Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren - Aanwerving - Procedures - Keuze - Voorrang voor bevordering, voor overplaatsing en voor intern vergelijkend onderzoek - Gelijktijdige bekendmaking van interne en van interinstitutionele kennisgeving van vacature - Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 1)
2. Ambtenaren - Aanwerving - Vacature - Voorziening bij wege van bevordering of overplaatsing - Vergelijking van verdiensten van kandidaten - Beoordelingsvrijheid van administratie - Voorwaarden - Rechterlijke toetsing
(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 1, sub a)
3. Ambtenaren - Bezwarend besluit - Afwijzing van sollicitatie - Verplichting tot motivering uiterlijk bij afwijzing van klacht - Niet-naleving - Regularisatie tijdens contentieuze procedure - Ontoelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea, en 90, lid 2)
4. Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Nietigverklaring van bestreden onwettig besluit - Passend herstel van morele schade
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
Samenvatting
1. Om te voorzien in een vacature, is het tot aanstelling bevoegd gezag overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut verplicht, eerst de mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing binnen de instelling te onderzoeken, alvorens over te gaan tot een van de volgende in dat artikel genoemde fasen, met inachtneming van de in die bepaling genoemde volgorde. Hieruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen slechts kan onderzoeken wanneer het, na een behoorlijk onderzoek van de sollicitaties ter zake van bevordering of overplaatsing, van mening is dat geen van de kandidaten aan de voor het vacante ambt te stellen eisen voldoet, en nadat het de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling heeft onderzocht.
Artikel 29, lid 1, van het Statuut verzet zich echter niet tegen de gelijktijdige publikatie van een interne en een interinstitutionele kennisgeving van vacature voor hetzelfde ambt.
2. De verplichting van het tot aanstelling bevoegd gezag om bij de voorziening in een vacature de verdiensten van de kandidaten voor bevordering en overplaatsing onderling te vergelijken, beantwoordt aan het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren en aan het beginsel dat ambtenaren recht hebben op ontwikkeling van hun carrière.
Het Gerecht dient na te gaan, of de instelling bij de uitoefening van de beoordelingsvrijheid waarover zij ter zake beschikt, de door de communautaire rechtsorde geboden waarborgen heeft geëerbiedigd. Tot die waarborgen behoort met name het recht van de belanghebbenden om door de administratie te worden gehoord wanneer deze gekozen heeft voor een afweging van de sollicitaties op basis van een onderhoud met elk van de kandidaten, alsmede de verplichting van de administratie om alle relevante gegevens van elke sollicitatie zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.
3. In geval van afwijzing van een sollicitatie is het tot aanstelling bevoegd gezag gehouden althans zijn besluit tot afwijzing van de klacht van de belanghebbende te motiveren.
Wordt in een vacature door bevordering of overplaatsing voorzien, dan is het voldoende dat de motivering van de afwijzing van de klacht betrekking heeft op het bestaan van de wettelijke voorwaarden waarvan de regelmatigheid van de procedure volgens het Statuut afhangt.
Het volledig ontbreken van motivering in de afwijzing van de klacht kan niet worden gedekt door toelichtingen van het tot aanstelling bevoegd gezag na het instellen van een beroep in rechte. In dat stadium kunnen dergelijke toelichtingen hun functie niet meer vervullen. De uit de artikelen 25, tweede alinea, en 90, lid 2, van het Statuut voortvloeiende motiveringsplicht heeft immers enerzijds ten doel de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie gegrond is en of het zin heeft beroep bij het Gerecht in te stellen, en anderzijds het Gerecht in staat te stellen zijn controlerende taak uit te oefenen. Wanneer het beroep eenmaal is ingesteld, kan het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit dus niet meer regulariseren door een gemotiveerd afwijzend antwoord op de klacht.
4. De nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden handeling van de administratie vormt op zich een passende en in beginsel toereikende vergoeding van iedere immateriële schade die de ambtenaar mocht hebben geleden.
Partijen
In zaak T-52/90,
C. Volger, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Heffingen (Luxemburg), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, M. Peter en C. Pennera, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van het door verzoeker krachtens artikel 29, lid 1, sub a, Ambtenarenstatuut ingediende verzoek om overplaatsing naar het onder nr. 6084 vacant verklaarde ambt,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Saggio, kamerpresident, C. Yeraris en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 27 november 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, C. Volger, ambtenaar in de rang A 6 van het Europees Parlement (hierna: "Parlement"), is sinds 1 oktober 1981 tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Voorlichting en public relations (DG III).
2 In dit beroep vordert hij nietigverklaring van het besluit van het Parlement houdende afwijzing van zijn sollicitatie naar het bij kennisgeving van vacature nr. 6084 vacant verklaarde ambt van administrateur bij het voorlichtingsbureau van het Parlement te 's-Gravenhage.
3 Aan de procedure ter voorziening in de vacature is het volgende voorafgegaan. Op 1 juli 1988 ontstond bij het voorlichtingsbureau van het Parlement te 's-Gravenhage een vacature voor een ambt van hoofdadministrateur, waarvoor op 19 september 1988 een interne kennisgeving van vacature werd uitgehangen. Aangezien naar het oordeel van het Parlement geen van de beide sollicitanten aan de gestelde voorwaarden voldeed, werd het ambt weer bij DG III ingedeeld. Op 28 november 1988 werd een nieuwe kennisgeving van vacature voor het bureau te 's-Gravenhage uitgehangen, ditmaal voor een ambt van administrateur. Aangezien volgens het Parlement ook nu weer geen enkele sollicitant aan de gestelde voorwaarden voldeed, werd op 2 oktober 1989 onder nr. 6084 een tweede kennisgeving van vacature voor een ambt van administrateur bij het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage gepubliceerd. In deze kennisgeving werd, naast de in de vorige kennisgeving van vacature vereiste kwalificaties en kennis, grondige kennis verlangd van de mediawereld en het parlementaire bestel in Nederland en van de structuur en werkzaamheden van de Gemeenschap. Het bestreden besluit is genomen in het kader van de procedure ter voorziening in het bij kennisgeving van vacature nr. 6084 vacant verklaarde ambt.
In tussentijd is het bij genoemde kennisgevingen vacant verklaarde ambt bij het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage sedert 1 oktober 1988 tot heden achtereenvolgens door drie tijdelijke functionarissen vervuld.
4 In genoemde kennisgeving van vacature nr. 6084 kondigde het Parlement aan, dat "het tot aanstelling bevoegde gezag heeft besloten de procedure ter voorziening in deze vacature overeenkomstig het Statuut te openen met een onderzoek naar de mogelijkheid van overplaatsing. Indien de post niet op deze wijze kan worden bezet, zullen de door het Statuut geboden mogelijkheden voor andere procedures worden onderzocht."
Naast kennisgeving van vacature nr. 6084, waarbij de procedure ter voorziening in het ambt bij wege van overplaatsing werd geopend, publiceerde het Parlement op dezelfde datum voor hetzelfde ambt bij het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage kennisgeving van vacature nr. PE/A/136 overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub c, van het Statuut ter voorziening in het ambt bij wege van overgang van ambtenaren van andere instellingen. Volgens deze kennisgeving zouden de naar aanleiding van deze oproep ingediende sollicitaties alleen in aanmerking worden genomen "indien de interne procedures geen resultaat opleveren".
5 Het Parlement besloot voorts een algemeen vergelijkend onderzoek te houden voor het vormen van een reservelijst voor het aanwerven van Nederlandstalige administrateurs in de loopbaan A 7-A 6, en publiceerde daartoe aankondiging van vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A (PB 1990, C 141, blz. 24). In zijn vergadering van 25 juni 1990 wees het personeelscomité verzoeker aan als lid van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A.
6 In casu is in het bijzonder van belang, dat verzoeker na de publikatie van kennisgeving van vacature nr. 6084 op 3 oktober 1989 een verzoek indiende tot overplaatsing naar het ambt van administrateur bij het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage. De afwijzing van zijn verzoek werd hem op 4 juli 1990 medegedeeld op een hem door de dienst aanwerving toegezonden standaardformulier, waarin voorts werd vermeld dat het tot aanstelling bevoegd gezag had besloten de externe procedure van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A in te leiden.
Uit de door partijen verstrekte inlichtingen blijkt, dat verzoeker in juni 1989, dus nog voor de publikatie van kennisgeving van vacature nr. 6084 op 2 oktober 1989, een gesprek had gehad met het afdelingshoofd van het bureau te 's-Gravenhage over zijn eventuele tewerkstelling bij dit bureau.
7 Op 18 juli 1990 diende verzoeker een klacht in tegen het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie en tegen het besluit de externe procedure van algemeen vergelijkend onderzoek PE/49/A in te leiden. Naar zeggen van partijen heeft het Parlement het personeelscomité in kennis gesteld van deze klacht, aangezien zij onder meer was gericht tegen de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A.
8 Toen het Parlement niet binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bedoelde termijn van vier maanden uitdrukkelijk op de klacht had geantwoord, heeft verzoeker bij op 18 december 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie naar het onder nummer 6084 vacant verklaarde ambt en van het "besluit van het Parlement om ter voorziening in dat ambt de externe procedure van algemeen vergelijkend onderzoek PE/49/A in te leiden".
9 Bij brief van 20 december 1990 zond de voorzitter van het Parlement, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, verzoeker een besluit waarbij zijn klacht uitdrukkelijk werd afgewezen.
10 Gezien de in de brief van de voorzitter van het Parlement gegeven toelichting, die in het bij het Gerecht ingediende verweerschrift werd herhaald en volgens welke het algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A niet is bedoeld om te voorzien in het bij kennisgeving nr. 6084 vacant verklaarde ambt, heeft verzoeker bij repliek zijn vordering tot nietigverklaring van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A laten vallen.
11 De schriftelijke behandeling van het onderhavige beroep tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het litigieuze ambt is op 30 augustus 1991 voltooid. Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Op verzoek van het Gerecht heeft het Parlement ter terechtzitting de kennisgeving van vacature nr. PE/A/123 van 28 november 1988 overgelegd, alsmede de nota' s van de verantwoordelijke ambtenaren van het directoraat-generaal Personeel, begroting en financiën en van DG III aan de juridische dienst van het Parlement van 5 en 27 september 1990 inzake verzoekers klacht.
Conclusies van partijen
12 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- hem akte te verlenen dat hij afstand doet van zijn vordering tot nietigverklaring van de procedure van vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A;
- nietig te verklaren het besluit van het Parlement houdende afwijzing van zijn sollicitatie naar het bij kennisgeving nr. 6084 vacant verklaarde ambt;
- het Parlement te veroordelen hem een bedrag van 1 ECU te betalen als vergoeding van de door hem geleden morele schade;
- het Parlement te verwijzen in de kosten.
Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- kosten rechtens.
De vordering tot nietigverklaring
13 Er wordt akte genomen van het feit dat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn vordering tot nietigverklaring van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A.
Voor zijn vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie voert verzoeker de volgende vijf middelen aan: 1) schending van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut; 2) verzuim het gebruikelijke vergelijkend onderzoek van verzoekers sollicitatie te verrichten, en schending van het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren en van het recht van verweer; 3) schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut; 4) misbruik van bevoegdheid en van procedure, en 5) schending van de zorgplicht en de plicht tot goed bestuur.
Schending van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut
14 Het eerste middel is ontleend aan miskenning van de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde, doordat het Parlement voor het betrokken ambt tegelijkertijd een interne kennisgeving van vacature en een interinstitutionele kennisgeving (overgang) heeft gepubliceerd.
Argumenten van partijen
15 Verzoeker stelt, dat het Parlement inbreuk heeft gemaakt op artikel 29 van het Statuut, door geen onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van bevordering en overplaatsing van zijn ambtenaren en naar de mogelijkheid van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren, alvorens de interinstitutionele kennisgeving van vacature nr. PE/A/136 te publiceren. Door tegelijkertijd kennisgeving van vacature nr. 6084 en de interinstitutionele kennisgeving (overgang) nr. PE/A/136 te publiceren, was het voor het Parlement materieel niet mogelijk om, alvorens over te gaan tot de volgende fase van de aanwervingsprocedure, overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 de sollicitaties ter zake van overplaatsing en bevordering, en met name verzoekers sollicitatie, te onderzoeken.
Hij verwijt het Parlement in het bijzonder, dat het niet heeft aangetoond dat de sollicitaties ter zake van overplaatsing eerder zijn onderzocht dan die ter zake van overgang tussen de instellingen. Ook heeft het Parlement niet aangetoond, dat het de mogelijkheden van een intern vergelijkend onderzoek heeft onderzocht.
16 Verzoeker baseert zijn stelling op het arrest van 13 december 1984 (gevoegde zaken 20/83 en 21/83, Vlachos, Jurispr. 1984, blz. 4149, r.o. 19), waarin het Hof verklaarde, dat "wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag overweegt om in vacatures te voorzien, het volgens artikel 29 van het Statuut eerst de mogelijkheden van bevordering en overplaatsing binnen de instelling moet onderzoeken en vervolgens de mogelijkheden om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren. Deze volgorde vormt de uitdrukking van het beginsel, dat aangeworven ambtenaren in aanmerking komen voor een verdere carrière."
17 Het Parlement betoogt, dat de in artikel 29 bepaalde volgorde in casu zorgvuldig in acht is genomen. Tegen het verwijt dat voor dezelfde vacature tegelijkertijd kennisgeving van vacature nr. 6084 (bevordering of overplaatsing) en kennisgeving van vacature nr. PE/A/136 (overgang binnen de instellingen) zijn gepubliceerd, voert het Parlement aan, dat uit deze kennisgevingen uitdrukkelijk blijkt, dat alleen wanneer in het betrokken ambt niet bij wege van overplaatsing kon worden voorzien, de andere statutaire procedures, en met name die van overgang binnen de instellingen, in aanmerking zouden komen. De gelijktijdige publikatie van de beide kennisgevingen valt te verklaren uit de zorg voor goed bestuur, omdat aldus tijd kon worden gewonnen en ieder verschil in formulering kon worden vermeden. Er werd daarmee dus volstrekt niet vooruitgelopen op de beslissing over de sollicitaties ter zake van bevordering of overplaatsing van ambtenaren van de instelling.
18 Het Parlement betoogt subsidiair, dat zelfs indien de in casu gevolgde procedure onregelmatig was geweest - quod non -, verzoeker toch geen schade heeft geleden door de gelijktijdige publikaties van de kennisgeving van vacature nr. 6084 en de oproep van kandidaten voor overgang, aangezien het Parlement voor het betrokken ambt geen enkel verzoek tot overgang van een ambtenaar van een andere instelling heeft ontvangen.
