Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Ernstige en onherstelbare schade - Financiële schade - Afweging van alle betrokken belangen
( EEG-Verdrag, artikelen 185 en 186; Reglement voor de procesvoering, artikel 83, § 2 )
Samenvatting
In het kader van een verzoek in kort geding kan zuiver geldelijke schade in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs als moeilijk herstelbaar worden beschouwd, aangezien zij naar haar aard later kan worden vergoed .
De rechter in kort geding dient echter aan de hand van de bijzondere omstandigheden van elk geval na te gaan, of de onverwijlde tenuitvoerlegging van de besluiten waarop het verzoek om opschorting betrekking heeft, aan de verzoeker schade zou kunnen berokkenen die na de eventuele nietigverklaring van die besluiten in de bodemprocedure niet meer kan worden goedgemaakt .
De rechter in kort geding dient onder afweging van de respectieve belangen van de partijen ook na te gaan, of voorlopige maatregelen noodzakelijk kunnen zijn om ernstige en onherstelbare schade voor de verzoeker te voorkomen .
Partijen
In zaak T-45/90 R,
A . Speybrouck, voormalig tijdelijk functionaris van de Europese Rechtse fractie in het Europees Parlement, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door V . Elvinger, advocaat te Luxemburg, en ter terechtzitting door C . Dessoy, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te hunnen kantore, 4, rue Tony Neuman
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J . Campinos, juridisch adviseur, en M . Peter, afdelingshoofd bij de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Centre Européen, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de besluiten van 31 mei 1990 en 12 juli 1990 respectievelijk van de secretaris-generaal en de voorzitter van de Europese Rechtse fractie, tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met verzoekster,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij op 16 oktober 1990 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 31 mei 1990 van J.-M . Brissaud, secretaris-generaal van de Europese Rechtse fractie ( hierna : "de fractie "), houdende opzegging per 30 juni 1990 van de arbeidsovereenkomst met verzoekster, en van het besluit van 12 juli 1990 van J.-M . Le Pen, voorzitter van de fractie, houdende bevestiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst met bepaling van de opzegdatum op 11 oktober 1990 .
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoekster krachtens artikel 186 EEG-Verdrag en artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van genoemde besluiten .
3 Het Europees Parlement heeft op 26 oktober 1990 schriftelijke opmerkingen ingediend . Partijen hebben ter terechtzitting van 12 november 1990 hun standpunt nader toegelicht .
4 Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, is het dienstig de feiten die aan het beroep in de hoofdzaak ten grondslag liggen, beknopt weer te geven .
5 Verzoekster werd per 1 januari 1990 door het Europees Parlement ( hierna : "Parlement ") voor onbepaalde tijd aangesteld als tijdelijk functionaris in de rang A 3 en tewerkgesteld bij de fractie . De arbeidsovereenkomst voorzag in een proeftijd van zes maanden en een voor beide partijen geldende opzegtermijn van drie maanden in geval van opzegging van de overeenkomst .
6 Het rapport over de geschiktheid van verzoekster voor het vervullen van de aan haar functie verbonden taken, haar prestaties en haar gedrag in de dienst, bedoeld in artikel 14, derde alinea, van de Regeling andere personeelsleden ( 1 ) ( hierna : "RAP "), werd op 3 mei 1990 opgesteld en op 18 mei 1990 getekend door Brissaud . Het rapport bevatte de vermelding "overtuigende proeftijd" en, als algemene waardering "goede bekwaamheden" en "goede kennis van het werk van het Europees Parlement ".
7 Bij brief van 31 mei 1990 stelde Brissaud verzoekster ervan in kennis, dat "ondanks de gunstige beoordeling van de proeftijd ... de voorzitter van onze fractie, de heer Jean-Marie Le Pen, heeft besloten geen gevolgen te verbinden aan de proeftijd die u thans vervult ... de opzegtermijn van één maand begint op 1 juni 1990 ".
8 Bij brief van 6 juni 1990 diende verzoekster bij de directeur-generaal Personeelszaken, begroting en financiën, Van den Berge, een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut in tegen het haar betekende ontslagbesluit .
9 Bij brieven van 18 en 25 juni 1990 deelde verzoekster aan Van den Berge respectievelijk Brissaud mee, dat zij bij de raadgevend arts van het Parlement een medisch attest had ingediend waaruit bleek dat zij sinds omstreeks 15 mei 1990 in verwachting was . Bij brief van 26 juni 1990 stelde Brissaud verzoekster ervan in kennis, dat het bureau van de fractie "om zwaarwegende redenen haar betreffende" het ontslagbesluit had bekrachtigd .
10 Bij brief van 12 juli 1990 bevestigde de fractievoorzitter Le Pen aan verzoekster, dat de fractie, overeenkomstig de door hem aan de secretaris-generaal gegeven aanwijzingen, had besloten een einde te maken aan de overeenkomst . In verband met het geschil dat over de datum van beëindiging was ontstaan, specificeerde hij voorts, dat de opzegtermijn op 11 oktober 1990 zou verstrijken .
11 Verzoekster diende daarop op 24 juli 1990 bij Van den Berge een tweede klacht krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen het in de brief van de fractievoorzitter van 12 juli 1990 vervatte besluit .
12 Verzoeksters klacht van 6 juni 1990 is stilzwijgend afgewezen, gezien het feit dat er niet binnen vier maanden na indiening ervan op is geantwoord . Daar de termijn voor beantwoording van de klacht van 24 juli 1990 nog niet is verstreken, is de procedure in de hoofdzaak overeenkomstig artikel 91, lid 4, van het Statuut geschorst tot het moment waarop die klacht uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend zal zijn afgewezen .
In rechte
13 Krachtens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, van overeenkomstige toepassing op de procedure voor het Gerecht ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, staat het aan verzoekster de omstandigheden uiteen te zetten waaruit blijkt van de spoedeisendheid van haar verzoek, alsmede de middelen, feitelijk en rechtens, die de voorlopige maatregel waartoe zij concludeert, aanvankelijk gerechtvaardigd kunnen doen voorkomen .
14 Wat de spoedeisendheid betreft, stelt verzoekster dat zij ongehuwd is en sedert 11 oktober 1990 geen enkele bezoldiging meer ontvangt . Dit is des te ernstiger, omdat zij in verwachting is - en binnenkort dus komt te staan voor kosten die met haar toestand verband houden, maar ook voor uitgaven voor het onderhoud en de opvoeding van haar kind - en wegens haar zwangerschap onmogelijk een nieuwe betrekking kan vinden .
15 Als middelen die de gevorderde voorlopige maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd kunnen doen voorkomen, voert verzoekster in de eerste plaats aan, dat het ontslagbesluit van 31 mei 1990 ten duidelijkste onregelmatig is : behalve dat er niet door het tot aanstelling bevoegd gezag kennis van is gegeven, is het in strijd met artikel 14, leden 3 en 4, RAP en miskent het de in de overeenkomst bepaalde opzegtermijn van drie maanden .
16 In de tweede plaats is verzoekster van oordeel, dat het besluit van 12 juli 1990 in strijd is met de door de internationale gemeenschap en de Lid-Staten erkende algemene rechtsbeginselen op het gebied van het arbeidsrecht, doordat het is genomen op een moment waarop verzoekster zwanger was en het tot aanstelling bevoegd gezag van die zwangerschap kennis had . Ten slotte stelt zij, dat dit tweede besluit, wat de berekening van de opzegtermijn aangaat, onverenigbaar is met het bepaalde in artikel 47, lid 2, RAP en ongeldig wegens een proceduregebrek, in zoverre het personeelscomité niet is geraadpleegd .
17 Het Parlement concludeert tot afwijzing van het verzoek om voorlopige maatregelen . In casu zou niet zijn voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid, aangezien verzoeksters problemen vóór alles van financiële aard zijn . Indien verzoekster in de hoofdzaak in het gelijk wordt gesteld, zal zij met terugwerkende kracht volledig rechtsherstel krijgen en bijgevolg haar salaris over de gehele duur van de procedure ontvangen . Zij kan dus een bankkrediet aanvragen om tot de beslissing in de hoofdzaak in haar behoeften te voorzien .
18 Verder wijst het Parlement erop, dat verzoeksters kansen om in het hoofdgeding te slagen, als minimaal zijn te beschouwen . In de eerste plaats immers bepaalt artikel 47 RAP juncto artikel 58 van het Statuut enkel dat de opzegtermijn in geval van ontslag niet mag ingaan tijdens een moederschapsverlof - dit begint zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum -, en in de tweede plaats bestaat er geen enkel verband tussen verzoeksters zwangerschap en de zwaarwegende redenen van politieke aard die voor de fractie aanleiding waren haar te ontslaan .
19 Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder een document overgelegd, getiteld "Guide sommaire en matière d' allocation de chômage - Agents temporaires ". De regels vervat in dit document - dat, zoals uitdrukkelijk wordt vermeld, "van zuiver informatieve aard is en de Commissie rechtens niet bindt" - zouden sedert 1989 door verweerder worden toegepast . De vertegenwoordiger van het Parlement heeft voorts verklaard, dat verzoekster op dezelfde dag als waarop zij het verzoek in kort geding heeft ingediend, een werkloosheidsuitkering heeft aangevraagd, en dat hij van de diensten van het Parlement had vernomen dat het dossier betreffende de toekenning van die uitkering gereed was .
De middelen, door verzoekster aangevoerd ter aanvankelijke rechtvaardiging van de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten
20 Met betrekking tot het besluit van 31 mei 1990 zijn in het betoog van verzoekster stellig elementen te vinden die twijfel kunnen wekken aan de wettigheid van dat besluit . Wat het besluit van 12 juli 1990 betreft, moet worden vastgesteld dat het tot aanstelling bevoegd gezag, toen het dat besluit nam, wist dat verzoekster zwanger was . De stelling van verzoekster, die voornamelijk gebaseerd is op de in de meeste Lid-Staten erkende beginselen inzake de bescherming van aanstaande moeders tegen ontslag tijdens de zwangerschap, moet ernstig worden genomen en kan niet als niet ter zake worden afgedaan .
21 Zonder vooruit te lopen op de vraag of de bestreden besluiten al dan niet wettig zijn, moet derhalve worden geconstateerd dat de door verzoekster aangevoerde middelen feitelijk en rechtens niet als kennelijk ongegrond zijn te beschouwen en dat, gelet op die middelen alleen, het verzoek in kort geding niet zonder meer kan worden afgewezen .
22 Daarom moet worden nagegaan, of verzoekster ernstige en onherstelbare schade zou lijden wanneer de bestreden besluiten tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak van kracht zouden blijven .
De voorwaarden van spoedeisendheid en het bestaan van ernstige en onherstelbare schade
23 Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft beslist ( zie laatstelijk de beschikking van 3 juli 1984, zaak 141/84 R, De Compte, Jurispr . 1984, blz . 2575, r.o . 4 ), kan zuiver geldelijke schade in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs als moeilijk herstelbaar worden beschouwd, aangezien zij naar haar aard later financieel kan worden vergoed .
24 De rechter in kort geding dient echter aan de hand van de bijzondere omstandigheden van elk geval na te gaan, of de onverwijlde tenuitvoerlegging van de besluiten waarop het verzoek om opschorting betrekking heeft, aan de verzoeker schade zou kunnen berokkenen die na de eventuele nietigverklaring van die besluiten in de bodemprocedure niet meer kan worden goedgemaakt .
25 Artikel 28 bis RAP regelt de voorwaarden waaronder een voormalig tijdelijk functionaris die na de beëindiging van zijn dienst bij een instelling van de Europese Gemeenschappen werkloos is, gedurende ten hoogste 24 maanden na de beëindiging van zijn dienst een maandelijkse werkloosheidsuitkering ontvangt . Volgens lid 3 van dat artikel bedraagt de werkloosheidsuitkering 60 % van het basissalaris gedurende een eerste periode van twaalf maanden, 45 % van de 13e tot en met de 18e maand, en 30 % van de 19e tot en met de 24e maand . De aldus vastgestelde bedragen mogen echter niet lager zijn dan 30 000 BFR en niet hoger dan 60 000 BFR .
26 Lid 5 van artikel 28 bis RAP bepaalt, dat de voormalige tijdelijk functionaris die de werkloosheidsuitkering ontvangt, voorts recht heeft op de gezinstoelagen als bedoeld in artikel 67 van het Statuut, en, onder de voorwaarden bepaald in artikel 72 van het Statuut, op dekking van ziekterisico' s, zonder bijdrage te zijnen laste .
27 Dit betekent dat verzoekster gedurende een eerste periode van twaalf maanden vanaf de datum van haar ontslag recht heeft op een maandelijkse werkloosheidsuitkering van 60 000 BFR, op dekking van ziekterisico' s overeenkomstig artikel 72 van het Statuut en, vanaf de geboorte van haar kind, op de kostwinners-en kindertoelage als bedoeld in artikel 1, lid 1, respectievelijk artikel 2, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut .
28 Weliswaar bestaat er een aanzienlijk verschil tussen een A 3-salaris en het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop verzoekster aanspraak kan maken, doch dit is op zich geen reden om te concluderen tot het bestaan van een ernstige en onherstelbare schade . Tot de beslissing in de hoofdzaak zal verzoekster immers in staat zijn, dank zij de werkloosheidsuitkering en de dekking tegen ziekterisico' s - en dank zij de kostwinners - en kindertoelage vanaf de geboorte van haar kind - haar kosten te bestrijden, met name die welke haar toestand en haar aanstaande bevalling meebrengen .
29 In deze omstandigheden kan een onverwijlde tenuitvoerlegging van de besluiten waarop het verzoek om opschorting betrekking heeft, niet leiden tot een onherstelbaar nadeel dat, ook ingeval die besluiten werden nietigverklaard, niet vergoed zou kunnen worden .
30 Gezien verzoeksters toestand, zou dit anders zijn indien zij de diverse uitkeringen waarop zij recht heeft, niet onmiddellijk zou ontvangen . Ook wanneer het Gerecht verzoekster later in de bodemprocedure in het gelijk zou stellen en haar dus in haar rechten zou herstellen, zou het gebrek aan bestaansmiddelen voor haar dan een ernstig en moeilijk te herstellen risico zijn, dat grond kon opleveren voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten .
31 Ofschoon verzoekster dus recht heeft op de werkloosheidsuitkering en de vertegenwoordiger van het Parlement ter terechtzitting heeft verklaard dat het desbetreffende dossier voor zover het de diensten van de instelling betreft, gereed is, kan het Gerecht op basis van de gegevens waarover het beschikt, niet met zekerheid vaststellen of in het geval van verzoekster reeds voldaan is aan alle door verordening ( EGKS, EEG, Euratom ) nr . 91/88 ( 2 ) gestelde voorwaarden voor toekenning van de werkloosheidsuitkering .
32 Artikel 28 bis, lid 2, RAP en verordening nr . 91/88 bepalen immers, dat de voormalige tijdelijke functionaris, naast andere formaliteiten, een verklaring moet verkrijgen van het bureau voor arbeidsbemiddeling van zijn woonplaats, inhoudende dat hij als werkzoekende is ingeschreven en heeft voldaan aan de door de wetgeving van het bevoegde arbeidsbureau opgelegde verplichtingen . Verder zij gewezen op lid 6 van artikel 28 bis, volgens hetwelk het de Commissie is - en niet de instelling waarbij het voormalige personeelslid werkzaam was - die na een volledig onderzoek van het dossier de werkloosheidsuitkering en de gezinsbijslagen moet uitbetalen .
33 Het is duidelijk, dat al die formaliteiten tot aanzienlijke vertraging kunnen leiden in de uitbetaling van de werkloosheidsuitkering .
34 Ingevolge artikel 186 EEG-Verdrag juncto artikel 4 van voornoemd besluit van de Raad van 24 oktober 1988 kan het Gerecht in de zaken waarvan het heeft kennis te nemen, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten .
35 Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat zolang de in artikel 28 bis RAP bedoelde werkloosheidsuitkering door de Commissie niet daadwerkelijk aan verzoekster wordt uitbetaald, de voorwaarden waaronder een voorlopige maatregel kan worden gelast, blijven bestaan .
36 Het zou echter te ver gaan, de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten op te schorten en, bijgevolg, het Parlement te gelasten verzoekster tot de uitspraak in de bodemprocedure in haar rechten te herstellen . Het Parlement dient immers de belangen van de partijen tegen elkaar af te wegen en daarbij enerzijds te voorkomen dat verzoekster ernstige en onherstelbare schade lijdt, en anderzijds dat de fractie wordt verplicht een arbeidsverhouding in stand te houden in een situatie waarin een der wezenlijke elementen van een overeenkomst tussen een fractie en haar personeel, namelijk wederzijds vertrouwen, ontbreekt .
37 In casu kan het risico van ernstige en onherstelbare schade worden voorkomen door het Parlement te gelasten, verzoekster haar salaris te blijven betalen binnen de limiet van het bedrag van de in artikel 28 bis RAP bedoelde werkloosheidsuitkering - vanaf de geboorte van het kind vermeerderd met de kostwinners - en kindertoelage - en te verzekeren dat zij, zonder bijdragen te haren laste, gedekt is tegen ziekterisico' s onder de voorwaarden van artikel 72 van het Statuut, een en ander tot het moment waarop bedoelde werkloosheidsuitkering door de Commissie daadwerkelijk aan verzoekster wordt uitbetaald .
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt :
1 ) Het verzoek om voorlopige maatregelen, met name opschorting van de tenuitvoerlegging van de besluiten van 31 mei en 12 juli 1990, voor zover bij deze besluiten de arbeidsovereenkomst tussen de Europese Rechtse fractie en verzoekster is opgezegd, wordt afgewezen .
2 ) Vanaf de dag waarop de overeenkomst is beëindigd en totdat de Commissie verzoekster daadwerkelijk de in artikel 28 bis RAP voorziene werkloosheidsuitkering zal betalen, zal het Parlement verzoekster een bedrag betalen gelijk aan bedoelde maandelijkse werkloosheidsuitkering, vanaf de geboorte van het kind vermeerderd met de gezinstoelagen bedoeld in artikel 28 bis, lid 5, RAP, en zal het verzoekster, zonder bijdragenbetaling harerzijds, verzekeren tegen ziektekosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 72 van het Statuut .
3 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .
Luxemburg, 23 november 1990 .
Full & Egal Universal Law Academy