Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Bevordering - Beoordelingsvrijheid van administratie - Rechterlijke toetsing - Werkelijke vergelijking van verdiensten
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
2. Ambtenaren - Bevordering - Klacht van niet bevorderde kandidaat - Afwijzend besluit - Motivering - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 45 en 90, lid 2)
3. Ambtenaren - Bevordering - Vergelijking van verdiensten - Inschakeling van niet door Statuut voorgeschreven raadgevende instantie - Verplichting van administratie om gegeven advies in aanmerking te nemen
(Ambtenarenstatuut, art. 45)
Samenvatting
1. Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft bij de beoordeling van het dienstbelang en van de verdiensten waarmee in het kader van een besluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, een grote beoordelingsvrijheid en de controle door de gemeenschapsrechter op dit gebied moet zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar oordeel heeft kunnen komen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet op kennelijk onjuiste wijze van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
De uitoefening van de beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag veronderstelt echter een nauwgezette studie van de sollicitatiedossiers. Waar er echter een reeks voldoende overeenstemmende aanwijzingen is die de stelling dat van een werkelijk vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de sollicitanten geen sprake is geweest, ondersteunen, dient de verwerende instelling aan de hand van voor rechterlijke toetsing vatbare objectieve feiten en omstandigheden aan te tonen, dat zij de waarborgen die artikel 45 van het Statuut biedt aan de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, heeft geëerbiedigd en een dergelijk vergelijkend onderzoek heeft verricht.
2. Ook al behoeft het tot aanstelling bevoegd gezag bevorderingsbesluiten jegens de niet-bevorderde kandidaten niet te motiveren, het is ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut wel verplicht een besluit tot afwijzing van een klacht waarbij een bevordering wordt betwist, te motiveren. Daar echter bevorderingen volgens artikel 45 van het Statuut geschieden "bij keuze", kan de motivering slechts betrekking hebben op het bestaan van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van de bevordering afhankelijk stelt. Dit betekent niet, dat de betrokken instelling gedetailleerd moet uiteenzetten op welke wijze zij gekomen is tot haar oordeel, dat de aangestelde kandidaat voldeed aan de voorwaarden van de kennisgeving van vacature.
3. Wanneer een instelling een niet in het Statuut voorgeschreven raadgevend comité opricht ten einde haar bij aanstellingen op bepaalde posten te adviseren over de kwalificaties en de geschiktheid van de kandidaten, gelet op de gestelde voorwaarden, is deze maatregel bedoeld om ervoor te zorgen, dat de instelling als tot aanstelling bevoegd gezag een betere basis heeft voor het bij artikel 45 van het Statuut vereiste vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de kandidaten.
Dit betekent, dat een door een paritair bevorderingscomité uitgebracht advies een van de elementen dient te zijn waarop het tot aanstelling bevoegd gezag zijn eigen beoordeling van de kandidaten moet baseren, ook al meent het hiervan te moeten afwijken.
Partijen
In zaak T-25/90,
R. Schoenherr, ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door M. Slusny en O. Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, Avenue Thérèse 4,
verzoeker,
tegen
Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur D. Brueggeman, vervolgens door M. Bermejo Garde als gemachtigde, bijgestaan door J.-F. Bellis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van besluit nr. 259/89 A van de voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité van 1 augustus 1989 houdende aanstelling van G. Di Carlo in een ambt van hoofdvertaler,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, H. Kirschner en J. Biancarelli, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 12 juli 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC"), werd op 15 mei 1979 aangeworven als hulpfunctionaris. Per 1 mei 1980 werd hij tijdelijk functionaris. Op 1 februari 1981 werd hij aangesteld als ambtenaar op proef en op 1 november 1981 als ambtenaar in de rang LA 7. Op 1 oktober 1984 werd verzoeker bevorderd tot de rang LA 6.
2 Op 25 mei 1989 publiceerde het ESC kennisgeving van vacature nr. 10/89 betreffende een ambt van hoofdvertaler (LA 5/4) bij het directoraat-generaal, directie E, "Vertaling, afdeling Duits". In aansluiting op de publikatie van deze kennisgeving van vacature werden drie sollicitaties ingediend, waaronder die van verzoeker.
3 Op 12 juni 1989 gaf het paritair bevorderingscomité een advies over de bevorderingen in een hogere loopbaan voor de begrotingsjaren 1988 en 1989. In dat advies stelde het met algemene stemmen voor, Thomson te bevorderen en, met meerderheid van stemmen en in deze volgorde, Schoenherr en Vingborg (ex aequo) alsmede Anastassiadis en Weiler (ex aequo).
4 Op 28 juni 1989 zond de secretaris-generaal van het ESC aan de directeur van directie E, L. Vermeylen, een nota betreffende de voorziening in vacature nr. 10/89, onder vermelding van de ambtenaren die een verzoek om bevordering hadden ingediend. Hij verzocht Vermeylen hem te laten weten, welke van deze ambtenaren in de vacature kon worden aangesteld.
5 Bij nota van 7 juli 1989 liet Vermeylen de secretaris- generaal van het ESC weten, dat hij G. Di Carlo aanbeval en dat zijn mening door de betrokken rechtstreekse meerdere werd gedeeld.
6 Op 1 augustus 1989 vulde de secretaris-generaal van het ESC in het vakje dat onderaan de nota van 28 juni 1989 was gereserveerd voor het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag over de voorziening in de vacature, de naam Di Carlo in en zette hij hieronder zijn handtekening. Op dezelfde dag werd Di Carlo bij besluit nr. 259/89 A van de voorzitter van het ESC met ingang van 1 juli 1989 bevorderd tot de rang LA 5. Eveneens bij brief van diezelfde dag liet de voorzitter van het ESC verzoeker weten, dat zijn sollicitatie niet in aanmerking was genomen.
7 Bij brief van 26 oktober 1989 aan de secretaris-generaal van het ESC diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in tegen genoemd besluit nr. 259/89 A van de voorzitter van het ESC. Bij nota van 12 februari 1990, door verzoeker ontvangen op 15 februari daaraanvolgend, wees de secretaris-generaal van het ESC die klacht af.
Het procesverloop
8 Bij op 8 mei 1990 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
9 De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad.
10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten de mondelinge behandeling te openen. Voorts heeft het verweerder verzocht enkele stukken over te leggen, waaronder het gehele dossier op de grondslag waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit had genomen. In antwoord op dit verzoek heeft het ESC de nota overgelegd die op 28 juni 1989 door de secretaris-generaal van het ESC aan de directeur van directie E was gezonden. Het Gerecht heeft het ESC eveneens verzocht, schriftelijk te antwoorden op enkele vragen over de mogelijke invloed van de nota van 7 juli 1989 van de directeur van directie E aan de secretaris-generaal van het ESC.
11 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 12 juli 1991. Zij is aan het einde van de terechtzitting door de president gesloten verklaard.
Conclusies van partijen
12 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) nietig te verklaren de aanstelling van Di Carlo in het ambt van hoofdvertaler, bedoeld in besluit nr. 259/89 A van de voorzitter van het ESC;
subsidiair:
2) overlegging door de wederpartij te gelasten van:
a) de nota van de directeur van directie E van 14 maart 1989 betreffende de naar aanleiding van kennisgeving van vacature nr. 4/89 ingediende sollicitaties;
b) het advies van het paritair bevorderingscomité van 12 juni 1989;
c) alle stukken en met name het reglement van het paritair bevorderingscomité, die op algemene wijze tot grondslag en rechtvaardiging hebben gediend voor het advies van het paritair bevorderingscomité van 12 juni 1989;
d) de nota van de directeur van directie E aan de secretaris-generaal van 7 juli 1989;
3) verweerder te verwijzen in de kosten van het geding.
13 In zijn memorie van repliek heeft verzoeker het Gerecht verzocht, verweerder voorts om overlegging te vragen van het dossier van het bevorderingscomité over de kennisgeving van vacature nr. 10/89 en in het bijzonder de notulen van dit comité.
14 Het ESC concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep te verwerpen;
2) te beslissen over de kosten naar recht.
15 Verzoeker heeft tot staving van de conclusies van zijn verzoekschrift zeven middelen aangevoerd. Het eerste middel is ontleend aan het feit dat het besluit van 12 februari 1990 houdende afwijzing van zijn klacht, niet afkomstig is van het tot aanstelling bevoegd gezag. In zijn tweede middel betoogt verzoeker, dat het tot aanstelling bevoegd gezag geen rekening heeft gehouden met het advies van het paritair bevorderingscomité. Het derde middel houdt in, dat de directeur van directie E de secretaris-generaal van het ESC op 7 juli 1989 een nota heeft gezonden waarin hij de aanstelling van Di Carlo aanbeval, zonder dat deze nota ter kennis is gebracht van het paritair bevorderingscomité, zodat dit geen gelegenheid heeft gehad zich over deze aanbeveling uit te laten. Het vierde middel houdt in, dat de juistheid van de verklaring van de directeur van directie E in deze nota, dat diens mening werd gedeeld door de rechtstreekse meerdere van verzoeker, niet is bewezen en dat deze verklaring bovendien het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag op beslissende wijze heeft kunnen beïnvloeden. In het vijfde middel wijst verzoeker op een tegenstrijdigheid tussen de verwijzing in genoemde nota van 7 juli 1989 naar de gelijkluidende mening van zijn rechtstreekse meerdere enerzijds en wat deze laatste hemzelf zou hebben gezegd anderzijds. In het zesde middel stelt verzoeker, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de verdiensten van de ambtenaren die zich kandidaat hadden gesteld, onderling niet heeft vergeleken. In het zevende middel ten slotte stelt hij, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet heeft nagegaan of de kandidaten de in de kennisgeving van vacature nr. 10/89 vereiste kwalificaties bezaten.
Ten gronde
Het tweede, het zesde en het zevende middel en de motivering van het bestreden besluit
16 Verzoeker stelt in zijn tweede middel, dat het tot aanstelling bevoegd gezag geen rekening heeft gehouden met het advies van het paritair bevorderingscomité van 12 juni 1989, waarin dit met algemene stemmen had voorgesteld Thomson te bevorderen en, met meerderheid van stemmen en in deze volgorde, Schoenherr en Vingborg (ex aequo) alsmede Anastassiadis en Weiler (ex aequo). In zijn zesde middel betoogt verzoeker, dat het ESC artikel 45 van het Statuut niet in acht heeft genomen. Het is niet bewezen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de ambtenaren heeft verricht: hij is ouder en heeft een groter aantal dienstjaren en een hogere rang dan Di Carlo; hij vertaalt uit vier talen in het Duits, heeft een bankopleiding en een staatsdiploma voor tolk en gekwalificeerd vertaler en heeft een volledige studie economie aan de Universiteit van Keulen verricht. In zijn zevende middel betoogt verzoeker dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet heeft nagegaan, of de kandidaten de in de kennisgeving van vacature nr. 10/89 vereiste kwalificaties bezaten.
17 In antwoord op verzoekers tweede middel merkt het ESC op, dat het Statuut niet verplicht tot invoering van een raadplegingsprocedure met betrekking tot bevorderingen. Het besluit om een dergelijke procedure in te voeren, is facultatief. Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag het advies van het paritair bevorderingscomité niet wenst op te volgen, is het niet verplicht bevorderingsbesluiten specifiek te motiveren; dergelijke besluiten behoeven niet te worden gemotiveerd, evenmin als besluiten betreffende de tewerkstelling van een ambtenaar in een nieuw ambt. Het ESC wijst erop, dat het tot aanstelling bevoegd gezag dienaangaande over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Wat het zesde middel betreft, aldus het ESC, heeft verzoeker geen enkel bewijs voor zijn stelling aangevoerd. Bovendien heeft het tot aanstelling bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid bij de afweging van de bekwaamheden van de kandidaten. Met betrekking tot het zevende middel voert verzoeker volgens het ESC geen feiten of omstandigheden aan die dit middel kunnen staven.