Beoordeling rechtens
19 Artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut verplicht het tot aanstelling bevoegd gezag, eerst de mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing binnen de instelling te onderzoeken, alvorens over te gaan tot een van de volgende in dat artikel genoemde fasen, dat wil zeggen achtereenvolgens het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling, het in aanmerking nemen van verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen, en eventueel het houden van een algemeen vergelijkend onderzoek. Hieruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen slechts kan onderzoeken wanneer het, na een behoorlijk onderzoek van de sollicitaties ter zake van bevordering of overplaatsing, van mening is dat geen van de kandidaten aan de voor het vacante ambt te stellen eisen voldoet, en nadat het de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling heeft onderzocht (arresten Hof van 10 juni 1987, zaak 7/86, Vincent, Jurispr. 1987, blz. 2473, r.o. 16 en 17; 5 juni 1980, zaak 24/79, Oberthuer, Jurispr. 1980, blz. 1743, r.o. 8-11, en 13 mei 1970, zaak 46/69, Reinarz, Jurispr. 1970, blz. 275, r.o. 7).
20 De gelijktijdige publikatie van de interne kennisgeving van vacature nr. 6084 en de kennisgeving van vacature nr. PE/A/136 inzake overgang binnen de instellingen maakt in geen enkel opzicht inbreuk op de in artikel 29, lid 1, van het Statuut bepaalde volgorde. In die kennisgevingen wordt immers uitdrukkelijk op die volgorde gewezen. In kennisgeving nr. PE/A/136 staat: "Sollicitaties worden alleen in aanmerking genomen indien de interne procedures geen resultaat opleveren." Doch zelfs zonder deze uitdrukkelijke precisering zou de gelijktijdige publikatie van de twee kennisgevingen er op zich niet aan in de weg hebben gestaan, dat in overeenstemming met artikel 29,lid 1, eerst de sollicitaties ter zake van bevordering of overplaatsing en vervolgens de mogelijkheden tot het organiseren van een intern vergelijkend onderzoek werden onderzocht, alvorens eventuele verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen in aanmerking werden genomen.
21 Hieruit volgt, dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Verzuim het gebruikelijke vergelijkend onderzoek van verzoekers sollicitatie te verrichten en schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het recht van verweer
Argumenten van partijen
22 In het kader van het tweede middel stelt verzoeker, dat zijn sollicitatie is afgewezen zonder dat hij, in tegenstelling tot de andere kandidaten, in het kader van de procedure ter voorziening in de vacature een gesprek met het hoofd van het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage heeft gehad. Zijn onderhoud met het afdelingshoofd van het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage had immers plaatsgevonden vóór de publikatie van de kennisgeving van vacature. Onder deze omstandigheden vormt het feit dat verzoeker in het kader van de procedure ter voorziening in de vacature niet is gehoord, schending van het beginsel van gelijke behandeling van de sollicitanten. Voorts wijst verzoeker erop, dat hij in het kader van deze procedure niet de mogelijkheid heeft gehad opmerkingen te maken over het advies van het afdelingshoofd van het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage, zulks terwijl het Parlement op grond van dit advies afwijzend op zijn sollicitatie heeft beslist, zoals blijkt uit het uitdrukkelijke antwoord op zijn klacht van 20 december 1990. De gevolgde procedure is dus in strijd met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de kandidaten bij een vergelijkend onderzoek het recht hebben opmerkingen te maken over de adviezen die hiërarchieke meerderen over hen hebben uitgebracht (arrest van 11 maart 1986, zaak 294/84, Adams, Jurispr. 1986, blz. 977, r.o. 24). Verzoeker leidt daaruit af, dat "het vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de kandidaten voor overplaatsing ofwel niet, ofwel met schending van het recht van verweer en van het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten heeft plaatsgevonden".
23 Het Parlement betwist, dat verzoeker geen gelegenheid heeft gehad om opmerkingen te maken in het kader van de met kennisgeving van vacature nr. 6084 ingeleide aanwervingsprocedure. Het voert hiertoe twee argumenten aan.
Het betoogt in de eerste plaats, dat noch het Statuut, noch de rechtspraak het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht, kandidaten voor overplaatsing te horen. Volgens het Parlement is een onderzoek van het persoonsdossier van de ambtenaar voldoende. Het door verzoeker aangehaalde arrest van 11 maart 1986 (zaak 294/84) is in casu irrelevant, aangezien het betrekking heeft op een procedure van vergelijkend onderzoek en niet op een procedure ter zake van overplaatsing. Meer in het bijzonder met betrekking tot het onderhoud tussen verzoeker en het afdelingshoofd van het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage in juni 1989, dus vóór de publikatie van kennisgeving van vacature nr. 6084 op 2 oktober 1989, merkt het Parlement enerzijds op, dat genoemd afdelingshoofd zich ertoe heeft beperkt een advies inzake de aanstelling te geven, en anderzijds, dat bedoeld gesprek betrekking had op een eventuele aanstelling van verzoeker op bedoelde post, waarvan algemeen bekend was dat zij vacant was, hetgeen trouwens reeds tweemaal onder de aandacht van het personeel was gebracht, namelijk bij kennisgevingen van vacature van 19 december 1988 en van 28 november 1988, die echter niet in een aanstelling hadden geresulteerd (zie punt 3, supra).
Het Parlement wijst er in de tweede plaats op, dat het besluit om verzoekers sollicitatie af te wijzen, niet op losse gronden is genomen, aangezien de verantwoordelijke ambtenaren van het directoraat-generaal Voorlichting, waarbij verzoeker al bijna tien jaar werkzaam was, hem goed kenden. In zoverre is verzoeker niet benadeeld ten opzichte van de twee andere kandidaten, die niet werkzaam waren bij dit directoraat-generaal en daarom wel een onderhoud met de verantwoordelijke ambtenaren ervan hebben gehad.
Beoordeling rechtens
24 Met betrekking tot het tweede middel moet vooraf worden opgemerkt, dat het onderzoek van sollicitaties ter zake van bevordering of overplaatsing in de zin van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut moet geschieden met inachtneming van artikel 45 van het Statuut, dat uitdrukkelijk voorziet in "een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken".
De verplichting om dit vergelijkend onderzoek te verrichten, beantwoordt aan het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren en aan het beginsel dat aangeworven ambtenaren in aanmerking komen voor een verdere carrière, dat door het Hof is erkend in zijn arrest van 13 december 1984 (gevoegde zaken 20/83 en 21/83, Vlachos, reeds aangehaald, r.o. 19).
25 Het Gerecht dient derhalve na te gaan, of het Parlement in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid inderdaad een dergelijk vergelijkend onderzoek heeft verricht in verband met verzoekers sollicitatie naar het bij kennisgeving nr. 6084 vacant verklaarde ambt.
26 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 21 november 1991 heeft verklaard, dat "wanneer de instellingen van de Gemeenschap over een dergelijke beoordelingsvrijheid beschikken, de naleving van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen des te meer van fundamenteel belang is. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken, en zijn recht op een beschikking die voldoende gemotiveerd is. Enkel dan kan het Hof nagaan, of voldaan is aan de feitelijke en juridische vereisten, waarvan de uitoefening van die beoordelingsvrijheid afhangt" (zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469).
27 In casu blijkt uit de verschillende elementen van het dossier, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn beoordeling van de verdiensten van de verschillende kandidaten onder meer wilde baseren op een onderhoud van elk hunner met het afdelingshoofd van het voorlichtingsbureau te 's-Gravenhage, Janssen.
In zijn uitdrukkelijk antwoord van 20 december 1990 op verzoekers klacht verklaart de voorzitter van het Parlement namelijk, dat "de administratie de mogelijkheden van overplaatsing diepgaand heeft onderzocht". Hij licht dat toe door erop te wijzen, dat verzoeker "een onderhoud met het afdelingshoofd van het bureau te 's-Gravenhage heeft gehad". Deze laatste, zo vervolgt hij in zijn brief "heeft (verzoekers) sollicitatie zorgvuldig getoetst aan de door de kennisgeving van vacature vereiste kwalificaties". Ook uit de naar aanleiding van verzoekers klacht door het directoraat-generaal Personeel, begroting en financiën en het directoraat-generaal Voorlichting en public relations op respectievelijk 5 en 27 september 1990 aan de juridische dienst gezonden nota' s, die ter terechtzitting zijn overgelegd, blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag had besloten de verdiensten van de sollicitanten naar het betrokken ambt te vergelijken onder meer op basis van een onderhoud van elk hunner met het afdelingshoofd van het bureau te 's-Gravenhage. Volgens voornoemde nota van 5 september 1990 "heeft het betrokken directoraat-generaal (aan het directoraat-generaal Personeel, begrotingen en financiën) medegedeeld, dat een onderhoud met de kandidaten was geregeld". Volgens de nota van 27 september 1990 had "de heer Janssen, hoofd van het bureau te 's-Gravenhage, de dossiers van de drie kandidaten bestudeerd en met elk hunner een onderhoud gehad".
28 Het Gerecht stelt vast, dat de in casu door het tot aanstelling bevoegd gezag gekozen modaliteiten van het vergelijkend onderzoek van de sollicitaties ten aanzien van verzoeker niet in acht zijn genomen. Anders dan de andere kandidaten heeft hij namelijk na de indiening van zijn sollicitatie naar de bij kennisgeving nr. 6084 vacant verklaarde post geen onderhoud gehad met het afdelingshoofd van het bureau te 's-Gravenhage.
Het Gerecht wijst erop, dat het informele onderhoud van verzoeker met Janssen in juni 1988 heeft plaatsgevonden vóór de publikatie van kennisgeving van vacature nr. 6084 en buiten de procedure ter voorziening in het betrokken ambt. Het is duidelijk, dat bedoeld onderhoud tussen verzoeker en Janssen, ook al had het wellicht betrekking op de mogelijkheid van verzoekers tewerkstelling in de vacature bij het bureau te 's-Gravenhage, onder deze omstandigheden verzoeker niet de mogelijkheid kon bieden om zijn verdiensten met betrekking tot de kennis en kwalificaties, vereist in kennisgeving van vacature nr. 6084, die eerst later, namelijk op 2 oktober 1989 is gepubliceerd, in het juiste licht te stellen. Dit blijkt ook uit het feit, dat in kennisgeving van vacature nr. 6084 aan de sollicitanten naar het betrokken ambt meer en strengere voorwaarden werden gesteld dan in de vorige, op 28 november 1988 gepubliceerde kennisgeving van vacature. Janssen heeft dus geen kennis kunnen nemen van verzoekers standpunt en heeft zijn verdiensten en kwalificaties niet kunnen beoordelen in het licht van de in kennisgeving van vacature nr. 6084 gestelde voorwaarden.
29 Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat door het feit dat de door het tot aanstelling bevoegd gezag vastgestelde procedure van onderzoek van de sollicitaties naar de bij kennisgeving nr. 6084 opengestelde procedure ten aanzien van verzoeker niet in acht is genomen, verzoekers belangen zijn geschaad en dat het bestreden besluit derhalve ongeldig is (zie arrest van het Hof van 9 juli 1987, gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Hochbaum en Rawes, Jurispr. 1987, blz. 3259, r.o. 19). Doordat inbreuk is gemaakt op het beginsel van gelijke behandeling en op het recht van de ambtenaar om te worden gehoord, heeft deze onregelmatigheid in de procedure van onderzoek van de sollicitaties verzoeker beroofd van de waarborg van een echt vergelijkend onderzoek van zijn sollicitatie door het tot aanstelling bevoegd gezag.
30 Het tweede middel is mitsdien terecht voorgedragen.
Schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut
Argumenten van partijen
31 Tot staving van zijn derde middel stelt verzoeker, dat het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie volstrekt niet gemotiveerd is en dus inbreuk maakt op artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, bepalende: "Iedere voor (de ambtenaar) nadelige beslissing dient met redenen te zijn omkleed."
In dit verband betoogt verzoeker in de eerste plaats, dat het ontbreken van informatie omtrent de beweegredenen voor de afwijzing van zijn sollicitatie met name het gevolg is van het feit, dat hij niet is gehoord door de directeur-generaal of een lid van de directie waaronder het vacant verklaarde ambt ressorteert. Verder is de afwijzing van zijn sollicitatie hem meegedeeld door middel van een algemeen en onpersoonlijk standaardformulier, waarop de redenen van de afwijzing niet waren vermeld. Dit formulier behelsde in feite slechts een bevestiging van de publikatie van de aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A, die volgens verzoeker neerkomt op een stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek om overplaatsing.
Onder deze omstandigheden meent verzoeker, dat het Parlement de door het ontbreken van motivering veroorzaakte onwettigheid niet kan goedmaken door de inlichtingen die na het instellen van het onderhavige beroep zijn verstrekt, met name in de brief van 20 december 1990 waarmee verzoekers klacht uitdrukkelijk is verworpen.
32 Tot staving van zijn stelling voert verzoeker aan, dat het Parlement, door vóór het instellen van het onderhavige beroep niet uitdrukkelijk te antwoorden op zijn klacht over de afwijzing van zijn sollicitatie, willens en wetens heeft geweigerd hem de redenen van die afwijzing mee te delen, waardoor hij had kunnen beoordelen of het zin had de zaak aanhangig te maken bij het Gerecht. Deze opzettelijke weigering is des te ernstiger, nu verzoeker het Parlement bij brief van 3 december 1990 in kennis had gesteld van zijn voornemen om op 18 december 1990 beroep tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie in te stellen, indien hij geen antwoord op zijn klacht zou ontvangen.
33 Volgens het Parlement is het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie hem op regelmatige wijze onverwijld meegedeeld door middel van een standaardformulier, dat sinds jaren bij interne procedures ter voorziening in vacant verklaarde ambten wordt gebruikt. Met betrekking tot de motivering van dat besluit erkent het Parlement, dat in bedoeld formulier bij vergissing verband is gelegd tussen de afwijzing van verzoekers sollicitatie en het besluit om algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A te organiseren. Dit vergelijkend onderzoek staat geheel op zichzelf en dient ter vorming van een reserve van Nederlandstalige administrateurs voor alle sectoren van de instelling. Deze vergissing kan het bestreden besluit echter niet ongeldig maken, want volgens vaste rechtspraak "houdt artikel 25 voor het tot aanstelling bevoegd gezag geen verplichting in om een besluit waarbij een ambtenaar in een ander ambt wordt tewerkgesteld, te motiveren jegens de benoemde ambtenaar, voor wie dit besluit niet nadelig kan zijn, noch ook jegens de afgewezen kandidaten, voor wie de inhoud van een dergelijke motivering wel nadelig kan zijn" (arresten van 12 februari 1987, zaak 233/85, Bonino, Jurispr. 1987, blz. 739, r.o. 4, en 22 juni 1989, zaak 104/88, Brus, Jurispr. 1989, blz. 1873, summiere publikatie).
34 Het Parlement geeft echter toe, dat in het stadium van de klacht een uitvoeriger motivering geboden is, ten einde de ambtenaar eventueel ontbrekende gegevens te verschaffen die hem in staat stellen te beoordelen, of het zin heeft beroep in te stellen. Het wijst er in dit verband op, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in zijn uitdrukkelijk antwoord op de klacht van 20 december 1990 de afwijzing van verzoekers sollicitatie aldus heeft gemotiveerd: "Het is de verantwoordelijke ambtenaren van het betrokken directoraat-generaal gebleken, dat u noch voldoet aan de voorwaarde 'beroepservaring op het gebied van public relations en/of voorlichting' , noch aan die van 'grondige kennis van de mediawereld en het parlementaire bestel in Nederland' . Voorts zijn zij na inzage van uw laatste beoordelingsrapporten tot de conclusie gekomen, dat het gezien uw professionele verdiensten niet mogelijk is, u over te plaatsen naar de vacante post. Daarom is op uw verzoek om overplaatsing afwijzend beslist."
35 Onder deze omstandigheden betwist het Parlement de grief dat iedere motivering ontbreekt, hetgeen volgens verzoeker het gevolg zou zijn van het feit dat hij niet binnen de statutaire termijn van vier maanden na indiening van zijn klacht een uitdrukkelijk antwoord heeft ontvangen. De artikelen 90 en 91 van het Statuut, aldus het Parlement, geven de betrokken instelling in dat geval met zoveel woorden het recht, na het verstrijken van de antwoordtermijn uitdrukkelijk op een klacht te antwoorden. Het wijst er in het bijzonder op, dat artikel 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut voorziet in de mogelijkheid van een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht na het stilzwijgende besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep.
Het Parlement wijst er voorts op, dat de beroepstermijn waarover verzoeker na de stilzwijgende afwijzing van zijn klacht beschikte, liep tot 18 februari 1991. Het onderhavige beroep is ingesteld op 18 december 1990, dus twee maanden voor het verstrijken van die termijn. Het uitdrukkelijke antwoord op verzoekers klacht van 20 december 1990 is hem toegezonden zonder enig verband met het onderhavige beroep, dat twee dagen eerder werd ingesteld en dat blijkens het bericht van ontvangst eerst op 8 januari 1991 aan het Parlement is betekend. Anders dan verzoeker stelt, blijkt uit het late tijdstip van het antwoord dus geenszins de bedoeling hem de gegevens te onthouden die nodig waren voor een goed begrip van de redenen van het bestreden besluit. Er blijkt integendeel uit, dat de klacht pas twee maanden na de indiening op 18 juli 1990 kon worden onderzocht, omdat door de zomervakantie het daartoe nodige overleg was vertraagd.
Beoordeling rechtens
36 Vooraf zij opgemerkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij de afwijzing van een sollicitatie, althans bij de afwijzing van de klacht tegen een dergelijk besluit, gehouden is zijn beslissing te motiveren. Dit is in overeenstemming met artikel 90, lid 2, van het Statuut, dat voorschrijft dat het tot aanstelling bevoegd gezag op een klacht moet antwoorden bij een "met redenen omkleed besluit". Aangezien bevorderingen en overplaatsingen bij keuze geschieden, is het volgens het Hof voldoende, dat de motivering van de afwijzing van de klacht betrekking heeft op het bestaan van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van de procedure afhankelijk stelt.
37 Het Gerecht stelt vast, dat verzoeker vóór de instelling van zijn beroep geen met redenen omkleed antwoord houdende afwijzing van zijn klacht heeft ontvangen. Na het stilzwijgen van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat na afloop van de termijn van vier maanden gold als stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht, heeft verzoeker beroep ingesteld bij het Gerecht. Eerst na de instelling van dit beroep, zij het binnen de beroepstermijn van drie maanden na het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht, heeft het Parlement verzoeker een behoorlijk gemotiveerd afwijzend besluit doen toekomen.
38 Het ontbreken van motivering ingevolge de stilzwijgende afwijzing van de klacht is bovendien niet gedekt door facultatieve mededelingen in het bestreden besluit zelf.
Het standaardformulier waarmee het tot aanstelling bevoegd gezag elk der belanghebbenden de beslissing over hun sollicitatie meedeelde, bevatte drie rubrieken. De eerste diende om de kandidaat ervan in kennis te stellen, dat zijn sollicitatie was aanvaard. In de tweede werd hem meegedeeld, dat het tot aanstelling bevoegd gezag "zijn sollicitatie naar de in de aankondiging van vacature (nr. 6084) bedoelde post niet in aanmerking heeft kunnen nemen". In de derde werd de betrokkene in kennis gesteld van het besluit "algemeen vergelijkend onderzoek nr. PE/49/A in te leiden". In het aan verzoeker op 4 juli 1990 ter kennis gebrachte standaardformulier was in plaats van het vakje bij de tweede rubriek dat bij de derde rubriek aangekruist. Het Parlement heeft in zijn schriftelijke opmerkingen onmiddellijk erkend, dat "de ter beantwoording van verzoekers sollicitatie gebruikte formule ongelukkig gekozen is", voor zover "erin kan worden gelezen dat na verzoekers sollicitatie was besloten tot algemeen vergelijkend onderzoek PE/49/A".
39 Onder deze omstandigheden moet worden onderzocht, of het algehele motiveringsgebrek van het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie kon worden gedekt door het uitdrukkelijke antwoord van het Parlement op de klacht na het instellen van het onderhavige beroep.
40 Dienaangaande wijst het Gerecht erop, dat het algehele motiveringsgebrek van een besluit niet kan worden gedekt door toelichtingen van het tot aanstelling bevoegd gezag na het instellen van een beroep. In dat stadium kunnen dergelijke toelichtingen hun functie niet meer vervullen. De uit de artikelen 25, tweede alinea, en 90, lid 2, van het Statuut voortvloeiende motiveringsplicht heeft enerzijds ten doel de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie gegrond is en of het zin heeft beroep bij het Gerecht in te stellen, en anderzijds het Gerecht in staat te stellen zijn controlerende taak uit te oefenen (zie arresten Hof van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861, r.o. 22, en 7 februari 1990, zaak C-343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. I-225, r.o. 15).
Wanneer het beroep eenmaal is ingesteld, kan het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit dus niet meer regulariseren door een gemotiveerd afwijzend antwoord op de klacht. Zoals de belanghebbende ambtenaar het recht heeft binnen de in artikel 91, lid 3, van het Statuut bedoelde termijn van drie maanden beroep in te stellen bij het Gerecht en wel op het tijdstip dat hem het best schikt, zo beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag in beginsel over een termijn van vier maanden om een gemotiveerd besluit houdende afwijzing van de klacht te nemen, en enkel zolang de belanghebbende geen beroep heeft ingesteld, kan deze termijn tot zeven maanden worden verlengd.
41 Het betoog van het Parlement, dat vooral gebaseerd is op artikel 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut, dat met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een uitdrukkelijk antwoord op een klacht na het verstrijken van de daartoe in artikel 90, lid 2, derde streepje, vastgestelde termijn, moet worden verworpen. Deze bepaling heeft alleen ten doel, een nieuwe beroepstermijn ten gunste van de ambtenaren te doen ingaan wanneer na een stilzwijgend genomen besluit alsnog een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht afkomt. De daarmee aan het tot aanstelling bevoegd gezag gegeven mogelijkheid een algeheel motiveringsgebrek te dekken door een uitdrukkelijk antwoord op de klacht, is dus onlosmakelijk verbonden met de mogelijkheid beroep in te stellen. Een gemotiveerd antwoord dat na de instelling van het beroep afkomt, kan zijn functie - te weten, de belanghebbende in staat stellen te beoordelen of het zin heeft een beroep in te stellen, en de rechter om de juistheid van de motivering te controleren - niet meer vervullen.
De opvatting van het Parlement moet ook worden verworpen omdat de mogelijkheid het algehele motiveringsgebrek na de instelling van een beroep te dekken, inbreuk zou maken op verzoekers recht van verweer. Deze zou dan immers eerst in repliek middelen tegen de motivering kunnen aanvoeren, aangezien hij daarvan eerst na de indiening van zijn verzoekschrift kennis heeft genomen. Daardoor zou afbreuk worden gedaan aan het beginsel van gelijkheid van partijen voor de gemeenschapsrechter.
42 Hieruit volgt, dat het antwoord van het Parlement van 20 december 1990 houdende uitdrukkelijke afwijzing van de klacht niet in aanmerking kan worden genomen. Het derde middel ontleend aan het ontbreken van motivering van de afwijzing van verzoekers sollicitatie, is derhalve terecht voorgedragen.
43 Mitsdien moet het bestreden besluit nietig worden verklaard, zonder dat behoeft te worden ingegaan op de twee andere door verzoeker aangevoerde middelen.
De vordering tot schadevergoeding
44 Verzoeker vraagt het Gerecht, het Parlement te veroordelen tot betaling van een symbolisch bedrag van 1 ECU als vergoeding voor de morele schade die hij heeft geleden door de opeenvolgende fouten en onregelmatigheden die de instelling heeft begaan.
45 Het Parlement betoogt, dat verzoeker niets heeft aangevoerd, waaruit stellig en precies kan worden afgeleid in hoeverre hij door de handelwijze van de administratie morele schade heeft geleden.
46 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat verzoeker geen enkele schade als gevolg van het bestreden besluit heeft gesteld die door de nietigverklaring van dit besluit niet op passende wijze kan worden hersteld. Mitsdien moet de vordering tot schadevergoeding worden verworpen (zie arrest van het Hof van 9 juli 1987, gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 285/85, reeds aangehaald, r.o. 22, en arrest van het Gerecht van 28 november 1991, zaak T-158/89, Van Hecken, Jurispr. 1991, blz. II-1341, r.o. 37).
47 Uit het voorgaande volgt, dat de vordering tot nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie moet worden toegewezen en dat de vordering tot schadevergoeding moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement op het essentiële punt in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig het gevorderde in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van het Parlement van 4 juli 1990 houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het bij kennisgeving nr. 6084 vacant verklaarde ambt.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst het Parlement in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy