Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De vennootschap Brasserie Fischer SA, gevestigd te Schiltigheim in Frankrijk, produceert en verkoopt overeenkomstig de in Frankrijk geldende wettelijke regeling een bier genaamd "36,15 Pêcheur ° La bière amoureuse". Dit bier werd door WAXOR srl in Italië ingevoerd en aldaar in de handel gebracht als "alcoholische drank op basis van bier en plantaardige extracten".(1)
Artikel 4, lid 1, sub c, van de Italiaanse wet nr. 1354 van 16 augustus 1962 inzake de hygiënevoorschriften voor de produktie en de verkoop van bier(2) bepaalt dat de maximum toegelaten hoeveelheid zwaveldioxyde in bier (met inbegrip van alcoholische dranken op basis van bier) 20 mg/l bedraagt.(3) Overeenkomstig artikel 19, eerste alinea, van deze wet geldt dit voorschrift ook voor geïmporteerd bier. De Italiaanse wetgeving voorziet niet in een procedure om een vergunning te bekomen om een in een andere Lid-Staat op legale wijze geproduceerd en verhandeld bier dat meer dan 20 mg/l zwaveldioxyde bevat, toch in Italië in de handel te mogen brengen.
2. Bij een controle door de bevoegde Italiaanse instantie werd in april 1990 vastgesteld dat het voornoemde bier 36,8 mg/l zwaveldioxyde bevat, hetgeen beduidend meer is dan volgens de Italiaanse wetgeving toegelaten is. In het licht van het resultaat van deze controle heeft het Openbaar Ministerie bij de Pretura circondariale di Pordenone tegen Michel Debus, de wettelijke vertegenwoordiger van de vennootschap Brasserie Fischer SA, een strafrechtelijke procedure wegens fraude ingeleid en de in beslagneming bevolen van al het betrokken bier dat in het district Pordenone in de handel was. Een kopie van het bevel tot beslaglegging werd voor passend gevolg aan de Procureurs van de Republiek bij de andere Preture circondariali gezonden. Het Openbaar Ministerie bij de Pretura circondariale di Vigevano heeft in navolging van voornoemd Openbaar Ministerie in zijn rechtsgebied eveneens de inbeslagneming van het betrokken bier bevolen.
Michel Debus verweert zich voor de Pretura circondariale di Pordenone èn voor de Pretura circondariale di Vigevano tegen deze beslagen en beroept zich daarbij op de vrijheid van goederenverkeer binnen de Gemeenschap. Het is in het kader van deze procedures dat de Pretura circondariale di Pordenone bij beschikking van 9 januari 1991 (zaak C-13/91) en de Pretura circondariale di Vigevano bij beschikking van 25 maart 1991 (zaak C-113/91) aan het Hof de volgende gelijkluidende prejudiciële vragen hebben gericht:
"1. Moeten de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan de Italiaanse wettelijke regeling inzake de hygiënevoorschriften voor de produktie en de verkoop van bier (wet nr. 1354/62 van 16 augustus 1962 en wet nr. 141/89 van 17 april 1989), voor zover zij het gebruik van zwaveldioxyde slechts tot een hoeveelheid van 20 mg per liter toelaat?
2. Moet de strafrechter de Italiaanse wettelijke regeling buiten toepassing laten?
3. Moet bier met zwaveldioxyde van meer dan 20 mg per liter tot het vrije verkeer worden toegelaten?"
3. Alvorens in te gaan op deze vragen, moet worden opgemerkt dat de Commissie een vraagteken plaatst bij de ontvankelijkheid van het verzoek om uitlegging van de Pretura circondariale di Vigevano. Overeenkomstig artikelen 12 en 16 van de Italiaanse Codice di procedura penale zou de Pretura circondariale di Vigevano immers in het bodemgeschil niet bevoegd zijn.
Ik meen niet dat het nodig is op deze opwerping in te gaan. Zij viseert immers niet de vraag ° zoals die bij voorbeeld in het in zaak 14/86 gewezen arrest van het Hof van 11 juni 1987 aan de orde was(4) ° of de Pretura circondariale di Vigevano een rechterlijke instantie is in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag. Betwist wordt alleen of het verzoek om uitlegging uitgaat van een rechterlijke instantie die volgens het nationaal procedurerecht in het bodemgeschil bevoegd was. Het staat niet aan het Hof om die vraag te beantwoorden.
4. Met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag moet vooraf worden opgemerkt dat de voormelde Italiaanse wetgeving ongetwijfeld een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking vormt. Deze wetgeving die de verkoop in Italië van bier met meer dan 20 mg/l zwaveldioxyde verbiedt, is immers een handelsregeling die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren.(5)
De vraag is dan of deze maatregel van gelijke werking gerechtvaardigd is uit hoofde van één van de in artikel 36 genoemde gronden of, vermits het gaat om een niet-discriminatoire handelsregeling, uit hoofde van één van de in de rechtspraak van het Hof erkende dwingende vereisten. In hun opmerkingen voor het Hof stellen de Italiaanse en Nederlandse regering dat de betrokken regeling gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid. De Italiaanse regering meent bovendien dat de regeling ook uit hoofde van de bescherming van de consument kan worden gerechtvaardigd. Ik meen niet dat het nodig is op dat laatste punt in te gaan, nu de Italiaanse regering voor haar stellingname geen enkel argument aanvoert en het mijns inziens duidelijk is dat de betrokken regeling in de mate dat ze zou zijn ingegeven door de bekommernis de consument te beschermen, in géén geval voldoet aan het in de rechtspraak van het Hof neergelegde evenredigheidsvereiste. Er zijn immers minder handelsbelemmerende maatregelen voorhanden, zoals een aangepaste etikettering, die de bescherming van de consument kunnen waarborgen.
5. Volgens vaste rechtspraak van het Hof staat het aan de Lid-Staten om bij ontbreken van harmonisatie te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen willen waarborgen.(6) Zij moeten daarbij echter wel rekening houden met de vereisten van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap. In verband met het gebruik van additieven in levensmiddelen, een materie waarvoor nog slechts een gedeeltelijke harmonisatie tot stand is gebracht(7), heeft het Hof deze belangrijke beperking verduidelijkt in onder meer het arrest van 6 mei 1986 in zaak 304/84, Muller e.a.(8) De relevantie van de desbetreffende overwegingen voor onderhavige zaak verantwoordt het hierna volgende lange citaat:
"20. Vooreerst zij beklemtoond, dat de bij de procedure betrokken partijen het erover eens zijn, dat de in richtlijn nr. 74/329 bedoelde stoffen op zich weliswaar niet schadelijk zijn, doch dat het gebruik ervan vanaf een zekere hoeveelheid een gevaar voor de menselijke gezondheid kan opleveren. Dit vindt trouwens bevestiging in het feit dat de gemeenschapswetgever zich heeft voorgenomen, in een tweede fase van de onderlinge aanpassing van de nationale wettelijke voorschriften te bepalen, aan welke levensmiddelen en in welke hoeveelheden deze stoffen mogen worden toegevoegd. Blijkens het dossier bestaan er bij de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek nog twijfels over de limiet waarboven een stof schadelijk wordt. Deze grens hangt immers af van de hoeveelheid die in totaal met het voedsel wordt opgenomen, en dus in grote mate van de uiteenlopende voedingsgewoonten in de verschillende Lid-Staten.
21. Onder meer in zijn arresten van 14 juli 1983 (zaak 174/82, Sandoz, Jurispr. 1983, blz. 2445) en 10 december 1985 (zaak 247/84, Motte, reeds aangehaald) overwoog het Hof, dat het in dat geval aan de Lid-Staten staat om, bij het ontbreken van volledige harmonisatie ter zake, te beslissen over de mate waarin zij de bescherming van de gezondheid en het leven van personen wil waarborgen, gelet op de voedingsgewoonten van hun bevolking en rekening houdend met de vereisten van het vrije goederenverkeer binnen de Gemeenschap.
22. Bovendien moet worden vastgesteld, dat richtlijn nr. 74/329, evenals de andere, analoog opgezette basisrichtlijnen terzake van levensmiddelenadditieven, blijk geeft van een grote voorzichtigheid ten aanzien van de mogelijke schadelijkheid van deze stoffen en uitgaat van het beginsel dat de ongecontroleerde opneming ervan met het voedsel zoveel mogelijk moet worden beperkt. Dit beginsel, dat moet worden geacht in overeenstemming te zijn met een legitieme doelstelling van het gezondheidsbeleid, wordt aldus toegepast, dat uitsluitend additieven die aan een werkelijke, met name technologische of economische behoefte voldoen, voor levensmiddelen zijn toegelaten.
23. Bijgevolg staat het gemeenschapsrecht er bij zijn huidige stand niet aan in de weg, dat een Lid-Staat het in de handel brengen van uit andere Lid-Staten afkomstige levensmiddelen waaraan dergelijke stoffen zijn toegevoegd, verbiedt. Het in de laatste volzin van artikel 36 tot uitdrukking komende evenredigheidsbeginsel verlangt evenwel dat dit verbod niet verder gaat dan wat noodzakelijk is ter verwezenlijking van rechtmatige doelstellingen van gezondheidsbescherming. Wanneer de toestemming tot het in de handel brengen van deze produkten met die doelstelling verenigbaar is, moet zij derhalve volgens een voor de handelaars gemakkelijk toegankelijke procedure worden verleend.
24. In het kader van de feitelijke beoordeling die de Lid-Staten ter zake moeten maken, dienen zij na te gaan of de verhandeling van levensmiddelen waaraan dergelijke stoffen zijn toegevoegd, een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren en of het werkelijk nodig is dat de betrokken stoffen aan bepaalde levensmiddelen worden toegevoegd. Bij de toepassing van deze criteria dienen zij de resultaten van het internationaal wetenschappelijk onderzoek en met name de studies van het communautaire Wetenschappelijke Comité voor de menselijke voeding in aanmerking te nemen, waarbij zij evenwel rekening kunnen houden met de specifieke voedingsgewoonten in de Lid-Staat van invoer.
25. De bevoegde nationale instanties zullen van geval tot geval hebben aan te tonen, dat hun regeling noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van de in artikel 36 EEG-Verdrag bedoelde belangen, en in het bijzonder, dat de verhandeling van het betrokken produkt een gevaar voor de gezondheid oplevert, en in voorkomend geval, dat de toevoeging van deze stoffen niet aan een werkelijke behoefte beantwoordt."
6. In verband met de procedure genoemd in de hierboven geciteerde r.o. 23 heeft het Hof in zijn arrest van 12 maart 1987 in zaak 178/84, Commissie/Duitsland(9), volgende precisering toegevoegd:
"45. In de tweede plaats zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest Muller overwoog, dat het evenredigheidsbeginsel eveneens vereist, dat de marktdeelnemers volgens een voor hen gemakkelijk toegankelijke procedure die binnen een redelijke termijn kan worden afgesloten, kunnen verzoeken, dat het gebruik van bepaalde additieven bij een handeling van algemene strekking wordt toegelaten.
46. Hierbij zij opgemerkt dat wanneer ten onrechte geen toelating is verleend, hiertegen door de marktdeelnemers moet kunnen worden opgekomen in het kader van een beroep in rechte. Gelijk het Hof reeds overwoog in zijn arrest Muller staat het aan de bevoegde nationale instanties van de Lid-Staat van invoer om aan te tonen, dat het verbod gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid, onverminderd hun bevoegdheid dat zij de marktdeelnemers kunnen vragen, de in hun bezit zijnde stukken over te leggen die van nut kunnen zijn voor de beoordeling van de feiten."
7. In de onderhavige zaken wordt niet betwist dat een excessieve opneming van zwaveldioxyde via het totale voedingspakket schadelijk is voor de menselijke gezondheid.(10) Gelet op het ontbreken van een gemeenschappelijke regeling ter zake (hiervoor nr. 5, voetnoot nr. 7), staat het aldus ° zoals duidelijk erkend in voormelde rechtspraak ° aan Italië om een beleid te voeren dat erop gericht is de opneming van zwaveldioxyde via het totale voedingspakket binnen veilige grenzen te houden en in het kader van zulk een preventief gezondheidsbeleid de maximumhoeveelheid zwaveldioxyde in bier te beperken. Overeenkomstig voormelde rechtspraak zou Italië zelfs elke toevoeging van zwaveldioxyde aan bier die niet aan een werkelijke, met name technologische of economische behoefte voldoet, kunnen verbieden.
De Commissie betwist overigens niet het principe zelf van de aan de Lid-Staten, in casu Italië, gelaten bevoegdheid. Zij stelt echter ter discussie of de betrokken Italiaanse wetgeving wel aan het evenredigheidsvereiste voldoet door voor zowel Italiaans als ingevoerd bier een maximumhoeveelheid zwaveldioxyde van slechts 20 mg/l voor te schrijven en niet te voorzien in een procedure tot het bekomen van een vergunning om bier met meer dan 20 mg/l zwaveldioxyde dat in een andere Lid-Staat op legale wijze is geproduceerd, toch in Italië in de handel te brengen. Meer bepaaldelijk rijst de vraag of de Italiaanse wetgeving niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid.
8. De Italiaanse regering merkt in dit verband op dat de meeste Lid-Staten met het oog op de volksgezondheid het gebruik van zwaveldioxyde in bier beperken en dat de Italiaanse wetgeving niet tot de meest restrictieve nationale regelingen behoort. Duitsland, België, Nederland, Luxemburg, Denemarken en Griekenland leggen een gelijke of zelfs lagere maximumhoeveelheid zwaveldioxyde op(11), hetgeen aantoont ° aldus de Italiaanse regering ° dat de Italiaanse wetgeving niet onevenredig is met het nagestreefde doel, de bescherming van de volksgezondheid, én daarenboven dat er geen technologische of economische behoefte is aan de toevoeging van meer dan 20 mg/l zwaveldioxyde.
Van haar kant wijst de Commissie er op dat de Italiaanse wetgeving in wijn 10 maal meer zwaveldioxyde, namelijk 200 mg/l, toelaat dan in bier en dit ofschoon er in Italië heel wat meer wijn dan bier wordt gedronken. De vertegenwoordiger van Michel Debus heeft daaraan ter terechtzitting toegevoegd dat Franse champagnes en wijnen een gehalte van 400 mg/l mogen bevatten en dat ten aanzien van de invoer daarvan geen beperkende maatregelen in Italië worden genomen.
9. Of de betrokken Italiaanse wetgeving een inbreuk pleegt op het evenredigheidsbeginsel door voor bier een veel lagere maximumhoeveelheid voor te schrijven dan voor wijn, en dit ofschoon in Italië ° anders dan bij voorbeeld in de Benelux-landen, Denemarken en Duitsland ° veel minder bier wordt verbruikt dan wijn, is een vraag die ter beantwoording staat aan de nationale rechter. Hij zal daarbij rekening moeten houden met, aan de ene kant, het relatieve belang van het verbruik van bier respectievelijk wijn in het totale voedingspakket in de betrokken Lid-Staat en het reële gevaar dat elk van deze produkten oplevert om als gevolg van een excessieve opneming van zwaveldioxyde via het totale voedingspakket de gezondheid te schaden en, aan de andere kant, met de verschillen tussen bier en wijn wat betreft de technologische of economische behoefte aan de toevoeging van het betrokken additief aan die produkten.
Gelet op de voedingsgewoonten in de betrokken Lid-Staat lijkt het grote verschil tussen de in Italië toegelaten hoeveelheid zwaveldioxyde in bier respectievelijk wijn niettemin een ernstige aanwijzing dat behoudens duidelijke technologische verschillen die een veel grotere toevoeging van zwaveldioxyde aan wijn zouden verantwoorden, de betrokken Italiaanse wetgeving niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Mag men immers niet verwachten dat de wetgeving van een Lid-Staat waar relatief weinig bier maar veel wijn wordt verbruikt en zwaveldioxyde in bier aldus een relatief gering gevaar voor de volksgezondheid oplevert, meer zwaveldioxyde in bier zou toestaan dan in wijn, en ook meer dan de wetgeving van een Lid-Staat waar meer bier dan wijn wordt verbruikt? Ik wil hierbij nog vermelden dat overeenkomstig voormelde rechtspraak (zie r.o. 25, geciteerd in nr. 5 en r.o. 46, geciteerd in nr. 6) aan de Italiaanse regering staat om aan te tonen dat de betrokken wetgeving in overeenstemming is met het gemeenschapsrechtelijk evenredigheidsbeginsel.
10. De Italiaanse wetgeving lijkt mij echter in elk geval op een ander meer in het oog springend en gemakkelijker constateerbaar punt in strijd te zijn met het evenredigheidsbeginsel. Zoals vermeld voorziet de Italiaanse wetgeving niet in een procedure om een vergunning te bekomen op grond waarvan in een andere Lid-Staat op legale wijze geproduceerd bier dat meer dan 20 mg/l zwaveldioxyde bevat, toch in Italië in de handel mag worden gebracht.
De vertegenwoordiger van Michel Debus wijst er in dit verband op dat het hier in geding zijnde Franse bier veel minder zwaveldioxyde bevat, namelijk 36,8 mg/l, dan de Franse wetgeving toelaat (100 mg/l). Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het hier gaat over een speciale biersoort, namelijk alcoholische drank vervaardigd op basis van bier en plantaardige extracten(12), waarvoor wellicht andere technologische vereisten gelden voor wat betreft de toevoeging van zwaveldioxyde dan voor "gewone" biersoorten.
Het lijkt mij dan ook zeker niet in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel, zoals gepreciseerd in de hiervoor geciteerde rechtspraak (zie r.o. 23 in nr. 5 en r.o. 45-46 in nr. 6), dat aan de importeur in Italië geen gemakkelijk toegankelijke en binnen een redelijke termijn te effectueren procedure ter beschikking staat(13) in het kader waarvan hij voor een bepaald soort bier bij een handeling van algemene strekking een vrijstelling kan bekomen van het tegen hem ingeroepen commercialisatieverbod, met de mogelijkheid om zich tegen een eventuele weigering in rechte te voorzien.
11. Wat betreft de twee andere door de verwijzende rechter gestelde vragen kan ik kort zijn. Een nationale rechter mag een nationale wettelijke regeling die onverenigbaar is met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag niet toepassen en is gehouden binnen de bevoegdheden die hem toekomen alle maatregelen te treffen om het vrij verkeer binnen de Gemeenschap van uit andere Lid-Staten geïmporteerd bier in overeenstemming met de artikelen 30 en 36 mogelijk te maken.
12. Gelet op de voorgaande overwegingen, stel ik het Hof voor op de haar gestelde vragen als volgt te antwoorden:
"1) Artikelen 30 en 36 moeten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een wettelijke regeling van een Lid-Staat die het in de handel brengen van een uit een andere Lid-Staat ingevoerd bier met meer dan 20 mg/l zwaveldioxyde verbiedt wanneer zou blijken dat deze regeling niet voldoet aan het in de rechtspraak van het Hof neergelegde evenredigheidsvereiste, dat wil zeggen verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid. Wanneer de betrokken Lid-Staat in andere levensmiddelen, zoals bij voorbeeld wijn, een veel hogere maximale hoeveelheid zwaveldioxyde toelaat, dan moet de evenredigheid van de voormelde wettelijke regeling inzake bier worden beoordeeld in het licht van, aan de ene kant, het relatieve belang van het verbruik van bier respectievelijk andere levensmiddelen en meer bepaaldelijk wijn in het totale voedingspakket in de betrokken Lid-Staat en het reële gevaar dat elk van deze produkten aldus oplevert om als gevolg van een excessieve opneming van zwaveldioxyde via het totale voedingspakket de gezondheid te schaden en, aan de andere kant, de verschillen tussen bier en de andere levensmiddelen en meer bepaaldelijk wijn wat betreft de technologische of economische behoefte aan de toevoeging van het betrokken additief aan die produkten. De voormelde wettelijke regeling voldoet echter hoe dan ook niet aan het evenredigheidsvereiste in zoverre zij niet voorziet in de mogelijkheid voor een bepaald soort bier bij een handeling van algemene strekking een vrijstelling van het commercialisatieverbod te bekomen middels een gemakkelijk toegankelijke en binnen een redelijke termijn te effectueren procedure, met de mogelijkheid van een beroep in rechte tegen een eventuele weigering van de vrijstelling.
2) Een nationale rechter mag een nationale wettelijke regeling die onverenigbaar is met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag niet toepassen.
3) Een nationale rechter is gehouden binnen de bevoegdheden die hem toekomen alle maatregelen te treffen om in overeenstemming met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag het vrije verkeer binnen de Gemeenschap van uit andere Lid-Staten geïmporteerd bier mogelijk te maken."
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) ° Op het etiket van de in Italië in de handel gebrachte flesjes van het betrokken bier staat te lezen: 36,15 Pêcheur ° Bevanda alcolica a base di birra ed estratti vegetali . Overeenkomstig de Italiaanse wetgeving kon het betrokken bier niet onder de benaming birra in de handel worden gebracht. In haar opmerkingen werpt de Commissie de vraag op of zulk een verbod verenigbaar is met richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978. Deze vraag is hier echter niet aan de orde.
(2) ° Zie GURI nr. 234 van 17 september 1962. Deze wet werd gewijzigd door wet nr. 329 van 16 juli 1974 (GURI nr. 211 van 12 augustus 1974) en wet nr. 141 van 17 mei 1989 (GURI nr. 96 van 26 april 1989). Artikel 4, lid 1, sub c, bleef echter ongewijzigd.
(3) ° Zwaveldioxyde (SO2) is een additief (E 220) dat aan voedingsmiddelen, en in het bijzonder doch niet uitsluitend bier en wijn, wordt toegevoegd als conserveermiddel.
(4) ° Arrest van 11 juni 1987, zaak 14/86, strafzaak tegen X, Jurispr. 1987, blz. 2545, r.o. 6-7.
(5) ° Arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5.
(6) ° Zie recentelijk in het arrest van 16 april 1991, zaak C-347/89, Eurim-Pharm, Jurispr. 1991, blz. I-1747, r.o. 26.
(7) ° Het wordt niet betwist dat dit in casu het geval is. De richtlijn 64/54/EEG van de Raad van 5 november 1963 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake conserveermiddelen die mogen worden gebruikt in voor menselijke voeding bestemde waren (PB 1964, nr. 161, blz. 64) en de richtlijn 89/107/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt (PB 1989, L 40, blz. 27) laten zwaveldioxyde als additief toe maar bepalen geen maximumhoeveelheid.
(8) ° Jurispr. 1986, blz. 1511, r.o. 20 tot en met 25. Zie ook bij voorbeeld het recentere arrest van 13 december 1990, zaak C-42/90, Bellon, Jurispr. 1990, blz. I-4863, r.o. 11-17.
(9) ° Jurispr. 1987, blz. 1227, r.o. 45-47.
(10) ° Hierbij mag verwezen worden naar het oordeel van het gemengd comité van experts van de FAO en de Wereldgezondheidsorganisatie alsook het oordeel van het communautair Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding. Volgens de Commissie mag voor een persoon van 60 kg de opneming van zwaveldioxyde maximaal 21 mg per dag bedragen terwijl volgens de Nederlandse regering, die zich op dezelfde bronnen beroept, de maximumdosis zwaveldioxyde op 40 mg per dag is vastgesteld.
(11) ° Frankrijk: max. 100 mg/l; Spanje: max. 30 mg/l; Italië en Denemarken: max. 20 mg/l; België, Nederland en Luxemburg: max. 20 mg/l voor bieren met een hoog alcoholgehalte en max. 10 mg/l voor bieren met een laag alcoholgehalte; en Duitsland: max. 10 mg/l. In Griekenland is het gebruik van zwaveldioxyde totaal verboden.
(12) ° Zoals reeds vermeld in nr. 1 en voetnoot 1 mocht het betrokken bier in Italië zelfs niet onder de benaming birra in de handel worden gebracht.
(13) ° Ter terechtzitting werd door de vertegenwoordiger van de Nederlandse regering verklaard dat dat in Nederland bij voorbeeld wel het geval is.
Full & Egal Universal Law Academy