Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Bevordering - Vereiste minimumdiensttijd in rang - Berekening - Aanvang - Aanstelling in vaste dienst - Tijdelijk functionaris die tot ambtenaar wordt benoemd - Geen invloed
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
2. Ambtenaren - Bevordering - Toezeggingen - Miskenning van bepalingen van Statuut - Gewettigd vertrouwen - Afwezigheid
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
3. Ambtenaren - Gelijke behandeling - Grenzen - Onwettig toegekend voordeel
Samenvatting
1. Uit artikel 45 Ambtenarenstatuut volgt dat de minimumdiensttijd in de rang die een ambtenaar moet hebben om bevorderbaar te zijn, wordt gerekend vanaf de datum van aanstelling in vaste dienst, wanneer het gaat om de eerste bevordering na de aanwerving.
Op grond van geen enkele bepaling in het Statuut kan ten aanzien van die minimumdiensttijd, het tijdvak waarin een ambtenaar vóór zijn aanstelling bij zijn instelling als tijdelijk functionaris in dienst is geweest, in aanmerking worden genomen, ook al kwam de verzoeker ten tijde van zijn aanwerving als tijdelijk functionaris, omdat hij voor een vergelijkend onderzoek was geslaagd, in aanmerking voor aanstelling als ambtenaar.
2. Toezeggingen dat met het oog op een bevordering het tijdvak waarin een ambtenaar bij zijn instelling als tijdelijk ambtenaar in dienst is geweest, in aanmerking zal worden genomen en die geen rekening houden met de toepasselijke bepalingen van het Statuut, kunnen bij de betrokkene geen gewettigd vertrouwen wekken.
3. Een ambtenaar kan, onder verwijzing naar het beginsel van gelijke behandeling, geen partij trekken van een praktijk, die in strijd is met de bepalingen van het Statuut, daar niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren.
Partijen
In zaak T-30/90,
W. Zoder, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Senningerberg (Luxemburg), vertegenwoordigd door A. May, bijgestaan door C. Kerschen, advocaten te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar ten kantore van laatstgenoemden, Grand-rue 31,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, bijgestaan door M. Peter en J. Pantalis, leden van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 8 september 1989 om verzoeker niet te plaatsen op de lijst van kandidaten die met ingang van 1 april 1988 zijn bevorderd naar de rang LA 6 van de vertalersloopbaan,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, D. A. O. Edward en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 27 februari 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Nadat verzoeker, W. Zoder, Duits onderdaan, was geslaagd voor een door het Europees Parlement (hierna: "Parlement") in oktober en november 1985 georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van Spaanstalige vertalers, werd hij op de naar aanleiding van dit onderzoek vastgestelde reservelijst geplaatst. Ondanks de plaatsing op die reservelijst werd hij op 6 januari 1986 door het Parlement niet als ambtenaar, maar als tijdelijk functionaris in dienst genomen. Vanaf 1 april 1986 werd hij als ambtenaar op proef met indeling in de rang LA 7 en met ingang van 1 januari 1987 in die rang als ambtenaar in vaste dienst aangesteld.
2 In februari 1989 werd verzoeker geplaatst op de lijst van ambtenaren die uit hoofde van het begrotingsjaar 1988 in aanmerking kwamen voor bevordering van de rang LA 7 naar de rang LA 6. Hij kwam evenwel niet voor op de lijst van kandidaten die met ingang van 1 april 1988 werden bevorderd naar de rang LA 6, zoals die bij besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 8 september 1989 was vastgesteld.
3 Bij schrijven van 7 december 1989 diende verzoeker tegen het besluit van 8 september 1989 een klacht in op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut"). Hij verweet de administratie, geen rekening te hebben gehouden met het totale tijdvak dat hij bij het Parlement had gewerkt. Hij wees erop dat hij vanaf 6 januari 1986 wegens een gebrek aan posten bij de Spaanse afdeling eerst als tijdelijk functionaris in dienst was genomen en vervolgens vanaf 1 april 1986 als ambtenaar op proef was aangesteld. Voorts beklaagde hij zich erover dat jongere collega' s, met een gelijkwaardig beoordelingsrapport, naar de rang LA 6 waren bevorderd, ofschoon zij na hem in dienst waren getreden. Deze ongelijke behandeling zou overigens in tegenspraak zijn met de verklaringen van de directeur-generaal Personeel, de heer Van den Berghe, tijdens een bijeenkomst ter verwelkoming van nieuwe ambtenaren en functionarissen, volgens welke de anciënniteit met het oog op latere bevordering voor een ieder die op een reservelijst had gestaan zou worden berekend vanaf de datum van aanwerving als ambtenaar of van aanstelling als tijdelijk functionaris. Verzoeker verwees voorts naar een door het bevorderingscomité tijdens zijn vergadering van 19 december 1988 genomen besluit, volgens hetwelk niet alleen rekening moest worden gehouden met de bijzondere situatie van de nieuwe afdelingen maar, naast voornoemde belofte van de directeur-generaal Personeel, ook met de waarborgen die de autoriteiten van het Parlement hadden gegeven aan personen die begin 1986 op geen enkele reservelijst stonden. In verzoekers geval zou dat besluit niet juist zijn toegepast en de leden van het personeelscomité die lid zijn van het bevorderingscomité zouden in een brief van juli 1989 de secretaris van dat comité, de heer Baldanza, op deze fout hebben gewezen.
4 Verzoekers klacht werd op 13 december 1989 door de directeur Vertaling en op 14 december 1989 door de directeur-generaal Vertaling en algemene diensten van het Parlement gunstig beoordeeld.
5 Als gevolg van een administratieve achterstand, die verweerder zelf als uitzonderlijk betitelde, beantwoordde het tot aanstelling bevoegde gezag de klacht eerst bij nota van 3 juli 1990. Ten aanzien van de ongelijke behandeling waarvan volgens verzoeker sprake was op grond dat voor enkele collega' s, die eveneens op een reservelijst hadden gestaan, de voor bevordering vereiste anciënniteit zou zijn berekend vanaf de datum van hun aanwerving als ambtenaar of van hun indiensttreding als tijdelijk functionaris, merkte de secretaris-generaal van het Parlement, E. Vinci, het volgende op:
"Hierbij deel ik u mede dat de in uw klacht genoemde maatregel na buitengewone goedkeuring van de voorzitter van het Parlement werd genomen jegens uw Spaanse en Portugese collega' s hoofdvertalers/reviseurs die geslaagd zijn voor de interne vergelijkende onderzoeken LA 101 en LA 102. Uw geval ligt uiteraard anders; u heeft deelgenomen aan een ander vergelijkend onderzoek, PE/94/LA, en uw aanstelling geldt met ingang van 1 april 1986.
Die maatregel kan jegens u niet discriminerend zijn daar hij werd genomen om een einde te maken aan de ongunstige situatie van vóór u, in juni 1985, geselecteerde collega' s, die als gevolg van de achterstand in de organisatie van hun interne vergelijkende onderzoeken eerst per 1 juni 1986 werden aangesteld. Derhalve kan uw situatie niet als identiek worden beschouwd, hetgeen een voorwaarde is om die maatregel eventueel ook op uw geval toe te passen.
Aangaande de bij besluit van 8 september 1989 naar de rang LA 6 bevorderde collega' s met gelijkwaardige verdiensten stel ik vast, dat zij een langere diensttijd in rang en categorie hebben, daar zij immers vóór de datum van uw aanstelling als ambtenaar zijn aangesteld."
6 Verzoeker werd met ingang van 1 januari 1989 naar de rang LA 6 bevorderd.
Het procesverloop
7 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht van eerste aanleg op 4 juli 1990, heeft verzoeker, zonder kennis te hebben genomen van een uitdrukkelijke afwijzing van zijn klacht, het onderhavige beroep ingesteld tot nietigverklaring van voormeld besluit van 8 september 1989.
8 De schriftelijke procedure is regelmatig verlopen. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten, zonder voorafgaande instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
9 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 1991. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben geantwoord op de door het Gerecht gestelde vragen.
10 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk te verklaren;
2) het beroep gegrond te verklaren;
3) het besluit tot afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren;
4) nietig te verklaren het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 8 september 1989 om hem niet te plaatsen op de lijst van kandidaten die met ingang van 1 april 1988 van de rang LA 7 naar de rang LA 6 van de vertalersloopbaan zijn bevorderd;
5) voor zoveel nodig, de tot stand gekomen bevorderingen nietig te verklaren;
6) verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.
11 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
2) voor zoveel nodig, het beroep ongegrond te verklaren;
3) kosten rechtens.
De ontvankelijkheid
12 Verweerder betwist de ontvankelijkheid van het beroep met het betoog, dat verzoeker voor het jaar 1988 niet bevorderbaar was. Hij concludeert hieruit, dat het beroep niet tegen een voor verzoeker bezwarend besluit is gericht en dat laatstgenoemde geen procesbelang kan aantonen.
13 Tot staving van dit middel stelt verweerder dat de minimumdiensttijd in de rang van twee jaar die volgens artikel 45 van het Statuut vereist is om bevorderd te kunnen worden, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof (arrest van 13 december 1984, gevoegde zaken 20/83 en 21/83, Vlachos, Jurispr. 1984, blz. 4149, en beschikking van 7 oktober 1987, zaak 248/86, Brueggemann, Jurispr. 1987, blz. 3963) pas inging bij verzoekers benoeming in vaste dienst, die op 1 januari 1987 plaatsvond. Verzoekers naam had derhalve niet behoren te staan op de lijst van kandidaten die uit hoofde van het begrotingsjaar 1988 bevorderbaar waren.
14 Hoe dan ook, aldus verweerder, zou die lijst voor het omstreden besluit geen gevolgen hebben gehad waardoor verzoekers statutaire belangen rechtstreeks en onmiddellijk zouden zijn geraakt. Van de wel bevorderde kandidaten was er immers slechts één op dezelfde datum als verzoeker aangesteld en in vaste dienst benoemd. Die kandidaat had in totaal meer punten gekregen dan verzoeker (56,50 tegen 55,50). De overige bevorderde kandidaten waren vóór verzoeker aangesteld en in vaste dienst benoemd. Bijgevolg zou noch het besluit van 8 september 1989 noch de eventuele nietigverklaring daarvan de situatie van verzoeker raken.
15 Verzoeker stelt daarentegen dat hij voor het begrotingsjaar 1988 bevorderbaar was. Bij het besluit van 8 september 1989 zou een vergissing in zijn nadeel zijn gemaakt bij de berekening van zijn diensttijd. Bijgevolg zou dit een voor hem bezwarend besluit zijn, zodat hij procesbelang heeft. Tot staving van dit betoog voert hij aan dat hij per 6 januari 1986 is aangeworven, zodat zijn diensttijd vanaf die datum moest worden berekend.
16 Hij voegt hieraan toe dat van de 25 personen die in de loop van 1988 naar de rang LA 6 zijn bevorderd, ten minste 21 zich in dezelfde situatie bevonden als hij; bij hun plaatsing op de lijst van voor het begrotingsjaar 1988 bevorderbare kandidaten werd namelijk de datum van hun aanstelling als ambtenaar op proef en niet die van hun benoeming in vaste dienst als uitgangspunt voor de berekening van hun diensttijd genomen. Voorts zouden meerdere op die lijst geplaatste kandidaten in het kader van de bevorderingsprocedure voor het begrotingsjaar 1988 twee jaar na hun aanstelling als ambtenaar op proef en niet twee jaar na hun benoeming in vaste dienst zijn bevorderd, ondanks het feit dat zij na verzoeker waren aangesteld en in vaste dienst genomen.
17 Verweerder antwoordt op dit laatste argument, dat de gevallen waarop verzoeker doelt, geen betrekking hebben op het besluit van 8 september 1989.
18 Alvorens in te gaan op het door verweerder aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid zij opgemerkt, dat partijen het er ter terechtzitting over eens zijn geworden dat het onderhavige geding in hoofdzaak draait om de vraag, vanaf welke datum verzoekers diensttijd volgens de regels inzake bevorderingen moet worden berekend; volgens verzoeker moet de datum van zijn aanstelling als tijdelijk functionaris in aanmerking worden genomen, terwijl verweerder het tegendeel stelt.
19 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 45, lid 1, van het Statuut het volgende bepaalt;
"Bevordering vindt plaats bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag. Zij brengt voor de betrokken ambtenaar aanstelling mede in de eerstvolgende hogere rang van de categorie of groep waartoe hij behoort. Bevordering geschiedt uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.
Deze minimumdiensttijd bedraagt voor ambtenaren in de aanvangsrang van hun groep of categorie zes maanden, te rekenen van hun aanstelling in vaste dienst; voor de overige ambtenaren bedraagt hij twee jaar."
20 Uit de formulering van deze bepaling volgt dat verzoeker, die niet in de aanvangsrang van zijn groep maar in de rang LA 7 was aangesteld, in casu slechts bevorderbaar was indien hij een minimumdiensttijd had van twee jaar, te rekenen van zijn aanstelling in vaste dienst, dat wil zeggen van 1 januari 1987.
21 Deze uitlegging wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof, volgens welke een ambtenaar om voor bevordering in aanmerking te komen, een minimumdiensttijd moet hebben die al naar het geval zes maanden of twee jaar bedraagt, te rekenen van zijn aanstelling in vaste dienst (zie het arrest van 13 december 1984, gevoegde zaken 20/83 en 21/83, Vlachos, r.o. 18, reeds aangehaald, en de beschikking van 7 oktober 1987, zaak 248/86, Brueggemann, r.o. 7 en 8, reeds aangehaald).
22 Verder volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 44 van het Statuut, dat de automatische overgang van een ambtenaar naar een volgende salaristrap regelt, dat op grond van geen enkele bepaling in het Statuut een tijdvak waarin een ambtenaar voordien als tijdelijk functionaris bij zijn instelling in dienst is geweest, in aanmerking kan worden genomen, en dat de bijzondere omstandigheid dat verzoeker ten tijde van zijn aanwerving als tijdelijk functionaris voor een vergelijkend onderzoek was geslaagd en derhalve in aanmerking kwam voor aanstelling als ambtenaar, aan deze vaststelling niet afdoet (zie de arresten van 6 juni 1985, zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1731, en 19 april 1988, zaak 37/87, Sperber, Jurispr. 1988, blz. 1943). Deze redenering, die het Hof heeft gevolgd met betrekking tot artikel 44, dat niet uitdrukkelijk voorschrijft vanaf welke datum de anciënniteit van de betrokkene moet worden berekend, kan a fortiori worden toegepast op artikel 45, dat de betrokken datum uitdrukkelijk vermeldt.
23 Uit het voorgaande volgt, dat in casu de datum die voor de berekening van verzoekers diensttijd in de rang in aanmerking moet worden genomen 1 januari 1987 is, de datum waarop hij in vaste dienst is benoemd. De minimumdiensttijd van twee jaar, die recht geeft op bevordering, had hij derhalve bereikt op 1 januari 1989, toen hij inderdaad is bevorderd.
24 Hieruit volgt dat verzoeker uit hoofde van het begrotingsjaar 1988 niet bevorderbaar was, omdat hij de vereiste minimumdiensttijd niet had bereikt. Het besluit van 8 september 1989, waarbij een aantal ambtenaren per 1 april 1988 werd bevorderd, kon bijgevolg geen bezwarend besluit zijn voor verzoeker, die dan ook geen belang heeft bij nietigverklaring ervan.
25 Voor zover de directeur-generaal Personeel de nieuwe ambtenaren en functionarissen in 1986 de verzekering zou hebben gegeven, dat met het oog op een latere bevordering de datum van hun aanwerving of van hun aanstelling in aanmerking zou worden genomen, merkt het Gerecht ten overvloede op dat dergelijke toezeggingen, zo zij al bewezen waren, bij de betrokkenen geen gewettigd vertrouwen hebben kunnen wekken, aangezien zij zouden zijn gedaan zonder rekening te houden met de bepalingen van het Statuut (zie het arrest van het Hof van 6 februari 1986, zaak 162/84, Vlachou, Jurispr. 1986, blz. 481, r.o. 6, en het arrest van het Gerecht van 27 maart 1990, zaak T-123/89, Chomel, Jurispr. 1990, blz. II-131, r.o. 30).
26 Gesteld ten slotte dat verweerder inderdaad ambtenaren heeft bevorderd die slechts beschikten over een anciënniteit van twee jaar, gerekend van hun aanstelling als ambtenaar op proef - en niet van hun benoeming in vaste dienst - kan verzoeker geen partij trekken van die praktijk, die in strijd is met de bepalingen van het Statuut, daar niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (arresten van het Hof van 9 oktober 1984, zaak 188/83, Witte, Jurispr. 1984, blz. 3465, r.o. 15, en 4 juli 1985, zaak 134/84, Williams, Jurispr. 1985, blz. 2225, r.o. 14).
27 Uit het voorafgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht, moet de partij die in het ongelijk is gesteld, in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dat Reglement evenwel blijven de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy