Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht, de bepalingen voor de vaststelling van de waarde van veredelingsprodukten en van de in het kader van de regeling passieve veredeling tijdelijk uitgevoerde produkten nader uit te leggen.
Blijkens artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer(1), maakt deze regeling het mogelijk, communautaire goederen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap uit te voeren teneinde deze aan bewerkings-, verwerkings- of herstellingshandelingen te onderwerpen en de uit die handelingen voortkomende veredelingsprodukten met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten in het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer te brengen.
Zoals bekend, beoogt deze regeling te voorkomen, dat douanerechten moeten worden betaald op produkten die met het oog op veredeling uit de Gemeenschap worden uitgevoerd. Daartoe bepaalt artikel 13, lid 1, van deze verordening met name:
"Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer krachtens artikel 1, lid 2, vindt plaats door het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zijn op in het vrije verkeer gebrachte veredelingsprodukten, te verminderen met het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zouden zijn op de tijdelijk uitgevoerde goederen, indien deze in het douanegebied van de Gemeenschap werden ingevoerd uit het land waar de veredelingshandeling of de laatste veredelingshandeling heeft plaatsgevonden."
In de praktijk worden de op de veredelingsprodukten te betalen invoerrechten berekend door het fictieve bedrag van de op de tijdelijk uitgevoerde goederen toepasselijke rechten af te trekken van het theoretische bedrag van de ten tijde van de invoer in de Gemeenschap op de veredelingsprodukten toepasselijke rechten.
2. De feiten van het hoofdgeding zijn vrij eenvoudig.
Wacker Werke exporteert benzine- en dieselmotoren naar de Verenigde Staten onder de regeling passieve veredeling en importeert apparaten die door Wacker Corporation (waarmee zij financiële banden heeft) zijn vervaardigd en waarin die motoren werden ingebouwd.
Voor de benzinemotoren van eigen fabrikaat rekent Wacker Werke een prijs die de voortbrengingskosten plus een toeslag van 25 % voor algemene kosten en winst omvat; voor de dieselmotoren, die zij van derden betrekt, is de prijs gelijk aan de inkoopprijs plus 5 %. Voor de ingevoerde apparaten wordt de catalogusprijs van de verkoper minus 45 % berekend.
Er zijn geen aanwijzingen, aldus de verwijzende rechter, dat de tussen de twee vennootschappen bestaande banden de prijs van de tijdelijk uitgevoerde goederen of van de veredelingsprodukten beïnvloeden.
3. Het Hauptzollamt Muenchen berekende aanvankelijk de douanewaarde van de veredelingsprodukten en van de tijdelijk uitgevoerde produkten op basis van de prijs die de twee vennootschappen elkaar berekenden; later stelde het zich op het standpunt, dat de waarde van de veredelingsprodukten weliswaar op basis van de gefactureerde verkoopprijs moest worden vastgesteld, maar dat die van de tijdelijk uitgevoerde goederen op basis van de voortbrengingskosten (benzinemotoren) of van de inkoopprijs (dieselmotoren) moest worden vastgesteld, dat wil zeggen zonder de door Wacker Werke berekende toeslag van 25 % of van 5 %; derhalve vorderde het een bedrag van 36 057,20 DM aan douanerechten na.
Van oordeel dat de aanvankelijke berekeningswijze de juiste was, tekende voornoemde vennootschap allereerst bezwaar aan en stelde vervolgens beroep in bij het Finanzgericht Muenchen. Wacker Werke betoogde hoofdzakelijk, dat de motoren onder bezwarende titel waren geleverd, zodat artikel 8, lid 1, sub b, i, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen(2), volgens hetwelk ter bepaling van de waarde van de goederen vóór veredeling rekening moet worden gehouden met de "waarde" van de "materialen, delen, onderdelen en dergelijke goederen, verwerkt in de ingevoerde produkten", niet kon worden toegepast omdat deze bepaling, zoals uit de tekst ervan duidelijk blijkt, alleen het geval betreft, dat die materialen of onderdelen "gratis of tegen verminderde prijs" worden geleverd.
4. Bij beschikking van 20 december 1990 heeft het Finanzgericht Muenchen besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en aan het Hof drie prejudiciële vragen te stellen.
De eerste vraag luidt, of artikel 13, lid 1, van verordening nr. 2473/86 aldus moet worden uitgelegd, dat voor de berekening van de invoerrechten de douanewaarde van de veredelingsprodukten en van de tijdelijk uitgevoerde goederen in beginsel moet worden uitgegaan van de transactiewaarde overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80.
Deze vraag, die in wezen erop is gericht duidelijkheid te verkrijgen over hoe de werkelijk te heffen invoerrechten moeten worden berekend op veredelde produkten, roept twee verschillende subvragen op: de eerste betreft de berekening van het theoretische bedrag van de op de veredelingsprodukten toepasselijke rechten, en de tweede de berekening van het fictieve bedrag van de rechten op de tijdelijk uitgevoerde produkten.
5. Ik bespreek allereerst het eerste aspect.
In dit verband moet ik er vooraf op wijzen, dat de tekst van artikel 13 van verordening nr. 2473/86 geen rechtstreekse aanwijzingen bevat over de berekeningswijze van de douanewaarde van de veredelingsprodukten; volgens de tekst van het tweede lid, tweede alinea, van deze bepaling echter is de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen die welke voor deze goederen in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de douanewaarde van de veredelingsprodukten overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder b, i, van verordening nr. 1224/80. Uit deze formulering en in het bijzonder uit de verwijzing naar artikel 8 van verordening nr. 1224/80 blijkt mijns inziens evenwel voldoende duidelijk, dat bij de berekening van het theoretische bedrag van de op de veredelingsprodukten toepasselijke rechten, als waarde de transactiewaarde van de goederen moet worden genomen, zoals omschreven in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80, volgens hetwelk "de douanewaarde van ingevoerde goederen (...) de transactiewaarde (is), dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap, aangepast overeenkomstig artikel 8".
Voor deze opvatting pleit bovendien de formulering van artikel 13 van verordening nr. 2473/86, dat in het eerste lid spreekt van het bedrag van de rechten bij invoer die van toepassing zijn op in het vrije verkeer gebrachte veredelingsprodukten, wat voor de veredelingsprodukten de toepassing lijkt te onderstellen van de relevante bepalingen van de gemeenschapsregeling inzake de berekening van de douanewaarde van de goederen.
6. Met de berekening van de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen is het anders gesteld. Voor deze goederen heeft de gemeenschapswetgever namelijk de wijze van berekening van de waarde uitdrukkelijk geregeld in artikel 13, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2473/86: "De waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen is die welke voor deze goederen in aanmerking wordt genomen bij de bepaling van de douanewaarde van de veredelingsprodukten overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder b), i), van verordening (EEG) nr. 1224/80, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1055/85, of, indien de waarde niet op deze wijze kan worden bepaald, het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsprodukten en de met redelijke middelen vastgestelde kosten van veredeling."
Terzijde wil ik opmerken, dat volgens voormeld artikel 8, lid 1, sub b, i, de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij de vaststelling van de douanewaarde met toepassing van artikel 3 van verordening nr. 1224/80 wordt verhoogd met de waarde, naar verhouding toegedeeld, van de materialen, delen, onderdelen en dergelijke goederen, verwerkt in de ingevoerde goederen, indien deze gratis of tegen verminderde prijs rechtstreeks of zijdelings door de koper worden geleverd voor gebruik in verband met de voortbrenging en verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet is begrepen in de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
Feitelijk zijn er twee varianten voorzien voor de berekening van de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen. Bij de eerste, vermoedelijk het meest voorkomende geval, wordt ervan uitgegaan, dat de douanewaarde van de veredelingsprodukten overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1224/80 wordt bepaald, met dien verstande dat de tijdelijk uitgevoerde goederen gratis of tegen verminderde prijs door de koper worden geleverd.
Voor de bepaling van de douanewaarde van de veredelingsprodukten dienen dan de in artikel 8 van verordening nr. 1224/80 voorziene aanpassingen te worden verricht en kan met de aldus bepaalde waarde dus tevens de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen worden bepaald.
De tweede variant betreft daarentegen situaties waarin het in de ingevoerde goederen verwerkte produkt, zoals hier het geval is, tegen betaling is geleverd en dus niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 8 van verordening nr. 1224/80, dat spreekt van door de koper gratis of tegen verminderde prijs geleverde produkten. In dit geval moet de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen dan worden bepaald door de met redelijke middelen vastgestelde kosten van veredeling af te trekken van de douanewaarde van de veredelingsprodukten.
7. In casu gaat het er dus om, hoe de kosten van de veredeling moeten worden berekend, in het bijzonder of de algemene kosten en de winst waarmee verzoekster in het hoofdgeding de kostprijs van de aan Wacker Corporation geleverde motoren verhoogde, als door de veredelaar gedragen veredelingskosten moeten worden gezien.
In abstracto zou kunnen worden gesteld, dat alle door de veredelaar voor de vervaardiging van de veredelingsprodukten gemaakte kosten samen de kosten van veredeling zijn. Dan zou men de douanewaarde van de veredelingsprodukten evenwel gelijkstellen aan het bedrag van de kosten van veredeling, met het gevolg dat de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen nihil zou zijn.
Dat heeft de gemeenschapswetgever evenwel duidelijk niet gewild en het ware duidelijk in strijd met de regeling passieve veredeling.
Bestaat, zoals in casu, geen twijfel aan de transactiewaarde van het tijdelijk uitgevoerde produkt, dan kan een juiste en redelijke berekeningswijze van de kosten van veredeling erin bestaan, van de kosten van de veredelaar, die in de verkoopprijs en dus in de douanewaarde van de veredelingsprodukten worden doorberekend, de kosten van aankoop van de tijdelijk uitgevoerde goederen af te trekken, aangezien die goederen immers het voorwerp van de veredeling zijn.
In de praktijk komen de kosten van veredeling van de door Wacker Corporation geleverde veredelingsprodukten overeen met de voor de berekening van de douanewaarde van deze goederen in aanmerking genomen verkoopprijs, minus de door Wacker Corporation betaalde bedragen voor aankoop van de motoren, de toeslagen door verzoekster in het hoofdgeding inbegrepen.
8. Eigenlijk levert die benadering hetzelfde resultaat op als door de verwijzende rechter bij wijze van hypothese is aangenomen, die evenwel van oordeel lijkt, dat wanneer zowel voor het veredelingsprodukt als voor de tijdelijk uitgevoerde goederen de transactiewaarde overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1224/80 kan worden bepaald, die waarden op grond van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 2473/86 noodzakelijk als grondslag moeten dienen voor de berekening van het werkelijk toepasselijke recht op de na veredeling verkregen produkten.
Aldus te werk gaan lijkt mij evenwel formeel niet juist, omdat artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2473/86 de berekeningswijze van de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen uitdrukkelijk regelt en voorts omdat dan niet te begrijpen valt ° wanneer de stelling wordt aanvaard, dat de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen met hun ingevolge verordening nr. 1224/80 berekende douanewaarde overeenkomt ° waarom dat alleen zou gelden wanneer die waarde op basis van artikel 3 van de betrokken verordening wordt berekend.
Ik denk, dat de gemeenschapswetgever in verordening nr. 2473/86 de nationale instanties in feite een bepaalde beoordelingsmarge heeft willen laten bij de keuze van de berekeningswijze van de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen, zolang maar is gewaarborgd dat het doel van de verordening, te voorkomen dat ter veredeling uit de Gemeenschap uitgevoerde produkten worden belast, wordt bereikt.
Ik meen dan ook, dat artikel 13, lid 1, van verordening nr. 2473/86 aldus moet worden uitgelegd, dat ter berekening van de invoerrechten als douanewaarde van de veredelingsprodukten moet worden genomen hun overeenkomstig de relevante bepalingen van verordening nr. 1224/80 berekende transactiewaarde, terwijl de waarde van de tijdelijk uitgevoerde produkten volgens artikel 13, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2473/86 moet worden bepaald.
9. Uit het voorgaande volgt ook het antwoord op de tweede vraag van de verwijzende rechter, of artikel 13, lid 2, tweede alinea, eerste zin, van verordening nr. 2473/86 aldus moet worden uitgelegd, dat de douanewaarde van de veredelingsprodukten ook dan volgens die bepaling moet worden vastgesteld, wanneer de houder van de veredelingsvergunning de goederen noch gratis, noch tegen verminderde prijs in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, i, van verordening nr. 1224/80 tijdelijk heeft uitgevoerd.
Aangezien artikel 13, lid 2, van verordening nr. 2473/86, zoals gezegd, niet de douanewaarde van de veredelingsprodukten betreft, maar de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen, is het mijns inziens op zijn plaats te preciseren, dat artikel 13, lid 2, tweede alinea, tweede variant, van verordening nr. 2473/86 ook op die goederen slechts kan worden toegepast, wanneer aan de voorwaarden van artikel 8 van verordening nr. 1224/80 is voldaan, dat wil zeggen in het geval dat het tijdelijk uitgevoerde produkt gratis of tegen verminderde prijs werd geleverd.
Door het ontkennende antwoord op de tweede vraag behoeft de derde vraag van de verwijzende rechter, over de uitlegging van artikel 8 van verordening nr. 1224/80, niet te worden beantwoord.
10. Op grond van het voorgaande geef ik in overweging, de vragen van het Finanzgericht Muenchen te beantwoorden als volgt:
"1) Artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2473/86 moet aldus worden uitgelegd, dat voor de vaststelling van de invoerrechten de douanewaarde van de veredelingsprodukten moet worden bepaald op basis van hun transactiewaarde in de zin van artikel 3, lid 1, en de andere toepasselijke bepalingen van verordening (EEG) nr. 1224/80.
2) De waarde van de tijdelijk uitgevoerde produkten moet worden bepaald overeenkomstig artikel 13, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2473/86.
3) Artikel 13, lid 2, tweede alinea, eerste variant, van verordening (EEG) nr. 2473/86 moet aldus worden uitgelegd, dat de douanewaarde van tijdelijk uitgevoerde produkten slechts volgens die bepaling moet worden vastgesteld, wanneer de houder van de veredelingsvergunning de goederen gratis of tegen verminderde prijs in de zin van artikel 8, lid 1, sub b, i, van verordening (EEG) nr. 1224/80 tijdelijk heeft uitgevoerd."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) ° PB 1986, L 212, blz. 1.
(2) ° PB 1980, L 134, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy