Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Arrest houdende nietigverklaring ° Draagwijdte van nietigverklaring ° Vaststelling aan hand van motivering die naar eerder arrest verwijst ° Nietigverklaring van artikelen 5 en 17 van beschikking nr. 194/88/EGKS
(EGKS-Verdrag, art. 33; algemene beschikking nr. 194/88, art. 5 en 17)
2. Exceptie van onwettigheid ° Handelingen ten aanzien waarvan exceptie van onwettigheid mogelijk is ° Individuele beschikkingen ° Daarvan uitgesloten
(EGKS-Verdrag, art. 36, derde alinea)
3. EGKS ° Produktie ° Stelsel van produktie- en leveringsquota voor staal ° Overschrijding van quota ° Boete ° Geen verplichting van Commissie tot compensatie met nadeel geleden door nietig verklaarde onrechtmatige bepalingen
(EGKS-Verdrag, art. 34 en 58)
4. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Doel ° Draagwijdte ° Individuele beschikkingen
5. EGKS ° Produktie ° Stelsel van produktie- en leveringsquota voor staal ° Overschrijding van quota ° Anticipatie op quota van volgend kwartaal ° Voorwaarden ° Compensatie van overschrijding door niet-uitputting van quota in loop van daaropvolgend kwartaal ° Beginsel van gelijke behandeling van producenten
(EGKS-Verdrag, art. 4, sub b, en 58; algemene beschikking nr. 194/88, art. 11, lid 3, sub e)
6. EGKS ° Produktie ° Stelsel van produktie- en leveringsquota voor staal ° Geleidelijke beëindiging van stelsel ° Weigering anticipatie van quota toe te staan ° Weigering passend in eerder beleid van Commissie ° Bescherming van gewettigd vertrouwen ° Geen schending
(Algemene beschikking nr. 194/88)
7. EGKS ° Beschikking houdende oplegging van boete of vaststelling van dwangsom ° Administratieve procedure ° Verplichting van Commissie belanghebbende in staat te stellen opmerkingen te maken ° Draagwijdte
(EGKS-Verdrag, art. 36, eerste alinea)
8. EGKS ° Produktie ° Stelsel van produktie- en leveringsquota voor staal ° Overschrijding van quota ° Boete ° Aanzienlijk verlaagde boete opgelegd aan onderneming die bovendien van onwettige beschikkingen heeft geprofiteerd ° Gelijke behandeling van producenten ° Verlaging ° Uitgesloten
(EGKS-Verdrag, art. 36, tweede alinea; algemene beschikking nr. 194/88)
Samenvatting
1. Voor het bepalen van de draagwijdte van het arrest van het Hof, waarbij de artikelen 5 en 17 van beschikking nr. 194/88 tot verlenging van het stelsel van toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie nietig zijn verklaard, moet te rade worden gegaan met de motivering van het arrest. De enige motivering wordt gevormd door een verwijzing naar een eerder arrest, waarbij bepalingen met identieke inhoud nietig waren verklaard voor zover op grond van de gehanteerde referentiehoeveelheden geen leveringsquota konden worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk achtte voor ondernemingen waarvan de verhouding tussen het produktiequotum en het leveringsquotum aanmerkelijk lager was dan het communautaire gemiddelde. Derhalve moet met dat arrest te rade worden gegaan, zelfs indien het dictum ervan in het latere arrest niet in zijn geheel wordt herhaald. Laatstgenoemd arrest bevat immers in vergelijking met het eerste arrest geen enkel nader motief dat een ruimere nietigverklaring van de betrokken bepalingen zou kunnen rechtvaardigen, zodat het de in geding zijnde bepalingen slechts op dezelfde wijze nietig kon verklaren als het eerste arrest de bepalingen van identieke inhoud nietig had verklaard.
Mitsdien heeft het Hof artikel 5 van beschikking nr. 194/88 niet nietig verklaard voor zover het de rechtsgrondslag vormt voor de bevoegdheid van de Commissie om de quota van de ondernemingen vast te stellen, maar enkel voor zover op grond van de daarin voor de vaststelling van deze quota gehanteerde referentiehoeveelheden geen leveringsquota kunnen worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk acht voor ondernemingen waarvan de relatie tussen het gedeelte van de produktiequota dat op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd en de produktiequota, aanmerkelijk lager is dan het communautaire gemiddelde.
2. Een verzoeker kan zich in een beroep tot nietigverklaring van een individuele beschikking niet ten exceptieve beroepen op de onwettigheid van andere individuele beschikkingen die tot hem gericht waren en die door het verstrijken van de voor nietigverklaring gestelde termijn definitief zijn geworden.
3. In het EGKS-Verdrag zijn afzonderlijke procedures voorzien voor enerzijds de vergoeding van onmiddellijk en bijzonder nadeel dat een onderneming heeft geleden van een door het Hof nietig verklaarde beschikking waaraan naar het oordeel van het Hof een fout kleeft van zodanige aard dat zij een aansprakelijkheid voor de Gemeenschap meebrengt, en anderzijds voor het opleggen van sancties ingeval ondernemingen krachtens het quotastelsel gegeven beschikkingen overtreden. Uit het verschil in karakter tussen deze twee procedures en uit de autonomie die in de eerste procedure aan de Commissie wordt gelaten ten aanzien van de wijze waarop zij de maatregelen moet nemen die de tenuitvoerlegging van de arresten houdende nietigverklaring met zich brengt, volgt dat de rechter de Commissie niet in het kader van de tweede procedure kan voorschrijven, op welke wijze zij de maatregelen moet nemen die de tenuitvoerlegging van een arrest houdende nietigverklaring met zich brengt, en dat de Commissie niet tot een compensatie van het geleden nadeel met een overschrijding van de quota verplicht is.
4. De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de rechter in staat te stellen de wettigheid van die beschikking te toetsen en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist. De omvang van de verplichting is afhankelijk van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waarin zij is vastgesteld.
5. Artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88 moet worden uitgelegd in de context van deze bepaling en in het bijzonder met inachtneming van het doel van het stelsel van quota voor de produktie en levering van staal, dat is ingevoerd krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag, namelijk de produktieverminderingen die nodig zijn om het evenwicht tussen vraag en aanbod van de betrokken produkten te herstellen, op billijke wijze te verdelen over de producenten. Aldus beoogt artikel 11 van deze beschikking het quotastelsel enigszins te versoepelen door specifieke overschrijdingen van de quota toe te staan voor bepaalde categorieën van produkten of voor bepaalde perioden, mits deze overschrijdingen worden gecompenseerd doordat een quotum voor een bepaalde categorie van produkten of gedurende een bepaalde periode niet wordt uitgeput.
Dit is de context van artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88, dat de Commissie de mogelijkheid geeft om op de quota vooruit te lopen. Voor de toepassing van deze bepaling is het dan ook noodzakelijk, dat de overschrijding van de quota gedurende een kwartaal kan worden gecompenseerd door de niet-uitputting van de quota tijdens het daaropvolgende kwartaal. Anders zou uiteindelijk het beginsel van de gelijkheid van de producenten met betrekking tot de crisis worden geschonden, welk beginsel voortvloeit uit de algemene opzet van artikel 58 EGKS-Verdrag, met name waar lid 2 daarvan verwijst naar de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag, in het bijzonder naar artikel 4, sub b, dat maatregelen verbiedt die een discriminatie tussen producenten inhouden.
6. Aangezien de Commissie in de considerans van beschikking nr. 194/88 had verklaard, dat zij dit stelsel voor enkele produkten nog twee kwartalen zou handhaven, maar met de kanttekening dat de quota in het tweede kwartaal zouden worden verruimd ter voorbereiding van de liberalisatie van de markt, kunnen de betrokken ondernemers niet stellen dat zij door het einde van het stelsel van quota voor de produktie en levering van staal werden verrast.
Met betrekking tot de rechtsgevolgen van het einde van het quotastelsel moet worden vastgesteld, dat de beslissing van de Commissie om anticipaties van de quota, waarom was verzocht voor het laatste kwartaal waarin het stelsel van toepassing was, te weigeren, voor de ondernemers geen breuk betekent met het tot dan toe door haar gevoerde beleid.
7. Artikel 36, eerste alinea, EGKS-Verdrag, moet aldus worden uitgelegd, dat in het kader van een administratieve procedure die kan leiden tot de oplegging van een boete, de eerbiediging van de rechten van de verdediging is gewaarborgd wanneer aan de belanghebbende de mogelijkheid is gegeven, tijdens formele en informele vergaderingen zijn opmerkingen te maken over de gestelde overschrijding van quota en de berekening daarvan, al zou het beter zijn geweest om hem alle berekeningen formeel ter inzage te geven, voor zover deze in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de vastgestelde overschrijding van de quota.
8. In een situatie waarin een ondernemer van de onwettigheid van een bepaling van een algemene beschikking betreffende het stelsel van quota voor de produktie en levering van staal reeds een voordeel heeft genoten dat groter is dan de schade die hij heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van een andere bepaling van dezelfde beschikking, en dat in strijd is met een billijke verdeling van de last van de crisis over de ondernemingen, kan de rechter niet op grond van zijn volledige rechtsmacht de wegens overschrijding van de quota opgelegde boete verlagen, zeker niet wanneer de opgelegde boete veel lager is dan het in beschikking nr. 194/88 algemeen voorziene bedrag.
Partijen
In zaak T-26/90,
Società finanziaria siderurgica Finsider SpA, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Rome, vertegenwoordigd door G. Greco, advocaat bij de Italiaanse Corte di cassazione, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van N. Schaeffer, advocaat aldaar, Avenue de la Porte-Neuve 21,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Campogrande als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 21 maart 1990 waarbij zij verzoekster krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag een boete heeft opgelegd wegens overschrijding van quota,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: H. Kirschner, kamerpresident, R. García-Valdecasas en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 december 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 Het stelsel van toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie werd op 1 oktober 1980 krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag ingevoerd bij beschikking nr. 2794/80/EGKS van de Commissie van 31 oktober 1980 (PB 1980, L 291, blz. 1). Het werd voor de jaren 1986 en 1987 verlengd bij beschikking nr. 3485/85/EGKS van de Commissie van 27 november 1985 (PB 1985, L 340, blz. 5, hierna: "beschikking nr. 3485/85") en voor de eerste zes maanden van 1988 bij beschikking nr. 194/88/EGKS van de Commissie van 6 januari 1988 (PB 1988, L 25, blz. 1, hierna: "beschikking nr. 194/88"). Zowel artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 als artikel 5 van beschikking nr. 194/88 droeg de Commissie op, elk kwartaal voor elke onderneming de produktiequota vast te stellen, alsmede het gedeelte ervan dat op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd. Artikel 11, lid 3, sub e, van beide beschikkingen bepaalde, dat de Commissie de ondernemingen onder bepaalde voorwaarden kon toestaan op de quota van het volgende kwartaal vooruit te lopen (hierna: "anticipatie").
2 Blijkens de considerans van beschikking nr. 194/88 achtte de Commissie het voor de produkten van de categorieën Ia en Ib in de toenmalige omstandigheden noodzakelijk, na 30 juni 1988 de markt te liberaliseren.
3 Voorts verleende beschikking nr. 1433/87/EGKS van de Commissie van 20 mei 1987 (PB 1987, L 136, blz. 37, hierna "beschikking nr. 1433/87"), gegeven ter uitvoering van artikel 18 van beschikking nr. 3485/85, de ondernemingen toestemming om voor elk kwartaal onder bepaalde voorwaarden en voor een bepaalde categorie van produkten de I:P-relatie aan te passen, dat wil zeggen de verhouding tussen het deel van de produktiequota, bestemd om te worden afgezet op de gemeenschappelijke markt (hierna: "leveringsquota"), en de produktiequota, door omzetting van een deel van de produktiequota in leveringsquota in een verhouding van 1 : 0,85. Deze aanpassingsmogelijkheid werd overgenomen in artikel 17 van beschikking nr. 194/88.
4 Op 6 april 1988 stelde de associatie van producenten van staal Eurofer ° waartoe verzoekster behoort ° haar leden per telexbericht ervan in kennis, dat zij in een telefonisch onderhoud met een afdelingshoofd van DG III van de Commissie had vernomen, dat voor het tweede kwartaal van 1988 geen anticipatie op de quota van het derde kwartaal zou worden toegestaan, aangezien het quotastelsel op 30 juni 1988 zou eindigen.
5 Bij brief van 31 mei 1988 deelde de Commissie verzoekster haar quota voor het tweede kwartaal van 1988 mee, die krachtens artikel 5 van beschikking nr. 194/88 waren vastgesteld.
6 Bij op 30 mei en 12 oktober 1988 meegedeelde beschikkingen corrigeerde de Commissie vervolgens de aan verzoekster toegekende quota, ter uitvoering van de artikelen 17 en 10, lid 1, van beschikking nr. 194/88. Bij brief van 24 juni 1988 verleende de Commissie voorts ingevolge artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88 toestemming om in het eerste kwartaal van 1988 op de quota van het tweede kwartaal van dat jaar te anticiperen.
7 Bij brief van 9 juni 1988 verzocht verzoekster krachtens artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88 aan de Commissie toestemming om in het tweede kwartaal van 1988 tot ten hoogste 20 % vooruit te lopen op de quota die haar voor het derde kwartaal toekwamen.
8 Op 24 juni 1988 stelde de Commissie aan de Raad voor, het quotastelsel op te heffen ingevolge artikel 58, lid 3, EGKS-Verdrag. Binnen de Raad werd niet de in deze bepaling vereiste eenstemmigheid voor het nemen van een tegengestelde beslissing bereikt.
9 Dientengevolge eindigde het quotastelsel op 30 juni 1988.
10 Bij arrest van 14 juli 1988 (gevoegde zaken 33/86, 44/86, 110/86, 226/86 en 285/86, Stahlwerke Peine-Salzgitter en Hoogovens Groep, Jurispr. 1988, blz. 4309, hierna: "arrest van 14 juli 1988") werd artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 door het Hof nietig verklaard "voor zover op grond hiervan geen leveringsquota kunnen worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk acht voor ondernemingen waarvan de verhouding tussen het produktiequotum en het leveringsquotum aanmerkelijk lager is dan het communautair gemiddelde". Het Hof verklaarde deze bepaling nietig wegens misbruik van bevoegdheid.
11 Bij brief van 2 augustus 1988 deelde een afdelingshoofd van DG III in antwoord op de brief van Finsider van 9 juni 1988 het volgende mee:
"Wij wijzen u erop, dat bovengenoemd artikel [11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88] 'anticipatie' op de quota mogelijk maakt: dit veronderstelt, dat voor het volgende kwartaal quota worden toegekend. Aangezien het quotastelsel vanaf eind juni niet meer van kracht is, is artikel 11, lid 3, sub e, niet meer toepasselijk."
12 Bij brief van 20 september 1988 gaf verzoekster te kennen, ernstige bedenkingen te hebben tegen de brief van 2 augustus 1988, aangezien in de verzochte anticipatie van de quota het typische seizoenkarakter van de betrokken markt tot uitdrukking kwam, dat tot dan toe steeds door de Commissie was erkend. Het kwam haar dan ook onbegrijpelijk voor dat aan deze fluctuatie, die haar leveringen in de afgelopen jaren had gekenmerkt, zou worden voorbijgegaan ° waardoor het quotastelsel strikter zou worden toegepast ° juist op het ogenblik dat de markt werd geliberaliseerd.
13 Bij brief van 23 februari 1989 deelde de Commissie verzoekster mee, dat zij krachtens artikel 36 EGKS-Verdrag een sanctieprocedure tegen haar aanhangig had gemaakt wegens het in strijd met het quotastelsel overschrijden van de quota tijdens het tweede kwartaal van 1988.
14 Tijdens een vergadering met de vertegenwoordigers van de Commissie op 3 maart 1989 maakten de vertegenwoordigers van verzoekster hun opmerkingen over de beweerde overschrijdingen van de quota.
15 Bij brief van 15 maart 1989 verweet verzoekster de Commissie, geen rekening te hebben gehouden met de verzochte anticipatie voor het tweede kwartaal van 1988, noch met de moeilijke situatie waarin Finsider was komen te verkeren na de invoering van het stelsel van omzetting van de produktiequota in leveringsquota, zoals bedoeld in artikel 17 van beschikking nr. 194/88.
16 Tijdens een vergadering met de vertegenwoordigers van de Commissie op 24 mei 1989 werden deze argumenten herhaald en uitgewerkt. Een vertegenwoordiger van verzoekster verzocht de Commissie daarbij formeel om overlegging van alle gegevens en berekeningen op basis waarvan de beweerde overschrijdingen waren becijferd.
17 Bij brief van 5 juni 1989 stelde de Commissie verzoekster in kennis van de beschikking waarbij haar ingevolge artikel 7 van beschikking nr. 194/88 voor het eerste en het tweede kwartaal van 1988 aanvullende quota werden toegekend.
18 Bij brief van 12 juni 1989 legde verzoekster aan de Commissie desgevraagd de gegevens betreffende de "relatieve positie Italsider" op de gemeenschapsmarkt over. Uit deze gegevens bleek, dat verzoeksters relatieve positie tussen 1986 en het derde kwartaal van 1988 zeer was verzwakt.
19 Bij arrest van 14 juni 1989 (gevoegde zaken 218/87, 223/87, 72/88 en 92/88, Hoogovens Groep en Federacciai, Jurispr. 1989, blz. 1711, hierna: "arrest van 14 juni 1989") verklaarde het Hof, op verzoek van Hoogovens Groep alleen, artikel 5 van beschikking nr. 194/88 nietig, alsmede op gezamenlijk verzoek van Hoogovens en Federacciai ° een vereniging van staalproducenten waartoe verzoekster behoort ° beschikking nr. 1433/87, waarvoor artikel 17 van beschikking nr. 194/88 in de plaats is gekomen, op grond dat deze bepalingen niet overeenkwamen met hetgeen volgens de Commissie zelf noodzakelijk was voor een billijke verdeling van de quota.
20 Bij brief van 19 juni 1989 deed de Commissie verzoekster de notulen van de vergaderingen van 3 maart en 24 mei 1989 toekomen.
21 Bij brief van 14 juli 1989 verzochten de advocaten van Assider ° een vereniging waarvan verzoekster lid is ° om een onderhoud met de Commissie teneinde te vernemen volgens welke methode en in hoeverre zij voornemens was Finsider schadeloos te stellen voor de verliezen die het gevolg waren geweest van het door het Hof bij het arrest van 14 juni 1989 nietig verklaarde stelsel van omzetting van de quota, welke verliezen door verzoekster op meer dan 25 000 ton per kwartaal werden geschat.
22 Bij brief van 1 augustus 1989 vestigde verzoekster de aandacht van de Commissie op de gevolgen van het arrest van 14 juni 1989 en verzocht zij haar om "heroverweging van de quota die 'aan onze onderneming zouden zijn toegekend' indien de nietig verklaarde beschikking niet was gegeven".
23 Bij brief van 10 augustus 1989 verklaarde de Commissie in antwoord op verzoeksters brief van 14 juli 1989, niet te begrijpen hoe het door Finsider als gevolg van de toepassing van artikel 17 van beschikking nr. 194/88 geleden verlies kon worden gesteld op 25 000 ton. Zij wees verzoekster erop, dat zij volgens het arrest van 14 juli 1988, waarnaar het arrest van 14 juni 1989 verwijst, vanaf 1 januari 1986 om structurele redenen een correctie van de I:P-relatie had moeten toepassen en dat deze correctie voor Finsider tot een veel grotere vermindering van haar leveringen op de gemeenschappelijke markt had geleid.
24 Bij brief van 8 september 1989 preciseerde Assider, dat het door de Finsidergroep geleden verlies van meer dan 25 000 ton per kwartaal betrekking had op het tijdvak van 1 januari 1987 tot en met 30 juni 1988, het enige tijdvak dat in het arrest van 14 juni 1989 aan de orde was. De uit het arrest van 14 juli 1988 voortvloeiende correctie van de I:P-relatie per 1 januari 1986 kon verzoekster niet worden tegengeworpen, daar zij geen partij was in de zaken waarin het arrest, houdende nietigverklaring wegens vormfouten, is gewezen.
25 Bij brief van 7 december 1989 deelde de Commissie verzoekster mee, dat de in de brieven van 14 juli en 8 september 1989 gestelde vragen in wezen verband hielden met de door Finsider in 1988 gepleegde overschrijdingen van de quota en dat zij bezig was de consequenties van de arresten van het Hof te bestuderen. De Commissie verklaarde zich bereid, met de directeuren van Finsider de voorziene algemene oplossing te bespreken tijdens een vergadering die in de loop van januari 1990 zou worden belegd.
26 Op 24 januari 1990 werd te Brussel een door partijen als "informeel" aangeduide vergadering gehouden, waaraan vertegenwoordigers van verzoekster en van de Commissie deelnamen.
27 Bij brief van 7 februari 1990 deelde verzoekster mee, dat het standpunt dat de vraag van de consequenties van het arrest van 14 juni 1989 uitsluitend verband hield met de overschrijdingen van de quota die zij in het tweede kwartaal van 1988 zou hebben gepleegd, haars inziens te beperkt was. Volgens verzoekster konden de beweerde overschrijdingen ° waarvan zij uitdrukkelijk ontkende dat zij hadden plaatsgevonden ° ten hoogste een uitbreiding van de problematiek betekenen, teneinde met de Commissie tot een akkoord te komen en aldus een nieuw geding te vermijden. Het probleem van de tenuitvoerlegging van bedoeld arrest zou in elk geval ruimer zijn en niet enkel betrekking hebben op het eerste half jaar van 1988, maar op het gehele jaar 1987. Zij concludeerde, dat zij in dit verband vasthield aan het in de brief van 7 december 1989 neergelegde voorstel tot een onderhoud.
28 Bij brief van 5 maart 1990 verzocht verzoekster opnieuw, een datum vast te stellen voor het onderhoud van haar vertegenwoordigers met die van de Commissie.
29 Bij brief van 7 maart 1990 deelde de Commissie verzoekster mee, dat zij haar juridische dienst had geraadpleegd en dat deze de in haar brief van 10 augustus 1989 uitgesproken opvatting deelde. Zij preciseerde voorts, dat de bevoegde diensten reeds met verzoeksters directie contact hadden gehad over de genoemde problemen en dat het dus niet noodzakelijk of zinvol was om dit onderwerp nogmaals te bespreken.
30 Bij brief van 20 maart 1990 opperde verzoekster de mogelijkheid van een procedure voor het Hof van Justitie teneinde vergoeding van de geleden schade te verkrijgen.
31 Bij brief van 28 maart 1990, bij verzoekster ingekomen op 11 april daaraanvolgend, stelde de Commissie verzoekster in kennis van de beschikking van 21 maart 1990 waarbij verzoekster krachtens artikel 58 EEG-Verdrag een boete werd opgelegd wegens overschrijding van de quota in het tweede kwartaal van 1988 voor de produkten categorieën Ia en Ib. Deze boete was vastgesteld op 2 153 550 ECU, dat wil zeggen 18,75 ECU per ton overschrijding.
Het procesverloop
32 In die omstandigheden heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 mei 1990, het onderhavige beroep ingesteld.
33 Bij brief van de griffier van 27 september 1991 is de Commissie verzocht, vragen van het Gerecht te beantwoorden.
34 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 oktober 1991, heeft de Commissie de vragen van het Gerecht beantwoord.
35 Gezien de op deze vragen gegeven antwoorden en op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
36 Partijen zijn op 4 december 1991 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van het Gerecht, samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, R. García-Valdecasas, K. Lenaerts, H. Kirschner en R. Schintgen, rechters.
37 Het Gerecht stelt vast, dat rechter D. A. O. Edward niet kon deelnemen aan de beraadslaging in deze zaak na aanvaarding van het ambt van rechter in het Hof van Justitie op 10 maart 1992. Door deze verhindering bleek de formatie uit een even
aantal rechters te bestaan.
38 Volgens artikel 18 van 's Hofs Statuut-EGKS, dat op het Gerecht van toepassing is verklaard bij artikel 44 van dat Statuut, kan het Gerecht slechts in oneven getal op geldige wijze beslissen en zijn de beslissingen van de Kamers slechts geldig, wanneer zij door drie rechters zijn genomen. Artikel 32, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt daarom, dat wanneer de rechters even in aantal zijn, de jongste rechter in de zin van artikel 6 van het Reglement niet aan de beraadslaging deelneemt.
39 Aan de beraadslaging van dit arrest is daarom deelgenomen door de drie rechters die het hebben ondertekend.
40 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° als maatregel van instructie: te gelasten a) de overlegging van de berekeningen op grondslag waarvan de bestreden boete is opgelegd, alsook b) de brief van F. aan het kabinet van Narjes betreffende het advies over de toepasselijkheid van het stelsel van anticipatie van quota gedurende het vierde kwartaal van 1987;
° ten gronde: nietig te verklaren de bestreden beschikking van de Commissie van 21 maart 1990, daaronder begrepen de eventuele (stilzwijgende) weigering, de verzochte anticipatie in het tweede kwartaal van 1988 toe te staan;
° subsidiair: de bestreden beschikking te wijzigen door de hoeveelheid (in tonnage) van de beweerde overschrijdingen op billijke wijze te verminderen en de boete dienovereenkomstig te verlagen;
° verweerster in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het verzoek tot nietigverklaring van de beschikking houdende oplegging van een boete niet-ontvankelijk te verklaren, daar het is gegrond op artikel 5 van beschikking nr. 194/88/EGKS;
° elk eventueel ontvankelijk verzoek ongegrond te verklaren;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
Ten gronde
41 Verzoekster doet haar beroep tot nietigverklaring in wezen steunen op drie middelen. Met het eerste middel betoogt zij, dat de door de Commissie geconstateerde overschrijding van de quota rechtsgrondslag ontbeert. Volgens verzoekster heeft het Hof in zijn arrest van 14 juni 1989 het stelsel tot vaststelling van de quota voor het betrokken tijdvak met terugwerkende kracht nietig verklaard, en heeft de Commissie niet, ter tenuitvoerlegging van het arrest houdende nietigverklaring van het Hof, de nietig verklaarde beschikking vervangen. Met het tweede middel bestrijdt verzoekster de wettigheid van de stilzwijgende beschikking van de Commissie, waarbij zij weigerde om haar krachtens artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88 een anticipatie op de quota van het derde kwartaal van 1988 toe te staan, aangezien deze beschikking niet met redenen is omkleed (eerste onderdeel), berust op een onjuiste uitlegging van de betrokken bepaling (tweede onderdeel) en in strijd is met het vertrouwensbeginsel (derde onderdeel). Met het derde middel stelt verzoekster schending van artikel 36 EGKS-Verdrag, voor zover de Commissie verzoekster niet de berekeningen heeft meegedeeld op grondslag waarvan haar de boete is opgelegd. Subsidiair verzoekt verzoekster het Gerecht de boete op billijke wijze te verlagen, teneinde rekening te houden met de in casu bestaande moeilijkheden bij de toepassing van het quotastelsel.
De primaire vordering
Het eerste middel
42 Volgens verzoekster heeft het arrest van 14 juni 1989 door de nietigverklaring van de artikelen 5 en 17 van beschikking nr. 194/88 met terugwerkende kracht de criteria opgeheven, op basis waarvan eventuele overschrijdingen van de quota moesten worden beoordeeld. Overschrijding van de quota zou dan ook volstrekt zijn uitgesloten, tenzij de Commissie op basis van de maatregelen die voor de tenuitvoerlegging van het arrest houdende nietigverklaring noodzakelijk waren, een nieuw stelsel voor de vaststelling van quota had ingevoerd. In casu was dit evenwel niet het geval, aangezien de Commissie ervan heeft afgezien te dezen een formele beschikking te geven met inachtneming van de procedure en de waarborgen, vastgesteld in artikel 58, lid 2, EGKS-Verdrag.
43 Verzoekster merkt ten aanzien van de nietigverklaring van artikel 5 op, dat de Commissie zich baseert op een onvolledige en onaanvaardbare uitlegging van de arresten van 14 juli 1988 en 14 juni 1989. In het eerste arrest verklaarde het Hof artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 onwettig, aangezien dit volgens de Commissie zelf geen billijke verdeling van de quota mogelijk maakte voor ondernemingen met een bijzonder ongunstige I:P-relatie (tien punten lager dan het communautaire gemiddelde). Dusdoende heeft het Hof niet verklaard, dat de beoordeling van de Commissie, wat de andere ondernemingen betreft, wettig was. In het tweede arrest bevestigde het Hof het eerdere arrest op het punt van artikel 5 van beschikking nr. 194/88. Het voegde er evenwel aan toe (r.o. 21): "Het staat aan de Commissie om ter tenuitvoerlegging van dit arrest onder haar verantwoordelijkheid de bepalingen vast te stellen voor het aanpassen van de I:P-relatie voor zover vereist door de situatie op de exportmarkten teneinde een billijke quotaverdeling te verzekeren." De Commissie is evenwel niet tot deze aanpassing overgegaan.
44 Verzoekster is het weliswaar met de Commissie eens, dat een aanpassing na het arrest van 14 juni 1989 niet kan worden tegengeworpen aan ondernemingen waarvoor deze tot een verlaging van quota zou leiden, maar zij stelt, dat een formele beschikking noodzakelijk was om de in artikel 5 van de nietig verklaarde beschikking vervatte basisregeling te herstellen en ten opzichte van die ondernemingen de oorspronkelijk aan hen opgelegde quota te handhaven.
45 Zij stelt dan ook dat zij er belang bij heeft om de gevolgen van de nietigverklaring van deze bepaling in te roepen, aangezien deze de nietigverklaring van de bestreden beschikking moet meebrengen, waarin haar een boete is opgelegd wegens de beweerde schending van deze onwettige bepaling.
46 Wat artikel 17 van beschikking nr. 194/88 betreft, volgens verzoekster had de Commissie bij de berekening van de beweerde overschrijding van de quota rekening moeten houden met het feit dat haar quota door die bepaling, waarvan zij de nietigverklaring door het Hof had verzocht en verkregen, waren verlaagd. Zij schat dat dit haar een nadeel van 150 000 ton heeft opgeleverd. Indien dit nadeel in aanmerking was genomen, zou er geen sprake meer zijn geweest van een overschrijding van de quota. Door daarmee geen rekening te houden heeft de Commissie artikel 34, eerste alinea, EGKS-Verdrag geschonden.
47 Zij merkt op, dat zij tijdens de sanctieprocedure de Commissie uitdrukkelijk heeft verzocht rekening te houden met alle op het punt van de quota voor haar uit het arrest houdende nietigverklaring voortvloeiende consequenties. De Commissie zelf heeft de verlaging van de leveringsquota voor verzoekster bepaald op 167 862 ton voor het tijdvak van het eerste kwartaal van 1986 tot en met het tweede kwartaal van 1988. Verzoekster verwijt de Commissie derhalve, dat zij enkel rekening heeft gehouden met de gevolgen van de nietigverklaring voor het tweede kwartaal van 1988 zonder het gehele betrokken tijdvak in aanmerking te nemen, en voorts dat zij zich heeft beperkt tot de categorieën Ia en Ib, zonder categorie II erbij te betrekken, waarvoor het nadeel 5 705 ton bedroeg.
48 Verzoekster erkent, dat de tegen haar gerichte sanctieprocedure uitsluitend betrekking had op het tweede kwartaal van 1988. Aangezien het evenwel ging om het laatste kwartaal dat het quotastelsel functioneerde en het arrest van 14 juni 1989 werd uitgesproken na de afschaffing van dit stelsel, was de Commissie krachtens artikel 34, eerste alinea, EGKS-Verdrag verplicht rekening te houden met alle gunstige gevolgen van dat arrest. De enige manier immers waarop de Commissie verzoekster het als gevolg van de nietig verklaarde bepalingen geleden nadeel in natura had kunnen vergoeden, was een compensatie van dit nadeel met de beweerde overschrijding van de quota geweest.
49 De Commissie antwoordt, dat verzoekster geen belang bij de nietigverklaring van artikel 5 heeft aangetoond. Indien het Gerecht de argumenten van verzoekster zou aanvaarden, zouden verzoeksters oorspronkelijke quota moeten worden herberekend op basis van de beginselen die door het Hof zijn geformuleerd in het arrest van 14 juli 1988, waarnaar het arrest van 14 juni 1989 verwijst. Deze quota zijn evenwel lager dan de op basis van de nietig verklaarde bepaling vastgestelde quota. Zoals het Hof verklaarde, nam artikel 5 van beschikking nr. 194/88 de tekst van artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 over en is eerstgenoemd artikel om dezelfde redenen nietig verklaard als het tweede. De nietigverklaring strekte dus niet verder dan noodzakelijk was voor een wederinvoering van billijke leveringsquota voor ondernemingen waarvan de I:P-relatie aanzienlijk lager lag dan het communautaire gemiddelde. Ten opzichte van andere ondernemingen, zoals verzoekster, waarvan de I:P-relatie hoger lag dan het communautaire gemiddelde, is de aanvankelijke vaststelling van de quota geldig gebleven ingevolge het beginsel van verworven rechten, aangezien een herverdeling van de quota een verlaging met terugwerkende kracht van de oorspronkelijk aan deze ondernemingen toegekende quota zou hebben betekend.
50 Aangaande de nietigverklaring van artikel 17 betoogt de Commissie, dat zij geen hogere quota behoefde te erkennen dan de quota die oorspronkelijk waren toegekend en die als basis hadden gediend voor de vaststelling van de boete. Zij had, uitsluitend om een strijdpunt uit de weg te ruimen, aan Finsider niettemin de verhogingen voor het tweede kwartaal van 1988 toegestaan, zoals tijdens de vergadering van 24 januari 1990 aan verzoeksters vertegenwoordigers was uiteengezet.
51 Ten slotte brengt het arrest van 14 juni 1989 volgens de Commissie niet de herziening van de aan verzoekster toegekende quota mee en zijn de desbetreffende individuele beschikkingen ° die niet binnen de in artikel 33, derde alinea, EGKS-Verdrag gestelde termijn zijn aangevochten ° door dat arrest niet nietig geworden. De Commissie had enkel dan formeel andere beschikkingen moeten geven, indien het arrest van 14 juni 1989 haar had verplicht tot een herziening van de quota van Finsider, en niet, zoals verzoekster stelt, om de definitieve krachtens het nietig verklaarde artikel gegeven beschikkingen "te herstellen en te handhaven".
52 Het Gerecht stelt vast, dat het Hof met het arrest van 14 juni 1989 de artikelen 5 en 17 van beschikking nr. 194/88 nietig heeft verklaard in de volgende bewoordingen: "De artikelen 5 en 17 van beschikking nr. 194/88/EGKS van de Commissie van 6 januari 1988 tot verlenging van het stelsel van toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie, worden nietig verklaard." Ten aanzien van verzoekster moet worden vastgesteld, welke draagwijdte dit arrest houdende nietigverklaring heeft voor elk van deze bepalingen.
53 Met betrekking tot artikel 5 moet worden onderzocht, of deze bepaling nietig is verklaard als rechtsgrondslag van de individuele beschikkingen tot vaststelling van verzoeksters quota. Daarvoor moet worden te rade gegaan met de motivering van het arrest (zie arrest Hof van 26 april 1988, gevoegde zaken 97/86, 193/86, 99/86 en 215/86, Asteris e.a., Jurispr. 1988, blz. 2181, r.o. 27). In rechtsoverweging 26 van eerderbedoeld arrest, die de enige motivering vormt van de nietigverklaring van beschikking nr. 194/88, verklaarde het Hof, dat "artikel 5 van beschikking nr. 194/88/EGKS artikel 5 van beschikking nr. 3485/85/EGKS overneemt en daarom moet worden nietig verklaard op dezelfde gronden als die welke hebben geleid tot de nietigverklaring van deze bepaling in het arrest van 14 juli 1988". Blijkens deze rechtsoverweging moet voor de vaststelling van de draagwijdte van het arrest van 14 juni 1989 worden te rade gagaan met de motivering van het arrest van 14 juli 1988.
54 In de motivering van het arrest van 14 juli 1988 (r.o. 27 en 28) wordt gepreciseerd: "Door in de I:P-relatie niet de wijzigingen aan te brengen die zij voor noodzakelijk hield om de quota overeenkomstig artikel 58, lid 2, op een billijke grondslag te kunnen vaststellen, heeft de Commissie een ander doel nagestreefd dan zij krachtens die bepaling behoorde te verwezenlijken, en aldus haar bevoegdheid misbruikt. Waar de Commissie had vastgesteld dat het noodzakelijk was de voor de bijzondere situatie van ondernemingen als verzoeksters kenmerkende onevenwichtigheid van de I:P-relatie ongedaan te maken, moet worden geoordeeld dat het misbruik van bevoegdheid ten aanzien van verzoeksters is begaan. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat artikel 5 van algemene beschikking nr. 3485/85 misbruik van bevoegdheid oplevert ten aanzien van verzoeksters en bijgevolg nietig moet worden verklaard." Op die gronden deed het Hof recht als volgt: "Verklaart nietig artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 van de Commissie van 27 november 1985, voor zover op grond hiervan geen leveringsquota kunnen worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk acht voor ondernemingen waarvan de verhouding tussen het produktiequotum en het leveringsquotum aanmerkelijk lager is dan het communautaire gemiddelde."
55 Het Gerecht stelt vast, dat het feit dat het dictum van het arrest van 14 juni 1989 het dictum van het arrest van 14 juli 1988 niet in zijn geheel herhaalt, niet wil zeggen, dat het eerste arrest artikel 5 van beschikking nr. 194/88 in ruimere zin heeft nietig verklaard dan de nietigverklaring van artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 in het tweede arrest. De enige rechtsoverweging betreffende de nietigverklaring van artikel 5 in het arrest van 14 juni 1989 verwijst immers naar de motivering van het arrest van 14 juli 1988. Het arrest van 14 juni 1989 bevat derhalve geen enkel nader motief dan het arrest van 14 juli 1988, dat een ruimere nietigverklaring van artikel 5 zou kunnen rechtvaardigen, zodat eerstgenoemd arrest artikel 5 van beschikking nr. 194/88 slechts op dezelfde wijze nietig kon verklaren als het arrest van 14 juli 1988 artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 had nietig verklaard.
56 Dienaangaande zij opgemerkt dat het Hof artikel 17 wel, doch artikel 6 van beschikking nr. 194/88 niet heeft nietig verklaard, terwijl dit bepalingen zijn die los van artikel 5 van deze beschikking geen zelfstandige betekenis hebben, aangezien zij criteria voor de berekening van de door de Commissie op basis van dat artikel vast te stellen quota bevatten, zodat het Hof er wel van uit moet zijn gegaan dat dit artikel 5 als rechtsgrondslag op basis waarvan de Commissie quota kan vaststellen, in stand bleef.
57 Uit het voorafgaande volgt, dat het Hof artikel 5 niet heeft nietig verklaard voor zover het de rechtsgrondslag vormt voor de bevoegdheid van de Commissie om per kwartaal de quota van de ijzer- en staalondernemingen vast te stellen, maar enkel voor zover op grond van de daarin voor de vaststelling van deze quota gehanteerde referentiehoeveelheden geen leveringsquota kunnen worden vastgesteld op een grondslag die de Commissie billijk acht voor ondernemingen waarvan de I:P-relatie aanmerkelijk lager is dan het communautaire gemiddelde.
58 In casu constateert het Gerecht, dat naar tussen partijen vaststaat verzoekster niet tot de producenten behoort waarvan de I:P-relatie lager was dan het communautaire gemiddelde. Voorts voert verzoekster niets aan waardoor de verklaring van de Commissie wordt weersproken, dat artikel 5 van beschikking nr. 194/88 voor haar op het punt van de quota niet nadelig kon uitvallen.
59 Derhalve was de Commissie, teneinde krachtens artikel 34 EGKS-Verdrag de maatregelen te nemen die ter tenuitvoerlegging van het arrest houdende nietigverklaring van artikel 5 noodzakelijk waren, ten opzichte van verzoekster niet gehouden om in een algemene beschikking opnieuw criteria te bepalen voor de vaststelling van de quota, en evenmin om nieuwe individuele beschikkingen te geven. Verzoekster bevond zich immers in de omgekeerde situatie als die van de ondernemingen die de nietigverklaring van artikel 5 in het arrest van 14 juni 1989 hadden verkregen. Welke oplossing de Commissie ook had gekozen, voor verzoekster kon dit dus slechts minder gunstige quota opleveren. Partijen zijn het er echter terecht over eens, dat verworven rechten zich verzetten tegen een dergelijk resultaat, dat het Hof in het arrest van 14 juni 1989 stellig niet voor ogen had. Voor zover het artikel 5 nietig verklaart, kon dit arrest derhalve de inhoud van de individuele beschikkingen waarbij verzoeksters quota voor het tweede kwartaal van 1988 werden vastgesteld, niet wezenlijk aantasten.
60 Bovendien is tegen de individuele beschikkingen tot vaststelling van verzoeksters quota voor het tweede kwartaal van 1988 niet binnen de in artikel 33 neergelegde termijn beroep tot nietigverklaring ingesteld en moeten deze beschikkingen dus als definitief worden beschouwd.
61 Immers, volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie in de eerste plaats arrest van 8 maart 1960, zaak 3/59, Duitsland/Hoge Autoriteit, Jurispr. 1960, blz. 119, inzonderheid blz. 133, en laatstelijk arrest van 10 december 1986, zaak 41/85, Sideradria, Jurispr. 1986, blz. 3917, r.o. 5) kan een verzoekster zich in een beroep tot nietigverklaring van een individuele beschikking niet (krachtens artikel 36, derde alinea, EGKS-Verdrag) ten exceptieve beroepen op de onwettigheid van andere individuele beschikkingen die tot haar gericht waren en die door het verstrijken van de in artikel 33 EGKS-Verdrag neergelegde termijn voor nietigverklaring definitief zijn geworden.
62 Deze beschikkingen kunnen dan ook als uitgangspunt voor de berekeningen van de door de Commissie aan verzoekster toegerekende overschrijdingen van de quota dienen.
63 Het Gerecht merkt overigens op, dat verzoeksters betoog betreffende de gevolgen van de nietigverklaring van artikel 17 van beschikking nr. 194/88 in wezen neerkomt op een verwijt aan de Commissie dat deze niet uit hoofde van artikel 34, eerste alinea, EGKS-Verdrag het nadeel dat verzoekster van artikel 17 heeft geleden voor andere kwartalen of produkten dan waarvoor een overschrijding van de quota is vastgesteld ° welk nadeel door de Commissie is erkend en waarvan de berekening niet door verzoekster wordt betwist ° heeft gecompenseerd met de geconstateerde overschrijding van de quota.
64 Benadrukt moet worden, dat de Commissie niet tot een dergelijke compensatie verplicht was. Immers, voor de vraag welke gevolgen het arrest houdende nietigverklaring van 14 juni 1989 heeft, is artikel 34, eerste alinea, EGKS-Verdrag bepalend. Dit artikel verplicht de Commissie enerzijds, de maatregelen te nemen die de arresten houdende nietigverklaring van het Hof met zich meebrengen en anderzijds, indien een onderneming onmiddellijk en bijzonder nadeel heeft geleden van een beschikking waaraan naar het oordeel van het Hof een fout kleeft van zodanige aard dat zij een aansprakelijkheid voor de Gemeenschap meebrengt, de maatregelen te nemen, daarbij gebruik makende van de bevoegdheden welke haar door het EGKS-Verdrag zijn toegekend, die op een billijke wijze het nadeel herstellen dat het onmiddellijk gevolg is van de vernietigde beschikking en zonodig een rechtvaardige schadevergoeding toe te kennen. Indien de Commissie in gebreke blijft binnen een redelijke termijn de maatregelen te nemen die de tenuitvoerlegging van een arrest houdende nietigverklaring meebrengt, staat een beroep tot schadevergoeding voor het Hof open. Daarentegen zijn voor de vraag welke sanctie bij overtreding van krachtens het quotastelsel gegeven beschikkingen kan worden opgelegd, de artikelen 58, lid 4, en 36 EGKS-Verdrag bepalend, volgens welke de Commissie aan ondernemingen die haar krachtens het quotastelsel gegeven beschikkingen overtreden, boeten kan opleggen tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde van de ongeoorloofde produktie, na de betrokkene in staat te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken. Tegen deze sancties kan beroep in volle omvang worden ingesteld.
65 Uit het verschil in karakter tussen deze twee procedures en uit de autonomie die in de eerste procedure aan de Commissie wordt gelaten ten aanzien van de wijze waarop zij de maatregelen moet nemen die de tenuitvoerlegging van de arresten houdende nietigverklaring met zich brengen, volgt dat het Gerecht de Commissie niet in het kader van de tweede procedure kan voorschrijven, op welke wijze zij de maatregelen moet nemen die de tenuitvoerlegging van een arrest houdende nietigverklaring van het Hof met zich brengt, een vraag van de eerste procedure. Derhalve was de Commissie niet gehouden de gevolgen van de nietigverklaring van artikel 17 van beschikking nr. 194/88, die gunstig waren voor verzoekster, in aanmerking te nemen voor andere kwartalen dan het tweede kwartaal van 1988 en voor andere categorieën van produkten dan de categorieën Ia en Ib. Aangaande dit laatste kwartaal en deze laatste categorieën staat tussen partijen vast, dat de Commissie rekening heeft gehouden met de gevolgen van deze nietigverklaring, die gunstig waren voor verzoekster, door voor dit tijdvak en voor de twee betrokken categorieën van produkten de aanvankelijk berekende overschrijdingen te verlagen. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de bestreden handeling voor dit onderdeel van de berekening uitdrukkelijk verwijst naar de "rechtspraak van het Hof".
66 Derhalve heeft de Commissie ten opzichte van verzoekster op correcte wijze enkel voor het kwartaal en de categorie van produkten waarom het hier gaat, de maatregelen genomen die de tenuitvoerlegging van het arrest van 14 juni 1989 met zich bracht, zowel wat de nietigverklaring van artikel 5 als de nietigverklaring van artikel 17 van beschikking nr. 194/88 betreft. Het middel moet dan ook worden afgewezen.
Het tweede middel
Eerste onderdeel: ontoereikende motivering
67 Verzoekster betoogt, dat zij in haar brief van 15 maart 1989 had gesteld, dat de Commissie voor de berekening van de aan Finsider verweten overschrijding van de quota geen rekening had gehouden met de quotaverhogingen die zouden voortvloeien uit de door haar verzochte anticipatie. De Commissie heeft in de bestreden beschikking op dit punt geen antwoord gegeven en enkel opgemerkt, "dat het quotastelsel per kwartaal is geregeld, verplicht is en niet automatisch recht geeft op anticipatie". Daar elke andere motivering ontbreekt, stelt verzoekster, dat de beschikking onwettig is, omdat zij niet kan weten of het probleem open blijft dan wel de Commissie met deze verklaring haar verzoek om anticipatie bedoelde te verwerpen. Zo dit laatste het geval is, is de afwijzing volgens verzoekster in het geheel niet met redenen omkleed.
68 De Commissie stelt, dat zij met de beschikking van 21 maart 1990 niet is afgeweken van haar besluit om geen anticipatie toe te staan voor het tweede kwartaal van 1988. In haar motivering heeft zij zich formeel ertoe beperkt, Finsider eraan te herinneren dat zij, waar zij niet automatisch recht op anticipatie had, geen aanspraak erop kon maken dat anticipaties die haar niet waren toegestaan, in haar voordeel zouden worden toegerekend.
69 Volgens de Commissie zijn de redenen voor de weigering van de anticipatie duidelijk aan Finsider uiteengezet in de loop van de administratieve procedure, in het bijzonder in de brief van 2 augustus 1988 en tijdens de vergadering van 24 mei 1989. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (arrest van 7 april 1987, zaak 32/86, Sisma, Jurispr. 1987, blz. 1645) is de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk van zowel de aard der betrokken handeling als de omstandigheden waarin zij is vastgesteld. De individuele beschikkingen zouden dus voldoende gemotiveerd kunnen worden geacht, indien degene tot wie zij zijn gericht, doordat hij bij de totstandkoming van de handeling betrokken is geweest, alle noodzakelijke gegevens heeft verkregen om de gegrondheid ervan te beoordelen, en indien alle documenten die hem zijn toegezonden, de gemeenschapsrechter in staat stellen de wettigheid ervan volledig te toetsen.
70 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer het zojuist aangehaalde arrest van 7 april 1987, zaak 32/86, r.o. 8-10) de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel heeft, het Hof in staat te stellen de wettigheid van die beschikking te toetsen en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist. De omvang van de verplichting is afhankelijk van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waarin zij is vastgesteld.
71 In casu geeft de bestreden beschikking aan, hoe hoog de vastgestelde overschrijding was en welk tarief voor de boete in het kader van de betrokken procedure is toegepast, en vormt daarmee een stilzwijgende maar onmiskenbare afwijzing van de door verzoekster verzochte anticipatie. De motivering van deze afwijzing is verzoekster door de Commissie gegeven in de considerans van de aangevochten beschikking. Daarin wordt immers in de eerste plaats verwezen naar het tussen de vertegenwoordigers van partijen gevoerde overleg van 24 mei 1989, tijdens hetwelk door een vertegenwoordiger van de Commissie werd benadrukt, dat "artikel 11, lid 3, sub e, de mogelijkheid van anticipatie op de quota kent, maar niet die van een aanvullend quotum. In casu zou een aanvullend quotum zijn geschapen, aangezien het ging om het laatste kwartaal van het quotastelsel." Na akte te hebben genomen van verzoeksters verklaring dat "de cijfers geen rekening houden met de aanpassingen van de artikelen 7 en 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88/EGKS", wordt in dezelfde overweging van de considerans opgemerkt, dat "het quotastelsel per kwartaal is geregeld, verplicht is en niet automatisch recht geeft op anticipatie".
72 Deze motivering moet bovendien weer in de context worden geplaatst waarin de bestreden beschikking is gegeven. Dienaangaande moet in het bijzonder worden opgemerkt, dat de Commissie in haar brief van 2 augustus 1988 de redenen had uiteengezet waarom zij niet voornemens was, voor het tweede kwartaal van 1988 anticipatie op de quota toe te staan. De belangrijkste punten van deze beslissing waren voorts reeds aan verzoekster bekend gemaakt bij het door Eurofer aan haar leden gezonden telexbericht van 6 april 1988 naar aanleiding van een telefonisch onderhoud van een personeelslid van deze organisatie met een afdelingshoofd van DG III van de Commissie.
73 Mitsdien moet het eerste onderdeel van het middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: onjuiste uitlegging van artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88
74 Verzoekster stelt, dat de weigering van de verzochte anticipatie in strijd is met artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88, dat luidt: "Indien een onderneming meent haar quota niet te kunnen gebruiken gedurende het kwartaal waarop deze betrekking hebben, kan de Commissie onder de sub d gestelde voorwaarden de onderneming toestaan op de quota van het volgende kwartaal vooruit te lopen met een hoeveelheid die gelijk is aan ten hoogste 20 % van de op het lopende kwartaal betrekking hebbende produktiequota." Verzoekster herinnert eraan, dat de sub d genoemde voorwaarden op hun beurt erin bestaan dat de onderneming moet bewijzen dat de vermindering in het daaropvolgende kwartaal te wijten is "aan een geval van overmacht" of aan "een stillegging wegens reparatie voor een duur van ten minste vier achtereenvolgende weken". Volgens verzoekster moet allereerst worden bedacht, dat beschikking nr. 194/88 van toepassing was "gedurende de periode aanvangende op 1 januari en eindigende op 30 juni 1988" (artikel 18, lid 2, van de beschikking). De door de Commissie voorgestane uitlegging zou evenwel tot gevolg hebben dat artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88 niet van toepassing zou zijn gedurende een van de twee kwartalen dat de beschikking toepasselijk was. Deze uitlegging zou dus neerkomen op een intrekking van het instituut van de anticipatie voor de helft van de periode gedurende welke het van kracht was. Een dergelijke uitlegging zou in strijd zijn met het beginsel van het "nuttig effect", alsmede met artikel 14, tweede alinea, EGKS-Verdrag, luidende "de beschikkingen zijn verbindend in al hun onderdelen".
75 Voorts merkt verzoekster op, dat de ratio van de anticipatieregeling is, te voorkomen dat de toepassing van het quotastelsel bijzonder nadelig uitvalt voor ondernemingen die een teruggang van hun produktie en hun leveringen tijdens een later kwartaal voorzien wegens overmacht of stillegging van de installaties. Zodra deze belemmeringen zich in het volgende kwartaal voordoen en de geproduceerde en geleverde hoeveelheden teruglopen, zou de gevraagde anticipatie moeten worden toegestaan. Zelfs indien deze belemmeringen optreden in het eerste kwartaal van liberalisatie van de produktie, zou dit beginsel van toepassing zijn, daar de anticipatie, die kan oplopen tot 20 %, wordt berekend aan de hand van de quota van het "lopend kwartaal" en niet aan de hand van die van het daaropvolgend kwartaal. De anticipatieregeling geldt daarom zonder meer ook voor het laatste kwartaal dat het quotastelsel van kracht is. Het zou onlogisch zijn indien op het moment dat de markt wordt geliberaliseerd, de laatste toepassing van het quotastelsel strikter wordt dan het geval was in de periode dat het stelsel van kracht was. Immers, indien het stelsel nog een kwartaal langer was blijven bestaan, waren bij gelijke (verminderde) produktie en leveringen in het derde kwartaal van 1988, de "anticipaties" van Finsider voor het tweede kwartaal geen probleem geweest.
76 In casu heeft verzoekster om anticipatie van quota verzocht in verband met de seizoendaling van het verbruik, die ° evenals in de voorgaande jaren ° in het derde kwartaal werd verwacht. Deze daling is in het derde kwartaal van 1988 inderdaad opgetreden. De produktie en de leveringen van Finsider op de markt hebben ° ook na de aanvang van de liberalisatie van de produkten ° een vermindering van 20 % in relatieve positie te zien gegeven, ten opzichte van zowel het eerste kwartaal van 1988 als de voorafgaande jaren 1986 en 1987. Finsider heeft de Commissie specifieke inlichtingen verstrekt, zoals deze had verzocht.
77 De Commissie stelt op haar beurt, dat uit de tekst van artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88, zelf blijkt dat er, teneinde anticipatie in een bepaald kwartaal te verkrijgen, er in het daaropvolgende kwartaal quota moeten bestaan. Indien dat niet het geval is, kan de bepaling niet worden toegepast. Aangezien het quotastelsel eindigde op 1 juli 1988, waren er in het derde kwartaal geen quota meer. Derhalve ontbrak het noodzakelijk vereiste voor de toekenning van anticipatie in het tweede kwartaal van 1988.
78 Deze uitlegging is volgens de Commissie bovendien de enige die een billijke verdeling van de last van de crisis over de ondernemingen waarborgt. Voor een billijke verdeling moet de totale produktie van de gehele periode dat het quotastelsel van toepassing is, over de ondernemingen worden verdeeld door middel van een stelsel van toekenning van quota per kwartaal aan de hand van de referentiehoeveelheden van elk van de ondernemingen. Indien een onderneming het totaal van de haar achtereenvolgens toegekende quota had mogen verhogen met een anticipatie op haar niet gecontingenteerde quota van het eerste kwartaal volgend op het einde van het stelsel, zou deze onderneming uiteindelijk voor de gehele crisisperiode meer hebben verkregen dan de globale quota waarop zij op grond van haar referentiehoeveelheden recht had. Bovendien zou de Commissie geen enkele controle- en sanctiebevoegdheid hebben gehad ten aanzien van de beweerde produktieverminderingen in dat kwartaal, aangezien de compensatie van de anticipaties feitelijk en rechtens ter discretie van de ondernemingen zou zijn gelaten, die daarvan zouden hebben geprofiteerd.
79 Het Gerecht is van oordeel, dat de uitlegging van lid 3, sub e, van artikel 11 van beschikking nr. 194/88 moet worden onderzocht in de algemene context van deze bepaling en in het bijzonder met inachtneming van de bestaansreden van artikel 11, waarvan het deel uitmaakt. Het quotastelsel, dat kan worden ingevoerd krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag, is immers bestemd om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de vermindering van de vraag naar kolen of staal, wanneer deze leidt tot een uitgesproken crisisperiode en de maatregelen voorzien in artikel 57 niet voldoende zijn om daaraan het hoofd te bieden. Met het oog hierop kan de Commissie op billijke grondslag quota vaststellen. De instelling van een quotastelsel heeft derhalve tot doel, de last van de crisis op billijke wijze te verdelen over de verschillende producenten, door de produktieverminderingen die nodig zijn om het evenwicht tussen vraag en aanbod te herstellen, op billijke wijze te verdelen.
80 Aldus is bij artikel 5 van beschikking nr. 194/88 de Commissie gemachtigd om per kwartaal voor de eerste helft van 1988 de quota van de verschillende ondernemingen vast te stellen op basis van verschillende criteria. Artikel 11 van deze beschikking beoogt het quotastelsel enigszins te versoepelen door specifieke overschrijdingen van de quota toe te staan voor bepaalde categorieën van produkten of voor bepaalde perioden, mits deze overschrijdingen worden gecompenseerd doordat een quotum voor een bepaalde categorie van produkten of gedurende een bepaalde periode niet wordt uitgeput. Zo laat lid 1 van dit artikel een beperkte overschrijding toe voor enkele categorieën van produkten, mits deze door andere categorieën van produkten wordt gecompenseerd. Evenzo voorziet lid 3, sub a, b, c en d, van dit artikel in overdrachten van quota naar een latere periode voor ondernemingen die hun produktiequota of hun leveringsquota in een bepaald tijdvak niet hebben uitgeput. Lid 4 van dit artikel bepaalt dat de ondernemingen onder zekere voorwaarden quota of gedeelten van quota met andere ondernemingen kunnen ruilen of aan deze verkopen.
81 Uit de voorafgaande overwegingen volgt, dat de verschillende in artikel 11 van beschikking nr. 194/88 neergelegde bepalingen als belangrijkste kenmerk hebben, dat de goedkeuring van beperkte overschrijdingen van de quota afhankelijk wordt gesteld van een compensatie van die overschrijdingen door de niet-uitputting van quota voor een bepaalde andere categorie van produkten of een bepaald ander tijdvak.
82 Dit is de context van artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88, dat bepaalt:
"Indien een onderneming meent haar quota niet te kunnen gebruiken gedurende het kwartaal waarop deze betrekking hebben, kan de Commissie onder de sub d gestelde voorwaarden de onderneming toestaan op de quota van het volgende kwartaal vooruit te lopen met een hoeveelheid die gelijk is aan ten hoogste 20 % van de op het lopende kwartaal betrekking hebbende produktiequota."
Deze bepaling staat na de punten a tot en met d van artikel 11, lid 3, die de omgekeerde situatie van anticipatie, namelijk de overdracht, regelen.
83 Volgens het Gerecht is voor de toepassing van deze bepaling dan ook noodzakelijk, dat de overschrijding van de quota gedurende een kwartaal kan worden gecompenseerd door de niet-uitputting van quota tijdens het daaropvolgende kwartaal. Anders zou uiteindelijk het beginsel van de gelijkheid van de producenten met betrekking tot de crisis worden geschonden, welk beginsel voortvloeit uit de algemene opzet van artikel 58 EGKS-Verdrag, met name waar lid 2 daarvan verwijst naar de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag, in het bijzonder naar artikel 4, sub b, dat maatregelen verbiedt die een discriminatie tussen producenten inhouden.
84 Mitsdien berust de bestreden beschikking niet op een onjuiste uitlegging van artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88.
85 Bovendien moet worden opgemerkt, dat in de considerans van beschikking nr. 194/88 het volgende wordt overwogen:
"De Commissie stelt vast dat er bij de warmwalserijen voor breedband nog sprake is van overcapaciteit. Niettemin wordt, rekening houdend met de conjunctuur, de situatie voor warmgewalst breedband (categorie Ia) en koudgewalste plaat (categorie Ib) in het algemeen als bevredigend aangemerkt. Toch zou een onmiddellijke terugkeer tot het marktmechanisme het gevaar van een te abrupte prijsdaling meebrengen. Het lijkt daarom gerechtvaardigd deze produkten nog twee kwartalen in het quotastelsel te handhaven met ° ter voorbereiding van de liberalisatie na 30 juni 1988 die de Commissie bij de huidige marktsituatie nodig acht ° een verruiming van de quota in het tweede kwartaal."
Daarom bepaalt artikel 8, lid 2, van de beschikking:
"De gedeelten van de produktiequota die op de gemeenschappelijke markt mogen worden geleverd worden voor het tweede kwartaal van 1988 vastgesteld op een niveau dat 2 % hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de raming van de vraag."
Verzoekster kan dan ook de laatste toepassing van het stelsel van anticipaties, die zeker strikter is dan de eerdere toepassingen, niet loskoppelen van de laatste toepassing van het quotastelsel in zijn geheel, die over het geheel genomen iets "soepeler" was, om vervolgens te stellen dat de Commissie inconsequent heeft gehandeld door het quotastelsel de laatste keer strikter toe te passen dan voorheen.
86 Het tweede onderdeel van het middel kan derhalve niet worden aanvaard.
Het derde onderdeel: schending van het gewettigd vertrouwen
87 Verzoekster stelt, dat de weigering om de gevraagde anticipatie toe te staan, een schending van het gewettigd vertrouwen vormt dat zij mocht hebben, dat de Commissie op dezelfde wijze zou handelen, daar deze weigering in tegenspraak is met de door de Commissie in soortgelijke gevallen in de afgelopen jaren gegeven beschikkingen. Verzoekster verwijst in het bijzonder naar het precedent dat volgens haar wordt gevormd door de toekenning van anticipaties in het vierde kwartaal van 1987 voor "lange" produkten, ofschoon deze vanaf 1 januari 1988 niet meer onder het quotastelsel vielen. Dit precedent zou des te meer betekenis toekomen nu het tot stand is gekomen na een uitdrukkelijke stellingname van DG III betreffende het probleem in zijn geheel (nota van F. aan het kabinet van Narjes, vice-president van de Commissie, conform advies van de juridische dienst; verzoekster heeft het Gerecht verzocht de overlegging van deze nota te gelasten).
88 Voorts merkt zij op, dat zij haar verzoek om anticipatie heeft ingediend op 9 juni 1988, toen nog niet bekend was wat er met het quotastelsel zou gebeuren. Het besluit tot beëindiging werd immers eerst op 24 juni 1988 genomen.
89 Verzoekster concludeert, dat de Commissie door haar stilzwijgend de voor het tweede kwartaal van 1988 verzochte anticipaties te weigeren, het gewettigd vertrouwen heeft geschonden dat verzoekster mocht hebben dat de Commissie op dezelfde wijze zou handelen.
90 De Commissie benadrukt vooraf, dat naar het Hof reeds herhaaldelijk heeft verklaard (arrest van 14 februari 1990, zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1988, blz. I-395) de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd.
91 Voorts ontkent de Commissie, dat Finsider op 21 april 1988 een anticipatie heeft verkregen op het vierde kwartaal van 1987 voor lange produkten, die vanaf 1 januari 1988 niet meer onder het quotastelsel vielen. Volgens de bewoordingen van het verzoek van Finsider van 16 december 1987 was dit verzoek enkel gedaan "voor geval het quotastelsel na 31 december 1987 (zou) worden verlengd". In haar antwoord had de Commissie akte genomen van het verzoek van verzoekster om vooruit te lopen op de produktiequota, "af te trekken van de door haar voor het eerste kwartaal van 1988 te verwachten quota", en had zij deze anticipatie toegestaan mits de geanticipeerde hoeveelheden "in mindering worden gebracht van de u over het eerste kwartaal van 1988 toekomende quota". Op 21 april 1988 meende de Commissie dan ook, dat het verzoek enkel betrekking had op de aan verzoekster toegekende quota voor het eerste kwartaal van 1988, die niet de voortaan buiten het stelsel vallende lange produkten omvatten. De anticipatiebeschikking was gegeven op basis van het aldus beperkte verzoek, het enige op grond waarvan de anticipaties van de quota voor het eerste kwartaal van 1988 in mindering konden worden gebracht. Er was derhalve nooit sprake geweest van anticipaties betreffende vanaf 1 januari 1988 buiten het quotastelsel vallende produkten, noch in het verzoek van Finsider, noch in de beschikking van de Commissie.
92 Vervolgens stelt zij, dat de beslissing om het quotastelsel te beëindigen niet slechts één van de mogelijkheden was, maar een bewuste beleidskeuze, die door de Commissie onder meer was aangekondigd in de eerste overweging, laatste alinea, van de considerans van beschikking nr. 194/88.
93 In deze context had elke voorzichtige ondernemer ernstig met de mogelijkheid rekening moeten houden, dat het stelsel zou worden beëindigd en dat de Commissie een handelwijze zou kiezen die met deze nieuwe rechtssituatie in overeenstemming was.
94 Bovendien heeft de Commissie in casu via Eurofer alle ondernemingen reeds aan het begin van het tweede kwartaal van 1988 duidelijk aangezegd, dat zij met het oog op de beëindiging van het stelsel geen anticipatie in het tweede kwartaal zou toestaan. Volgens de Commissie wist Finsider dus vanaf het begin van het tweede kwartaal van 1988 met zekerheid, dat indien de Raad niet met eenparigheid van stemmen het voorstel tot liberalisatie zou verwerpen, de Commissie haar geen anticipaties zou toestaan.
95 Ten slotte merkt de Commissie op, dat Finsider niet alleen wist ° dankzij de mededeling van Eurofer ° dat de Commissie geen anticipatie zou toestaan voor het laatste kwartaal dat het quotastelsel zou worden toegepast, maar het ook met deze uitlegging eens was, daar zij in december 1987 de toepassing ervan zelf had aanvaard.
96 Overigens acht de Commissie het verzoek om in de procedure een advies van een van haar diensten over te leggen, niet-ontvankelijk, daar het een voorbereidend stuk met een vertrouwelijk karakter betreft.
97 Het Gerecht stelt allereerst vast, dat verzoekster niet kan stellen dat zij door het einde van het quotastelsel werd verrast, aangezien de Commissie in de considerans van beschikking nr. 194/88 duidelijk had verklaard, dat zij dit stelsel voor enkele produkten nog twee kwartalen zou handhaven, maar met de kanttekening "met ° ter voorbereiding van de liberalisatie na 30 juni 1988 (...) ° een verruiming van de quota in het tweede kwartaal".
98 Met betrekking tot de rechtsgevolgen van het einde van het quotastelsel moet worden opgemerkt, dat de beschikking van de Commissie, waarbij verzoekster de door haar voor het tweede kwartaal van 1988 verzochte anticipatie van de quota werd geweigerd, geen breuk betekent met het tot dan toe door haar gevoerde beleid. Immers, anders dan verzoekster stelt, zijn haar voor het vierde kwartaal van 1987 voor categorieën van produkten waarvan de quota vanaf het eerste kwartaal van 1988 waren afgeschaft, nooit anticipaties toegestaan. Wordt de beschikking van de Commissie van 21 april 1988 gelezen in samenhang met het destijds door verzoekster ingediende verzoek om anticipatie, dan blijkt het verzoek weliswaar ook betrekking te hebben op de produkten van de categorieën IV en VI, waarvoor bij artikel 4 van algemene beschikking nr. 194/88 van 6 januari 1988 het quotastelsel niet werd verlengd, maar wordt het verzoek voorafgegaan door de woorden: "Voor het geval het op artikel 58 gebaseerde quotastelsel na 31 december 1987 zal worden verlengd."
99 Derhalve moet het verzoek van verzoekster worden geacht enkel betrekking te hebben gehad op de categorieën van produkten waarvoor het quotastelsel werd verlengd. Hieruit volgt, dat het antwoord van de Commissie waarbij de gevraagde anticipaties werden toegestaan, enkel de produkten kon betreffen die nog onder het quotastelsel vielen. Deze uitlegging vindt tevens steun in punt 2 van dat antwoord, waarin is te lezen: "de geanticipeerde hoeveelheden moeten worden afgetrokken van de quota betreffende het eerste kwartaal van 1988", aangezien een dergelijke aftrek enkel zin kan hebben voor produkten waarvoor het quotastelsel nog geldt.
100 Voorts heeft verzoekster, door haar verzoek om anticipatie voor het vierde kwartaal van 1987 afhankelijk te stellen van de verlenging van het quotastelsel na 31 december 1987, destijds erkend, dat het einde van het quotastelsel anticipatie onmogelijk maakte.
101 Ten slotte heeft verzoekster in haar beroepsschrift verklaard, dat de nota van 2 augustus 1988 "de uitlegging herhaalde dat genoemd artikel 11, lid 3, sub e, het voortbestaan van het quotastelsel veronderstelde", waarmee zij heeft laten zien, dat zij zich reeds vóór 2 augustus 1988 bewust was van deze uitlegging van de betrokken bepaling en dat deze dus niet nieuw was.
102 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie met haar weigering de door verzoekster gevraagde anticipatie toe te staan, haar eerdere beleidslijn niet heeft gewijzigd, noch verzoekster heeft verrast, en dus niet het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. Het derde onderdeel van dit middel kan dan ook niet worden aanvaard.
103 In deze omstandigheden is het door verzoekster gedane verzoek om de nota van F. over de uitlegging van artikel 11, lid 3, sub e, van beschikking nr. 194/88 in de procedure over te leggen, niet ter zake dienend, zodat het moet worden afgewezen.
Het derde middel
104 Verzoekster stelt ° subsidiair en voor het geval het Gerecht mocht oordelen dat voor de toepassing van de sanctie de interne berekeningen van de Commissie voldoende zijn om de consequenties te kunnen trekken uit het arrest van 14 juni 1989 °, dat deze berekeningen, waarvan zij het bestaan niet kent, haar nooit ter kennis zijn gebracht, ondanks haar herhaalde verzoeken, de toezeggingen van de Commissie en de herhaalde verzoeken om een onderhoud teneinde de consequenties van het arrest van 14 juni 1989 ° wat de quota betreft ° te verduidelijken.
105 Aldus zou verzoekster nooit kennis hebben kunnen nemen van de eventuele naar aanleiding van voornoemd arrest geactualiseerde berekeningen op basis waarvan haar bij de aangevochten beschikking een boete is opgelegd. Dit is haars inziens in kennelijke strijd met artikel 36, eerste alinea, EGKS-Verdrag, dat de Commissie verplicht, "de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken" alvorens een boete op te leggen.
106 De Commissie verklaart, dat zij niet verplicht was, die berekeningen met verzoekster te bespreken, aangezien zij haar had uiteengezet waarom zij de anticipaties niet in overweging nam en geen rekening hield met de consequenties van een eventuele schending van artikel 15 B van beschikking nr. 3485/85, en zij voorts had toegezegd, haar alle latere quota waarom zij op andere gronden had verzocht, toe te kennen. Artikel 36, eerste alinea, EGKS-Verdrag, dat de Commissie verplicht de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken voordat zij deze een geldboete oplegt, brengt niet de verplichting mee, de belanghebbende de uitkomst van de gemaakte berekeningen mee te delen alvorens de beschikking te geven, aangezien de Commissie alle opmerkingen van verzoekster die deze uitkomst konden beïnvloeden, reeds had ontvangen.
107 Meer bepaald met betrekking tot de motivering van de beschikking voegt zij hieraan toe, dat verzoekster zelf de brief van 10 augustus 1989 heeft overgelegd waarin directeur-generaal Braun aan Finsider uiteenzette, dat de verzochte herziening "voor uw onderneming zou hebben geleid tot een veel grotere vermindering van de leveringen op de gemeenschappelijke markt". De economische gegevens waarop de beoordeling van de betrokken overschrijding berust, zouden verzoekster welbekend zijn, aangezien zij reeds uitvoerig waren geanalyseerd en besproken in de zaken waarin het arrest van 14 juni 1989 is gewezen. Verder is de gehele onderhavige materie nogmaals onderzocht tijdens de vergadering van 24 januari 1990, waaraan vertegenwoordigers van verzoekster en van de Commissie deelnamen.
108 Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie met haar brief van 23 februari 1989 verzoekster in staat heeft gesteld over de beweerde overschrijding haar opmerkingen te maken. In deze brief heeft zij immers de berekeningen uiteengezet, op grond waarvan zij zou vaststellen dat verzoekster haar quota voor het tweede kwartaal van 1988 had overschreden. Na deze brief heeft verzoekster haar opmerkingen kunnen formuleren in de vergaderingen van 3 maart en 24 mei 1989 en 24 januari 1990, alsook in de brieven van 15 maart, 12 juni, 14 juli, 1 augustus en 8 september 1989 en 7 februari 1990. Vervolgens heeft de Commissie in de aangevochten handeling rekening gehouden met de opmerkingen van verzoekster met betrekking tot de toepassing van artikel 7 van beschikking nr. 194/88, welke haar bij brief van 5 juni 1989 waren meegedeeld. Daarentegen heeft zij terecht geweigerd, rekening te houden met de anticipaties waarom is verzocht op grond van artikel 11, lid 3, sub e, van deze beschikking, zoals uit de notulen van de vergadering van 24 mei 1989 blijkt. Tevens heeft zij terecht geweigerd in het kader van de onderhavige procedure rekening te houden met de gevolgen van het arrest van 14 juni 1989, waar deze geen betrekking hadden op het tweede kwartaal van 1988 en de in geding zijnde categorieën van produkten (Ia en Ib). Voorts waren partijen het er ter terechtzitting over eens, dat de Commissie verzoekster tijdens de informele vergadering van 24 januari 1990 de berekeningen heeft laten zien die zij had uitgevoerd teneinde de omvang van de quota te bepalen die verzoekster waren onthouden als gevolg van de toepassing van het later door het Hof nietig verklaarde artikel 17 van beschikking nr. 194/88, in het bijzonder voor de betrokken categorieën van produkten en het betrokken kwartaal.
109 Er kan derhalve geen sprake zijn van schending van artikel 36, eerste alinea, EGKS-Verdrag, al zou het beter zijn geweest om verzoekster deze laatste berekeningen formeel ter inzage te geven, voor zover deze in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de vastgestelde overschrijding van de quota.
110 Ten slotte moet hieraan worden toegevoegd, dat verzoekster geen grond heeft aangevoerd voor twijfel aan de nauwkeurigheid van de door de Commissie uitgevoerde berekeningen tot vaststelling van de omvang van de geconstateerde overschrijding van de quota, en dat zij ter terechtzitting in het bijzonder heeft erkend, dat de door de Commissie uitgevoerde berekeningen tot vaststelling van de omvang van de quota die verzoekster waren onthouden als gevolg van de toepassing van artikel 17, juist waren.
111 Mitsdien moet het middel worden afgewezen en is het verzoek om bij wijze van maatregel van instructie de berekeningen te doen overleggen op grond waarvan de opgelegde boete is bepaald, zonder voorwerp.
Het subsidiaire beroep
112 Verzoekster vraagt het Gerecht geheel en al subsidiair, de opgelegde boete op billijke wijze te verlagen, teneinde rekening te houden met de toepassingsmoeilijkheden van het quotastelsel in het laatste kwartaal dat dit stelsel van kracht was. De handhaving van het stelsel had namelijk voor Finsider een aanzienlijke verslechtering van haar relatieve positie veroorzaakt en daardoor ook een aanzienlijke verlaging van haar leveringsquota. Met deze situatie had rekening moeten worden gehouden op het tijdstip van vaststelling van de boete, die gerelateerd aan de beweerde overschrijdingen als volstrekt ongerechtvaardigd en excessief voorkomt.
113 De Commissie betoogt, dat zij Finsider gelet op de toepasselijke wettelijke bepalingen de gunstigst mogelijke behandeling heeft gegeven. Zij wijst erop, dat indien zij rekening had gehouden met alle consequenties die de nietigverklaring van artikel 5 van beschikking nr. 3485/85 en van beschikking nr. 194/88 voor verzoekster met zich brengt, de uiteindelijk aan Finsider toegekende quota voor tien kwartalen (van het eerste kwartaal van 1986 tot en met het tweede kwartaal van 1988) aanzienlijk hadden moeten worden verlaagd, zoals zij heeft aangetoond in een tabel in bijlage bij haar verweerschrift. Verzoekster heeft quotatechnisch gesproken dan ook reeds aanmerkelijke voordelen genoten, die de verzochte verlaging van de boete onbillijk zouden maken.
114 Het Gerecht oordeelt op grond van zijn volledige rechtsmacht, dat er geen termen zijn, de aan verzoekster opgelegde boete te verlagen. Er moet namelijk worden benadrukt, dat verzoekster niet heeft kunnen loochenen dat zij, zoals de Commissie heeft opgemerkt, voordeel heeft genoten van de onwettigheid van artikel 5 van beschikking nr. 194/88 ° hetgeen een verworven recht vormt °, dat groter is dan de schade die zij heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van artikel 17 van beschikking nr. 194/88. Dit voordeel ° dat alle ondernemingen waarvan de I:P-relatie hoger was dan het communautaire gemiddelde, daaraan konden ontlenen ° is reeds in strijd met een billijke verdeling van de last van de crisis over de ondernemingen. Het Gerecht mag deze situatie niet verergeren door zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen in de door verzoekster gewenste zin.
115 Bovendien moet eraan worden herinnerd, dat de aan verzoekster opgelegde boete overeenkomt met 18,75 ECU per ton overschrijding. Dit is veel lager dan het in artikel 12 van beschikking nr. 194/88 bepaalde bedrag. Genoemd artikel bepaalt: "Aan de ondernemingen die hun produktiequota of het gedeelte van deze quota dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd overschrijden wordt een boete opgelegd die in de regel 75 ECU bedraagt voor iedere ton waarmee zij hun quotum of gedeelte daarvan overschrijden."
116 Mitsdien kan het verzoek om verlaging van de boete niet worden ingewilligd.
117 Uit al hetgeen voorafgaat, volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
118 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld en de Commissie heeft gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen, dient laatstgenoemde in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer)
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy