek ter sprake gebrachte - brief van 15 juni 1987 van de heer Stoever, hoofd van dienst bij DG IV van de Commissie, gericht aan Peugeot-Talbot SA in het kader van de onderzoeksprocedure die was ingeleid naar aanleiding van een door Eco System op 25 oktober 1985 ingediende klacht (zie hiervoor r.o. 7). Volgens het BEUC wisten verzoeksters derhalve dat zo de mededeling al juridische waarde had, quod non, zij hen niet het recht gaf om te weigeren voertuigen te verkopen aan klanten van een lasthebber die vooraf naar behoren schriftelijk was gevolmachtigd.
44 De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat de mededeling van de Commissie niet kan derogeren aan de bepalingen van verordening nr. 123/85 en dat zij zulks, indien op de juiste wijze uitgelegd, ook niet beoogt. Zo de argumenten van Peugeot dienaangaande werden aanvaard, zouden zij artikel 3, punt 11, van de verordening in ruime mate zijn betekenis ontnemen en het werkterrein van de beroepsmatig handelende tussenpersoon aanzienlijk beperken.
45 Gelet op deze elementen feitelijk en rechtens beklemtoont het Gerecht dat, volgens de bewoordingen van de mededeling van de Commissie van 12 december 1984, "de Europese gebruiker in staat moet zijn een beroep te doen op dienstverlening door personen of ondernemingen die hem bij de aankoop van een nieuw motorvoertuig in een andere Lid-Staat bijstaan" (punt I, 3); daarbij behoeft in dit stadium nog geen uitspraak te worden gedaan over de juridische waarde van die mededeling of over de uitlegging die moet worden gegeven aan het begrip "een met de wederverkoop overeenstemmende activiteit". Op het eerste gezicht is er niets dat zich ertegen verzet, dat een eindgebruiker voor de aankoop van een nieuw voertuig een beroep kan doen op een beroepsmatig handelend tussenpersoon. De enige verplichting die artikel 3, punt 11, van verordening nr. 123/85 de tussenpersoon of eindgebruiker oplegt - een verplichting die eveneens wordt vermeld in punt I, 3, van de mededeling - is dat de dealer van het distributienet er vooraf schriftelijk van op de hoogte wordt gesteld dat de tussenpersoon bij de aankoop en de inontvangstneming van het voertuig handelt in naam en voor rekening van de eindgebruiker.
46 Derhalve kan op het eerste gezicht niet worden geconcludeerd, dat de mededeling van 12 december 1984, door te verwijzen naar een derde die "een met de wederverkoop overeenstemmende activiteit uitoefent", beroepsmatig handelende tussenpersonen die door de koper vooraf schriftelijk zijn gevolmachtigd heeft willen uitsluiten.
47 Bovendien moet worden opgemerkt dat, hoewel verzoeksters het ontwerp van de circulaire ongeveer drie weken voor de verzending aan de dealers van het distributienet van Peugeot aan de diensten van de Commissie hebben gestuurd, zij geen formele aanmelding hebben verricht ten einde voor deze circulaire een individuele buitentoepassingverklaring van artikel 85, lid 1, te verkrijgen. In casu zou alleen een formele aanmelding de diensten van de Commissie hebben verplicht te reageren en verzoeksters bijgevolg de rechtszekerheid hebben verschaft waarop zij zich trachten te beroepen aangaande de wettigheid van de circulaire ten opzichte van artikel 85 EEG-Verdrag en van de bepalingen van verordening nr. 123/85. In elk geval heeft de Commissie, na ontvangst van de door Eco System ingediende klacht en van het ontwerp van de circulaire van Peugeot, verzoeksters tweemaal om inlichtingen verzocht en heeft zij hun later, op 6 december 1989, twee mededelingen van punten van bezwaar toegestuurd betreffende, respectievelijk, de vaststelling van voorlopige maatregelen en de procedure ten principale.
48 Ten slotte moet dienaangaande worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de reeds genoemde brief van Stoever van 15 juni 1987, verzoeksters reeds bekend waren met de mening van de diensten van de Commissie over de gelijkstelling van de werkzaamheden van bepaalde tussenpersonen met die van een niet-erkende wederverkoper, inzonderheid over het begrip "met de wederverkoop overeenstemmende activiteit" in de zin van de mededeling van 12 december 1984. In punt 3, paragraaf 2, van deze brief was namelijk duidelijk gesteld dat "voor zover een tussenpersoon het bedrijfsrisico aanvaardt dat kenmerkend is voor een dienstverlenende onderneming, en niet het bedrijfsrisico dat bij de activiteit van aankoop en wederverkoop behoort, de activiteit van die tussenpersoon niet kan worden aangemerkt als een met de wederverkoop overeenstemmende activiteit in de zin van de mededeling (...)" In deze brief kwamen de diensten van de Commissie tot de conclusie dat Peugeot, evenals de ondernemingen die deel uitmaakten van haar distributienet, zich ervan moest onthouden om leveringen te weigeren of te doen weigeren aan tussenpersonen als Eco System, die naar behoren waren gevolmachtigd, met het verzoek aan Peugeot om via een circulaire de leden van haar distributienet in België en Luxemburg hiervan op de hoogte te stellen.
49 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters tegen de litigieuze beschikking geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel kunnen aanvoeren.
50 Verzoeksters betogen in de derde plaats dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 28 februari 1984, gevoegde zaken 228/82 en 229/82, Ford, reeds aangehaald, r.o. 19 en 22) de Commissie slechts voorlopige maatregelen kan vaststellen die passen binnen het kader van de eindbeschikking, en dat de Commissie derhalve niet gerechtigd is om een voorwaarde waarvan de verlening of handhaving van een ontheffing afhankelijk is, via een voorlopige beschikking om te zetten in een apart, voor tenuitvoerlegging vatbaar bevel, dat de betrokken onderneming geen enkele keuze laat. Dit zou de Commissie echter hebben gedaan bij het vaststellen van de litigieuze beschikking.
51 De Commissie herinnert eraan dat het arrest Ford vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 123/85 is gewezen en merkt op, dat de onderhavige situatie geheel verschilt van die welke tot het door verzoeksters aangevoerde arrest heeft geleid, omdat de voorlopige beschikking in het onderhavige geval precies past binnen het kader van de voorgenomen eindbeschikking. De eindbeschikking, zo betoogt de Commissie, houdt naast de vaststelling dat de circulaire inbreuk maakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, de intrekking voor de betrokken landen (België, Luxemburg en Frankrijk) in van de door verordening nr. 123/85 verleende vrijstelling, overeenkomstig de daartoe in artikel 10, punt 2, van deze verordening voorziene mogelijkheid.
52 Het BEUC betoogt dienaangaande, dat de onderling afgestemde feitelijke gedraging die de circulaire van 9 mei 1989 beoogt te verwezenlijken niet onder de door verordening nr. 123/85 verleende groepsvrijstelling valt en dat daarvoor evenmin een individuele vrijstelling is aangevraagd. Onder die omstandigheden zou de Commissie ermee kunnen volstaan, met betrekking tot deze feitelijke gedraging de inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vast te stellen, onafhankelijk van de eventuele intrekking van de groepsvrijstelling voor de standaard-exclusieve-afzetovereenkomst. Een voorlopige maatregel die de betrokken ondernemingen verplicht een inbreuk te beëindigen, ligt volgens het BEUC geheel binnen het kader van de eindbeschikking die kan worden vastgesteld.
53 De regering van het Verenigd Koninkrijk stelt, dat de genomen voorlopige maatregelen passen binnen het kader van elke eindbeschikking die de Commissie kan vaststellen en dat de onderhavige situatie geheel verschilt van die welke in de zaak Ford in aanmerking moest worden genomen.
54 Uit het arrest Ford (reeds aangehaald, r.o. 19) volgt dat "de voorlopige maatregelen (moeten) passen binnen het kader van de eindbeschikking die op grond van artikel 3 (van verordening nr. 17) kan worden vastgesteld". In deze zaak overwoog het Hof, dat de procedure ten principale betrekking had op de hoofddealerovereenkomst tussen Ford AG en haar dealers, zodat een gebod tot beëindiging van een weigering om te leveren die "volgens de Commissie niet in strijd ((was)) met artikel 85 noch met artikel 86 EEG-Verdrag", niet paste binnen het kader van een eventuele eindbeschikking die de Commissie krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kon vaststellen (r.o. 20 en 21 van het arrest).
55 In de litigieuze beschikking daarentegen beperkt de Commissie zich ertoe, in het kader van een procedure die zij krachtens artikel 3 van verordening nr. 17 had ingeleid om de door Peugeot aan haar dealers gerichte circulaire te toetsen aan artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag en meer in het bijzonder aan de bepalingen van verordening nr. 123/85, verzoeksters te gelasten de tenuitvoerlegging van deze circulaire binnen de door de beschikking getrokken grenzen op te schorten totdat een beschikking ten gronde zal zijn gegeven, dat wil zeggen om, gedeeltelijk en voorlopig, de vroegere situatie te herstellen voor wat betreft het aannemen van bestellingen en de levering van voertuigen aan Eco System, een tussenpersoon die in naam en voor rekening van haar opdrachtgevers handelt.
56 De onderhavige situatie verschilt van die waarover het Hof in de zaak Ford moest oordelen, doordat de litigieuze circulaire in casu het voorwerp is van de procedure ten principale. De eindbeschikking die de Commissie na afloop van de procedure moet geven, heeft namelijk betrekking op de vraag of deze circulaire al dan geen inbreuk maakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
57 Hieruit volgt dat de door de Commissie genomen conservatoire maatregelen passen binnen het kader van de door haar vast te stellen eindbeschikking en dat verzoeksters de Commissie derhalve ten onrechte verwijten dat zij, door middel van deze maatregelen, een voorwaarde waarvan de handhaving van een vrijstelling afhankelijk is, heeft omgezet in een apart, voor tenuitvoerlegging vatbaar bevel.
58 Ten slotte betogen verzoeksters dat de Commissie in casu niet bevoegd was voorlopige maatregelen te nemen, omdat de situatie rechtens onvoldoende duidelijk was en zij niet heeft aangetoond dat er hoogst waarschijnlijk sprake was van een inbreuk. Tot staving van hun stelling beroepen zij zich op de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn (bij het arrest van 28 februari 1984, Ford, reeds aangehaald, blz. 1164, inz. blz. 1168), alsmede op de door de president van het Gerecht gegeven beschikking in het kort geding in de onderhavige zaak (beschikking van 21 mei 1990, zaak T-23/90, Peugeot/Commissie, Jurispr. 1990, blz. II-195), volgens welke sommige vragen in deze zaak ernstige uitleggingsproblemen doen rijzen.
59 De Commissie verwijt verzoeksters, dat zij de bewoordingen van de beschikking van de president van het Gerecht uit hun context hebben gehaald. De stelling van verzoeksters zou erop neerkomen, dat het vereiste van de vaststelling van een inbreuk op het eerste gezicht in het kader van een beschikking tot het treffen van voorlopige maatregelen geheel wordt gelijkgesteld met het zekerheidsvereiste dat inherent is aan de eindbeschikking, hetgeen in strijd zou zijn met vaste rechtspraak van het Hof (beschikkingen van 16 januari 1975, zaak 3/75 R, Johnson & Firth Brown, Jurispr. 1975, blz. 6; 21 augustus 1981, zaak 232/81 R, Agricola Commerciale Olio, Jurispr. 1981, blz. 2199; 4 maart 1982, zaak 42/82 R, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1982, blz. 856, en 21 mei 1990, zaak T-23/90 R, Peugeot, reeds aangehaald). De Commissie concludeert hieruit, dat eventuele uitleggingsproblemen met betrekking tot het begrip met de wederverkoop overeenstemmende activiteit geenszins onverenigbaar zijn met de vaststelling van een inbreuk op het eerste gezicht, op grond waarvan voorlopige maatregelen met een beperkte strekking mogen worden gelast.
60 Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk bestaan er belangrijke aanwijzigingen, dat het gedrag van Peugeot tegen de mededingingsregels van het EEG-Verdrag indruist. De Commissie zou derhalve gerechtigd zijn geweest om te handelen zoals zij heeft gedaan in afwachting van de definitieve vaststelling van de feiten en van afdoende antwoorden op de gerezen rechtsvragen.
61 Dienaangaande zij opgemerkt dat, in het kader van een beroep betreffende de wettigheid van een beschikking waarbij de Commissie voorlopige maatregelen heeft vastgesteld, het vereiste van de vaststelling van een inbreuk op het eerste gezicht niet kan worden gelijkgesteld met het zekerheidsvereiste waaraan een eindbeschikking moet voldoen.
62 Zoals het Gerecht hiervoor in rechtsoverweging 37 heeft opgemerkt, overschrijdt de door Peugeot aan haar dealers verzonden circulaire op het eerste gezicht het kader van hetgeen op grond van verordening nr. 123/85, met name artikel 3, punt 11, is toegestaan, omdat zij eindgebruikers de mogelijkheid ontneemt voertuigen aan te schaffen via een derde die naar behoren schriftelijk is gevolmachtigd.
63 De Commissie heeft derhalve terecht geoordeeld, dat op het eerste gezicht ernstig moest worden betwijfeld of de litigieuze circulaire verenigbaar was met de mededingingsregels van het Verdrag, zodat zij gerechtigd was voorlopige maatregelen vast te stellen totdat een beschikking ten gronde zou zijn gegeven.
64 Uit het voorafgaande volgt, dat het door verzoeksters aangevoerde middel volgens hetwelk rechtens niet is aangetoond, dat er op het eerste gezicht sprake was van een inbreuk, ongegrond moet worden geacht.
B - Het middel inzake het gebrek aan motivering van de beschikking met betrekking tot het bewijs van spoedeisendheid en van ernstige en onherstelbare schade voor Eco System
65 Volgens verzoeksters heeft de Commissie niet het bewijs geleverd van spoedeisendheid en van ernstige en onherstelbare schade voor Eco System. Daartoe voeren zij in hoofdzaak twee argumenten aan.
66 In de eerste plaats zou de Commissie niet het bewijs hebben geleverd, dat Eco System op het punt stond haar faillissement aan te vragen, noch dat er een causaal verband bestond tussen die beweerde financiële situatie en de gewraakte circulaire van Peugeot. De door Eco System op 31 augustus 1989 vastgestelde jaarrekening zou juist een bedrijfssituatie weergeven die niet alleen normaal is, maar waar ook duidelijk vooruitgang in zit, waarmee dus het "flagrante" bewijs wordt geleverd dat Eco System niet bezig is ten onder te gaan. Bovendien, aldus verzoeksters, blijft Eco System in haar advertenties voertuigen van het merk Peugeot te koop aanbieden. Deze commerciële disponibiliteit en deze gunstige financiële situatie zouden duidelijk onverenigbaar zijn met het begrip spoedeisendheid waarop de gelaste voorlopige maatregelen zijn gebaseerd.
67 De Commissie betoogt dat zij weliswaar alleen voorlopige maatregelen kan nemen wanneer de spoedeisendheid daarvan vaststaat, maar betoogt dat die spoedeisendheid ook kan bestaan vanwege het gevaar dat een situatie ontstaat die ernstige en onherstelbare schade veroorzaakt (beschikkingen van het Hof van 17 januari 1980, Camera Care, reeds aangehaald, r.o. 19, en 29 september 1982, gevoegde zaken 229/82 en 228/82 R, Ford, Jurispr. 1982, blz. 3091, r.o. 13).
68 Met betrekking tot het bewijs van spoedeisendheid, aldus verweerster, volgt uit de bestreden beschikking, met name de punten 15 en 21, dat de omstandigheden waarop zij zich heeft gebaseerd om het spoedeisende karakter van een interventie vast te stellen, verband houden met de rechtstreekse en onweerlegbare invloed van de circulaire op de werkzaamheden van Eco System. Na de verspreiding van de litigieuze circulaire zou het aantal door Eco System uit België en Luxemburg ingevoerde voertuigen van het merk Peugeot met 93 % zijn gedaald. Bovendien zou in 1988 de invoer van voertuigen van het merk Peugeot 35,23 % van de werkzaamheden van Eco System hebben vertegenwoordigd, waarna dit getal zou zijn gedaald tot 5,36 % voor de periode tussen mei en december 1989.
69 Bovendien, aldus verweerster, is de omstandigheid dat Eco System na de verspreiding van de circulaire voertuigen van het merk Peugeot blijft aanbieden, irrelevant, omdat het normaal is dat Eco System, geconfronteerd met bevoorradingsproblemen die volgens haar voortvloeien uit een onwettig gedrag, transacties blijft bevorderen waarin zij optreedt als lasthebber die wordt beschermd door de bepalingen van het gemeenschapsrecht. Hetzelfde zou gelden voor de argumenten die verzoeksters ontlenen aan de resultaten van Eco System, voor zover deze resultaten betrekking hebben op het op 31 augustus 1989 afgesloten boekjaar en aangezien zowel uit het overzicht in punt 15 van de beschikking als uit die welke zijn opgenomen in het verweerschrift blijkt, dat de negatieve invloed van de circulaire zich vooral deed voelen vanaf juli 1989.
70 Eco System beperkt zich ertoe te stellen, dat de daling van de verkopen die zij na de verspreiding van de litigieuze circulaire heeft waargenomen, uiterst merkbaar is geweest: nadat haar omzet de eerste drie maanden tot de helft was teruggelopen, bleef hij afnemen tot een derde en vervolgens een vierde van de omzet die in dezelfde maand van het voorgaande jaar was behaald.
71 Het Verenigd Koninkrijk is van mening dat, ook indien Eco System zonder de vaststelling van voorlopige maatregelen kon overleven, het bijzonder twijfelachtig is of het achteraf toekennen van schadevergoeding de juiste compensatie kan vormen voor de schade die inmiddels aan haar werkzaamheden is toegebracht.
72 Het Gerecht merkt op dat, zoals blijkt uit de gegevens in punt 15 van de beschikking van de Commissie, die door partijen niet zijn bestreden, het aantal voertuigen van het merk Peugeot dat Eco System na de verspreiding van de litigieuze circulaire uit België en Luxemburg heeft ingevoerd, met 93 % is gedaald, terwijl de invoer van voertuigen van dat merk tot dan toe bijna een derde van de werkzaamheid van Eco System vertegenwoordigde. Een dergelijke situatie kan een gevaar opleveren voor het bestaan van deze onderneming, die zich beroofd ziet van een aanzienlijk deel van haar bronnen van inkomsten en, indien de situatie voortduurt, het risico loopt haar werkzaamheden te moeten beëindigen en daardoor ernstige en onherstelbare schade zou kunnen ondervinden. Dienaangaande kan het argument volgens hetwelk de op 31 augustus 1989 vastgestelde jaarrekening van Eco System resultaten laat zien die niet alleen normaal zijn, maar waar bovendien duidelijk vooruitgang in zit, niet worden aanvaard, omdat deze jaarrekening niet de gevolgen kan weergeven van de circulaire, die nog geen vier maanden daarvoor aan de dealers van het distributienet was gezonden.
73 In de tweede plaats stellen verzoeksters, dat de door de Commissie gelaste voorlopige maatregelen niet Eco System, maar Peugeot treffen, omdat zij onherstelbare ernstige wanorde in het distributienet scheppen en schade toebrengen aan het imago van het merk van de groep en aan de geloofwaardigheid van haar exclusieve distributienet, dat op die manier zijn waterdichtheid verliest. Door de beschikking van de Commissie zouden de rechten die de leden van het distributienet aan verordening nr. 123/85 ontlenen, tijdelijk worden opgeschort en bijgevolg het exclusieve distributienet van Peugeot van zijn bestaansrecht worden beroofd. Verzoeksters concluderen hieruit, dat de door hen geleden schade verder gaat dan de aanvaardbare gevolgen van een normale toepassing van de mededingingsregels van het EEG-Verdrag.
74 De Commissie antwoordt, dat de grief van verzoeksters volgens welke het Peugeot zou zijn die ernstige en onherstelbare schade ondervindt, één van de belangrijkste argumenten was in het kader van de procedure in kort geding en als zodanig reeds in de beschikking van de president van het Gerecht van 22 mei 1990 is verworpen. Bovendien, aldus de Commissie, vertegenwoordigt het aantal voertuigen dat door de door haar vastgestelde voorlopige maatregelen is getroffen, slechts 0,24 % van het totale aantal voertuigen van het merk Peugeot dat in 1988 in Frankrijk werd geregistreerd. Het evenwicht van de in het geding zijnde belangen zou de gegrondheid van de litigieuze beschikking derhalve bevestigen. Bovendien zou zij bij die belangenafweging ook rekening moeten houden met het belang van de Franse eindgebruikers die, overeenkomstig de aan artikel 85 EEG-Verdrag en verordening nr. 123/85 ten grondslag liggende beginselen, willen inkopen in andere Lid-Staten, en met het algemeen belang bij de instandhouding van een doeltreffende mededingingsstructuur zowel "binnen het merk" als "tussen de merken".
75 Het BEUC betwist dat Peugeot enige schade ondervindt. In de eerste plaats zouden de voorlopige maatregelen verzoeksters het recht geven, niet meer dan 1 211 voertuigen per jaar aan de klanten van Eco System te verkopen, ook indien deze op basis van een voorafgaande schriftelijke volmacht handelt. In de tweede plaats zou de activiteit van Eco System het distributienet van verzoeksters klanten bezorgen, niet alleen voor de verkoop van voertuigen van het merk Peugeot, maar ook voor onderhoud en klantenservice.
76 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de beschikking van de Commissie, door een jaarlijks transactiecontingent vast te stellen gelijk aan het aantal transacties dat Eco System in de twaalf maanden vóór de verzending van de litigieuze circulaire had gerealiseerd, zich in dit stadium van de procedure ertoe beperkt, uitsluitend ten voordele van Eco System en totdat de eindbeschikking is gegeven, een reeds bestaande situatie te herstellen waardoor ongeveer 0,24 % van het totale aantal verkopen van het distributienet van Peugeot in Frankrijk wordt geraakt en waardoor het functioneren van het exclusieve distributienet van Peugeot derhalve slechts minimaal wordt beïnvloed. Mitsdien kan niet worden gesteld, dat de door de Commissie vastgestelde voorlopige maatregelen verzoeksters ernstige en onherstelbare schade berokkenen doordat zij het imago van het merk Peugeot en de geloofwaardigheid van haar exclusieve distributienet voorgoed zouden aantasten.
77 Uit het voorafgaande volgt, dat het middel inzake het gebrek aan motivering met betrekking tot het bewijs van de spoedeisendheid en van ernstige en onherstelbare schade voor Eco System eveneens ongegrond is en dat het beroep derhalve moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
78 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat luidens artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot de inwerkingtreding van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (PB 1991, L 136, blz. 1), vastgesteld op 2 mei 1991, is ingevolge artikel 130 daarvan op 1 juli 1991 in werking getreden. Ofschoon artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht eveneens bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd, bepaalt artikel 87, lid 4, in afwijking van het Reglement voor de procesvoering van het Hof evenwel, dat de Lid-Staten en de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen. Aangezien het Verenigd Koninkrijk in deze zaak interveniënt is, dient te worden beslist welke procedureregels in het onderhavige geval toepasselijk zijn op de verdeling van de kosten.
79 Volgens artikel 73, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (artikel 91, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht) worden als invorderbare kosten aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijk kosten, in het bijzonder de reis- en verblijfkosten en het honorarium van de gemachtigde, de raadsman of de advocaat.
80 De regels betreffende de op de verdeling van de kosten toepasselijke criteria vallen ten dele onder het materiële recht, voor zover zij de belangen van partijen rechtstreeks raken. Op het moment van de inwerkingtreding van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht was de mondelinge behandeling in deze zaak reeds gesloten en was de zaak in beraad gebracht. In casu kan niet worden aanvaard, dat de ter zake geldende regels verschillen naar gelang de onzekere datum van de uitspraak van het arrest, nadat de gehele procedure is verlopen volgens het oude Reglement voor de procesvoering. Bijgevolg dienen de betrokken bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te worden toegepast.
81 Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij op grond van artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof hoofdelijk in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen de kosten van het kort geding en de kosten van interveniënten.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in de kosten, daaronder begrepen de kosten van het kort geding en de kosten van interveniënten.
Full & Egal Universal Law Academy