18 Het Gerecht merkt op, dat deze drie middelen in wezen zijn ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut, zodat het wenselijk lijkt ze te zamen te behandelen, en wel in samenhang met de motivering van het bestreden besluit. Het Gerecht dient immers ambtshalve te onderzoeken, of het ESC heeft voldaan aan zijn verplichting zijn besluit met redenen te omkleden (zie arrest Gerecht van 20 september 1990, zaak T-37/89, Hanning, Jurispr. 1990, blz. II-463, r.o. 38).
19 Volgens artikel 45, lid 1, van het Statuut geschiedt bevordering uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.
20 Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft bij de beoordeling van het dienstbelang en van de verdiensten waarmee in het kader van een besluit als bedoeld in artikel 45 van het Statuut rekening moet worden gehouden, een grote beoordelingsvrijheid en de controle door de gemeenschapsrechter op dit gebied moet zich beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wijze waarop zij tot haar oordeel heeft kunnen komen, binnen redelijke grenzen is gebleven en niet op kennelijk onjuiste wijze van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt (zie met name arrest Hof van 3 december 1981, zaak 280/80, Bakke-d' Aloya, Jurispr. 1981, blz. 2887, r.o. 10).
21 Ook al behoeft het tot aanstelling bevoegd gezag volgens de bewoordingen van artikel 45 van het Statuut bevorderingsbesluiten niet te motiveren, met name niet jegens de niet-bevorderde kandidaten (zie onder meer arresten Hof van 13 juli 1972, zaak 90/71, Bernardi, Jurispr. 1972, blz. 603; 30 oktober 1974, zaak 188/73, Grassi, Jurispr. 1974, blz. 1099; 12 februari 1987, zaak 233/85, Bonino, Jurispr. 1987, blz. 739, en 16 december 1987, zaak 111/86, Delauche, Jurispr. 1987, blz. 5345), het is ingevolge artikel 90, lid 2, van het Statuut wel verplicht een besluit tot afwijzing van een klacht waarbij een bevordering wordt betwist, te motiveren. Daar echter bevorderingen volgens artikel 45 van het Statuut geschieden "bij keuze", kan de motivering slechts betrekking hebben op het bestaan van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van de bevordering afhankelijk stelt. Dit betekent niet, dat de betrokken instelling gedetailleerd moet uiteenzetten op welke wijze zij gekomen is tot haar oordeel, dat de aangestelde kandidaat voldeed aan de voorwaarden van de kennisgeving van vacature (zie onder meer de arresten van het Hof van 30 oktober 1974, zaak 188/73, Grassi, reeds aangehaald, r.o. 13 en 14, en 17 december 1981, zaak 151/80, De Hoe, Jurispr. 1981, blz. 3161).
22 Deze verplichting om althans in het stadium van het besluit tot afwijzing van de klacht een bestreden bevorderingsbesluit te motiveren, heeft tot doel de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het bevorderingsbesluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist. De motiveringsplicht vormt derhalve een fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht, waarvan slechts om dwingende redenen kan worden afgeweken (zie laatstelijk het arrest van het Gerecht van 20 maart 1991, zaak T-1/90, Pérez-Mínguez Casariego, Jurispr. 1991, blz. II-143, r.o. 73, en arrest Hof van 21 november 1991, zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469).
23 In casu stelt het Gerecht vast, dat in de brief van 1 augustus 1989, waarin de voorzitter van het ESC verzoeker liet weten dat zijn sollicitatie niet in aanmerking kon worden genomen, geen enkele motivering wordt gegeven, terwijl de nota van 12 februari 1990, waarbij de secretaris-generaal van het ESC verzoekers klacht afwees, slechts de algemene opmerking bevatte dat alle sollicitaties, waaronder die van verzoeker, die naar aanleiding van de publikatie van de kennisgeving van vacature nr. 10/89 waren binnengekomen, overeenkomstig artikel 45 van het Statuut grondig met elkaar waren vergeleken, en dat het tot aanstelling bevoegd gezag daarop had besloten geen gevolg te geven aan het niet bindend advies van het paritair bevorderingscomité, en de voorkeur had gegeven aan een collega van verzoeker, die het meest verdienstelijk werd geacht om naar het vacante ambt te worden bevorderd. Deze nota geeft dus evenmin een motivering ten aanzien van verzoeker.
24 Ter terechtzitting ondervraagd over de wijze waarop het vergelijkend onderzoek van de verdiensten der voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren en van de over hen uitgebrachte beoordelingsrapporten was verlopen, heeft de vertegenwoordiger van het ESC verklaard, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit had gebaseerd op alle elementen waarover de administratie beschikte, daaronder begrepen de beoordelingsrapporten van de kandidaten, en dat het Vermeylen had verzocht om een vergelijkende analyse van de beoordelingsrapporten van de kandidaten. Vermeylen had de secretaris-generaal echter enkel zijn conclusies meegedeeld, zonder een gedetailleerde, diepgaande en vergelijkende analyse van de beoordelingsrapporten te verrichten. Deze rapporten waren dus de enige schriftelijke stukken in het dossier, waarop het tot aanstelling bevoegd gezag zich kon baseren. De vertegenwoordiger van het ESC heeft beklemtoond, dat het ESC een kleine instelling is, waar het tot aanstelling bevoegd gezag uit één persoon bestaat, die zijn besluiten zonder onnodige formaliteiten kan nemen. Voorts heeft hij erop gewezen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, alvorens zijn besluit te nemen, adviezen had ingewonnen, verscheidene gesprekken had gevoerd en de bevoegde directeur had geraadpleegd.
25 Er zij aan herinnerd dat, ofschoon het tot aanstelling bevoegd gezag met betrekking tot bevorderingen een ruime beoordelingsvrijheid heeft, de uitoefening van deze vrijheid een nauwgezette studie veronderstelt van de dossiers die bij het vergelijkend onderzoek moeten worden betrokken. Waar er echter een reeks voldoende overeenstemmende aanwijzingen is die verzoekers stelling dat van een werkelijk vergelijkend onderzoek van de sollicitaties geen sprake is geweest, ondersteunen, dient de verwerende instelling aan de hand van voor rechterlijke toetsing vatbare objectieve feiten en omstandigheden aan te tonen, dat zij de waarborgen die artikel 45 van het Statuut biedt aan de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, heeft geëerbiedigd en een dergelijk vergelijkend onderzoek heeft verricht.
26 Het Gerecht is van oordeel, dat noch de door verweerder verstrekte feitelijke preciseringen noch de enkele en zuiver abstract geformuleerde, door geen enkel processtuk ondersteunde verklaring, dat het tot aanstelling bevoegd gezag op basis van het dossier betreffende kennisgeving van vacature nr. 10/89 in staat was de verdiensten van de kandidaten onderling te vergelijken en dat deze vergelijking metterdaad heeft plaatsgevonden, volstaan voor het bewijs dat het tot aanstelling bevoegd gezag in casu inderdaad tot een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de kandidaten is overgegaan.
27 Met betrekking tot de lijst die het paritair bevorderingscomité op 12 juni 1989 heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van besluit nr. 2903/81 A van het ESC van 1 december 1981 tot vaststelling van de samenstelling en de bevoegdheden van het bevorderingscomité, herinnert het Gerecht eraan, dat, in de eerste plaats, artikel 5 van dit besluit verlangt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag tot bevordering overgaat na kennisneming van deze lijst, en dat, in de tweede plaats, wanneer een instelling een niet in het Statuut voorgeschreven raadgevend comité opricht ten einde haar bij aanstellingen op bepaalde posten te adviseren over de kwalificaties en de geschiktheid van de kandidaten, gelet op de gestelde voorwaarden, deze maatregel bedoeld is om ervoor te zorgen, dat de instelling als tot aanstelling bevoegd gezag een betere basis heeft voor het bij artikel 45 van het Statuut vereiste vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de kandidaten (zie het arrest van het Hof van 9 juli 1987, gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Hochbaum en Rawes, Jurispr. 1987, blz. 3259, r.o. 16).
28 Dit betekent, dat een door het bevorderingscomité opgestelde lijst een van de elementen dient te zijn waarop de instelling haar eigen beoordeling van de kandidaten baseert, en dat het tot aanstelling bevoegd gezag in casu verplicht was rekening te houden met de door het bevorderingscomité opgestelde lijst, ook al was het van oordeel hiervan te moeten afwijken. Raadpleging van deze lijst was bovendien van bijzonder belang, waar het comité in zijn advies met algemene stemmen had voorgesteld Thomson te bevorderen en, met meerderheid van stemmen en in deze volgorde, Schoenherr en Vingborg (ex aequo) alsmede Anastassiadis en Weiler (ex aequo).
29 Het Gerecht stelt vast, dat noch besluit nr. 259/89 A van de voorzitter van het ESC houdende bevordering van Di Carlo, noch diens brief waarin hij verzoeker meedeelt dat zijn sollicitatie niet in aanmerking kon worden genomen, noch ook de nota van 12 februari 1990 van de secretaris-generaal van het ESC, waarbij de klacht van verzoeker werd afgewezen, vermeldt dat het advies van het paritair bevorderingscomité in aanmerking was genomen. Voorts laat het op verzoek van het Gerecht overgelegde dossier niet de vaststelling toe, dat het tot aanstelling bevoegd gezag heeft voldaan aan zijn verplichting met dit advies rekening te houden. Bijgevolg kan het Gerecht niet anders dan tot het oordeel komen, dat niet is komen vast te staan dat genoemd advies in aanmerking is genomen, en dat het bestreden besluit elke motivering ontbeert, ofschoon een dergelijke motivering in het onderhavige geval, waarin het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gemeend volledig te moeten afwijken van de voorstellen in het advies van het paritair comité, bijzonder noodzakelijk was geweest.
30 Bovendien heeft het ESC, zoals zijn vertegenwoordiger ter terechtzitting heeft erkend, het dossier op basis waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag het bestreden besluit heeft genomen, niet overgelegd, ofschoon het Gerecht daarom uitdrukkelijk had verzocht. Door niet aan dit verzoek te voldoen en aldus het Gerecht te verhinderen zijn toezicht op de wettigheid van het bestreden besluit ten volle uit te oefenen, heeft het ESC inbreuk gemaakt op een verplichting die het tegenover de communautaire rechter heeft.
31 In een situatie waarin verzoeker nauwkeurige en goed onderbouwde stellingen heeft voorgedragen; waarin de instelling niet heeft voldaan aan haar verplichting het dossier over te leggen op basis waarvan zij haar besluit heeft genomen; waarin de rechter niet kan beoordelen of het inderdaad het tot aanstelling bevoegd gezag, dat wil zeggen de voorzitter, was die zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend, dan wel, naar uit de processtukken blijkt, een onbevoegd gezag, de secretaris-generaal van het ESC, die zo te zien de bestreden aanstelling heeft verricht; en waarin verzoeker in antwoord op zijn klacht geen enkel gemotiveerd besluit heeft ontvangen, volgt uit het voorgaande dat het bestreden besluit moet worden nietigverklaard, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de andere door verzoeker tot staving van zijn beroep aangevoerde middelen of dat de door hem gevraagde maatregelen van instructie behoeven te worden gelast.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar het ESC in het ongelijk is gesteld, dient het te worden verwezen in de kosten.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig besluit nr. 259/89 A van de voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité van 1 augustus 1989 tot aanstelling van G. Di Carlo in het ambt van hoofdvertaler in aansluiting op kennisgeving van vacature nr. 10/89.
2) Verwijst het Economisch en Sociaal Comité in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy