Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Met zijn prejudiciële vragen wenst het Finanzgericht Hamburg van het Hof een precisering te verkrijgen van de wijze waarop een financieringsovereenkomst betreffende de betaling van ingevoerde goederen in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van de douanewaarde.
2. Wuensche Handelsgesellschaft International GmbH & Co. (hierna: "Wuensche") heeft in de jaren 1983 tot en met 1985, daaronder begrepen na 1 maart 1985, uit Spanje goederen ingevoerd voor de aankoop waarvan een betalingstermijn van 180 dagen vanaf de verscheping was bedongen. Sommige overeenkomsten vermeldden een fob-prijs ("free on board") en daarnaast een toeslag van 4 % voor de bankinteresten ten laste van verkoper, gelet op de betalingstermijn. Andere overeenkomsten vermeldden een totale prijs, die met die interesten vermeerderd was. Op de facturen voor deze overeenkomsten werden de prijs voor de goederen en het als interest verschuldigde bedrag evenwel afzonderlijk opgevoerd. Wuensche heeft dit laatste bedrag niet opgenomen in haar aangifte van de douanewaarde. Het Hauptzollamt Hamburg-Jonas paste het toepasselijke douanetarief evenwel ook toe op het bedrag van de in de overeenkomsten bedongen interesten. Van dit besluit is Wuensche in beroep gekomen bij het Finanzgericht Hamburg, dat het Hof twee prejudiciële vragen heeft gesteld.
3. Deze vragen betreffen de uitlegging van het begrip "financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van de ingevoerde goederen" in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie(1), gelet op de wijziging die daarin is aangebracht bij verordening (EEG) nr. 220/85.(2)
4. Artikel 3 van verordening nr. 1495/80 bepaalde:
"Volgende betalingen of commissies behoren niet tot de douanewaarde (...), op voorwaarde dat ze onderscheiden zijn van de werkelijk betaalde of te betalen prijs:
c) interesten te betalen krachtens een financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van de ingevoerde goederen."
5. Sedert de bij artikel 1 van verordening nr. 220/85 aangebrachte wijzigingen, bevat het nieuwe artikel 3 van verordening nr. 1495/80 onder meer drie leden die luiden als volgt:
"2. Interesten krachtens een door de koper aangegane financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van ingevoerde goederen behoren niet tot de douanewaarde, vastgesteld overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1224/80, op voorwaarde dat:
a) de interesten onderscheiden zijn van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs;
b) de financieringsovereenkomst schriftelijk is gesloten;
c) de koper, indien vereist, kan aantonen dat
° dergelijke goederen werkelijk verkocht worden tegen de prijs die als de werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, en
° de gevraagde interestvoet niet hoger is dan het voor dergelijke transacties in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden gebruikelijke niveau.
3. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing wanneer de douanewaarde wordt vastgesteld op basis van een andere methode dan die van de transactiewaarde.
4. Lid 2 en lid 3 zijn van toepassing ongeacht of de financiering is verstrekt door de verkoper, een bank of een andere natuurlijke of rechtspersoon."
6. Verordening nr. 220/85 is in werking getreden op 1 maart 1985 (artikel 2, lid 1). Het bepaalde in artikel 3, sub c, van de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1495/80 blijft van toepassing op goederen waarvoor het tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde valt vóór 1 maart 1985 (artikel 2, lid 2). De twee genoemde verordeningen zijn dus gelijktijdig van toepassing op de door Wuensche verrichte importen.
7. Allereerst moet worden vastgesteld, dat de bij verordening nr. 220/85 aangebrachte wijzigingen geen wijziging van het ° overigens niet omschreven ° begrip "financieringsovereenkomst" tot gevolg hebben gehad. De bij verordening nr. 220/85 toegevoegde leden stellen slechts nieuwe vereisten inzake het bewijs: de overeenkomst moet schriftelijk worden gesloten en de koper moet aantonen dat dergelijke goederen werkelijk tegen de aangegeven prijs worden verkocht, en dat de bedongen interestvoet niet hoger is dan de gebruikelijke interestvoet voor dergelijke transacties in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden. Het begrip "financieringsovereenkomst" mag derhalve niet verschillend worden uitgelegd naargelang verordening nr. 1495/80 in haar oorspronkelijke dan wel in haar bij verordening nr. 220/85 gewijzigde versie van toepassing is. Dit is overigens ook de mening van de verwijzende rechter, Wuensche en de Commissie.
8. Deze unanimiteit bestaat niet met betrekking tot het begrip "financieringsovereenkomst".
9. Volgens de verwijzende rechter kan het bedingen van interest bij het verlenen van een betalingstermijn niet in alle gevallen als een "financieringsovereenkomst" worden aangemerkt. Een dergelijke uitlegging zou zijn inziens tot gevolg hebben, dat de transactiewaarde in strijd met artikel 3, lid 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad(3) wordt bepaald op een bedrag dat verschilt van het totale bedrag dat de koper heeft betaald, en zou bovendien fraude in de hand werken. Hij stelt voor, de interesten slechts van de douanewaarde te laten aftrekken wanneer de koper aantoont, dat de goederen hem tegen een lagere prijs zouden zijn verkocht indien hij bij de levering had betaald.
10. De Commissie lijkt deze opvatting te delen. Haars inziens kan de overeenkomst over een betalingstermijn op zichzelf niet als een "financieringsovereenkomst" worden beschouwd zonder het gevaar te lopen, alle internationale koopovereenkomsten zonder contante betaling van de aftrek van interesten te laten profiteren. Dit is in strijd met het basisbeginsel inzake de douanewaarde, dat in artikel 2, lid 4, sub g, van verordening nr. 1224/80 wordt herhaald, en volgens hetwelk willekeurig vastgestelde of fictieve waarden verboden zijn. Ten slotte onderstelt een financieringsovereenkomst een buitengewoon lange betalingstermijn en het bewijs, dat de interesten afzonderlijk zijn overeengekomen en dat de koper in geval van contante betaling minder had moeten betalen.
11. Wuensche betoogt daarentegen, dat er sprake is van een financieringsovereenkomst in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1495/80 telkens wanneer bij het verlenen van een betalingstermijn interesten worden bedongen.
12. Gelijk in de derde overweging van de considerans van verordening nr. 220/85 wordt gezegd, is het nieuwe artikel 3 de uitvoering door de Gemeenschap van een besluit van de Internationale Douaneraad van het GATT, meer bepaald van een besluit van het Technisch Comité inzake de douanewaarde van 26 april 1984 betreffende "de behandeling van de interesten bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen".(4)
13. Het weze meteen gezegd, dat de stelling van Wuensche mij de enig juiste lijkt. De verordeningen nrs. 220/85 en 1495/80 leveren geen enkel argument voor een dergelijke beperking van het begrip "financieringsovereenkomst". Genoemd besluit van het Technisch Comité inzake de douanewaarde doelt, althans in de titel ervan, op de "interesten" zonder verwijzing naar een bijzonder type van financieringsovereenkomst. Verder wordt in het besluit gepreciseerd, dat het van toepassing is "ongeacht of de financiering is verstrekt door de verkoper, een bank of een andere natuurlijke of rechtspersoon", hetgeen erop wijst, dat een zeer algemene aftrek van de interesten wordt beoogd. Deze bewoordingen zijn overigens terug te vinden in lid 4 van het nieuwe artikel 3 van verordening nr. 1495/80.
14. Het door de Commissie overgenomen voorstel van de verwijzende rechter, om de aftrek slechts toe te staan wanneer de koper aantoont, dat de goederen hem tegen een lagere prijs zouden zijn verkocht indien hij bij de levering had betaald, kan niet worden aanvaard. Men kan immers geen voorwaarden inzake de bewijsvoering hanteren om het rechtskarakter van een tussen marktdeelnemers gesloten overeenkomst te bepalen. Gelijk u overigens reeds zult hebben opgemerkt, komt dit vereiste inzake de bewijsvoering reeds voor in het nieuwe artikel 3, lid 2, sub c, van verordening nr. 1495/80, volgens hetwelk de koper, "indien vereist", moet aantonen, dat "dergelijk goederen werkelijk verkocht worden tegen de prijs die (...) is aangegeven", beter gezegd, dat de aangegeven prijs niet abnormaal laag is.
15. Het andere door de Commissie voorgestelde criterium, te weten een abnormaal lange termijn, lijkt mij volstrekt irrelevant. Nog afgezien van de beoordelingsmoeilijkheden die het onvermijdelijk oplevert, is het niet zeker, dat het voldoende rekening houdt met de economische werkelijkheid. De ondernemingen hebben soms krediet nodig voor een zeer korte termijn, namelijk voor de periode waarin zij hun leveranciers en werknemers moeten betalen terwijl zij nog geen betaling hebben ontvangen van hun klanten.(5) Derhalve valt moeilijk in te zien, waarom het verlenen van een ° zelfs korte ° betalingstermijn tegen betaling van interesten niet als een financieringsovereenkomst zou kunnen worden aangemerkt. Welke de duur van de verleende termijn ook zij, het gaat om bedragen die de koper aan de verkoper betaalt voor een van de verkoop van de goederen onderscheiden dienst.
16. Een dergelijke conclusie is, anders dan de verwijzende rechter lijkt te denken, niet in strijd met artikel 3, lid 3, sub a, van verordening nr. 1224/80. Volgens dit artikel is "de werkelijk betaalde of te betalen prijs de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan". Lid 4 van dat artikel staat evenwel reeds toe, bepaalde kosten af te trekken, en artikel 3 van verordening nr. 1495/80 heeft daar nog aftrekmogelijkheden aan toegevoegd. Er bestaat dus geen absoluut, geen enkele uitzondering duldend beginsel, volgens hetwelk de werkelijk betaalde of te betalen prijs het totale door de koper aan de verkoper betaalde bedrag is.
17. Hetzelfde geldt voor artikel 2, lid 4, sub f en g, van verordening nr. 1224/80, volgens hetwelk de douanewaarde niet mag worden vastgesteld op basis van minimale, willekeurig vastgestelde of fictieve waarden. Het is vreemd, dat de Commissie zich op deze bepalingen beroept tegen de ° mijns inziens ondubbelzinnige ° voorschriften van de door haarzelf ter uitvoering van het GATT vastgestelde verordeningen nrs. 220/85 en 1495/80.
18. De door de verwijzende rechter en de Commissie geuite vrees voor fraude is ongetwijfeld legitiem. Men dient inderdaad te voorkomen, dat de prijs van de goederen kunstmatig wordt verlaagd om de douanewaarde te verminderen en dat de verkoper zich een deel van de normale waarde van de goederen laat betalen in de vorm van overdreven hoge interesten. Om die reden eist het nieuwe artikel 3 van verordening nr. 1495/80, dat de financieringsovereenkomst schriftelijk wordt gesloten, en dat de koper, indien de douaneautoriteiten hem daarom verzoeken, aantoont, dat dergelijke goederen werkelijk tegen de aangegeven prijs worden verkocht en dat de interestvoet niet hoger is dan het voor dergelijke transacties in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden, "gebruikelijke niveau". Aangezien het bedrag van de interesten bovendien afzonderlijk moet worden opgevoerd, is het voor de douaneautoriteiten niet erg moeilijk, de bedongen interestvoet vast te stellen en deze te vergelijken met het gebruikelijke tarief in het betrokken land.
19. Het is juist, dat met betrekking tot de periode vóór 1 maart 1985 artikel 3 van verordening nr. 1495/80 enkel vereiste, dat het bedrag van de interesten afzonderlijk werd opgevoerd. Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1224/80 bepaalt evenwel, dat "voor de vaststelling van de douanewaarde, en onverminderd de nationale voorschriften waarbij aan de douaneautoriteiten van de Lid-Staten meer uitgebreide bevoegdheden worden verleend, alle personen of ondernemingen die direct of indirect bij de desbetreffende invoer zijn betrokken, aan die autoriteiten en binnen de door deze vastgestelde termijnen alle noodzakelijke documenten en inlichtingen dienen te verstrekken".(6) Mijns inziens is er derhalve niets dat de douaneautoriteiten belet, zelfs met betrekking tot de periode vóór 1 maart 1985 uit hoofde van de noodzakelijke inlichtingen bedoeld in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1224/80 de bewijzen te verlangen die voortaan op basis van artikel 3 van verordening nr. 1495/80, zoals gewijzigd bij verordening nr. 220/85, kunnen worden geëist.
20. Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"1) Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 1495/80 van de Commissie van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen(7), moet aldus worden uitgelegd, dat de woorden 'interesten te betalen krachtens een financieringsovereenkomst' doelen op de interesten die bij de toekenning van een betalingstermijn door de verkoper zijn bedongen, ongeacht de duur van die termijn.
2) Aan deze uitlegging wordt niets afgedaan door de nieuwe redactie van genoemd artikel 3, zoals vastgesteld bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 220/85 van de Commissie van 29 januari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1495/80."(8)
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Verordening van 11 juni 1980 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 154, blz. 14).
(2) ° Verordening van 29 januari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1495/80 betreffende de toepassing van sommige bepalingen van de artikelen 1, 3 en 8 van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1985, L 25, blz. 7).
(3) ° Verordening van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1).
(4) ° Basic Instruments and Selected Documents, vol. 31, blz. 299.
(5) ° Opgemerkt zij, dat, omgekeerd, de verkoper om thesaurieredenen een buitengewoon lange termijn kan verlenen ten einde de afzet van goederen die hij reeds lang in voorraad heeft, te vergemakkelijken.
(6) ° Eigen cursivering.
(7) ° PB 1980, L 154, blz. 14.
(8) ° PB 1985, L 25, blz. 7.
Full & Egal Universal Law Academy