Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Verlof om redenen van persoonlijke aard ° Verstrijken ° Herplaatsing ° Verplichtingen van administratie ° Draagwijdte ° Te late herplaatsing ° Dienstfout ° Geldelijke schade ° Begroting met inachtneming van plaatsing in hogere salaristrap
(Ambtenarenstatuut, art. 40, lid 4, sub d, en 44)
Samenvatting
De herplaatsing van een ambtenaar na het verstrijken van een verlof om redenen van persoonlijke aard, waartoe de administratie ingevolge artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut moet overgaan, hangt enkel af van het bestaan van een vacature in de categorie of groep die overeenkomt met de rang van de betrokkene, en van de vraag of deze laatste de voor het betrokken ambt vereiste geschiktheid bezit, met uitsluiting van iedere aanvullende voorwaarde. Zo hoeft de betrokken ambtenaar geen belangstelling voor een vacature te hebben getoond en is irrelevant, of hij tijdens zijn verlof al dan geen beroepswerkzaamheden uitoefent. De beoordelingsvrijheid van de administratie strekt zich dus enkel uit tot de geschiktheid van de betrokkene, welke geschiktheid moet worden beoordeeld in het licht van de ambten die deze kan bekleden, en niet tot de opportuniteit van de herplaatsing of van een onderzoek van de geschiktheid van de ambtenaar, welk onderzoek de administratie hoe dan ook in het belang van de dienst moet verrichten.
De procedure tot verificatie van de geschiktheid van de betrokkene om de bij een ambt behorende werkzaamheden te verrichten, welke geschiktheid niet veronderstelt dat de bekwaamheden van de betrokkene precies overeenstemmen met die welke voor het betrokken ambt worden vereist, moet effectief plaatsvinden op zodanige wijze, dat zowel de te herplaatsen ambtenaar als de gemeenschapsrechter kunnen nagaan, of de verplichtingen die krachtens artikel 40, lid 4, sub d, op de administratie rusten, zijn nageleefd. Dienaangaande kan van de bevoegde instanties niet worden verlangd, dat zij het bewijs leveren, de geschiktheid van de te herplaatsen ambtenaar te hebben onderzocht wanneer de voor een bepaalde vacature vereiste geschiktheid en die van de betrokken ambtenaar klaarblijkelijk verschillen. Dat bewijs moet echter wel worden geleverd in alle gevallen waarin een dergelijk klaarblijkelijk verschil ontbreekt en de geschiktheid van de betrokkene voor een bepaald ambt bijgevolg volledig moet worden onderzocht.
Het verzuim om de geschiktheid van de betrokken ambtenaar stelselmatig te onderzoeken bij iedere vacature waarbij deze had kunnen worden herplaatst, vormt een dienstfout die de aansprakelijkheid van de administratie doet ontstaan, voor zover dit verzuim de herplaatsing van de betrokkene heeft vertraagd en hem daardoor de bezoldiging is ontnomen gedurende de periode tussen de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing en de, eerdere, datum waarop hij had kunnen worden herplaatst. Bij de begroting van de door de betrokkene geleden schade moet rekening worden gehouden met de automatische overgang naar een hogere salaristrap, waarvoor deze ingevolge artikel 44 van het Statuut in aanmerking zou zijn gekomen indien hij bij de eerste vacature was herplaatst in een ambt waarvoor hij de geschiktheid bezat.
Partijen
In zaak T-48/90,
B. Giordani, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Marchesini, advocaat bij de Italiaanse Corte di cassazione, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu en S. van Raepenbusch, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een vordering tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden doordat hij na afloop van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard te laat bij de Commissie is herplaatst,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, R. Schintgen en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 10 maart 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 In 1960 werd verzoeker bij de Commissie aangesteld in een functie binnen de wetenschappelijke en technische groepen (Euratom). Aangezien hij een technische ingenieursopleiding had genoten aan de Scuola Tecnica Industriale te Bolzano (Italië) en vervolgens aan de Hoehere Technische Lehranstalt, Ingenieur-Schule, te Bregenz (Oostenrijk), werd hij aanvankelijk ingedeeld in de rang B 7, salaristrap 3, en tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, dienst "aankopen". Op 1 februari 1962 werd hij overgeplaatst naar het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (GCO) te Ispra, waar hij bij de dienst "bevoorrading en magazijn" tewerk werd gesteld als adjunct hoofd van dienst, verantwoordelijk voor de sectie "technische aankopen". Op 20 februari 1963 werd verzoeker ingedeeld in categorie A, rang 6, salaristrap 2, en op 10 juni 1965 werd hij bevorderd tot de rang A 5, salaristrap 2. Op 15 oktober 1965 werd hij belast met de functie van hoofd van de dienst "bevoorrading en magazijn" van het GCO te Ispra, welke functie hij sinds 24 februari 1965 ad interim had vervuld. In juni 1970 werd de dienst van verzoeker binnen het GCO te Ispra gefuseerd met de grotere dienst "financiën en bevoorrading".
2 Voor de functie die verzoeker als hoofd van de dienst "bevoorrading en magazijn" van het GCO te Ispra uitoefende, was, volgens de desbetreffende kennisgeving van vacature V/IS/126/65 van 3 augustus 1965, vereist: "kennis op universitair niveau, bij voorkeur op technisch gebied, of gelijkwaardige beroepservaring; zeer grote bekendheid met de materialen en installaties die in een centrum voor kernonderzoek worden gebruikt; zeer gedegen ervaring met de bevoorradingstechniek en -methodes, en in het bijzonder met de organisatie en de systemen die in de industrie worden toegepast in de sector aankopen; ervaring met de problemen van en methodes voor de mechanisering van de aankopen, het voorraadbeheer en de inventarisatie; bekendheid met de financiële en administratieve organisatie van de Gemeenschap".
3 Op zijn verzoek van 2 februari 1971 verleende de Commissie verzoeker bij besluit van 16 maart 1971 verlof om redenen van persoonlijke aard voor de duur van een jaar, ingaande op 1 april 1971. Op verzoek van de betrokkene werd de duur van dit verlof verlengd tot en met 31 maart 1974.
4 Tijdens dit verlof om redenen van persoonlijke aard en in de daarop volgende jaren oefende verzoeker beroepswerkzaamheden uit, aanvankelijk als commercieel directeur en wettelijk vertegenwoordiger van de Italiaanse dochtermaatschappij (Schneeberger Italiana SpA) van een Zwitserse vennootschap (Schneeberger Maschinenfabrik), waar hij op 31 januari 1985 ontslag nam, en vervolgens als vennoot en enig directeur van een familievennootschap (Pfeil Italia Srl), die in 1986 in liquidatie trad.
5 Voordat zijn verlof om redenen van persoonlijke aard afliep, verzocht verzoeker bij brief van 15 maart 1974 om herplaatsing. Bij brief van 27 maart 1974 deelde het hoofd van de afdeling "Algemeen beheer en personeelszaken" van het GCO te Ispra verzoeker mee, dat aan zijn verzoek geen gevolg kon worden gegeven omdat er op dat moment geen vacature was voor een post van zijn categorie of groep, die met zijn rang overeenkwam.
6 Nadien verzocht verzoeker de administratie van het GCO te Ispra nog zes maal om herplaatsing, en wel op 30 september 1976, 24 september en 15 oktober 1983, 7 januari 1984, 15 juli 1985 en 20 maart 1986. Deze verzoeken werden door de administratie niet ingewilligd.
7 Op 9 april 1986 diende verzoeker een nieuw verzoek om herplaatsing in, gericht aan het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie en uitdrukkelijk ingediend krachtens artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut").
8 Bij schrijven van 12 mei 1986 maakte de Commissie verzoeker erop attent, dat bij de afdeling "infrastructuur" van het GCO te Ispra een vacature bestond voor een ambt in de loopbaan A 8/A 5 van de wetenschappelijke en technische groepen.
9 De taakomschrijving van dit ambt luidde als volgt: "In het kader van de algemene diensten van de vestiging (is hij/zij) verantwoordelijk voor: a) de organisatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het interne telecommunicatiestelsel (centrale en telefoonnet, telex en informaticanetwerk); b) het vervoer van personeel en materieel; c) controle, onderhoud en modernisering van het wagenpark; d) de dienst voor het ophalen, sorteren en verzenden van brieven en pakketten; e) de organisatie van interne verhuizingen van kantoormeubilair en wetenschappelijke apparatuur." Met betrekking tot de vereiste kwalificaties voor dit ambt bepaalde de aan verzoeker toegestuurde kennisgeving van vacature: "Universitair diploma of gelijkwaardige titel dan wel beroepservaring op gelijkwaardig niveau; ervaring met de economische en technische leiding van gediversifieerde diensten; inzicht in de uiteenlopende behoeften van de gebruikers en het vermogen om het gedifferentieerde arbeidspotentieel in te zetten om in die behoeften te voorzien; bekwaamheid in het opstellen en redigeren van bestekken; kostenraming; vaardigheid in het onderhouden van regelmatige externe contacten met autoriteiten, instanties en bedrijven."
10 Per brief van 16 mei 1986 verklaarde verzoeker, het ambt dat hem aldus was aangeboden, te aanvaarden, en op 26 mei 1986 nam het tot aanstelling bevoegd gezag een besluit tot herplaatsing van verzoeker met ingang van 1 september 1986. Dat besluit bevatte echter geen nadere gegevens over de toegekende salaristrap en de anciënniteit in de dienst. Pas toen verzoeker op 14 oktober 1986 zijn salarisafrekening zag, kon hij vaststellen dat zijn salaris overeenkwam met dat van een ambtenaar in de rang A 5, salaristrap 5, de rang en de salaristrap waarin hij was ingedeeld bij de aanvang van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard.
11 Op 26 november 1986 diende verzoeker, ex artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen de salaristrap waarin hij was ingedeeld, voor zover uit die indeling bleek, dat de administratie geen rekening had gehouden met het tijdvak waarin hij onvrijwillig afwezig was geweest van de dienst en zij hem bijgevolg ook geen salaristrap en anciënniteit had toegekend die de vertraging bij zijn herplaatsing kon compenseren.
12 Na de stilzwijgende afwijzing van zijn klacht, stelde verzoeker op 30 juni 1987 bij het Hof beroep in, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 26 mei 1986 tot herplaatsing van verzoeker, zoals aangevuld door de salarisafrekening van 14 oktober 1986, voor zover hij daarbij in salaristrap 5 van rang A 5 was ingedeeld alsmede tot reconstructie van zijn loopbaan en vergoeding van het salarisverlies dat hij ten gevolge van de te late herplaatsing had geleden.
13 Op 30 september 1987 stelde de Commissie verzoeker echter in kennis van een besluit waarbij zijn klacht van 26 november 1986 uitdrukkelijk werd afgewezen met de overweging, dat aan zijn verzoeken om herplaatsing niet vóór 26 mei 1986 had kunnen worden voldaan, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor herplaatsing op de verschillende vacatures die sinds het einde van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard op 31 maart 1974 bekend waren gemaakt.
14 Verzoekers beroep leidde tot een arrest van 27 juni 1989 (zaak 200/87, Giordani, Jurispr. 1989, blz. 1877), waarin het Hof de vordering tot nietigverklaring ontvankelijk verklaarde met de overweging, dat de termijn voor het indienen van een klacht voor verzoeker was ingegaan op 14 oktober 1986, toen hij via zijn salarisafrekening kennis kon nemen van het besluit van de Commissie over de salaristrap die hem bij herplaatsing was toegekend. Ten gronde verwierp het Hof de vordering tot nietigverklaring echter met de overweging, dat blijkens de artikelen 40, leden 3 en 4, sub d, 72 en 73, van het Statuut de indeling van verzoeker bij herplaatsing dezelfde diende te zijn als bij de aanvang van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard, "onverminderd zijn recht om op grond van andere bepalingen van het Statuut te verlangen in een andere salaristrap te worden ingedeeld" (r.o. 18, laatste volzin, van het arrest).
15 In hetzelfde arrest verklaarde het Hof de vorderingen tot reconstructie van de loopbaan en tot schadevergoeding niet-ontvankelijk met de overweging, dat verzoeker de administratie niet vooraf, overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut, om reconstructie van zijn loopbaan en schadevergoeding voor te late herplaatsing had verzocht. De Commissie was pas op deze grieven attent gemaakt door de klacht van verzoeker van 26 november 1986 en had bijgevolg geen uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit met betrekking tot die vorderingen van verzoeker kunnen nemen. Het Hof tekende hierbij aan, dat de salarisafrekening van 14 oktober 1986, die overigens was opgesteld op basis van artikel 40, lid 3, en niet van 40, lid 4, sub d, van het Statuut (de bepaling op grond waarvan verzoeker schadevergoeding verlangt voor de te late herplaatsing), niet kon worden aangemerkt als een impliciete afwijzing van het verzoek van betrokkene.
16 Op 29 september 1989 wendde verzoeker zich tot de Commissie met een verzoek als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut om vergoeding van de schade die hij stelde te hebben geleden als gevolg van zijn te late herplaatsing. Dit verzoek werd op dezelfde dag ingeschreven. Toen op dit verzoek niet werd gereageerd, diende verzoeker een klacht in tegen de impliciete afwijzing van zijn verzoek, die op 10 april 1990 werd ingeschreven. Ook hierop werd niet gereageerd.
Procesverloop
17 Dit is de achtergrond van het onderhavige beroep van verzoeker, dat op 14 november 1990 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven.
18 De schriftelijke procedure is normaal verlopen. Het Gerecht (Vijfde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft de Commissie verzocht, het persoonsdossier van verzoeker over te leggen alsmede alle kennisgevingen van vacatures in de rang A 5 binnen de wetenschappelijke en technische groepen, die in de periode van 1 april 1974 tot 12 mei 1986 zijn gepubliceerd, en de kennisgevingen van vacatures in de rang A 5 binnen de administratieve groep, die in de periode van 15 oktober 1983 tot 12 mei 1986 zijn gepubliceerd, met inbegrip van de kennisgeving van de vacature waarop verzoeker bij besluit van 26 mei 1986 is herplaatst. Ook is de Commissie verzocht uit te leggen, waarom zij verzoeker vóór 26 mei 1986 op geen van de vacatures waarop die kennisgevingen betrekking hadden, heeft kunnen herplaatsten. De antwoorden van de Commissie op deze vragen en de over te leggen documenten zijn op 24 februari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd. Ter terechtzitting heeft het Gerecht bovendien verzoeker gevraagd, aan te geven in welke ambten hij naar zijn oordeel had kunnen worden herplaatst.
19 Ter terechtzitting van 10 maart 1993 hebben partijen hun standpunten bepleit en vragen van het Gerecht beantwoord. Ter terechtzitting heeft verzoeker overgelegd: drie kennisgevingen van vacatures binnen de wetenschappelijke en technische groepen, die zich niet bij de door de Commissie overgelegde kennisgevingen bevonden; de kennisgeving van vacature voor het ambt dat hij vóór zijn verlof om redenen van persoonlijke aard bekleedde (V/IS/126/65 van 3 augustus 1965), en een curriculum vitae.
Conclusies van partijen
20 In zijn verzoekschrift concludeert verzoeker, dat het het Gerecht behage:
1) te verklaren dat verzoeker, vanaf de in deze procedure te bepalen datum, recht heeft op toekenning van salaristrap 8 van de rang A 5 en op betaling van de uit dien hoofde verschuldigde bedragen, onverminderd het onder punt 3 gevorderde;
2) bij de berekening van zijn anciënniteit de periode van ongerechtvaardigde vertraging bij zijn herplaatsing mee te rekenen, voor zover dit voor de verdere opbouw van zijn pensioenrechten noodzakelijk mocht zijn;
3) de Commissie te veroordelen om hem het verschil te betalen tussen de gemeenschapsbezoldiging die hem in de loop der tijd had moeten worden betaald en de inkomsten die hij voor zijn werkzaamheden in de particuliere sector heeft ontvangen, waarvan hij overvloedig bewijs aanbiedt;
4) subsidiair, als instructiemaatregel de overlegging te gelasten van de tussen 1974 en 1986 bekendgemaakte kennisgevingen van vacatures van de rang A 5 binnen de wetenschappelijke groep van de Commissie, en de tussen ten minste 15 oktober 1983 en 26 mei 1986 bekendgemaakte vacatures van die rang binnen de administratie;
5) met toekenning van rente over de geldelijke verplichtingen die zullen worden vastgesteld en veroordeling van verweerster in de kosten.
Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard, afstand te doen van de in zijn verzoekschrift geformuleerde vordering om in de berekening van zijn anciënniteit voor zijn pensioenrechten de periode van vertraging bij zijn herplaatsing op te nemen, en heeft hij het Gerecht bovendien verzocht, verweerster te veroordelen tot betaling van een symbolische vergoeding voor de immateriële schade die hij meent te hebben geleden door de onzekerheid waarin hij, als gevolg van het optreden van de Commissie, tot aan zijn herplaatsing heeft geleefd.
21 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan;
2) subsidiair, de conclusies en argumenten van verzoeker te verwerpen en het beroep ongegrond te verklaren en te verwerpen;
3) meer subsidiair, te verklaren, dat de omvang van de geleden schade moet worden berekend op de wijze en binnen de grenzen als door de Commissie aangegeven in punt II.25 van het verweerschrift;
4) al verzoekers verzoeken om instructiemaatregelen af te wijzen en daarentegen, voor zover nodig, de in punt II.26 van het verweerschrift en punt D van de conclusie van dupliek aangegeven instructiemaatregelen te gelasten;
5) alle verzoeken om toekenning van rente over de eventueel vast te stellen geldelijke verplichtingen jegens verzoeker af te wijzen, subsidiair, die rente te beperken overeenkomstig het vermelde in punt II.30 van het verweerschrift;
6) verzoeker in de kosten te verwijzen zo de Commissie in het gelijk wordt gesteld, en anders de kosten te compenseren.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
22 De Commissie verzoekt het Gerecht, het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren overeenkomstig artikel 92, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ten tijde van de schriftelijke behandeling van toepassing was tot de inwerkingtreding van artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
23 Voor zover de vordering van verzoeker berust op zijn beweerdelijk te late herplaatsing, kan zij volgens de Commissie slechts betrekking hebben op het besluit van 26 mei 1986; de salarisafrekening van verzoeker van 14 oktober 1986 is in dit verband niet meer dan een uitvoeringsdocument van de boekhouding. Daar de wettigheid van dat besluit onaanvechtbaar is geworden, nu verzoeker tegen dat besluit niet tijdig een klacht heeft ingediend en hij dat besluit volledig en zonder voorbehoud heeft aanvaard door met zijn herplaatsing in te stemmen, kan verzoeker zich niet meer op de onwettigheid ervan beroepen om schadevergoeding te vorderen, zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht (arresten Hof van 15 december 1966, zaak 59/65, Schreckenberg, Jurispr. 1966, blz. 780; 7 oktober 1987, zaak 401/85, Schina, Jurispr. 1987, blz. 3911; 14 februari 1989, zaak 346/87, Bossi, Jurispr. 1989, blz. 303, en arrest Gerecht van 24 januari 1991, zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-35).
24 Volgens de Commissie is het beroep eveneens niet-ontvankelijk doordat, bij gebreke van een uitdrukkelijk of stilzwijgend voorafgaand besluit van de Commissie over de stellingen van verzoeker met betrekking tot zijn beweerdelijk tardieve herplaatsing, zijn handeling van 26 november 1986 geen klacht is, maar een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut. De Commissie beroept zich hiertoe op de theorie van de conversie van rechtshandelingen ten behoeve van het behoud van hun effecten, een theorie die het Hof hanteert in arresten waarin het zich niet baseert op de formele kwalificatie, maar op de inhoud van de stappen die ambtenaren op grond van artikel 90 van het Statuut ondernemen (arresten van 31 mei 1988, zaak 167/86, Rousseau, Jurispr. 1988, blz. 2705, en 14 juli 1988, gevoegde zaken 23/87 en 24/87, Aldinger en Virgili, Jurispr. 1988, blz. 4395). Aangezien na het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van 26 november 1986 niet binnen drie maanden een klacht is ingediend, maar op 30 juni 1987 rechtstreeks beroep is ingesteld bij het Hof, is er een grond voor niet-ontvankelijkheid ontstaan die tot op heden voortduurt.
25 Bovendien, aldus de Commissie, heeft verzoeker geen klacht ingediend tegen het hem op 30 september 1987 betekende besluit waarbij zijn verzoek van 26 november 1986 uitdrukkelijk werd afgewezen. Dit besluit, dat het standpunt van de Commissie inhield over verzoekers verzoeken, is onaanvechtbaar geworden en het onderhavige beroep is dientengevolge niet-ontvankelijk.
26 Op grond van deze overwegingen concludeert de Commissie dat, ook al stelt artikel 90 van het Statuut geen termijn voor de indiening van verzoeken overeenkomstig dit artikel, verzoeker, die de voorafgaande procedure van artikel 90 van het Statuut niet tijdig in acht heeft genomen, niet opnieuw van die procedure gebruik kon maken door achtereenvolgens op 29 september 1989 een verzoek in te dienen en op 10 april 1990 een klacht, teneinde een nieuw onderzoek te krijgen van de feiten en van het besluit dat in het arrest van het Hof van 27 juni 1987 aan de orde was geweest. Een dergelijk onderzoek is alleen mogelijk wanneer zich een nieuw feit voordoet (arresten Hof van 15 december 1971, zaak 17/71, Tontodonati, Jurispr. 1971, blz. 1059; 15 mei 1985, zaak 127/84, Esly, Jurispr. 1985, blz. 1437; 8 maart 1988, zaak 125/87, Brown, Jurispr. 1988, blz. 1619, r.o. 13, en 14 juni 1988, zaak 161/87, Muysers en Tuelp, Jurispr. 1988, blz. 3037). In casu doet zich een dergelijk feit niet voor en het beroep moet bijgevolg in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
27 Verzoeker wijst erop, dat het besluit van 26 mei 1986 nergens de anciënniteit en de salaristrap aangaf die hem bij zijn herplaatsing waren toegekend, en dat deze gegevens voor het eerst voorkwamen op zijn salarisafrekening van 14 oktober 1986. Deze afrekening, waaruit hij kon afleiden dat zijn indeling voor hem nadelig was, was op dit punt bijgevolg het enige besluit. Anders dan de Commissie stelt, voldeed zijn klacht van 26 november 1986 bijgevolg aan alle materiële en formele voorwaarden om als zodanig te worden aangemerkt, gelijk het Hof in het arrest van 27 juni 1989 oordeelde in het kader van het onderzoek van zijn vordering tot nietigverklaring. Nu het Hof in voornoemd arrest het verzoek om schadevergoeding had afgewezen met de overweging, dat aan zijn klacht van 26 november 1986 geen verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut was voorafgegaan, mocht verzoeker een dergelijk verzoek indienen zonder aan een tijdslimiet te zijn gebonden, en mocht hij tegen de afwijzing daarvan een klacht indienen. Aangezien hij hiermee heeft voldaan aan de eisen van de precontentieuse procedure van artikel 90 van het Statuut, meent verzoeker dat zijn beroep ontvankelijk is.
Beoordeling door het Gerecht
28 In het arrest van 27 juni 1989, reeds aangehaald, stelt het Hof vast, dat de Commissie pas uit de door verzoeker op 26 november 1986 ingediende klacht heeft begrepen, dat verzoeker van oordeel was te laat te zijn herplaatst (r.o. 24). Het Hof heeft de vorderingen van verzoeker tot reconstructie van de loopbaan en tot schadevergoeding dus enkel niet-ontvankelijk verklaard op grond dat zijn klacht van 26 november 1986 niet was voorafgegaan door een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut ter verkrijging van een voorafgaand besluit van de Commissie over zijn aanspraken.
29 Het Gerecht stelt voor het overige vast, dat artikel 90, lid 1, van het Statuut geen enkele termijn stelt voor op grond van die bepaling ingediende verzoeken van ambtenaren.
30 Hieruit volgt, dat het door verzoeker op 29 september 1986 bij de Commissie ingediende verzoek, alsmede verzoekers klacht van 10 april 1990 tegen de stilzwijgende afwijzing daarvan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 90, leden 1 en 2, van het Statuut zijn ingediend, en dat het daarop bij het Gerecht ingestelde beroep, aan de eisen van artikel 91 van het Statuut voldoet. Anders dan de Commissie stelt moet dit beroep derhalve ontvankelijk worden verklaard.
31 Hieraan zij toegevoegd, dat aan de ontvankelijkheid van het beroep niet wordt afgedaan doordat verzoeker niet binnen de statutaire termijn een klacht heeft ingediend tegen het besluit waarvan de Commissie hem op 30 september 1987 in kennis heeft gesteld en dat een uitdrukkelijke afwijzing bevatte van zijn klacht van 26 november 1986. In het arrest van 27 juni 1989, reeds aangehaald, heeft het Hof de handeling van verzoeker van 26 november 1986 immers duidelijk als klacht gekwalificeerd, zodat tegen de afwijzing daarvan, die impliciet voortvloeide uit het verstrijken van de statutaire termijn, enkel nog beroep in rechte kon worden ingesteld overeenkomstig artikel 91 van het Statuut. Voorts is het besluit waarvan verzoeker op 30 september 1987 in kennis werd gesteld en dat met zoveel woorden was genomen in antwoord op de klacht van 26 november 1986, niet meer dan een bevestiging van het reeds stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van verzoekers klacht, die werd gegeven na ommekomst van de termijn van zowel artikel 90, lid 2, laatste alinea (arrest Hof van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677, r.o. 9), als artikel 91, lid 3, tweede streepje, tweede volzin, van het Statuut. Tegen deze stilzwijgende afwijzing had verzoeker op 30 juni 1987 al beroep ingesteld bij het Hof, toen hij op 30 september 1987 in kennis werd gesteld van het door de Commissie ingeroepen bevestigend besluit. Bijgevolg werd door dit besluit aan de rechtspositie van verzoeker geen nieuw element toegevoegd dat niet reeds aan het oordeel van het Hof was onderworpen en waarover niet was beslist in het door het Hof op 27 juni 1989 in die zaak gewezen arrest, na welk arrest verzoeker de procedure van de artikelen 90 en 91 van het Statuut heeft gevolgd alvorens het onderhavige beroep in te stellen.
Ten gronde
De te late herplaatsing van verzoeker
Argumenten van partijen
32 Volgens verzoeker heeft de Commissie door zijn te late herplaatsing artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut geschonden. Door dit onrechtmatig handelen heeft zij hem schade berokkend.
33 Verzoeker stelt, dat de in artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut neergelegde verplichting om een ambtenaar te herplaatsen, de Commissie verplicht om de vereiste zorgvuldigheid te betrachten, aangezien zij daartoe over alle gegevens beschikt betreffende de herplaatsingsmogelijkheden van een ambtenaar, terwijl die ambtenaar enkel de mogelijkheid heeft om het eerste ambt dat hem uit dien hoofde wordt aangeboden, te weigeren.
34 Dienaangaande stelt verzoeker in de eerste plaats, dat de administratie hem nooit in kennis heeft gesteld van de kennisgevingen van vacatures waarnaar hij had kunnen solliciteren, ondanks zijn daartoe strekkende verzoeken van 30 september 1976, 24 september 1983, 7 januari 1984 en 15 juli 1985, en ondanks een standaardbrief, gedateerd maart 1981, afkomstig van het hoofd van de afdeling "algemeen beheer en personeelszaken" van het GCO te Ispra, waarin werd verklaard, dat ambtenaren wier herplaatsing hangende was, stelselmatig op de hoogte zouden worden gesteld van de lopende kennisgevingen van vacatures, om hun de gelegenheid te geven, van hun belangstelling te doen blijken. In de tweede plaats zet hij uiteen, dat zijn verzoeken tot herplaatsing ofwel helemaal niet werden beantwoord, zoals zijn verzoek van 30 september 1976, ofwel afwijzend en met grote vertraging, zoals de brief van 15 maart 1974, waarop de administratie pas bij brief van 19 maart 1981 antwoordde. Een aantal van zijn verzoeken, zoals dat van 24 september 1983, kreeg slechts een ontwijkend antwoord. Hij had hierin om mededeling verzocht van de kennisgevingen van vacatures die voor hem van belang konden zijn. Op 10 oktober 1983 antwoordde de administratie hierop met het verzoek om aan te geven, of hij wenste dat kennisgevingen van vacatures hem werden meegedeeld. Ook op zijn verzoek om herplaatsing van 7 januari 1984, waarin hij om mededeling had verzocht van de kennisgevingen van vacatures die voor hem van belang konden zijn met de mededeling, dat hij dringend een bezoldigde werkzaamheid moest hervatten, ontving hij op 25 mei 1984 een brief waarin de administratie hem vroeg, of hij nog in herplaatsing geïnteresseerd was en of hij de door hem gevraagde kennisgevingen van vacature tijdig ontving.
35 Met betrekking tot de mogelijkheid van verweerster om hem vóór 26 mei 1986 te herplaatsen, stelt verzoeker onder verwijzing naar de 327 kennisgevingen van vacatures in de wetenschappelijke en technische groepen, die de Commissie heeft overgelegd, dat hij, gezien zijn ervaring en de taken die hij vóór zijn verlof verrichtte, volledig in aanmerking kwam voor in het bijzonder drie posten binnen de wetenschappelijke en technische groepen van de Commissie.
36 Verzoeker wijst daartoe in de eerste plaats op de vacature, gepubliceerd in kennisgeving COM/R/1523/85, met als uiterste datum voor indiening van sollicitaties 26 juli 1985, waarvan de taken, in het kader de algemene diensten van het GCO te Ispra, verband hielden met de organisatie van de gewone en buitengewone onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen en technische installaties voor de produktie en distributie van vloeistoffen (verwarming, airconditioning, water, behandeling en verwijdering van conventioneel en verdacht afval, samengeperste lucht, gas, etc.), de evaluatie van de kosten van die werkzaamheden, de opstelling van een onderhoudsplan en de uitwerking van bestekken voor werkzaamheden die aan derden worden opgedragen.
37 Met een beroep op zijn ervaring op het gebied van contracten, opgedaan in de functies die hij vóór zijn verlof uitoefende, wijst verzoeker in de tweede plaats op de vacature gepubliceerd in kennisgeving van vacature COM/R/1561/85 met als uiterste datum voor indiening van sollicitaties 22 november 1985, waarvan de werkzaamheden bestonden in het bijstaan van de leider van het E en D programma, niet-nucleaire energie, in het bijzonder op het gebied van de vaste brandstoffen. In het kader hiervan zou de betrokken ambtenaar worden belast met de begeleiding van de uitvoering en met het beheer van de contracten, in samenwerking met de dienst "contracten", met het opstellen van technische en administratieve rapporten, het geven van aanwijzingen aan de contractanten betreffende de inhoud van de eindrapporten en het verzekeren van begeleiding voor het beheer van het budget voor het subprogramma.
38 Ten slotte stelt verzoeker, met een beroep op zijn vroegere ervaring op het gebied van contracten en op zijn opleiding voor en ervaring met de bewaking van brandstoffen en motoren, dat hij had kunnen worden herplaatst op de post gepubliceerd in kennisgeving van vacature COM/R/1571/85, met als uiterste datum voor indiening van sollicitaties 10 januari 1986, waarvan de werkzaamheden bestonden in het bijstaan van de leider van het E en D subprogramma "optimalisering van de produktie en het gebruik van koolwaterstoffen", en in de zorg voor onder meer de analyse van de researchvoorstellen, het voeren van onderhandelingen voor de technische programma' s van de contracten, het begeleiden van de uitvoering van de contracten, het opstellen van technische en administratieve rapporten en het geven van aanwijzingen aan de contractanten betreffende de inhoud van de eindrapporten.
39 Met betrekking tot de vacatures binnen de administratieve groep stelt verzoeker, dat hij ook in een van die vacatures had kunnen worden herplaatst, daar overgang tussen de wetenschappelijke en technische groepen en de administratieve groep statutair mogelijk is en in een aantal gevallen ook door de Commissie in praktijk wordt gebracht, en aangezien hij ten minste sinds 15 oktober 1983 zijn beschikbaarheid hiervoor aan de Commissie kenbaar had gemaakt.
40 Zo stelt verzoeker, dat hij bij voorbeeld had kunnen worden herplaatst in de functie binnen de administratieve groep, waarvan de vacature op 3 oktober 1977 binnen het GCO te Ispra bekend is gemaakt bij kennisgeving nr. 393, waarin uitdrukkelijk werd vermeld, dat ambtenaren en andere personeelsleden van de wetenschappelijke en technische groepen konden solliciteren. De taken die behoorden bij deze post, waarop uiteindelijk een ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groepen is aangesteld, bestonden in het leiden van de dienst betalingsopdrachten van de afdeling "financiën en contracten", waarvan de hoofdwerkzaamheden bestonden in het aangaan van betalingsverplichtingen en het verstrekken van betalingsopdrachten met betrekking tot bestellingen en aanbestedingen, en het beheer van contracten met derden. Door hem niet te herplaatsen op deze post, waarvoor deskundigheid op contractueel terrein vereist was, heeft verweerster de kwalificaties over het hoofd gezien die hij had verworven in zijn functie van hoofd van de dienst bevoorrading en benodigdheden, die hij vóór zijn verlof bekleedde, alsook zijn meer algemene bekwaamheid om administratieve werkzaamheden te verrichten. Verzoeker maakt in dit verband melding van de administratieve werkzaamheden die verbonden zijn aan de functie waarin hij was herplaatst op de afdeling "infrastructuur" van het GCO te Ispra ° in welke functie hij verantwoordelijk was voor de telecommunicatie- en vervoerdiensten ° en van het feit dat hij na zijn herplaatsing, bij besluit van 15 december 1986, is tewerkgesteld bij de administratieve dienst om de directeur van het GCO te Ispra van advies en bijstand te dienen op contractueel terrein.
41 Nog steeds met betrekking tot de administratieve posten stelt verzoeker, onder verwijzing naar de 66 kennisgevingen van vacature die de Commissie heeft overgelegd, dat hij ook had kunnen worden herplaatst op de administratieve post gepubliceerd in kennisgeving van vacature COM/355/85, met als uiterste datum voor indiening van sollicitaties 27 maart 1985. Deze post, binnen het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer (DG IX), bestond in het bijstaan van een afdelingshoofd bij de voorbereiding en begeleiding van alle taken die waren toevertrouwd aan de administratieve eenheid belast met het beheer, de bewaking en het onderhoud van de gebouwen, de uitvoering van de desbetreffende contracten, het beheer van bepaalde kredieten en van het materieel en het wagenpark, en alle werkzaamheden ter verzekering van logistieke steun aan de in Luxemburg gevestigde diensten van de Commissie.
42 De Commissie stelt, dat het objectief gezien onmogelijk was om verzoeker vóór 26 mei 1986 te herplaatsen, wegens gebrek aan vacatures waarvoor hij geschikt was. Zij zet uiteen, dat verzoekers beroepsprofiel in zoverre bijzonder is, dat hij een technische en wetenschappelijke basisopleiding heeft en een ingenieursdiploma automobielconstructie, dat echter niet van universitair niveau is, maar ook commerciële ervaring heeft. Voordat hij bij Euratom in dienst trad, verrichtte verzoeker commerciële werkzaamheden en hield hij zich bezig met vragen betreffende bevoorrading, verkoop en promotie in de sector industriële motoren en in de automobielindustrie. Na zijn indiensttreding had hij binnen het GCO te Ispra de verantwoordelijkheid voor de aankopen die noodzakelijk waren voor het fundamentele onderzoek, dat belangrijke implicaties had op nucleair terrein; dit vereiste het vermogen om de kwaliteit te kunnen beoordelen, niet van willekeurig materiaal, maar van wetenschappelijk geperfectioneerd materiaal. De aard van verzoekers capaciteiten bracht volgens de Commissie mee, dat zij noch geheel aansloten bij die voor de wetenschappelijke groep, noch bij die voor de administratieve groep, hetgeen zijn herplaatsing had bemoeilijkt.
43 Met betrekking tot de ambten in de wetenschappelijke en technische groepen wijst de Commissie erop, dat hoewel de herplaatsing van verzoeker gezien diens basisopleiding en aanvankelijke aanwerving in elk geval moest plaatsvinden op een ambt binnen die groep, zijn bijzondere kwalificaties en het feit dat hij geen universitaire ingenieurstitel bezat, meebrachten dat zijn capaciteiten punt voor punt moesten worden beoordeeld in het licht van de beschikbare ambten, die daardoor zeer klein in aantal zo niet nihil werden.
44 Bij de in kennisgeving COM/R/1523/85 gepubliceerde vacature gaat het om taken op het gebied van het onderhoud van gebouwen en installaties, in het bijzonder installaties voor de produktie en bewerking van vloeistoffen; dit is een uiterst gespecialiseerd werk, waarvoor de kwalificaties vereist zijn van een "industrieel doctor-ingenieur of een gelijkwaardige titel of beroepservaring". Voor deze vacature was dus een volstrekt andere opleiding vereist dan die van verzoeker, die "geen enkele commerciële ervaring had die zou kunnen worden gedefinieerd (...) als die van technisch-commercieel ingenieur".
45 Bij de in kennisgeving COM/R/1561/85 gepubliceerde vacature gaat het om taken op het gebied van het toezicht op de uitvoering en het beheer van researchcontracten in de sector niet-nucleaire energie, dat wil zeggen energie die kan worden teruggewonnen en hergebruikt. Voor deze functie was met een diploma afgesloten kennis op universitair niveau of ervaring op gelijkwaardig niveau vereist, alsmede grondige kennis op het gebied van de kringloopenergie, waardoor de betrokkene de projecten kan evalueren en leiden die aan particuliere of openbare ondernemingen zijn opgedragen door middel van researchcontracten die voor 50 % door de Commissie worden gefinancierd. Deze werkzaamheden strookten dus niet met de bekwaamheden van verzoeker, die op een totaal ander terrein werkzaam was geweest.
46 Bij de vacature die in kennisgeving COM/R/1571/85 is gepubliceerd, gaat het om bijstand aan de leider van het onderzoeks- en ontwikkelingssubprogramma "optimalisering van de produktie en het gebruik van koolwaterstoffen", op het specifieke terrein van de synthetische, motor- en carburatiebrandstoffen. Voor die post was een "op de sector koolwaterstoffen toegesneden kennis op universitair niveau en ervaring op industrieel gebied" vereist, kwalificaties die niet "geheel" overeenkomen met verzoekers beroepsprofiel.
47 Met betrekking tot de ambten binnen de administratieve groep stelt de Commissie, dat verzoeker niet in een ambt binnen deze groep kon worden herplaatst, daar artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut de administratie alleen dan verplicht om een ambtenaar op een vacature te herplaatsen, indien het gaat om een ambt binnen de groep waartoe de ambtenaar behoort. De administratie is bevoegd om een ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groepen te herplaatsen op een post binnen de administratie, maar zij is niet verplicht om hem een dergelijke post bij voorrang aan te bieden of om hiertoe de vacatures binnen de administratie te onderzoeken. Om die reden heeft een dergelijk onderzoek in verzoekers geval dan ook niet plaatsgevonden.
48 Met betrekking tot de vacature binnen de administratieve groep, die op 3 oktober 1977 onder nr. 393 is bekendgemaakt, stelt de Commissie bovendien, dat de krachtens artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut op haar rustende verplichting enkel geldt ten aanzien van kennisgevingen van vacature in de zin van artikel 4, tweede alinea, van het Statuut, en zich niet uitstrekt tot mededelingen betreffende "interne overplaatsing", zoals de onderhavige kennisgeving. Dergelijke kennisgevingen zijn niet bestemd voor ambtenaren in een herplaatsingsprocedure, die hun post hebben verloren, maar uitsluitend voor ambtenaren die met hun post kunnen worden overgeplaatst in een functie die in grote lijnen analoog is aan die welke zij tot dan toe hebben uitgeoefend.
49 Aangaande ten slotte de in kennisgeving COM/355/85 bekendgemaakte vacature binnen de administratie, erkent de Commissie weliswaar, dat verzoeker binnen de dienst "aankopen" van het GCO te Ispra "in de ruime zin des woords" een administratieve post had bekleed, maar stelt zij niettemin dat verzoeker, gezien zijn basisopleiding en het feit dat hij tot de wetenschappelijke en technische groepen behoorde, enkel voor herplaatsing binnen die groepen in aanmerking kwam, daar hij geen specifieke bekwaamheid bezat om een ambt binnen de administratieve groep te bekleden. Voor deze vacature had verzoeker niet de vereiste kwalificaties, aangezien hiervoor "specifieke ervaring" vereist was "in de sector onroerend goed, (...) het beheer van gebouwen en alles wat betrekking heeft op de logistiek van de diensten van de Commissie in Luxemburg".
Beoordeling door het Gerecht
50 Artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut verplicht de gemeenschapsinstellingen, ervoor te zorgen dat een ambtenaar wiens verlof om redenen van persoonlijke aard is verstreken, wordt herplaatst bij de eerste vacature in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit. Voor herplaatsing gelden naast het bestaan van een vacature en de geschiktheid hiervoor van de betrokkene, dus geen andere voorwaarden. Zo hoeft de betrokken ambtenaar geen belangstelling voor een vacature te hebben getoond en is irrelevant, of hij tijdens zijn verlof al dan geen beroepswerkzaamheden uitoefent. De beoordelingsvrijheid van de bij de herplaatsing betrokken instanties strekt zich dus enkel uit tot de geschiktheid van de ambtenaar die voor herplaatsing in aanmerking komt, welke geschiktheid moet worden beoordeeld in het licht van de ambten die hij kan bekleden, en niet tot de opportuniteit van de herplaatsing of van een onderzoek van zijn geschiktheid, welk onderzoek de administratie hoe dan ook in het belang van de dienst moet verrichten (arrest van 1 juli 1976, zaak 58/75, Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1139, r.o. 13).
51 De uit artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut volgende verplichting om tot een uitvoerig onderzoek over te gaan om te verzekeren, dat een ambtenaar die voor herplaatsing in aanmerking komt, de voor een bepaalde vacature vereiste geschiktheid bezit, vloeit eveneens voort uit het in personeelskoerier nr. 103 gepubliceerde interne besluit van de Commissie van 14 januari 1970, betreffende verlof om redenen van persoonlijke aard. Dit besluit verplicht het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie om de betrokken ambtenaren "overeenkomstig de procedure van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut" een vacature binnen hun directoraat-generaal of dienst van oorsprong aan te bieden, zelfs indien de procedure ter voorziening in die vacature reeds is begonnen, en om bij gebreke van een dergelijke vacature binnen het directoraat-generaal of de dienst van oorsprong een herplaatsingscomité in te schakelen, bestaande uit drie hoge ambtenaren die voor elk dossier speciaal worden aangewezen en die tot taak hebben, te bepalen welk ambt aan de betrokken ambtenaar moet worden aangeboden. Deze procedurele verplichtingen zijn overgenomen in het besluit dat dit besluit van 14 januari 1970 heeft vervangen en dat is gepubliceerd in de mededelingen van de administratie nr. 569 van 5 september 1988. Dit besluit bepaalt, dat het directoraat-generaal Personeelszaken en algemeen beheer ten behoeve van een herplaatsing overgaat tot onderzoek van alle vacatures en van de kwalificaties van de ambtenaren die op herplaatsing wachten. Bovendien verplicht dit besluit de administratie, procedures ter voorziening in een ambt dat "overeen lijkt te komen" met de kwalificaties van een ambtenaar wiens verlof is verstreken of minimaal binnen zes weken verstrijkt, te schorsen, opdat de herplaatsingsprocedure bij voorrang kan slagen.
52 De procedure tot verificatie van de geschiktheid van ambtenaren die op herplaatsing wachten, waaraan de instanties van de gemeenschapsinstellingen onder toezicht van de gemeenschapsrechter uitvoering moeten geven, moet dus effectief plaatsvinden op zodanige wijze, dat de betrokken instellingen kunnen aantonen dat zij is nageleefd. Ware dit niet zo, dan zouden noch de ambtenaren die om herplaatsing hebben verzocht ° die buiten de gevallen waarin hun een post wordt aangeboden, normaliter niet in kennis worden gesteld van de vacatures binnen hun instelling ° noch de rechter kunnen nagaan, of de verplichtingen die ingevolge artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut op de gemeenschapsinstellingen rusten, zijn nageleefd.
53 Dienaangaande kan van de bevoegde instanties niet worden verlangd, dat zij het bewijs leveren, de geschiktheid van een ambtenaar die op herplaatsing wacht, te hebben onderzocht, wanneer de voor een bepaalde vacature vereiste geschiktheid en die van de betrokken ambtenaar klaarblijkelijk verschillen. Dat bewijs moet echter wel worden geleverd in alle gevallen waarin een dergelijk klaarblijkelijk verschil ontbreekt en de geschiktheid van de betrokkene voor een vacature bijgevolg volledig moet worden onderzocht.
54 Op verzoek van het Gerecht heeft de Commissie het persoonsdossier van verzoeker (nr. 21756) overgelegd. In bijlage A, deel 1, hiervan bevindt zich een op zijn naam gestelde kaart met als opschrift "lijst van ambtenaren van het GCO met verlof om redenen van persoonlijke aard". Op die kaart staan onder meer de data van drie van verzoekers verzoeken om herplaatsing (van 15 maart 1974, 30 september 1976 en 24 september 1983) en de functies die hem bij voorrang konden worden aangeboden, te weten "in- en verkoopfuncties" en "managersfuncties". Ook vermeldt deze kaart de kennisgevingen van vacature in de wetenschappelijke en technische groep COM/R/567/80, 515/81, 523/81, 529-530/81, 531-532/81, 544/81, 545/81, 538-539/83, 508/84 en 517/84, wat volgens een aantekening op deze kaart de vacatures waren "waarvoor de geschiktheid van de ambtenaar is geverifieerd (zonder aanbod tot herplaatsing)". Ten slotte bevindt zich in hetzelfde deel van verzoekers dossier een nota van 22 mei 1984 [XII-B-5(D)-84-12.505] met de negatieve conclusies van de verificatie van de geschiktheid van verzoeker en vier andere ambtenaren voor het ambt waarop een van voornoemde kennisgevingen van vacature betrekking had, te weten kennisgeving COM/R/517/84 (en 520/84). De nota wijst erop, dat voor dit ambt werkzaamheden moesten worden verricht in het kader van het FAST-programma, en concludeert, dat "duidelijk is, dat Giordani, wiens eerste taak bij het GCO de taak van hoofd van de dienst 'bevoorrading' was, niet aan de behoeften van FAST kan beantwoorden".
55 De bevoegde diensten van de Commissie hebben het dus noodzakelijk geacht, te verifiëren of verzoeker de geschiktheid bezat voor ambten als die vermeld in de bovenbedoelde nota en kaart, ondanks het onmiskenbare verschil tussen die geschiktheid en de gestelde eisen. Deze diensten hadden er dus a fortiori op moeten toezien, dat in verzoekers dossier de conclusies werden opgenomen van het onderzoek van zijn geschiktheid voor ambten die kennelijk, althans beter, leken aan te sluiten bij zijn geschiktheid, opdat daarmee de weigering om hem in een van die ambten te herplaatsen, zou zijn gemotiveerd. Deze nalatigheid geldt in de eerste plaats voor de door verzoeker vermelde ambten waarop de kennisgevingen van vacature COM/R/1523/85, COM/R/1561/85 en COM/R/1571/85 betrekking hadden. De verklaring van de Commissie, dat de geschiktheid van verzoeker is geverifieerd voor alle ambten van de wetenschappelijke en technische groepen die tussen 1974 en 1986 vacant zijn verklaard, kan dus niet worden aanvaard. Dit geldt te meer, nu verzoeker ter terechtzitting heeft gewezen op het bestaan van kennisgevingen van vacature binnen de wetenschappelijke en technische groep, die de Commissie niet aan het Gerecht heeft kunnen overleggen.
56 Bij gebreke van enig bewijs of zelfs maar een aanwijzing, dat de geschiktheid van verzoeker voor elk ambt waarin hij vóór 26 mei 1986 had kunnen worden herplaatst, stelselmatig is getoetst, heeft de Commissie dus rechtens niet genoegzaam aangetoond, dat zij de procedure tot verificatie van de geschiktheid van ambtenaren die op herplaatsing wachten, een procedure waarvan de beginselen zijn neergelegd in artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut en waarvan een aantal aspecten waren uitgewerkt in het interne besluit van de Commissie van 14 januari 1970, dat tijdens de litigieuze periode van toepassing was, heeft nageleefd.
57 Dit verzuim van de Commissie, bestaande in onregelmatig gedrag ten aanzien van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut, vormt een dienstfout die haar aansprakelijkheid jegens verzoeker kan doen ontstaan, voor zover dit verzoekers herplaatsing op een datum vóór 26 mei 1986 heeft kunnen beletten. Van daadwerkelijke schade, die verzoeker het recht geeft vergoeding te vorderen (arrest Sergy, reeds aangehaald, en arrest Hof van 5 mei 1983, zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr. 1983, blz. 1343), zou in dat geval sprake zijn op grond dat hij in de periode tussen de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing en de, eerdere, datum waarop hij eventueel had kunnen worden herplaatst, verstoken is geweest van zijn ambtenarensalaris.
58 Bijgevolg moet worden nagegaan of verzoeker, gelet op zijn uit het dossier blijkende geschiktheid en het profiel van de ambten op herplaatsing waarin hij recht stelt te hebben gehad, vóór 26 mei 1986 had kunnen worden herplaatst.
59 Van de ambten binnen de wetenschappelijke en technische groepen, voor herplaatsing waarin verzoeker onmiskenbaar in aanmerking kwam, verwijst het Gerecht allereerst naar de vacature, gepubliceerd in kennisgeving COM/R/1523/85, met als uiterste datum voor indiening van sollicitaties 26 juli 1985. Volgens deze kennisgeving van vacature waren aan dit ambt de volgende werkzaamheden verbonden: "Organisatie van de gewone en buitengewone onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen en technische installaties voor de produktie en distributie van vloeistoffen (verwarming, airconditioning, water, behandeling en verwijdering van conventioneel afval en verdacht afval, samengeperste lucht, gas, etc.); evaluatie van de kosten van die werkzaamheden; opstelling van een onderhoudsplan; uitwerking van bestekken voor werkzaamheden die aan derden worden opgedragen." Voor dit ambt werden de volgende kwalificaties vereist: "Kennis op universitair niveau van de industriële technologie of gelijkwaardige beroepservaring; ervaring op het gebied van algemeen onderhoud van gebouwen, van installaties voor de produktie en distributie van vloeistoffen, van de automering en regularisatie in het bijzonder met betrekking tot airconditioning; vermogen om kosten te ramen; bereidheid om bestekken op te stellen en uit te werken."
60 Blijkens deze functieomschrijving bracht dit ambt werkzaamheden mee van commerciële, meer bepaald contractuele aard, en van technische aard, aangezien het betrekking had op het onderhoud van de installaties van het GCO te Ispra.
61 Met betrekking tot de commerciële en contractuele werkzaamheden stelt het Gerecht vast, dat het ambt dat verzoeker vóór zijn verlof om redenen van persoonlijke aard bekleedde, volgens de desbetreffende kennisgeving van vacature (V/IS/126/65), "een zeer gedegen ervaring met de bevoorradingstechniek en -methodes" vereiste. Bovendien heeft de Commissie in antwoord op vragen van het Gerecht verklaard, dat "Giordani blijkens zijn curriculum vitae een opleiding van commerciële aard heeft genoten", dat hij in voornoemd ambt belast was met "alle procedures voor de bestelling, de aankoop en de ontvangst van goederen", dat hij "zich altijd heeft beziggehouden met werkzaamheden in de commerciële sector", in het bijzonder met aspecten "verband houdend met de aankoop en het voorraadbeheer van technisch en wetenschappelijk materiaal", een terrein waarop hij "voortdurend blijk heeft gegeven van zijn bekwaamheden en zijn competentie". Ten slotte heeft de Commissie ter terechtzitting bevestigd, dat de ervaring van verzoeker "in hoofdzaak geconcentreerd was rond de commerciële sector", dat hij verantwoordelijk was voor "de aankopen van een groot onderzoekscentrum", hetgeen impliceerde, dat hij het vermogen bezat om "de kwaliteit van deze grondstof en van het wetenschappelijk materiaal te beoordelen", en om "via zijn contacten met de leveranciers, in onderhandelingen gunstige prijzen te bedingen". Ten slotte zij opgemerkt, dat voor het ambt waarin verzoeker op 26 mei 1986 is herplaatst, "bekwaamheid in het opstellen en redigeren van bestekken en in kostenraming" werd verlangd. In het kader van de onderhavige procedure kan verweerster dus niet in twijfel trekken, dat verzoeker klaarblijkelijk de commerciële en contractuele vaardigheden bezat die vereist waren voor de vervulling van de taken, verbonden aan het ambt waarvan de vacature onder COM/R/1523/85 is bekendgemaakt.
62 Met betrekking tot de meer technische taken ° het onderhoud van de installaties van het centrum te Ispra ° stelt het Gerecht vast, dat de kennisgeving van vacature voor het ambt dat verzoeker vóór zijn verlof bekleedde, een "zeer goede kennis" verlangde "van de materialen en apparaten die in een centrum voor kernonderzoek worden gebruikt". In antwoord op vragen van het Gerecht en ter terechtzitting heeft de Commissie bevestigd, dat verzoeker "een basisopleiding van technisch-wetenschappelijke aard" had, en dat voor de taakvervulling van het ambt dat hij vóór zijn vertrek bekleedde "een bekwaamheid vereist was (...) die zich halverwege bevond tussen een wetenschappelijke basisopleiding, die onontbeerlijk was voor het onderhoud van de voor Ispra noodzakelijke materialen, en een opleiding op het gebied van de bedrijfsvoering, om handelingen te kunnen verrichten die objectief bezien van commerciële aard zijn. Het betreft hier het doen van aankopen op een bepaalde markt, de mogelijkheid om door het onderhouden van contacten met leveranciers goede prijzen te bedingen, en een heel scala van prestaties daarna, zoals het verzorgen van onderhoud, reparatie en service." Het Gerecht merkt ten slotte op, dat het ambt waarin verzoeker op 26 mei 1986 is herplaatst, een aantal onderhoudstaken meebracht. Zijn kwalificaties kunnen dus wel degelijk in overeenstemming worden geacht met de kundigheden die vereist waren voor de vervulling van de taken verband houdend met het onderhoud van de gebouwen en de technische installaties van het GCO te Ispra. Verweerster, die ter terechtzitting uiteen heeft gezet, dat het bij de onder COM/R/1523/85 bekendgemaakte vacature ging om "werkzaamheden van een deskundige op het gebied van de verwerving van goederen ten behoeve van de werkzaamheden van het centrum te Ispra", om "ervaring op commercieel terrein (...) wat men een technisch-commercieel ingenieur zou kunnen noemen" en om "iemand die met onderhoudsproblemen vertrouwd is", kan bijgevolg niet in twijfel trekken, dat verzoeker klaarblijkelijk de voor de bekleding van dat ambt vereiste geschiktheid bezat.
63 Het Gerecht komt vervolgens toe aan het ambt bij de wetenschappelijke en technische groepen, waarvan de vacature is bekendgemaakt in kennisgeving COM/R/1571/85, met als uiterste datum voor indiening van sollicitaties 10 januari 1986. Volgens deze kennisgeving had het ambt betrekking op de volgende werkzaamheden: "Het bijstaan van de leider van het E en D subprogramma 'optimalisering van de produktie en het gebruik van koolwaterstoffen' bij de leiding van dat programma, in het bijzonder op de volgende gebieden: synthetische brandstoffen, reservoirs, motoren. Belast met onder meer de analyse van de researchvoorstellen, het voeren van onderhandelingen voor de technische programma' s van de contracten, het begeleiden van de uitvoering van de contracten, het opstellen van technische en administratieve rapporten en het geven van aanwijzingen aan de contractanten betreffende de inhoud van de eindrapporten." De betrokken kennisgeving van vacature verlangde de volgende bekwaamheden: 1) "Met een diploma afgesloten opleiding op universitair niveau of gelijkwaardige beroepservaring; 2) passende kennis op het gebied van koolwaterstoffen in het algemeen; 3) enkele jaren ervaring in de industrie." Volgens de verklaringen van de Commissie ter terechtzitting was voor dit ambt "kennis op universitair niveau, toegespitst op koolwaterstoffen, en ervaring op industrieel terrein" noodzakelijk.
64 Het Gerecht stelt vast, dat voor zover in het kader van dit ambt werkzaamheden moesten worden verricht op het gebied van onderhandelingen over overeenkomsten, het sluiten daarvan en het toezien op de uitvoering, uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de onder COM/1523/85 bekendgemaakte vacature is opgemerkt blijkt, dat verzoeker naar het oordeel van de Commissie zelf zonder meer de vereiste geschiktheid bezat. Bovendien blijkt uit zijn dossier en wordt door de Commissie erkend, dat verzoeker een technische ingenieursopleiding had, en daarnaast in het ambt dat hij vóór zijn verlof bekleedde ervaring had opgedaan met "(...) in het bijzonder de organisatie en de systemen van de industrie op het gebied van de verkoop". Dat verzoeker deze ervaring had, heeft de Commissie overigens ook erkend in haar antwoorden op vragen van het Gerecht, waarin zij uiteenzet, dat verzoeker "afgezien van een korte werkzaamheid als projectingenieur bij een Zwitsers bedrijf voor het ontwerpen van diesel-scheepsmotoren, van 1954 tot 1960 verantwoordelijk was voor het commerciële netwerk van een aantal bedrijven in de sector industriële motoren en de automobielindustrie". Ter terechtzitting heeft de Commissie deze opmerking nog bekrachtigd door te wijzen op verzoekers ervaring op het gebied van de "promotie van industriële produkten, in het bijzonder in de mechanica en de automobielsector". Voor zover voor het betrokken ambt industriële ervaring vereist was, bezat verzoeker dus de vereiste capaciteiten, in het bijzonder wat betreft industriële motoren en, bijgevolg, koolwaterstoffen. Verzoeker stelt overigens, zonder op dit punt uitdrukkelijk door de Commissie te zijn weersproken, dat hij hiermee ook specifieke commerciële ervaring heeft opgedaan voordat hij bij de Commissie in dienst trad.
65 Zonder dat behoeft te worden nagegaan of verzoeker ook had kunnen worden herplaatst in het ambt waarvan de vacature onder COM/R/1561/85 is bekendgemaakt, moet derhalve worden vastgesteld dat de Commissie niet heeft aangetoond, dat het haar onmogelijk was om verzoeker hetzij per 26 juli 1985 op vacature COM/R/1523/85 te herplaatsen, hetzij per 10 januari 1986 op vacature COM/R/1571/85. Nu zij inderdaad tijdig was overgegaan tot een beoordeling van verzoekers geschiktheid voor deze twee ambten, is haar weigering om hem te herplaatsen onvoldoende met redenen omkleed en ten dele in tegenspraak met de daadwerkelijke kundigheden van verzoeker, te meer nu artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut niet verlangt dat de kundigheden van de betrokkene volledig overeenkomen met die welke voor het betrokken ambt worden verlangd, doch enkel, dat de ambtenaar de geschiktheid bezit voor de uitvoering van de bij dat ambt behorende werkzaamheden (arrest Pizziolo, reeds aangehaald, r.o. 5).
66 Evenwel moet nog worden onderzocht, of verzoeker niet nog eerder dan op 26 juli 1985 of 10 januari 1986 had moeten worden herplaatst, en wel op 26 oktober 1977, de uiterste datum voor indiening van sollicitaties voor het administratieve ambt dat binnen het GCO te Ispra onder kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977 is bekendgemaakt en waarvoor verzoeker naar zijn oordeel ook een recht op herplaatsing had.
67 Het Gerecht merkt op, dat deze kennisgeving betrekking had op een administratieve post van categorie A, zonder vermelding van rang, bij de directie van het GCO te Ispra, afdeling financiën en contracten, waarin moest worden voorzien door interne overplaatsing. De functieomschrijving voor de betrokken post luidde als volgt: "Leiding geven aan de dienst 'betalingsopdrachten' van de afdeling 'financiën en contracten' , waarvan de hoofdwerkzaamheden bestaan in: aangaan van betalingsverplichtingen, betalingsopdrachten, met betrekking tot bestellingen en aanbestedingen, beheer van contracten met derden." Voor de vervulling van dit ambt verlangde de betrokken kennisgeving de volgende kundigheden: "Met een diploma afgesloten opleiding op universitair niveau of gelijkwaardige beroepservaring; ervaring op het gebied van financieel beheer; ervaring met administratief beheer wenselijk." Hoewel het een administratieve post betrof, bepaalde de kennisgeving ten slotte uitdrukkelijk, dat "ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de wetenschappelijke en technische groep ook [konden] solliciteren".
68 Blijkens de betrokken kennisgeving ging het hier om taken van contractuele aard, waaronder het voeren van onderhandelingen over en het sluiten en begeleiden van contracten, financiële werkzaamheden, waaronder het aangaan van betalingsverplichting voor bestellingen en aanbestedingen, en ten slotte algemene administratieve werkzaamheden.
69 In het licht van het bovenstaande staat vast, dat de Commissie zowel in haar schriftelijke antwoorden op vragen van het Gerecht als tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft erkend, dat verzoeker onmiskenbare kundigheden bezat op commercieel gebied, in het bijzonder in contractuele aangelegenheden, op het gebied van het voeren van onderhandelingen over en het sluiten en begeleiden van zowel bevoorradings- als verkoopcontracten, inzonderheid voor de behoeften van een GCO als dat te Ispra, dank zij de ervaring die hij ter zake had opgedaan tijdens zijn werkzaamheden in de particuliere sector en in dienst van de Commissie. Deze kundigheden vinden overigens bevestiging in een vermelding op de reeds vermelde kaart in zijn dossier, volgens welke hij kon worden herplaatst in een ambt dat werkzaamheden op het gebied van de "aankoop en verkoop" impliceerde. Voorts bekleedde verzoeker vóór zijn verlof om redenen van persoonlijke aard de functie van hoofd van de dienst "bevoorrading en magazijn" van het GCO te Ispra, voor welke functie volgens de desbetreffende kennisgeving van vacature "een zeer gedegen ervaring" vereist was "met de bevoorradingstechniek en -methodes, in het bijzonder met de organisatie en de systemen die in de industrie worden toegepast in de sector aankopen (...)". Ten slotte had verzoeker volgens de beoordelingsrapporten die zich in zijn dossier bevinden (deel 3), waarnaar de Commissie in haar antwoorden op vragen van het Gerecht heeft verwezen, als hoofd van de dienst "bevoorrading" van het GCO te Ispra de zorg voor "alle procedures voor de bestelling, de aankoop en de inontvangstneming van goederen (...)". Uit het bovenstaande volgt dus dat, voor zover het ambt waarop kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977 betrekking had, taken meebracht die verband hielden met het sluiten en begeleiden van contracten, verzoeker klaarblijkelijk de noodzakelijke geschiktheid bezat.
70 Voor het overige stelt het Gerecht vast, dat voor het ambt dat verzoeker vóór zijn verlof om redenen van persoonlijke aard bekleedde, "kennis van de financiële organisatie (...) van de Gemeenschap" vereist was en dat de dienst die hij leidde, in 1970 onder de grotere dienst "financiën en bevoorrading" kwam te vallen. Voor het ambt waarin hij op 26 mei 1986 is herplaatst, was voorts volgens de desbetreffende functieomschrijving "ervaring met de technische en economische leiding van gediversifieerde diensten" vereist. Voor zover voor het ambt waarop kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977 betrekking had, bijzondere kundigheden op het gebied van financieel beheer nodig waren op grond dat dit ambt werkzaamheden betreffende het aangaan van betalingsverplichtingen en de verstrekking van betalingsopdrachten impliceerde, bezat verzoeker eveneens de vereiste geschiktheid.
71 Ten slotte wijst het Gerecht erop, dat verzoeker bij zijn indiensttreding bij de Commissie was aangesteld in een ambt dat onder het directoraat-generaal "Personeelszaken en algemeen beheer" van de Commissie ressorteerde, en dat voor het ambt dat hij vlak vóór zijn verlof om redenen van persoonlijke aard bekleedde, "kennis van de administratieve organisatie van de Gemeenschap" vereist was. Bovendien was, zoals zojuist opgemerkt, voor het ambt waarin hij op 26 mei 1986 is herplaatst, "ervaring met de technische en economische leiding van gediversifieerde diensten" vereist. Genoemde kaart in zijn persoonsdossier vermeldt overigens als functies die hem bij herplaatsing konden worden opgedragen "managersfuncties". Ten slotte heeft de Commissie tijdens de mondelinge behandeling, al was zij niet bereid de mogelijkheid van herplaatsing van verzoeker in een ambt binnen de administratieve groep te erkennen, toegegeven dat verzoekers functie binnen de dienst "aankopen" van het GCO te Ispra "administratief van aard" was. Hieruit volgt, dat voor zover het ambt waarop kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977 betrekking had, van de kandidaten ervaring met administratief beheer verlangde, verzoeker de vereiste geschiktheid bezat.
72 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat verzoeker klaarblijkelijk in alle opzichten de vereiste geschiktheid bezat voor herplaatsing in het ambt binnen de administratieve groep, dat op 3 oktober 1977 onder nr. 393 binnen het GCO te Ispra bekend was gemaakt, welk ambt tot zijn categorie behoorde en, bij gebreke van een vermelding in genoemde kennisgeving van de bijhorende rang, theoretisch ook overeenkwam met verzoekers rang.
73 De Commissie betwist niet uitdrukkelijk, dat verzoeker mogelijkerwijs geschikt was voor herplaatsing in dit ambt, maar stelt, dat zij rechtens niet verplicht was om hem hierin te herplaatsen. Zij is van oordeel, dat de verplichting om een ambtenaar na afloop van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard te herplaatsen, enkel geldt ten aanzien van ambten binnen de groep waartoe hij behoort, en dat artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut de administratie deze verplichting enkel oplegt indien er sprake is van een kennisgeving van "vacature" in de zin van artikel 4, tweede alinea, van het Statuut, en niet in geval van een mededeling betreffende "interne overplaatsing", zoals kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977.
74 Het eerste argument van de Commissie moet worden verworpen, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de vraag of, aangezien artikel 45, lid 2, van het Statuut ingevolge artikel 98, tweede alinea, niet van toepassing is op de in artikel 92 bedoelde ambtenaren, dat wil zeggen ambtenaren van de wetenschappelijke of technische groepen (arrest Hof van 21 oktober 1986, gevoegde zaken 269/84 en 292/84, Fabbro e.a., Jurispr. 1986, blz. 2983), de gemeenschapsinstellingen op grond van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut gehouden zijn om een ambt binnen de administratieve groep bij voorrang aan te bieden aan een ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groepen die aanspraak op herplaatsing heeft. Immers, wanneer het betrokken gezag besluit om een ambt binnen de administratieve groep open te stellen voor ambtenaren en functionarissen van de wetenschappelijke en technische groepen, is artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut hoe dan ook ten volle van toepassing. In dat geval moet het betrokken gezag, dat ingevolge artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut verplicht is tot herplaatsing "bij de eerste vacature", voor de voorziening in een vacature bij voorrang deze bijzondere procedure van herplaatsing volgen, alvorens gebruik te maken van een van de andere daartoe, in artikel 4, derde alinea, van het Statuut voorziene mogelijkheden.
75 Het tweede argument van de Commissie, dat berust op een onderscheid tussen kennisgevingen van vacature en kennisgevingen van overplaatsing naar een ambt, moet eveneens worden verworpen. Immers zowel overplaatsing als herplaatsing van een ambtenaar veronderstellen op dezelfde grond het bestaan van een vacature. Dit blijkt uit artikel 4, inzonderheid derde alinea, van het Statuut, voor overplaatsing, en uit artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut voor herplaatsing.
76 Nu vaststaat dat het ambt waarop kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977 betrekking had, een ambt was waarvoor verzoeker klaarblijkelijk de geschiktheid bezat en waarin deze had kunnen worden herplaatst op 26 oktober 1977, de uiterste datum voor indiening van sollicitaties voor dit ambt, stelt het Gerecht vast, dat het verzuim van de Commissie om verzoeker op deze post te herplaatsen en de gevolgen ongedaan te maken van de vertraging bij zijn herplaatsing, een schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut oplevert en een onrechtmatig gedrag dat verzoeker reële schade heeft berokkend, waarvan deze vergoeding kan vorderen.
De gevolgen van de te late herplaatsing voor verzoekers salaristrap en anciënniteit
Argumenten van partijen
77 Verzoeker zet uiteen, dat de schade waarvan hij vergoeding verlangt wegens zijn te late herplaatsing, geen betrekking heeft op gemiste kansen op bevordering in de rang, maar enkel op de gemiste salaristrapverhogingen die hij bij tijdige herplaatsing automatisch zou hebben gekregen binnen de rang die hij nu bekleedt.
78 De Commissie stelt, dat salaristrapverhogingen evenmin als bevorderingen in de rang een werkelijk subjectief recht van de betrokken ambtenaren vormen. Immers, ondanks het bepaalde in artikel 44 van het Statuut kan de mogelijkheid van een tijdelijke opschorting van een salaristrapverhoging of van een salaristrapverlaging blijkens artikel 86, lid 2, van het Statuut niet worden uitgesloten.
Beoordeling van het Gerecht
79 In de zaak Pizziolo, reeds aangehaald, heeft het Hof beslist, dat een te laat herplaatste ambtenaar geen aanspraak kan maken op een reconstructie van zijn loopbaan, die rekening houdt met de bevorderingen in de rang, die hem hadden kunnen worden gegeven, met de overweging, dat het niet mogelijk is in concreto vast te stellen welke bevorderingskansen de betrokken ambtenaar zou hebben gehad, indien hij tijdig was herplaatst (arrest Pizziolo, reeds aangehaald, r.o. 16). Om dezelfde reden moet het in deze zaak door de Commissie aangevoerde argument worden verworpen, aangezien het onmogelijk is om de omstandigheden die in de loopbaanontwikkeling van een ambtenaar zouden hebben kunnen leiden tot onderbreking of opschorting van zijn recht op automatische salaristrapverhoging binnen zijn rang, in concreto vast te stellen.
80 Bijgevolg heeft verzoeker overeenkomstig artikel 44 van het Statuut recht op salaristrapverhoging binnen zijn rang. Deze verhoging moet worden berekend vanaf 26 oktober 1977, de datum waarop hij in de diensten van de Commissie had moeten worden herplaatst.
Schadeloosstelling en berekening van de schade
Argumenten van partijen
81 Verzoeker merkt op dat de schade die zijn te late herplaatsing hem heeft berokkend, zich slechts uitstrekt over 18 maanden, van 1 februari 1985 tot 1 september 1986, de periode gedurende welke hij geen beroepsinkomen had doordat hij, na zijn werk in de particuliere sector te hebben gestaakt ° hij had gedwongen ontslag moeten nemen bij het bedrijf waarvoor hij destijds werkte, vanwege het personeelsbeleid van dat bedrijf °, niet bij de Commissie was herplaatst en hij dus geen ambtenarensalaris ontving. Verzoeker vordert bovendien, dat de bedragen die de Commissie hem als vergoeding van deze schade dient te betalen, worden vermeerderd met rente.
82 De Commissie stelt dat, zo verzoekers schadevordering wordt toegewezen, het bedrag van de te vergoeden schade moet worden beperkt, rekening houdend met verzoekers onzorgvuldig gedrag. De Commissie stelt in dit verband, dat verzoeker niet de voor zijn herplaatsing vereiste zorgvuldigheid en bereidheid tot samenwerking met de administratie aan de dag heeft gelegd, en dat hij daarmee tekort is geschoten in zijn verplichting tot samenwerking met de administratie, een verplichting die voortvloeit uit een algemeen beginsel van publiekrecht, dat ook in het Ambtenarenstatuut (artikel 21, eerste alinea) voorkomt. Verzoeker, die slechts met tussenpozen belangstelling toonde voor zijn herplaatsing, heeft door dit optreden bijgedragen tot de verwezenlijking van de gestelde schade en het causale verband tussen het optreden van de administratie en de geleden schade doorbroken (arrest Hof van 16 december 1963, zaak 36/62, Aciéries du Temple, Jurispr. 1963, blz. 611).
83 Bovendien meent de Commissie, dat voor de bepaling van de omvang van verzoekers schade met twee elementen rekening moet worden gehouden: verzoeker heeft in februari 1985 voorbarig ontslag genomen bij het particuliere bedrijf Schneeberger Italiana SpA en daardoor een inkomstenderving gehad waarvoor alleen hij verantwoordelijk is, en hij heeft na zijn ontslag een aanzienlijke schadeloosstelling van 108 008 000 LIT ontvangen.
84 Met betrekking tot verzoekers vordering tot betaling van rente over de gevorderde bedragen stelt de Commissie, dat deze vordering niet met redenen is omkleed en de hoogte van de rente niet aangeeft. Zij verzoekt het Gerecht om deze vordering af te wijzen, omdat zij noch in het verzoek, noch in de klacht van verzoeker voorkomt. Voor het geval het Gerecht de vordering wel mocht toewijzen, stelt zij ten slotte dat de rente aan de hand van de volgende beginselen zou moeten berekend: a) alleen vertragingsrente komt in aanmerking, aangezien verzoeker niet specifiek om compenserende rente heeft verzocht; b) de vertragingsrente moet worden berekend vanaf de datum waarop bij het Gerecht beroep is ingesteld, aangezien zij voordien nooit is gevorderd, en c) het toepasselijke percentage moet maximaal 6 % per jaar bedragen.
Beoordeling door het Gerecht
85 Om de schade te begroten die verzoeker heeft geleden doordat hij verstoken is gebleven van het ambtenarensalaris waarop hij recht zou hebben gehad indien hij niet te laat was herplaatst, moet allereerst worden opgemerkt, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Giordani (r.o. 18) heeft overwogen, dat verzoekers indeling in rang A 5, salaristrap 5, bij zijn herplaatsing, in overeenstemming was met artikel 40, lid 3, van het Statuut, zij het "onverminderd zijn recht om op grond van andere bepalingen van het Statuut te verlangen in een andere salaristrap te worden ingedeeld". In de tweede plaats moet in aanmerking worden genomen, dat verzoeker de geleden schade beperkt tot de periode van 1 februari 1985, de datum van beëindiging van zijn bezoldigde werkzaamheden in de particuliere sector, tot 1 september 1986, de datum waarop zijn ambtenarensalaris inging als gevolg van zijn herplaatsing op 26 mei 1986. Het bedrag van de vergoeding waarop verzoeker recht heeft, moet dus gelijk zijn aan enerzijds de som van de netto maandsalarissen die hij tussen 1 februari 1985 en 1 september 1986 zou hebben ontvangen, rekening houdend met de automatische salaristrapverhogingen die hij op grond van artikel 44 van het Statuut zou hebben gekregen indien hij op 26 oktober 1977 in de rang A 5, salaristrap 5, was herplaatst in de vacature die op 3 oktober onder nr. 393 was bekendgemaakt, en anderzijds het verschil tussen de netto bezoldiging die hij sinds 1 september 1986 heeft ontvangen en de bezoldiging die hij vanaf die datum zou hebben ontvangen indien hij op 26 oktober 1977 in bovengenoemde rang en salaristrap zou zijn herplaatst.
86 Met betrekking tot het argument van de Commissie, dat verzoeker niet alle zorgvuldigheid heeft betracht die noodzakelijk was om zijn herplaatsing te vergemakkelijken, merkt het Gerecht op, dat niets in het dossier de conclusie toelaat, dat verzoeker geen blijk heeft gegeven van voldoende bereidheid tot samenwerking met de diensten van de Commissie met het oog op zijn herplaatsing. Terwijl de Commissie geen enkel bewijs heeft overgelegd dat haar stelling kan schragen, kan worden volstaan met de opmerking, dat verzoeker tussen 15 maart 1974 en 9 april 1986 niet minder dan acht verzoeken om herplaatsing heeft ingediend, zijn laatste verzoek zelfs op basis van artikel 90 van het Statuut. Dit argument van de Commissie moet dan ook worden verworpen.
87 Met betrekking tot het argument dat verzoeker te vroeg ontslag zou hebben genomen bij het particuliere bedrijf waar hij tot 1 februari 1985 heeft gewerkt, is het Gerecht van oordeel, dat van verzoeker, die vanaf zijn vertrek met verlof om redenen van persoonlijke aard in 1971 tot en met 31 januari 1985 zonder onderbreking een bezoldigde werkzaamheid in de particuliere sector heeft uitgeoefend, niet kan worden verlangd die werkzaamheid te hebben voortgezet, zonder daarmee voorbij te zien aan zijn herhaalde verzoeken tot herplaatsing, zonder elk gevolg te ontnemen aan het verzuim van de Commissie, verzoeker onverwijld te herplaatsen, en zonder afbreuk te doen aan verzoekers recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen die hem schikte. Verzoeker heeft immers, door de Commissie onweersproken, gesteld, dat hij gedwongen ontslag had moeten nemen vanwege het personeelsbeleid van het bedrijf waar hij tot en met 31 januari 1985 werkzaam was.
88 Met betrekking tot de schadeloosstelling die verzoeker bij zijn ontslag bij Schneeberger Italiana SpA heeft ontvangen, zij ten slotte opgemerkt, dat deze schadeloosstelling hem vanzelfsprekend niet is betaald bij wijze van bezoldiging voor de periode die op zijn vertrek volgde, maar vanwege de arbeidsverhouding die hij met die onderneming had in de periode tot en met 31 januari 1985, toen hij daar daadwerkelijk in loondienst was. Deze schadeloosstelling kan dus niet worden aangemerkt als bezoldiging voor de periode na verzoekers ontslag bij deze onderneming, en het daartoe strekkende verzoek van de Commissie moet bijgevolg worden afgewezen.
89 Daarentegen moet voor de bepaling van het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde schadevergoeding rekening worden gehouden met het netto beroepsinkomen dat verzoeker in voorkomend geval als vennoot en enig directeur van de vennootschap Pfeil Italia Srl heeft ontvangen, nadat hij bij Schneeberger Italiana SpA ontslag had genomen, dat wil zeggen tussen 1 februari 1985 en 1 september 1986.
90 Ten slotte moet verzoekers vordering tot betaling van rente worden toegewezen. De door de Commissie te betalen bedragen moeten dus worden vermeerderd met een rente van 8 %, te rekenen vanaf 1 februari 1985, de datum waarop verzoeker reeds had moeten worden herplaatst en waarop de periode ingaat gedurende welke hij zijn ambtenarensalaris niet heeft ontvangen doordat hij niet tijdig was herplaatst. Verzoeker heeft zijn verzoek om schadeloosstelling en zijn klacht tegen de afwijzing daarvan echter pas op 29 september 1989 respectievelijk 10 april 1990 ingediend, zonder daarbij overigens rente te vorderen. De datum voor de berekening van de gevorderde rente moet derhalve worden vastgesteld op 14 november 1990, de datum waarop verzoeker het onderhavige beroep heeft ingesteld, in het kader waarvan hij rente heeft gevorderd.
91 Op grond van bovenstaande overwegingen dient de Commissie te worden veroordeeld om aan verzoeker te betalen de bedragen die overeenkomen met: a) het verschil tussen de netto bezoldiging die verzoeker tussen 1 februari 1985 en 1 september 1986 zou hebben ontvangen indien hij op 26 oktober 1977 was herplaatst, en het netto beroepsinkomen dat hij in de uitoefening van een andere werkzaamheid heeft verworven, en b) het verschil tussen de netto bezoldiging die hij sinds 1 september 1986 heeft ontvangen en de netto bezoldiging die hij vanaf die datum zou hebben ontvangen indien hij op 26 oktober 1977 was herplaatst. De verschuldigde bedragen zullen worden vermeerderd met 8 % rente, te rekenen vanaf 14 november 1990 tot de datum van daadwerkelijke betaling.
92 Alvorens uitspraak te doen over de bedragen die verweerster aan verzoeker verschuldigd is, dienen partijen te worden uitgenodigd, het Gerecht binnen vier maanden na de uitspraak van het onderhavige arrest hun onderling akkoord over het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde schadeloosstelling mee te delen.
93 Bij gebreke van een akkoord over het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde schadeloosstelling, zullen partijen het Gerecht binnen dezelfde termijn hun berekeningen doen toekomen, onder nauwkeurige opgave van de redenen waarom zij het voorstel van de tegenpartij niet aanvaarden.
94 De door verzoeker ter terechtzitting van 10 maart 1993 voorgedragen vordering tot vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden door het verzuim van de Commissie hem tijdig te herplaatsen, moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat zij te laat is ingediend.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt de Commissie tot vergoeding van de materiële schade die verzoeker heeft geleden doordat hij niet op 26 oktober 1977 in de rang A 5, salaristrap 5, is herplaatst in het in kennisgeving nr. 393 van 3 oktober 1977 bedoelde ambt bij het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek te Ispra.
2) Verstaat dat de aan verzoeker te betalen de bedragen zijn gelijk aan: a) het verschil tussen de netto bezoldiging die verzoeker tussen 1 februari 1985 en 1 september 1986 zou hebben ontvangen indien hij op 26 oktober 1977 was herplaatst, en het netto beroepsinkomen dat hij in de uitoefening van een andere werkzaamheid heeft verworven, en b) het verschil tussen de netto bezoldiging die hij sinds 1 september 1986 heeft ontvangen en de netto bezoldiging die hij vanaf die datum zou hebben ontvangen indien hij op 26 oktober 1977 was herplaatst.
3) Verstaat dat de verschuldigde bedragen zullen worden vermeerderd met 8 % rente, te rekenen vanaf 14 november 1990 tot de datum van daadwerkelijke betaling.
4) Verstaat dat, alvorens uitspraak wordt gedaan over het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde schadeloosstelling: a) partijen het Gerecht binnen vier maanden na de uitspraak van het onderhavige arrest hun onderling akkoord over het bedrag van de aan verzoeker verschuldigde schadeloosstelling zullen meedelen, en b) partijen, bij gebreke van een akkoord, het Gerecht binnen dezelfde termijn hun berekeningen zullen doen toekomen, onder opgave van de redenen waarom zij het voorstel van de tegenpartij niet aanvaarden.
5) Verklaart verzoekers vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk.
Full & Egal Universal Law Academy