Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Beoordeling - Beoordelingsrapport - Rechterlijke toetsing - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 43)
2. Ambtenaren - Organisatie van diensten - Tewerkstelling van personeel - Beoordelingsbevoegdheid van administratie - Grenzen - Dienstbelang - Eerbiediging van gelijkwaardigheid van ambten - Besluit tot nieuwe tewerkstelling - Interne organisatiemaatregel - Geen verplichting om te motiveren en betrokkene vooraf te horen
(Ambtenarenstatuut, art. 7, lid 1)
Samenvatting
1. De waardering van een ambtenaar door zijn hiërarchieke meerderen in een beoordelingsrapport vormt een waardeoordeel, dat enkel van de persoonlijke mening van die meerderen afhangt en waarvoor het Gerecht niet zijn eigen oordeel in de plaats mag stellen.
2. De gemeenschapsinstellingen komt een ruime beoordelingsbevoegdheid toe om bij de organisatie van hun diensten, van de hun toevertrouwde taken uit te gaan en met het oog daarop het te hunner beschikking staande personeel tewerk te stellen, met dien verstande evenwel, dat deze aanstelling in het belang van de dienst moet zijn en de gelijkwaardigheid van de ambten moet worden geëerbiedigd.
De toewijzing van nieuwe taken die aan die twee voorwaarden voldoet en die geen afbreuk doet aan de statutaire positie van de belanghebbende, is een louter interne organisatiemaatregel, genomen in het dienstbelang. Bijgevolg behoeft de administratie een dergelijk besluit niet met redenen te omkleden en behoeft zij de betrokken ambtenaar niet vooraf te horen.
Partijen
In zaak T-33/90,
C. von Bonkewitz-Lindner, ambtenaar bij het Europees Parlement, wonende te Straatsburg, vertegenwoordigd door R. P. Schmidt, advocaat te Trier, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Lutgen, advocaat aldaar, Place de Paris 2A,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en M. Peter, diensthoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A. Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, Côte d' Eich 22,
verweerder,
betreffende een beroep, in de eerste plaats strekkende tot veroordeling van het Parlement om het over de periode 1 januari 1987 - 1 januari 1989 vastgestelde beoordelingsrapport van verzoekster te wijzigen; in de tweede plaats, nietigverklaring van de nota van 2 oktober 1989 waarbij verzoeksters diensthoofd haar bepaalde taken heeft onttrokken; in de derde plaats, nietigverklaring van de nota van 31 januari 1990, waarbij hetzelfde diensthoofd haar nieuwe taken heeft toegewezen; en in de vierde plaats, veroordeling van het Parlement tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster stelt te hebben geleden,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Yeraris, kamerpresident, A. Saggio en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de schriftelijke procedure en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 27 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoekster trad op 1 september 1977 als tijdelijk functionaris in dienst van het Europees Parlement (hierna "Parlement"). Op 1 oktober 1977 werd zij als ambtenaar op proef aangesteld in de rang C 3, salaristrap 3. Op 1 april 1978 werd zij in die rang in vaste dienst benoemd.
2 Nadat zij met succes had deelgenomen aan de examens van intern vergelijkend onderzoek nr. B/141, werd verzoekster bij besluit van 8 november 1983 per 1 oktober 1983 aangesteld als ambtenaar van categorie B met indeling in de rang B 5. Het aanstellingsbesluit verwees - kennelijk ten onrechte, zoals verzoekster ter terechtzitting heeft erkend - naar kennisgeving van vacature nr. 4144.
3 Op 9 november 1983 deelde het bevoegde diensthoofd verzoekster schriftelijk mee, welke taken zij diende te verrichten. In de betrokken nota werd met name vermeld:
"1) Organisatie van bezoeken van groepen te Straatsburg
a) Mevrouw von Bonkewitz ontvangt alle correspondentie en beantwoordt deze per omgaande. Zij zorgt voor de planning op lange termijn voor de verdeling van bezoekersgroepen over de zittingsweken. Zij stelt voorlopig vast, tijdens welke zittingsweken de diverse groepen zullen worden ontvangen. De betrokken correspondentie wordt mij ter ondertekening voorgelegd.
2) Organisatie van bezoeken van groepen te Luxemburg
Wegens de werkoverlast van mevrouw H. organiseert mevrouw von Bonkewitz de bezoeken van Duitstalige groepen te Luxemburg.
Zij is belast met de correspondentie, maakt het informatiemateriaal klaar, legt contacten met de betrokkenen, zorgt samen met mevrouw D. voor de algemene cooerdinatie en bereidt de kostenregeling voor.
3) Boekhouding
Na vaststelling van de kostenregeling voor de bezoeken te Straatsburg door mevrouw H., zorgt mevrouw von Bonkewitz voor de algemene boekhouding betreffende de groepen te Straatsburg en te Luxemburg. Maandelijks bezorgt zij het diensthoofd een rapport."
4 Bij nota van 24 januari 1984 werd verzoekster op regelmatige wijze aangesteld als administratief inspecteur (loopbaan B 5/4), naar welke functie zij had gesolliciteerd (kennisgeving van vacature nr. 4143). Deze functie omvatte de volgende taken:
"Uitvoering van lopende uitvoerende en leidinggevende werkzaamheden, omvattende met name:
- verzending van correspondentie;
- planning van bezoekersgroepen (data, tijden, voordrachten, enz.);
- praktische organisatie van de ontvangst te Straatsburg en te Luxemburg;
- berekening van de vergoedingen."
5 Per 1 april 1984 werd verzoekster bevorderd naar de rang B 4.
6 Op 4 februari 1986 stelde het diensthoofd een schriftelijk werkschema voor de afdeling op ten behoeve van de planning van de groepsbezoeken te Luxemburg. In de betrokken nota, onderverdeeld in zeven punten, werden aan verzoekster bepaalde taken toegewezen die specifiek betrekking hadden op de organisatie van de bezoeken van Duitstalige groepen (punten 1 en 3), alsmede andere taken die meer in het algemeen de organisatie van de bezoeken van groepen van alle talen betroffen.
7 Op 1 april 1988 werd een nieuw diensthoofd aangesteld.
8 Op 8 juni 1988 verzocht verzoekster het tot aanstelling bevoegde gezag haar functie te herwaarderen en haar met terugwerkende kracht tot 1 april 1986 in te delen in rang 3 van categorie B. Tot staving van haar verzoek wees zij op haar taken in verband met de Duitstalige bezoekersgroepen. Tevens verklaarde zij, dat zij op de aanstelling van een nieuw diensthoofd had gewacht om haar verzoek in te dienen.
9 Op 23 november 1988 wees het tot aanstelling bevoegde gezag dat verzoek af.
10 Op 21 februari 1989 diende verzoekster een klacht in tegen dat besluit.
11 Op 5 juli 1989 wees de secretaris-generaal van het Parlement de klacht af, onder meer op grond van de navolgende motivering:
"Uit de mij verstrekte informatie blijkt, dat uw hiërarchieke meerderen u nooit hebben verzocht, taken van categorie A te vervullen. Zo bepaalde door u verrichte taken wellicht overeenkomen met die van een hogere categorie, maken zij evenwel niet het hoofdbestanddeel van uw werk uit."
12 Verzoekster heeft geen beroep tot nietigverklaring van de afwijzing van haar verzoek en van haar klacht ingesteld.
A - Het beoordelingsrapport 1987-1988
13 Op 7 september 1989 werd verzoekster bij het diensthoofd ontboden voor het in de gids voor de beoordeling van het Parlement voorziene gesprek met het oog op de opstelling van haar beoordelingsrapport. Tijdens dit gesprek verzocht verzoekster, dat voortaan in haar beoordelingsrapport onder de rubriek van de haar opgedragen taken zou worden vermeld:
"Zelfstandige opvang van Duitstalige bezoekersgroepen te Luxemburg onder verantwoordelijkheid van het diensthoofd, te weten:
- het nemen van beslissingen met betrekking tot de keuze van de te ontvangen groepen,
- het nemen van beslissingen met betrekking tot de tegemoetkoming in de reiskosten,
- terbeschikkingstelling van sprekers en/of het zelfstandig geven van voordrachten voor de groepen,
- planning en afwikkeling van de desbetreffende correspondentie en boekhouding."
Het diensthoofd ging niet in op dat verzoek.
14 Op 18 respectievelijk 21 september 1989 ondertekenden het bevoegde diensthoofd en de bevoegde directeur verzoeksters beoordelingsrapport.
15 Op 16 oktober 1989 ondertekende verzoekster haar beoordelingsrapport, doch voegde een bijlage met haar opmerkingen bij. Deze opmerkingen hadden betrekking op de opgave van de voornaamste door haar verrichte taken (punt 7, sub b, van het beoordelingsrapport) en op de - door verzoekster onvoldoende geachte - waardering "voldoende" die zij had gekregen voor "Organisatorische bekwaamheden - Methode" (punt 10, sub 1, 4, van het beoordelingsrapport). Bij de bijlage was een door verzoekster opgesteld verslag gevoegd van haar gesprek met het diensthoofd op 7 september 1989.
16 Eind oktober 1989 maakte het diensthoofd bij punt 12 van het beoordelingsrapport ("Eventueel antwoord van de verantwoordelijke voor de beoordeling in geval van opmerkingen van de ambtenaar of het personeelslid") de navolgende opmerking: "De door mevrouw von Bonkewitz gegeven beschrijving van haar taken is even onwaar als haar 'samenvatting' van het beoordelingsgesprek onjuist is".
17 Op 8 december 1989 diende verzoekster een klacht in tegen haar beoordelingsrapport, waarin zij de vermeldingen en de waardering bij respectievelijk punt 7, sub b, en punt 10, sub 1, 4, betwistte. Met betrekking tot het eerste punt betoogde zij: "Tijdens de betrokken periode heb ik tegenover bezoekers en Duitse groepen taken verricht die in de regel door een ambtenaar van categorie A, bijgestaan door een ambtenaar van categorie C, worden verricht". Wat het tweede punt aangaat, stelde zij: "In de gegeven omstandigheden ben ik van mening, dat de bij punt 10/4 gegeven waardering te laag is in verhouding tot mijn werkelijke prestaties. Het verdient opmerking, dat meer dan 30% van de bezoekers Duitsers zijn en dat de organisatie geen aanleiding tot klachten of opmerkingen heeft gegeven."
18 Bij brief van 19 april 1990 wees de secretaris-generaal van het Parlement de klacht af.
B - De ontheffing van de taken verband houdend met de organisatie van bezoeken van Duitstalige groepen te Luxemburg
19 Op 21 september 1989 zond het diensthoofd verzoekster een nota, bedoeld om de in voorkomend geval door zijn toedoen veroorzaakte misverstanden met betrekking tot de precieze inhoud van haar taken weg te nemen, zoals de misverstanden die bij het gesprek van 7 september 1989 over de opstelling van het beoordelingsrapport zouden zijn gerezen en die welke tot uiting waren gekomen in het door haar na dat gesprek opgestelde "verslag", dat hij had betwist. In deze nota preciseerde het diensthoofd, dat verzoeksters taken uitsluitend de materiële aspecten van de voorbereiding en het verloop van de bezoeken van Duitstalige groepen te Luxemburg betroffen. Tot die taken behoorden onder meer de opstelling van een bezoekersprogramma volgens het voorhanden zijnde schema, de voorbereiding van elk bezoek door de desbetreffende correspondentie, de vervollediging van administratieve documenten (deelnemerslijst, betalingsformaliteiten), de financiële planning op basis van de beslissingen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen, het zoeken van sprekers en de ontvangst van de groepen. Volgens de nota waren van verzoeksters taken uitgesloten: de beslissing over het al dan niet ontvangen van een bepaalde groep, de beslissing over tegemoetkomingen en het geven van voordrachten voor de groepen. Om voorts verzoekster beter te doen inzien, welke precies haar taken waren, zou het diensthoofd in het vervolg op elke schriftelijke aanvraag voor een bezoek met de hand zijn beslissingen vermelden over de ontvangst van de betrokken groep, het aantal personen aan wie in voorkomend geval een tegemoetkoming in de reiskosten zou worden betaald en over de eventuele organisatie van een lunch. Het diensthoofd verklaarde dat hij voor de toekomst bij de voorbereiding van die beslissingen zou afzien van verzoeksters diensten.
20 Op 2 oktober 1989 deelde het diensthoofd verzoekster als "aanvulling" op zijn nota van 21 september 1989 mee, dat zij per 1 januari 1990 werd ontheven van haar taken verband houdend met de organisatie van de bezoeken van Duitstalige groepen te Luxemburg. Hij voegde daaraan toe, dat de aanvragen voor bezoeken voor het jaar 1990 aan hem, of bij zijn afwezigheid, aan een andere ambtenaar moesten worden gezonden en dat verzoekster te gepasten tijde een omschrijving van haar nieuwe taken zou ontvangen.
21 Op 19 december 1989 diende verzoekster een klacht in tegen de nota' s van 21 september en 2 oktober 1989. Om te beginnen wees zij op het geschil met haar diensthoofd over de omschrijving, in haar beoordelingsrapport, van de taken die zij sedert 9 november 1983 in werkelijkheid zou hebben verricht met betrekking tot de organisatie van de bezoeken van Duitstalige groepen te Luxemburg. Voorts betoogde zij, dat het haar onttrekken van deze taken in werkelijkheid een tuchtmaatregel was, die zonder naleving van de daartoe te volgen procedure jegens haar was genomen door een ter zake niet bevoegde instantie (het diensthoofd in plaats van het tot aanstelling bevoegde gezag), die niet was gemotiveerd (haars inziens waren de nota' s van 21 september en 2 oktober 1989 niet gemotiveerd) en die schending van het beginsel van goed beheer en van het evenredigheidsbeginsel opleverde (daar kennelijk iedereen tevreden was over de wijze waarop zij haar taken verrichtte), zodat de betrokken maatregelen niet anders dan als misbruik van bevoegdheid konden worden gezien. Verzoekster voegde daaraan toe, dat de administratie door aldus te handelen het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen had geschonden, haar zorgvuldigheidsplicht niet was nagekomen en te kort was geschoten in de eerbiediging van de mens als individuele persoonlijkheid.
22 Het tot aanstelling bevoegde gezag wees deze klacht stilzwijgend af door niet uitdrukkelijk te antwoorden binnen de termijn van vier maanden, voorzien in artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna "Statuut"), welke termijn op 19 april 1990 verstreek.
C - De toewijzing van nieuwe taken
23 Bij handgeschreven nota van 12 januari 1990, door verzoekster ontvangen op 22 januari daaraanvolgend, gelastte het diensthoofd verzoekster een alfabetische lijst op te stellen, gerangschikt naar plaats van herkomst, van alle groepen van Duitstalige bezoekers die in 1989 te Luxemburg waren ontvangen, met opgave van de groepen waarvoor een lunch was georganiseerd.
24 Bij nota van 31 januari 1990 deelde het diensthoofd verzoekster de omschrijving van haar nieuwe taken binnen de afdeling mee; deze taken betroffen:
"- opzoeken van documentatie voor de administrateurs met het oog op de voorbereiding van discussies met de bezoekers,
- bijhouden van documentatie in alle talen,
- opstelling van statistieken betreffende het aantal bezoekers te Luxemburg,
- beheer van de voorraad en bestellingen van bureaumateriaal,
- bijhouden van de inventaris van de afdeling bezoeken;
- opslag en verspreiding van informatiebulletins (processen-verbaal van het Quaestorencollege, INFO-MEMO, Agence Europe, Dépêches, enz.),
- archivering en evaluatie van de correspondentie betreffende bezoekersgroepen,
- cooerdinatie en evaluatie van bezoekaanvragen van schoolklassen."
In de nota werd een medewerker van de dienst met de rang van administrateur als nieuwe hiërarchieke meerdere van verzoekster aangewezen, die op de uitvoering van haar taken moest toezien.
25 Bij brief van haar advocaat van 2 maart 1990, ingekomen bij het Parlement op 5 maart daaraanvolgend, diende verzoekster een klacht in tegen de nota van 31 januari 1990. In deze derde klacht verwees verzoekster in de eerste plaats naar de inhoud van haar eerste twee klachten. Voorts bestempelde zij de nota van 31 januari 1990 als een "diminutio capitis", daar de voorheen door haar verrichte taken, die overeenstemden met ambten van categorie A of B (zij verwees naar de beslissing over de te ontvangen groepen en over de keuze van de groepen die voor tegemoetkomingen in aanmerking kwamen, de voordrachten, de correspondentie, de organisatie van het praktische verloop van de bezoeken en de berekening van de vergoedingen), waren vervangen door taken die overeenstemden met ambten van categorie C of D. Een dergelijke maatregel, die neerkwam op overplaatsing, benadeelde verzoekster en had derhalve om te beginnen met redenen omkleed moeten zijn in de zin van artikel 25 van het Statuut. Voorts had deze maatregel slechts het resultaat mogen zijn van een tuchtrechtelijke procedure zijn (die volgens verzoekster tegen haar niet is gevoerd omdat haar niets te verwijten viel). Ten slotte kon het tot aanstelling bevoegde gezag enkel in het dienstbelang tot overplaatsing besluiten, en diende de betrokken ambtenaar daarvan op voorhand in kennis te worden gesteld. In casu had het diensthoofd niet in het dienstbelang gehandeld en verzoekster derhalve niet op voorhand in kennis kunnen stellen van de vereisten van dat belang. In werkelijkheid had het diensthoofd zich laten leiden door persoonlijke overwegingen, met de bedoeling verzoekster elke mogelijkheid tot bevordering binnen haar loopbaan te ontzeggen. Ten slotte betoogde verzoekster in haar klacht, dat het feit dat zij van 1 tot en met 31 januari 1990 in haar kamer aanwezig had moeten zijn zonder dat haar enige taak was toegewezen, schending van artikel 35 van het Statuut opleverde. De handgeschreven nota van het diensthoofd van 12 januari 1990, door verzoekster op 22 januari daaraanvolgend ontvangen, veranderde daaraan niets.
26 Het tot aanstelling bevoegde gezag wees deze klacht stilzwijgend af door niet uitdrukkelijk te antwoorden binnen de termijn van vier maanden, voorzien in artikel 90, lid 2, van het Statuut, welke termijn op 5 juli 1990 verstreek.
27 Op 18 juli 1990 wees de secretaris-generaal van het Parlement de klacht af. In de eerste plaats merkte hij op, dat het besluit van 31 januari 1990 gemotiveerd was door omstandigheden waarvan verzoekster in de maanden vóór het besluit volledig op de hoogte was gesteld. In de tweede plaats paste het besluit in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid van de administratie op het gebied van de interne organisatie, zodat het gerechtvaardigd moest worden geacht in het belang van de dienst waartoe verzoekster behoorde. In de derde plaats stemden verzoeksters nieuwe taken in hun geheel beschouwd overeen met haar rang en haar ambt, en was het bestreden besluit ten slotte geen tuchtmaatregel.
De procedure
28 Na de afwijzing van haar drie klachten heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 juli 1990, het onderhavige beroep ingesteld. Het Gerecht (Derde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
29 Bij brief van de griffier van 31 mei 1991 heeft het Gerecht verzoekster en het Parlement evenwel verzocht, vóór 14 juni 1991 schriftelijk te antwoorden op vijf vragen met betrekking tot verzoeksters taken.
30 Bij op 14 juni 1991 ter griffie van het Gerecht ingekomen brieven hebben verzoekster en het Parlement de vragen van het Gerecht beantwoord.
31 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 27 juni 1991. De vertegenwoordigers van partijen zijn gehoord in hun pleidooien en antwoorden op de vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
32 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ontvankelijk te verklaren;
- verweerder te veroordelen tot het opstellen van een beoordelingsrapport voor verzoekster over de periode van 1 januari 1987 tot 1 januari 1989, met onder punt 7, sub b, een omschrijving van de voornaamste door verzoekster in die periode verrichte taken;
- verweerder te veroordelen om verzoekster onder punt 10, sub 1, 4, van dat beoordelingsrapport een behoorlijke waardering toe te kennen;
- vast te stellen, dat de bij nota van 2 oktober 1989 bepaalde onttrekking aan verzoekster van de door haar verrichte taken onrechtmatig is;
- vast te stellen, dat de toewijzing aan verzoekster bij nota van 31 januari 1990 van een van de functieomschrijving afwijkende, slechts bijkomende werkzaamheid als hoofdtaak, onrechtmatig is;
- verweerder te veroordelen tot vergoeding van materiële en immateriële schade;
- verweerder in de kosten te verwijzen.
Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage, het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten.
Ten gronde
Verzoeksters beoordelingsrapport over de periode 1987-1988
De omschrijving van haar taken
33 Verzoekster betoogt, dat zij sedert de nota van 9 november 1983 van haar toenmalig diensthoofd in werkelijkheid taken van aan administrateur van categorie A, bijgestaan door een ambtenaar van categorie C, heeft verricht, hetgeen overeenkomt met de structuur van de andere talensecties binnen de afdeling "bezoeken". Zo besliste zij, zoals haar collega' s van categorie A van de andere talensecties, zelf, welke groepen werden ontvangen en welke tegemoetkomingen hun werden toegekend en gaf zij uiteenzettingen aan Duitstalige bezoekersgroepen, dit alles tot een ieders tevredenheid.
34 Tot staving daarvan legt zij een aantal documenten over, waaronder voormelde nota' s van 9 november 1983 en 4 februari 1986, een nota van haar diensthoofd van 8 september 1988 die aan haarzelf en aan een aantal andere verantwoordelijke ambtenaren van categorie A van andere talensecties was gericht, alsmede een brief van het diensthoofd van 27 januari 1989, gericht aan een Duitstalige bezoekersgroep.
35 Uit deze documenten leidt verzoekster af, dat zij dezelfde taken verrichtte als de verantwoordelijke ambtenaren van de andere talensecties van de afdeling, zodat het op 6 september 1988 opgestelde en nog steeds geldende organigram van de afdeling onjuist is, voor zover daarin het diensthoofd als "verantwoordelijke voor de Duitse sectie" wordt genoemd (een functie die vergelijkbaar is met die van de administrateurs van de andere talensecties) en aan verzoekster de "cooerdinatie van de te Luxemburg ontvangen groepen" als taak werd toegewezen, terwijl zij in werkelijkheid de verantwoordelijke voor de Duitse sectie was. Zij verwijst naar de op 14 maart 1988 bekendgemaakte kennisgeving van vacature nr. 5510, die de post van verantwoordelijke voor de Nederlandse sectie betrof, en concludeert op basis van de functiebeschrijving in die kennisgeving, dat zij van 1983 tot 1989 taken van een ambtenaar van categorie A heeft verricht.
36 Op deze abnormale situatie zou zijn gewezen in een brief van 17 mei 1987 van de vice-president van het Parlement aan de secretaris-generaal (welke brief niet bij het dossier is gevoegd). In zijn antwoord van 13 juni 1988 op die brief zou de secretaris-generaal hebben erkend, dat er een probleem bestond. Verzoekster wijst overigens op een tegenstrijdigheid tussen voormelde brief van de secretaris-generaal en die van 5 juli 1989, waarbij hij verzoekers klacht tegen haar niet-bevordering tot de rang B 3 afwees, inzonderheid op grond dat haar meerderen haar nooit taken hadden toevertrouwd die met een ambt van categorie A overeenstemden.
37 Om die reden betoogt verzoekster, dat de "opgave van de voornaamste verrichte taken" (punt 7, sub b, van het beoordelingsrapport) sedert 1983 niet met de werkelijkheid strookt. Alleen de omschrijving die zij tijdens het gesprek van 7 september 1989 met het diensthoofd had voorgesteld, was juist. Deze kennelijke onjuistheid is in strijd met de regels van de gids voor de beoordeling, krachtens welke zij er recht op heeft, dat de voornaamste door haar verrichte taken in haar beoordelingsrapport worden vermeld. Verzoekster voegt daaraan toe, dat zij een rechtmatig belang heeft bij de vaststelling dat zij taken van een hoger niveau, namelijk taken behorend tot een ambt van categorie A, heeft verricht, met name met het oog op latere bevorderingen. Voorts stelt zij, dat haar rechten zijn geschonden doordat in haar geval de regel van de overeenkomst tussen rang en ambt is miskend, daar zij taken van een ambtenaar van categorie A heeft verricht, terwijl zij slechts de beloning van rang B 4 ontving.
38 In repliek betoogt verzoekster voorts dat de eindbeoordelaar, in strijd met het algemene besluit van het Parlement inzake het verloop van de beoordeling, een gesprek met haar over haar beoordeling heeft geweigerd, met de verklaring dat hij zich "niet verantwoordelijk" achtte.
39 Het Parlement bestrijdt de feiten waarop verzoekster haar argumenten baseert, te weten dat zij taken zou hebben verricht die overeenstemmen met die van een ambt van categorie A. Volgens het Parlement blijkt duidelijk uit de door verzoekster aangehaalde nota' s, dat zij voorbereidende en uitvoerende taken verrichtte, doch geen beslissingsbevoegdheid had. Het was niet verzoekster die besliste, welke groepen moesten worden ontvangen en welke tegemoetkomingen moesten worden toegekend. Met betrekking tot de voordrachten die verzoekster stelt te hebben gegeven, stelt het Parlement vast, dat dit argument met klem door het diensthoofd wordt afgewezen.
40 Volgens het Parlement volgt daaruit, dat punt 7, sub b, van het beoordelingsrapport volkomen juist is en geen nadere verklaring behoeft.
41 In dit verband betoogt het Parlement voorts, dat in de voorgaande beoordelingsrapporten de door verzoekster "voornaamste verrichte taken" in dezelfde bewoordingen zijn omschreven, hetgeen in het huidige stadium niet meer kan worden betwist.
42 In dupliek stelt het Parlement bovendien voor, het verzoek om rectificatie van punt 7, sub b, af te wijzen omdat het irrelevant is, daar de taakomschrijving uitsluitend een statistisch belang heeft en voor de betrokken ambtenaar derhalve voordelen noch nadelen heeft, zeker wanneer het beoordelingsrapport een reeds voorbije periode, in casu 1987-1988, betreft.
43 Eveneens in dupliek merkt het Parlement ten slotte op, dat in punt 10, sub 3, b, van het beoordelingsrapport gewag wordt gemaakt van een gesprek met de eindbeoordelaar op 4 oktober 1989, en dat verzoekster het rapport op 16 oktober 1989 zonder enig voorbehoud dienaangaande heeft ondertekend.
44 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster er recht op heeft, dat haar beoordelingsrapport onder punt 7, sub b, een getrouwe weergave bevat van de voornaamste door haar in de loop van de betrokken periode verrichte taken.
45 Bijgevolg moet worden onderzocht, of verzoeksters beoordelingsrapport een nauwkeurige omschrijving bevat van de taken die zij in werkelijkheid heeft verricht.
46 De drie nota' s die verzoekster overlegt tot staving van haar stelling, dat zij taken van een ambtenaar van categorie A heeft verricht, door zelf beslissingen te nemen met betrekking tot de keuze van de te ontvangen groepen en de hun toe te kennen tegemoetkomingen, volstaan dienaangaande niet.
47 Immers, uit de nota van 9 november 1983 blijkt niet, dat verzoekster beslissingsbevoegdheid had ten aanzien van de keuze van de te ontvangen groepen en de toe te kennen tegemoetkomingen.
48 De nota van 4 februari 1986 verleent verzoekster evenmin beslissingsbevoegdheid, daar zij ingevolge die nota "de Duitse aanvragen ontvangt" en "verantwoordelijk is voor de directe ontvangst en voor de organisatorische en financiële afwikkeling van het bezoek".
49 Ten slotte kan uit de nota die het nieuwe diensthoofd op 8 september 1988 aan verzoekster en aan vier ambtenaren van categorie A zond, niet worden geconcludeerd, dat verzoekster taken verrichtte die tot een ambt van die categorie behoorden. Deze nota had immers uitsluitend tot doel, binnen de afdeling de ambtenaar aan te wijzen aan wie de kostenramingen moesten worden overgelegd. Partijen zijn het er over eens, dat verzoekster rechtstreeks samenwerkte met het diensthoofd, dat volgens het destijds geldende organigram ook voor de Duitstalige bezoeken verantwoordelijk was. Het diensthoofd had dan ook goede redenen om deze informatie rechtstreeks aan zijn ondergeschikte te zenden, ook al volgde hij voor de andere talensecties de hiërarchieke weg.
50 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat verzoekster rechtens niet genoegzaam heeft aangetoond, dat in de omschrijving van haar voornaamste taken onder punt 7, sub b, van haar beoordelingsrapport ten onrechte geen melding wordt gemaakt van beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de keuze van de te ontvangen groepen en de toe te kennen tegemoetkomingen.
51 Voorts moet worden opgemerkt, dat zo verzoekster heeft aangetoond dat zij een aantal voordrachten voor bezoekersgroepen heeft gegeven, zulks nog niet betekent dat zij daarmee taken behorend tot ambten van categorie A heeft verricht.
52 Om te beginnen zij in dit verband opgemerkt, dat niet alle voordrachten van dezelfde aard zijn en dat zij niet alle tot de bevoegdheid van ambtenaren van categorie A behoren. In casu bracht verzoeksters bevoegdheid om bezoekersgroepen te ontvangen noodzakelijkerwijs mee, dat zij deze groepen welkom heette, in kennis stelde van het verloop en de organisatie van het bezoek en wellicht ook meer algemene informatie verstrekte die voor de bezoekers interessant kon zijn en waarover zij beschikte; daaruit hoefde nog niet te worden afgeleid, dat dergelijke voordrachten onder de bevoegdheid van A-ambtenaren vielen. Anders dan verzoekster stelt, kan uit de brief van 27 januari 1989 van het diensthoofd aan een Duitstalige bezoekersgroep en uit de daaraan gehechte standaardbijlage niet het omgekeerde worden afgeleid. In die brief wordt immers alleen maar gezegd, dat verzoekster de groep zal ontvangen ("wird die Gruppe betreuen"), terwijl de bijlage enkel melding maakt van een informatief gesprek ("Informationsgespraech") met een ambtenaar van het Parlement, gevolgd door een discussie en, indien mogelijk, de vertoning van een film.
53 De omstandigheid dat verzoekster nu en dan bij gebreke van een andere spreker wellicht een diepgaandere voordracht heeft gegeven - hetgeen echter niet is aangetoond -, doet voorts niet af aan de conclusie, dat zulks niet een van haar voornaamste taken was.
54 Het lijkt moeilijk aan te nemen, dat een ambtenaar aan wie is opgedragen sprekers van categorie A te zoeken, zich erop kan beroepen dat hij bij gebreke van een spreker zelf voordrachten van hetzelfde niveau heeft gegeven, ten betoge dat hij taken heeft verricht die tot een ambt van een hogere categorie behoren.
55 Voor zover verzoekster in repliek betoogt dat haar in strijd met het algemene besluit van het Parlement over het verloop van de beoordeling een onderhoud met de eindbeoordelaar is ontzegd, stelt het Gerecht ten slotte vast, dat dit een nieuw middel is in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat in de loop van het geding niet meer mag worden aangevoerd. Bijgevolg moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
56 Uit het voorgaande volgt, dat de omschrijving van de voornaamste aan verzoekster toegewezen taken onder punt 7, sub b, van haar beoordelingsrapport juist is, voor zover aldaar geen melding wordt gemaakt van beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de keuze van de te ontvangen groepen en de toe te kennen tegemoetkomingen, noch van de bevoegdheid om tot de taak van A-ambtenaren behorende voordrachten te geven aan Duitstalige groepen.
De toekenning van de waardering "voldoende"
57 Verzoekster komt op tegen de waardering "voldoende" die haar in punt 10, sub 1, 4, van het beoordelingsrapport is toegekend, alsmede tegen de ter rechtvaardiging van die waardering aangevoerde motivering zoals die haar door het diensthoofd is meegedeeld, namelijk dat zij had nagelaten hem vóór haar zomervakantie van 1989 een overzichtstabel van alle Duitse bezoekersgroepen over te leggen. Voorts stelt zij, dat dit alleenstaande incident in geen geval de waardering "voldoende" kon rechtvaardigen, nu haar overige waarderingen "goed" tot "zeer goed" waren.
58 In repliek betoogt verzoekster, dat er geen reden was voor deze minder goede waardering en de plotse verlaging ervan ten opzichte van de vorige beoordelingen. Zij voegt daaraan toe, dat de betrokken waardering een "willekeurige beslissing" van het diensthoofd was, dat had moeten weten dat een "voldoende" in de gespecificeerde beoordeling tot gevolg heeft, dat de betrokken ambtenaar niet op de lijst van voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren kan worden geplaatst. Het ging hier om "een afdoende manier om bevordering binnen het Parlement te beletten", zeker nu de gemiddelde waardering van alle ambtenaren aanzienlijk hoger lag. Tot staving van haar stelling verwijst verzoekster naar haar verslag van het gesprek dat zij op 7 september 1989 met het diensthoofd had, tijdens hetwelk het diensthoofd zou hebben verklaard "dat zij nooit zou worden bevorderd zolang hij de dienst leidde".
59 Het Parlement antwoordt hierop, dat een waardering in een beoordelingsrapport niet vatbaar is voor beroep bij de gemeenschapsrechter. Het gaat hier immers om een waardeoordeel van de met de beoordeling belaste hiërarchieke meerdere, waarvoor alleen diens persoonlijke beoordeling geldt. Het Parlement verwerpt met klem de stelling die verzoekster reeds in haar klacht van 8 december 1989 naar voren heeft gebracht, namelijk dat het het diensthoofd er met zijn beoordeling enkel om te doen was, verzoekster elke kans op bevordering te ontnemen. Verzoeksters "verslag" van het gesprek van 7 september 1989 vormt geen bewijs voor haar stelling, daar het het diensthoofd woorden in de mond legt die het niet heeft gebruikt, althans niet in de door verzoekster aangegeven zin. Het Parlement betwist dit verslag overigens in zijn geheel en verdedigt de houding van het diensthoofd, dat het document op 13 september 1989 aan verzoekster heeft teruggestuurd, op grond dat een dergelijk document geen deel uitmaakt van de beoordelingsprocedure.
60 Voorts stelt het Parlement, dat het feit dat verzoekster heeft nagelaten een tabel over te leggen, alvorens zij in 1989 met vakantie ging, geen rol heeft gespeeld bij de bestreden waardering; dit probleem had zij evenwel ter sprake kunnen brengen tijdens het gesprek van 7 september 1989, hetgeen zij niet heeft gedaan.
61 In dupliek antwoordt het Parlement niet op de door verzoekster in repliek geformuleerde grieven, namelijk dat de plotse verlaging van de waardering onder punt 10, sub 1, 4, ten opzichte van de vorige beoordelingsrapporten niet nader met redenen was omkleed.
62 Het Gerecht stelt vast, dat de waardering "voldoende" onder punt 10, sub 1, 4, van verzoeksters beoordelingsrapport een waardeoordeel van de hiërarchieke meerderen in hun hoedanigheid van beoordelaar vormt, dat enkel van de persoonlijke mening van die meerderen afhangt en waarvoor het Gerecht niet zijn eigen oordeel in de plaats mag stellen (arrest van het Hof van 5 mei 1983, zaak 207/81, Ditterich, Jurispr. 1983, blz. 1359, r.o. 15, en arrest van het Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35, r.o. 19).
63 Met betrekking tot verzoeksters betoog in repliek, dat de waardering "voldoende" met redenen had moeten zijn omkleed daar zij lager was dan de waardering die zij voorheen had gekregen, moet worden vastgesteld, dat hier sprake is van een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat in de loop van het geding niet meer mag worden voorgedragen. Bijgevolg moet dit middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
64 Het Gerecht stelt vast, dat hetzelfde geldt voor verzoeksters stelling, dat een gesprek met de eindbeoordelaar haar ten onrechte is ontzegd.
65 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat de waardering "voldoende" misbruik van bevoegdheid oplevert, stelt het Gerecht vast, dat verzoekster tot staving van dit argument slechts één bewijselement aanvoert, te weten het door haar zelf opgestelde verslag van het gesprek met haar diensthoofd op 7 september 1989. Zowel het Parlement als het betrokken diensthoofd betwisten evenwel formeel de inhoud en de teneur van dat document.
66 Onder die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat dit document op zich niet aantoont, dat de aan verzoekster toegekende waardering "voldoende" misbruik van bevoegdheid oplevert.
67 Uit het voorgaande volgt, dat verzoeksters middelen met betrekking tot haar beoordelingsrapport 1987-1988 moeten worden afgewezen.
De aan verzoekster toegewezen nieuwe taken
68 Verzoekster betoogt, dat het diensthoofd in zijn nota van 21 september 1989 indirect heeft erkend, dat verzoekster taken verrichtte die overeenkwamen met die van een ambt van categorie A. Om die situatie niet te moeten erkennen, heeft het diensthoofd haar bij nota van 2 oktober 1989 per 1 januari 1990 elke taak onttrokken. Nadat zij - naar eigen zeggen - gedurende een aantal weken helemaal geen werkzaamheid toegewezen had gekregen (waarover zij zich bij brief van 23 januari 1990 had beklaagd bij de bevoegde directeur), werden haar bij nota van 31 januari 1990, bevestigd op 6 februari 1990, nieuwe taken toegewezen, die haars inziens overeenstemden met ambten van categorie C of D. Tot dan toe werden die taken immers door ambtenaren van die categorieën verricht. De enige taak die verzoekster bij nota van 12 januari 1990 door het diensthoofd in de maand januari werd toegewezen, kon jegens de Europese belastingbetaler niet rechtvaardigen, dat daarvoor gedurende een maand een adjunct-assistent van de rang B 4 werd ingezet.
69 Verzoekster beschouwt zulks als een vermindering van haar taken, hetgeen een voor haar nadelige maatregel vormt en die als zodanig ingevolge artikel 25 van het Statuut met redenen had moeten zijn omkleed. Dit laatste was echter niet het geval.
70 Verzoekster betoogt voorts, dat de bestreden maatregelen neerkomen op een overplaatsing, waartoe enkel in het dienstbelang had kunnen worden besloten. Het feit nu dat het diensthoofd kennelijk van mening is, dat haar taken onder categorie D vallen, met de bedoeling te beletten dat zij later toegang tot een ambt van de loopbaan B 3/B 2 of van categorie A zou krijgen, heeft niets van doen met het dienstbelang. In werkelijkheid had alleen een tuchtrechtelijke procedure kunnen leiden tot de achteruitgang die uit de wijziging van haar taken voortvloeide.
71 Volgens verzoekster tast het feit dat al haar nieuwe taken haars inziens tot categorie C of D behoren, haar rechten aan, omdat de in het arrest van 13 mei 1970 (zaak 46/69, Reinarz, Jurispr. 1970, blz. 275) neergelegde regel krachtens welke haar categorie (B) moet overeenstemmen met haar huidig ambt (volgens haar behorend tot categorie C of D), niet is geëerbiedigd.
72 In antwoord op dit argument wijst het Parlement om te beginnen op de in de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 18 juli 1990 uiteengezette redenen voor de afwijzing van verzoeksters derde klacht. Die afwijzing was gebaseerd op de omstandigheden waaronder verzoeksters taken opnieuw zijn vastgesteld en op het feit dat verzoeksters nieuwe taken overeenstemmen met haar rang en met haar plaats in het organigram, zodat het betrokken besluit geen tuchtmaatregel kan zijn. Dienaangaande verwijst het Parlement naar een nota van de waarnemend directeur-generaal informatie en voorlichting van 3 mei 1990 aan de juridisch adviseur van het Parlement, waarin wordt gezegd, dat de vroegere taken van verzoekster niet boven het niveau van haar rang lagen en dat de nieuwe aan verzoekster toegewezen taken geen "nadelige beslissing" in de zin van artikel 25 van het Statuut vormen, daar uit onderzoek van vijf van de acht betrokken taken blijkt, dat deze overeenstemmen met haar rang, en niet, zoals verzoekster stelt, met een ambt van categorie C of D. Voorts had deze wijziging van de interne organisatie van de dienst tot doel, voortaan incidenten als die van 27 september en 4 oktober 1989 te voorkomen. Op die data sprak verzoekster met Duitse bezoekersgroepen - dus met derden - over haar problemen met het diensthoofd ten einde te rechtvaardigen waarom zij zich niet langer in staat achtte uiteenzettingen aan de betrokken groepen te geven, omdat het diensthoofd haar zulks op 26 september 1989 mondeling zou hebben verboden, hetgeen zij hem bij nota van 28 september 1989 zou hebben bevestigd. Verzoekster sprak ook met een journalist over deze problemen en verzocht de bezoekers, zich bij een lid van het Europees Parlement te beklagen over het feit, dat geen voordrachten werden gegeven.
73 Het Parlement sluit zich volledig aan bij de inhoud van de nota van 3 mei 1990 en stelt, dat de nieuwe omschrijving van verzoeksters taken op regelmatige wijze door haar hiërarchieke meerdere is verricht in het belang van de goede gang van zaken binnen de afdeling. Het ging niet om een terugzetting in rang of een overplaatsing, en nog minder om een tuchtmaatregel.
74 Objectief beschouwd, aldus het Parlement, kan het bestreden besluit dus niet als een nadelige beslissing worden beschouwd, maar aangezien verzoekster daar anders over denkt, erkent het Parlement, dat het probleem van de motivering ten aanzien van artikel 25 van het Statuut kan rijzen (arresten van het Hof van 16 juni 1971, zaak 61/70, Vistosi, Jurispr. 1971, blz. 535, en 21 oktober 1986, gevoegde zaken 269/84 en 292/84, Fabbro, Jurispr. 1986, blz. 2983).
75 Het Parlement erkent, dat het bestreden besluit geen motivering bevat aan de hand waarvan de strekking en de draagwijdte ervan kan worden getoetst, doch voegt daaraan toe dat volgens 's Hofs rechtspraak (arrest van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr. 1984, blz. 2447), om uit te maken of aan de vereisten van artikel 25 is voldaan, niet alleen moet worden gelet op het bestreden besluit, maar ook op de omstandigheden waaronder het werd genomen. Die "omstandigheden" zijn de mededelingen, de gesprekken en de uitwisseling van schriftelijke nota' s die aan het bestreden besluit zijn voorafgegaan (arrest van het Hof van 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, Jurispr. 1988, blz. 1681). Op dit punt verwijst het Parlement naar de verschillende gesprekken die verzoekster met het diensthoofd heeft gehad, naar voormelde nota' s van 21 september en 2 oktober 1989 en naar voormelde incidenten van 27 september en 4 oktober 1989. Gezien deze omstandigheden die aan de definitieve heromschrijving van haar taken zijn voorafgegaan, was verzoekster voldoende geïnformeerd om de zin van de gewraakte maatregel te kunnen begrijpen (arrest van het Hof van 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, Jurispr. 1990, blz. I-599).
76 Ten gronde beoogt het Parlement voorts, dat het bestreden besluit binnen de beoordelingsmarge viel waarover de administratie in het belang van de dienst beschikt (arrest van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, reeds aangehaald). De administratie moest dit besluit immers nemen om de goede gang van zaken en het geordende verloop van de activiteiten van de dienst "groepsbezoeken" te garanderen. Bovendien zijn verzoeksters taken heromschreven zonder schending van haar gewettigde belangen en statutaire rechten.
77 In repliek merkt verzoekster op, dat zelfs indien men de argumentering van het Parlement volgt waarmee dit poogt aan te tonen dat zij nooit taken behorend tot een ambt van categorie A heeft verricht, zulks niet wegneemt, dat de onttrekking van alle taken die zij tevoren verrichtte en de latere toewijzing van nieuwe taken van een lager niveau tuchtmaatregelen vormen voor zover die nieuwe taken niet overeenstemmen met de taakomschrijving in de kennisgeving van vacature nr. 4143, op basis waarvan zij in haar huidige ambt is aangesteld. Dienaangaande is de nota van de directeur-generaal van 3 maart 1990 niet meer dan een herwaardering achteraf van de aan verzoekster bij nota van het diensthoofd van 31 januari 1990 toegewezen taken.
78 In antwoord op een vraag van het Gerecht heeft verzoekster opgemerkt, dat in de betrokken nota van 3 mei 1990 slechts sprake is van vijf van de acht nieuwe taken die haar zijn toegewezen. Zij is van mening, dat de bevoegde directeur-generaal er gewoon niet in is geslaagd, de drie niet vermelde taken te presenteren als taken behorend tot een ambt van categorie B. Wat de vijf in de nota besproken taken aangaat, betwist verzoekster de wijze waarop de bevoegde directeur -generaal de inhoud ervan uitlegt; met betrekking tot twee van die taken betwist zij bovendien de identiteit van de persoon die deze voorheen diende uit te voeren.
79 Wat verzoekster uit de nota van 3 mei 1990 bijblijft, is dat zij in de uitvoering van haar taken is geschorst ten gevolge van de incidenten van 27 september en 4 oktober 1989. Zij voegt daaraan toe, dat deze schorsing, die voor haar een nadelige beslissing is, op grond van artikel 25 van het Statuut met redenen had moeten zijn omkleed. Zij betwist de wijze waarop het Parlement de rechtspraak met betrekking tot het motiveringsvereiste uitlegt, en stelt, dat het bestreden besluit ofwel geen tuchtmaatregel is, in welk geval er geen sprake kan zijn van "omstandigheden" waarvan zij vóór de vaststelling van het besluit op de hoogte was, ofwel wel een tuchtmaatregel was, in welk geval het gemotiveerd diende te zijn.
80 Voorts merkt verzoekster op, dat het door het Parlement aangehaalde "incident" van 4 oktober 1989 zich heeft voorgedaan ná de nota van 2 oktober 1989, waarbij haar - zoals zij stelt - haar taken zijn ontnomen. Anders dan in de nota van 3 mei 1990 wordt gezegd, kan dit voorval dus geen rol hebben gespeeld bij de vaststelling van het bestreden besluit. Bovendien betwist verzoekster de versie van het Parlement van de gebeurtenissen van 27 september en 4 oktober 1989. Zij legt een aan haar gerichte nota van het diensthoofd van 9 maart 1990 over, waarin de haar verweten incidenten zijn beschreven, ten einde aan te tonen dat het bestreden besluit wel degelijk een tuchtmaatregel was. Zij stelt, dat zij in werkelijkheid aan een groep bezoekers heeft meegedeeld, dat haar geen spreker ter beschikking stond en dat zij, toen de verantwoordelijke van de groep haar vroeg zelf een voordracht te geven zoals zij de vorige jaren had gedaan, dat had moeten weigeren, omdat zij daartoe niet langer bevoegd was. Voorts hadden op 4 oktober 1989 een aantal deelnemers veeleer schertsend gezegd, dat zij zich daarover waarschijnlijk zouden moeten beklagen. Eveneens schertsend had zij daarop geantwoord, dat zij de groep daarvan uiteraard niet kon weerhouden. Zij ontkent voorts contact te hebben opgenomen met een journalist of met een lid van het Europees Parlement en biedt aan, zulks te bewijzen door middel van een getuigenis van een parlementslid en van een voormalig parlementslid. Zij verklaart, dat zij nooit heeft geschreven of buiten het Parlement heeft gezegd, dat haar hiërarchieke meerdere regelmatig schaak speelde in plaats van zich met zijn werk bezig te houden (het laatste verwijt aan haar adres in de nota van 9 maart 1990), doch voegt daaraan toe, dat het diensthoofd inderdaad regelmatig schaak speelt in plaats van te werken, en dat het mogelijk is, dat zij dat ooit aan iemand heeft verteld.
81 Volgens verzoekster was de enige "omstandigheid" die aan de vaststelling van het bestreden besluit is voorafgegaan, haar verzoek tijdens het gesprek van 7 september 1989 om haar taken en functies in haar beoordelingsrapport op te nemen. Volgens haar is het duidelijk, dat haar hiërarchieke meerderen zich daartegen wel moesten verzetten, daar zij anders hadden moeten toegeven dat zij sedert vele jaren ten onrechte werd onderbetaald. Voorts is het haars inziens bespottelijk, dat het Parlement het bestreden besluit poogt te rechtvaardigen met een beroep op het dienstbelang, daar de betrokken dienst na de inwerkingtreding van de nota' s van 21 september en 2 oktober 1989 nooit meer naar behoren heeft gewerkt.
82 In dit verband betoogt verzoekster, dat haar in de nota van 9 maart 1990, die haar is toegestuurd vier dagen nadat haar derde klacht bij het Parlement was binnengekomen, plotseling dienstfouten werden verweten, die nadien de "omstandigheden" moesten vormen die als motivering van het bestreden besluit moesten dienen, en waarnaar vervolgens in het tardieve antwoord van 18 juli 1990 op die klacht kon worden verwezen. Haars inziens neemt een dergelijke rechtvaardiging het arbitraire karakter van het bestreden besluit niet weg.
83 In dupliek bevestigt het Parlement ten volle zijn reeds uiteengezette argumenten. Het noteert dat verzoekster, door haar eigen versie van de haar verweten incidenten te geven, in feite de essentie erkent van hetgeen haar door het Parlement wordt verweten. Het Parlement voegt daaraan toe, dat verzoekster in werkelijkheid haar diensthoofd scherp bekritiseert, hetgeen zowel uit de vorm als uit de inhoud van de repliek blijkt.
84 Het Parlement herhaalt, dat het bestreden besluit een zuiver administratieve maatregel is, die het diensthoofd in het belang van de goede werking van de dienst moest nemen, en dat het niet om een tuchtmaatregel ging. De incidenten van 27 september en 4 oktober 1989 maken deel uit van een hele reeks omstandigheden die het diensthoofd ertoe hebben gebracht, in het belang van de dienst een nieuwe taakverdeling in te voeren. Het Parlement voegt daaraan toe, dat verzoekster ongelijk had, toen zij eigener beweging aan de bezoekers verklaarde, dat zij geen voordrachten meer mocht geven, "hetgeen op zich genomen feitelijk reeds onjuist was".
85 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat de nota van 2 oktober 1989 verzoekster niet per 1 januari 1990 al haar taken heeft ontnomen. In deze nota werden haar immers niet alle taken ontnomen die haar bij de nota' s van 9 november 1983 en 4 februari 1986 waren toegewezen, doch alleen die welke specifiek verband hielden met de bezoeken van Duitstalige groepen. Volgens de nota van 2 oktober 1989 behield verzoekster dus alle taken die gemeen waren aan alle talensecties, zoals het bijhouden van een register van de bezoeken van groepen aan het Parlement te Luxemburg, de algemene wekelijkse planning van die bezoeken, de reservering van zalen, de terbeschikkingstelling van dranken en de bestellingen voor de aan de bezoekersgroepen aangeboden lunches en cocktails, na besluit van het diensthoofd.
86 In zoverre stemden de taken die verzoekster behield perfect overeen met haar functie in het organigram van de afdeling "bezoeken en studiedagen", waaruit blijkt dat zij belast was met de "cooerdinatie van de te Luxemburg ontvangen groepen".
87 Verzoekster stelt dus ten onrechte, dat haar vanaf 1 januari 1990 geen enkele taak meer is toegewezen.
88 Volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk het arrest van het Hof van 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, reeds aangehaald, r.o. 11) komt de gemeenschapsinstellingen een ruime beoordelingsbevoegdheid toe om bij de organisatie van hun diensten, van de hun toevertrouwde taken uit te gaan en met het oog daarop het te hunner beschikking staande personeel tewerk te stellen, met dien verstande evenwel, dat deze aanstelling in het belang van de dienst moet zijn en de gelijkwaardigheid van de ambten moet worden geëerbiedigd.
89 Verzoeksters argumenten moeten dus in het licht van deze beginselen worden onderzocht.
90 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de nieuwe taken die verzoekster zijn toegewezen bij de op 6 februari 1990 bevestigde nota van 31 januari 1990, niet zoals zij stelt, overeenstemmen met ambten van categorie C of D. Uit de nota van de waarnemend directeur-generaal informatie en voorlichting van 3 mei 1990 blijkt immers, dat verzoekster onder meer belast was met "het opzoeken van documenten voor de administrateurs die een uiteenzetting over een bepaald onderwerp dienen te geven", een taak die wel degelijk tot de bevoegdheid van een ambtenaar van categorie B behoort: in artikel 5, lid 1, van het Statuut is sprake van "functies met een uitvoerend en leidinggevend karakter, voor welke functies volledige middelbare (hogere middelbare) schoolkennis of een gelijkwaardige beroepservaring vereist is".
91 Aan deze vaststelling doet niet af de omstandigheid, dat verzoekster in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft verklaard, dat zij de documenten voor de administrateurs van de verschillende talensecties niet in alle officiële talen van de Gemeenschap kon opzoeken zoals werd verlangd in de instructies die zij van haar nieuwe hiërarchieke meerdere had ontvangen, volgens welke zij "gebruiksklare dossiers" diende samen te stellen waaraan "een zekere waarde was toegevoegd" ten opzichte van het werk dat reeds door de documentalisten van de bibliotheek was verricht. Deze verklaring lijkt er immers veeleer op te wijzen, dat het niveau van de betrokken taak misschien te hoog was voor verzoekster, hetgeen uitsluit dat bedoelde taak kon overeenstemmen met een ambt van categorie C, om niet te zeggen D, zoals verzoekster stelt.
92 Meer in het algemeen met betrekking tot de overige zeven taken die verzoekster bij de nota van 31 januari 1990 zijn toegewezen, stelt het Gerecht vast dat deze van hetzelfde niveau zijn als de taken betreffende alle talensecties van de afdeling, die het vorige diensthoofd verzoekster bij nota van 4 februari 1986 had toegewezen en waarvan zij nooit heeft gezegd, dat zij niet overeenstemden met haar rang. De uiteenlopende interpretaties van de precieze inhoud van die taken door verzoekster en door het Parlement doet aan deze feitelijke vaststelling niet af, daar de gelijkwaardigheid zelfs bij een minimalistische uitlegging van de inhoud van verzoeksters taken niet in het gedrang komt. De taken bestaande in het bijhouden van een register van de bezoeken van groepen aan het Parlement te Luxemburg, de algemene wekelijkse planning, de reservering van zalen, de terbeschikkingstelling van dranken en de bestellingen voor de aan de bezoekersgroepen aangeboden lunches en cocktails, na besluit van het diensthoofd (nota van 4 februari 1986), zijn zeker niet van een hoger niveau dan de taken - hoe beperkt de inhoud ervan ook moge zijn - bestaande in de opstelling van statistieken betreffende het aantal bezoekers te Luxemburg, het beheer van de voorraad documentatie in alle talen, de archivering en de beoordeling van de correspondentie betreffende bezoekersgroepen, de cooerdinatie en de beoordeling van bezoekaanvragen van schoolklassen, het beheer van de voorraad en de bestellingen van bureaumateriaal, het voortdurend bijhouden van de inventaris van de afdeling "bezoekersgroepen" en de opslag en de verspreiding van informatiebulletins (processen-verbaal van het Quaestorencollege, INFO-MEMO, Agence Europe, Dépêches, enz.). Het bevoegde diensthoofd was dus terecht van mening, dat deze taken, evenals die welke in de nota van zijn voorganger van 4 februari 1986 waren vermeld, wel degelijk overeenstemden met verzoeksters rang (loopbaan B 5/4).
93 Er zij op gewezen, dat aangezien de aan verzoekster toegewezen nieuwe taken overeenstemmen met haar rang, er geen sprake kan zijn van tuchtmaatregelen of van terugzetting in rang, waarvoor een motivering vereist is, doch enkel van een reorganisatie van de dienst. Uit het dossier blijkt immers, dat verzoeksters relaties met haar opeenvolgende diensthoofden op zijn zachtst uitgedrukt gespannen waren, met name wat de omschrijving van haar taken betreft. Volgens 's Hofs rechtspraak nu moet de overplaatsing van een ambtenaar om een einde te maken aan een interne situatie die onhoudbaar is geworden, worden geacht te hebben plaatsgevonden om redenen van dienstbelang (zie laatstelijk het arrest van 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, reeds aangehaald, r.o. 22). In casu mocht de administratie derhalve van oordeel zijn, dat tot de hier bestreden nieuwe toewijzing van taken moest worden overgegaan in het dienstbelang.
94 Nu het Gerecht op basis van de feiten heeft kunnen vaststellen, dat de toewijzing van nieuwe taken aan verzoekster geen vermindering van haar functie inhield en bijgevolg geen afbreuk deed aan haar statutaire positie noch aan het beginsel dat rang en ambt met elkaar moeten overeenstemmen, leidt het daaruit af dat het bestreden besluit een louter interne organisatiemaatregel is, genomen in het dienstbelang. Volgens de rechtspraak van het Hof behoeft de administratie een dergelijk besluit niet met redenen te omkleden en behoeft zij de betrokken ambtenaar niet vooraf te horen (zie laatstelijk het arrest van 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, reeds aangehaald, r.o. 14).
95 Mitsdien moet het middel worden verworpen.
De schadevordering
96 Verzoekster betoogt, dat zij jarenlang in het kader van de haar gegeven instructies het werk van een ambtenaar van categorie A heeft verricht, terwijl zij in een rang van categorie B was ingedeeld. Voorts stelt zij, dat het feit dat haar al haar taken zijn ontnomen en dat haar werk is toegewezen dat voor een ambtenaar van categorie B van bijkomstige aard is, ertoe heeft geleid dat zij haar rang binnen de hiërarchie heeft verloren en haar morele belangen en toekomstperspectieven zijn geschaad. Indien de taken die zij jarenlang heeft verricht, op hun juiste waarde waren geschat, had zij tot de rang B 3 moeten worden bevorderd en had zij op zijn minst in tussentijd een aanvullende vergoeding moeten krijgen.
97 Verzoekster begroot de door haar geleden materiële schade op 206 160 LFR. Dit bedrag is gelijk aan het verschil tussen het salaris van de rang A 7, salaristrap 1, en dat van de rang B 4, salaristrap 5, zijnde 17 180 LFR x 12 maanden = 206 160 LFR.
98 Voor de begroting van de door haar geleden morele schade refereert verzoekster zich aan de wijsheid van het Gerecht; zij preciseert evenwel, dat die schade voortvloeit uit het feit dat zij verplicht is geweest dagenlang op haar kamer te zitten zonder iets te doen, en taken van een lager niveau te verrichten. Door deze terugzetting in rang was zij ten zeerste gekwetst en vernederd, gelet op het hoge aanzien dat zij tot dan toe genoot bij de bezoekers, bij haar collega' s en vooral bij de diensten die binnen het Parlement met de dienst bezoekers samenwerkten.
99 Het Parlement verzoekt om afwijzing van de schadevordering, als logisch gevolg van de argumenten die het heeft aangevoerd ten betoge dat verzoeksters vorderingen ongegrond zijn.
100 Het Gerecht stelt vast, dat aangezien verzoekster geen taken van categorie A heeft verricht, haar niet al haar taken zijn ontnomen en haar geen taken zijn toegewezen die onder het niveau van haar rang lagen, haar schadevordering betreffende de materiële én de immateriële schade moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
101 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement van de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 88 van dat Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde Kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy