CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 15 september 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Met de onderhavige prejudiciële vragen verzoekt de Corte suprema di cassazione het Hof om uitlegging van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1311/73 van de Commissie ( 1 ) op het gebied van wijnbouw, in het bijzonder met betrekking tot de in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (hierna: „v. q. p. r. d.”), en, in meer algemene zin, om in het licht van het doel van de monetair compenserende bedragen en het begrip gewettigd vertrouwen, te onderzoeken of een nationale administratie nog jaren later compenserende bedragen kan vorderen die zij had nagelaten te innen.
2.
De feiten kunnen worden samengevat als volgt. Verschillende wijn exporterende Italiaanse bedrijven, waaronder SpA Alois Lageder (hierna: „Lageder”), leverden tussen juni en augustus 1973 kwaliteitswijnen naar de Duitse Bondsrepubliek. Voor elk transport werden door het Laboratorio di analisi e di ricerca dell'Istituto agrario provinciale di S. Michele all'Adige geleidedocumenten VA2 opgesteld. Aangezien het hier v. q. p. r. d. betrof, vielen deze leveringen niet onder de regeling betreffende de monetair compenserende bedragen. Pas in 1977 en 1978 vorderde de Italiaanse belastingadministratie van de bij deze uitvoer betrokken wijnbedrijven betaling van de ten onrechte niet geïnde compenserende bedragen, op grond dat het Istituto agrario provinciale di S. Michele — dat op dit punt geen bevoegdheid meer kon uitoefenen omdat die intussen was overgegaan op het Ministerie van Landbouw—, toen certificaten had afgegeven die waren gebaseerd op een voorlopige lijst van v. q. p. r. d., waarvan de geldigheid op 22 mei 1973 verstreken was.
3.
Ofschoon het standpunt van Lageder in eerste aanleg werd aanvaard, bevestigde de Corte d'appello di Trento in zijn arrest van 22 augustus 1987 de door de Italiaanse administratie aangevoerde stelling. De zaak kwam voor de Corte suprema di cassazione die het Hof drie prejudiciële vragen heeft gesteld. De vragen komen in wezen hierop neer:
—
of artikel 1 van verordening nr. 1311/73 alleen toestaat de wijnen met de vermelding Denominazione di origine controllata (DOC) en Denominazione di origine controllata e garantita (DOCG) op te nemen in de in artikel 1, derde alinea van verordening (EEG) nr. 817/70 van de Raad ( 2 ) bedoelde lijst van v. q. p. r. d., of dat het ook nog de wijnen omvat, die op een eerdere voorlopige lijst voorkwamen;
—
of de belastingadministratie van een Lid-Staat een recht, en belang, heeft om de wegens een aan haar te wijten vergissing niet geïnde monetair compenserende bedragen enige jaren na de uitvoertransactie te vorderen;
—
of de late inning van compenserende bedragen verenigbaar is met het gemeenschapsrechtelijk beginsel van het gewettigd vertrouwen.
4.
Bij beschikking van 27 februari 1991 heeft het Hof dertien andere zaken met soortgelijke problemen tussen wijnexporteurs en belastingdienst voor de schriftelijke en mondelinge behandeling gevoegd.
5.
Voor het antwoord op de eerste door de Corte suprema di cassazione gestelde vraag dienen de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht nader te worden bezien.
6.
Vooraf zij eraan herinnerd, dat de ordening van de wijnmarkt drie belangrijke fasen heeft doorgemaakt: in de eerste plaats een fase waarin doel en structuur werden vastgesteld, vervolgens een fase van regelgeving en ten slotte een fase van codificatie en verduidelijking van de geldende bepalingen.
7.
Allereerst heeft verordening nr. 24 van de Raad van 4 april 1962 ( 3 ) de basis voor de ordening van de wijnmarkt gelegd en de eerste instrumenten vastgesteld — zoals de instelling van een wijnkadaster, de invoering van een stelsel van opgaven van oogsten en voorraden, het opstellen van jaarlijkse ramingen, de oprichting van een Comité van beheer voor wijn —, teneinde een kwaliteitsbeleid te ontwikkelen en te proberen de overschotten te verminderen, die de voornaamste oorzaak waren van de problemen van bepaalde producerende landen.
8.
De jaren '70 werden vervolgens gekenmerkt door belangrijke regelgeving, waarbij een geheel van beleidsinstrumenten werd ingevoerd zowel voor de wijnmarkt in het algemeen als voor de specifieke produkties. Zo is bij de verordeningen (EEG) nrs. 816/70 en 817/70 van de Raad van 28 april 1970 ( 4 ) een eerste, meermaals bijgewerkte regeling ingevoerd.
9.
Gezien het ingewikkelde karakter van het geldende systeem en de vervlechting van de wijzigingsverordeningen heeft de Raad ten slotte besloten op 5 februari 1979 twee verordeningen (EEG) nrs. 337/79 en 338/79 ( 5 ) vast te stellen, waarin de in de wijnsector ( 6 ) geldende bepalingen werden gecodificeerd. Bij deze twee verordeningen zijn verordening nr. 24, de verordeningen nrs. 816/70 en 817/70 alsook alle andere bijbehorende regelingen ingetrokken. Deze nieuwe regeling is op haar beurt weer gewijzigd bij de verordeningen (EEG) nrs. 822/87 en 823/87 van de Raad. ( 7 )
10.
Aangezien de uitvoertransacties die de aanleiding vormden voor het hoofdgeding, plaatsvonden tussen juni en augustus 1973, moet nauwkeurig worden nagegaan welke regeling op deze transacties van toepassing is.
11.
Voor een duidelijke uiteenzetting van de relevante wettelijke bepalingen zal ik de teksten die betrekking hebben op de geleidecertificaten en die welke betrekking hebben op de v. q. p. r. d.-lijsten, afzonderlijk bespreken, ofschoon bepaalde verordeningen zowel de geleidedocumenten als de lijsten betreffen.
12.
Wat om te beginnen de v. q. p. r. d.-lijsten betreft, zij de aandacht gevestigd op drie verordeningen.
13.
In de eerste plaats bepaalt artikel 1 van verordening nr. 817/70, dat oorspronkelijk uit twee alinea's bestond:
„Deze verordening bevat bijzondere bepalingen voor in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen.
Onder in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen, hierna ,v. q. p. r. d.' te noemen, worden verstaan die wijnen die voldoen aan de voorschriften van deze verordening, alsmede aan de ter uitvoering van deze verordening vastgestelde voorschriften, en die zijn omschreven in de nationale wetgevingen.”
14.
Vervolgens verordening nr. 1627/71 van de Raad van 26 juli 1971 ( 8 ), waarbij artikel 1 van verordening nr. 817/70 wordt aangevuld met een derde alinea luidende:
„Totdat de Lid-Staten voor de op hun grondgebied voortgebrachte v. q. p. r. d. de nationale bepalingen met betrekking tot de produktievoorwaarden, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 6, lid 1, 7 en 10, hebben vastgesteld, en uiterlijk tot en met 31 augustus 1973, worden als v. q. p. r. d. beschouwd de wijnen die vermeld zijn in een lijst, vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 7 van verordening nr. 24, voor zover die wijnen met de overige bepalingen van deze verordening overeenstemmen.” ( 9 )
15.
Ten slotte verordening nr. 1311/73 (reeds aangehaald), die in artikel 1 de in de derde alinea van artikel 1 van verordening nr. 817/70 bedoelde „lijst” als volgt afbakent:
„[Deze] lijst (...) omvat de wijnen die, volgens de wetgeving van de producerende Lid-Staat, recht hebben op de vermeldingen, voor elk van deze Lid-Staten genoemd in artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 817/70.”
Deze laatste verordening, bekendgemaakt in het Publikatieblad van 19 mei 1973, trad in werking op de derde dag daaraanvolgend, te weten 22 mei 1973.
16.
Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 817/70, waarnaar de derde alinea van artikel 1 verwijst, bepaalt:
„Onverminderd de bij de nationale wetgevingen toegestane aanvullende vermeldingen, zijn de in lid 1 ( 10 ) bedoelde bijzondere traditionele aanduidingen de volgende — op voorwaarde dat de nationale bepalingen betreffende de betrokken wijnen worden geëerbiedigd —:
(...)
c)
voor Italië:
‚Denominazione di origine controllata’ en ‚Denominazione di origine controllata e garantita’.”
17.
Uit deze drie verordeningen volgt, dat de in verordening nr. 1627/71 omschreven voorlopige regeling, die tot „uiterlijk 31 augustus 1973” van toepassing was, vóór deze datum is aangevuld bij artikel 1 van verordening nr. 1311/73, waarin wordt bepaald, dat wijnen slechts als v. q. p. r. d. worden erkend indien zij van de Italiaanse Staat de aanduiding DOC of DOCG hebben gekregen.
18.
Deze uitlegging wordt gesteund bij lezing van verordening (EEG) nr. 2247/73 van 16 augustus 1973 ( 11 ), die in artikel 3 de Lid-Staten voorschrijft de namen van de op hun grondgebied geproduceerde v. q. p. r. d. mede te delen aan de andere Lid-Staten alsook aan de Commissie, die ervoor zorgt dat de namen worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Met deze verordening, die onder meer de opstelling beoogt van een lijst van wijnen die aanspraak kunnen maken op de aanduiding v. q. p. r. d., wordt in artikel 4 de enige nog van kracht zijnde verordening inzake de opstelling van de — voorlopige! — lijst, te weten verordening nr. 1311/73, ingetrokken. Artikel 4 bepaalt:
„Verordening (EEG) nr. 1311/73 van de Commissie van 16 mei 1973 met betrekking tot de voorlopige lijst van de v. q. p. r. d. alsmede de identificatie van deze wijnen in het geleidedocument wordt ingetrokken op 31 augustus 1973.”
19.
Wat de geleidecertificaten aangaat, het tweede punt van mijn tekstbespreking, had verordening (EEG) nr. 1704/70 van de Commissie van 25 augustus 1970 ( 12 ) inzake zowel deze documenten als de lijst van v. q. p. r. d., met name de wijziging van artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1022/70 ( 13 ) ten doel, gezien de bepaling:
„Voor de toepassing van deze verordening worden aangemerkt als v. q. p. r. d.:
(...)
—
wijnen van oorsprong uit de Italiaanse Republiek en vermeld in bijlage III Β voor zover zij vergezeld gaan van een certificaat van oorsprong afgegeven door een van de instanties vermeld in bijlage III C.” ( 14 )
20.
Het in bijlage III C genoemde Istituto S. Michele was dus zonder twijfel gemachtigd een certificaat af te geven, waarin de oorsprong van de wijn werd geattesteerd, vanaf de dag van inwerkingtreding van verordening nr. 1704/70, dat wil zeggen 29 augustus 1970, tot aan de vervaldatum van verordening nr. 1022/70, te weten 31 maart 1973. ( 15 )
21.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling werd beklemtoond, was tussen 31 maart 1973, vervaldatum van verordening nr. 1022/70, en 22 mei 1973, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1311/73, geen enkele specifieke lijst van toepassing noch inzake de v. q. p. r. d. noch inzake de tot dan toe tot afgifte van goedkeuringscertificaten bevoegde instanties. Toch zou het niet juist zijn hier te spreken van een wetsvacuüm; immers, verordening nr. 1627/71 bleef van toepassing „tot uiterlijk 31 augustus 1973” wat de aanduiding van v. q. p. r. d. betreft (de vastgestelde procedure is die van artikel 7 van verordening nr. 24), en verordening (EEG) nr. 1769/72 van de Commissie van 26 juli 1972 ( 16 ) regelde de opstelling van de geleidedocumenten vanaf 1 april 1973. Verordening nr. 1311/73 herinnerde overigens slechts aan de toen voor v. q. p. r. d. geldende bepalingen, te weten verordening nr. 1769/72 voor de certificaten, en, voor de lijst van wijnen, de in artikel 12, lid 2, van verordening nr. 817/70 bedoelde speciale traditionele vermeldingen; voor Italië de aanduidingen DOC en DOCG.
22.
Meer in het bijzonder met betrekking tot de certificaten zij opgemerkt, dat ingevolge artikel 4 van verordening nr. 1769/72 iedere Lid-Staat een of meer instanties aanwijst die bevoegd zijn tot afgifte van de documenten, dat wil zeggen voor de v. q. p. r. d. de formulieren VA2 of VA5. In de betrokken periode (juni tot en met augustus 1973) was voor Italië alleen het „ministero Agricoltura e Foreste, servizio Repressione frodi” bevoegd. ( 17 )
23.
Voorts wil ik beklemtonen, dat de verkrijging van het formulier VA2 of VA5 geen onweerlegbaar bewijs vormt van de toekenning van de hoedanigheid van v. q. p. r. d. en dat de goede trouw van handelaren niet kan zijn geschokt door de ongeldigverklaring van dit document. Artikel 2 van verordening nr. 1311/73 zegt namelijk:
„De hoedanigheid van v. q. p. r. d. wordt, behoudens tegenbewijs, gewaarmerkt door de vermelding van de naam van het betrokken gebied in vak 11 van de formulieren VA2 ofVA5 (...)” ( 18 )
24.
Alles welbeschouwd zijn de toepasselijke bepalingen de volgende: tot 22 mei 1973, datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1311/73, waren de voorlopige maatregelen van verordening nr. 1627/71 van toepassing; vanaf 22 mei 1973 omvat de voorlopige lijst, zoals vastgesteld in verordening nr. 1311/73, enkel de door de Italiaanse Staat als DOC of DOCG gekwalificeerde wijnen. Artikel 1 van deze verordening, juncto artikel 1, derde alinea, van de gewijzigde verordening nr. 817/70, moet aldus worden uitgelegd, dat alleen de wijnen die recht hebben op de vermelding DOC of DOCG, tussen 22 mei 1973 en 31 augustus 1973 onder de v. q. p. r. d.-regeling mochten vallen en dus onder die benaming en volgens de gestelde formaliteiten uit de Lid-Staat mochten worden uitgevoerd.
25.
Bijgevolg, indien de betrokken wijnen tijdens de hierboven genoemde periode geen recht hadden op de vermelding DOC of DOCG, hadden de monetair compenserende bedragen geïnd moeten worden, overeenkomstig de verordeningen (EEG) nrs. 648/73 ( 19 ) en 649/73 ( 20 ) van de Commissie.
26.
Nu moet dan worden bezien — het onderwerp van de tweede vraag van de Corte suprema di cassazione — of verschuldigde monetair compenserende bedragen nog enige jaren —vier jaar in het onderhavige geval — na de datum van opeisbaarheid kunnen worden gevorderd. Meer in het bijzonder, kan de belasting die de nationale administratie niet geïnd heeft wegens haar onjuiste uitlegging van de gemeenschapsregeling, verjaren en zo ja, na hoeveel tijd?
27.
De Raad heeft eerst in 1979 verordening (EEG) nr. 1697/79 van 24 juli 1979 vastgesteld inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingplichtige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van dergelijke rechten meebracht. ( 21 )
28.
Deze verordening heeft een tweeledig doel: enerzijds de bevoegde autoriteiten in staat stellen de nog opeisbare rechten na te vorderen, en anderzijds de belastingplichtigen zekerheid verschaffen door het optreden van de administratieve autoriteiten in de tijd te beperken. Zo is bij artikel 2 van de verordening een periode van drie jaar (vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingplichtige geëiste bedrag is geboekt of vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan) als termijn vastgesteld waarbinnen de bevoegde autoriteiten procedures tot navordering van niet-gehevcn rechten kunnen inleiden.
29.
De navordering van de monetair compenserende bedragen met betrekking tot deze zaak zou, ratione materiae, kunnen vallen onder het toepassingsgebied van verordening nr. 1697/79. Artikel 1, lid 2, bepaalt immers:
„wordt verstaan onder:
(...)
b)
rechten bij uitvoer: de landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer, vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die uit hoofde van artikel 235 van het Verdrag van toepassing zijn op bepaalde door de verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen;
(...)”
30.
De vraag is hier echter of de verordening terugwerkende kracht heeft. Zij werd op 3 augustus 1979 bekendgemaakt in het Publikatieblad; de datum van inwerkingtreding werd vastgesteld op 1 juli 1980 (artikel 11 van de verordening). Is het denkbaar de verordening toe te passen op een vóór deze datum bestaande situatie?
31.
Het Hof heeft op deze vraag al heel duidelijk geantwoord in het arrest Salumi II. ( 22 ) De redenering van het Hof kan als volgt worden samengevat: verordening nr. 1697/79 bevat geen enkele overgangsbepaling; bijgevolg is het van belang om zich te baseren op de algemeen toegepaste uitleggingsbeginselen, die verschillen naargelang het om processuele of om materiële regelen gaat. Terwijl processuele regelen onmiddellijk toepassing zullen vinden op bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen, worden materiële rechtsregels, behoudens uitdrukkelijke bepaling, niet geacht ten aanzien van vóór hun inwerkingtreding verworven rechtsposities te gelden.
32.
Volgens het Hof kan verordening nr. 1697/79 niet beschouwd worden als een gewone procesrechtelijke bepaling. Immers:
„zij bracht een aantal onlosmakelijk verbonden processuele en materiële regelen, welker bijzondere voorschriften, wat de er ratione temporis aan verbonden gevolgen betreft, niet op zichzelf mogen worden beschouwd”. ( 23 )
En voorts:
„Bij gebreke van duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel mag er aan de bepalingen ener verordening geen terugwerkende kracht worden toegekend. En het verdient opmerking, dat bewoordingen en opzet der verordening geenszins in de richting van terugwerkende kracht wijzen en juist leiden tot de gevolgtrekking dat haar bepalingen alleen voor de toekomst gelden.” ( 24 )
Het Hof oordeelde ondubbelzinnig, dat:
„de verordening alleen betrekking heeft op importen en exporten waarvoor de verschuldigde rechten met ingang van 1 juli 1980 zijn berekend”. ( 25 )
33.
Het Hof heeft vervolgens deze uitlegging bevestigd in twee arresten ( 26 ) waarin het uitdrukkelijk verwijst naar het arrest Salumi II.
34.
Bijgevolg kunnen de gemeenschapsregels inzake navordering van ten onrechte niet van de belastingplichtige geheven uitvoerrechten, zoals omschreven in verordening nr. 1697/79, in het onderhavige geval niet worden toegepast. Teneinde een bruikbaar antwoord op de door de nationale rechter gestelde vraag te geven, dienen wij bij gebreke van reeds van kracht zijnde communautaire bepalingen, verder te gaan om te zien welke beginselen dan wel toepasselijk zijn.
35.
Het Hof heeft al in het arrest Salumi I ( 27 ), waarin de toepassing met terugwerkende kracht van verordening nr. 1697/79 ( 28 ) eveneens werd verworpen, de nationale rechter uitdrukkelijk verwezen naar de in het nationale recht geldende bepalingen:
„Het is derhalve een aangelegenheid van de nationale rechtsorde van elke Lid-Staat om, voor zover dienaangaande in het gemeenschapsrecht niets is bepaald, de modaliteiten en de voorwaarden voor de inning van de communautaire financiële lasten in het algemeen en de landbouwheffingen in het bijzonder vast te stellen, alsmede de met de inning belaste autoriteiten en de voor de oplossing van de uit die inning voortvloeiende geschillen bevoegde rechter aan te wijzen, met dien verstande evenwel dat die modaliteiten en voorwaarden de regeling voor de inning van de communautaire heffingen en rechten niet minder doeltreffend mogen maken dan die voor de inning van gelijksoortige nationale heffingen en rechten.” ( 29 )
36.
De enige twee beperkingen die het Hof aan de toepassing van het nationale recht stelt — beperkingen welke het gewoonlijk in het algemeen stelt — ( 30 ), zijn enerzijds dat geen afbreuk gedaan mag worden aan de draagwijdte en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht, en anderzijds dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen de modaliteiten voor de inning van een schuldvordering volgens het gemeenschapsrecht en die welke volgens het nationale recht van toepassing zijn.
37.
Aangezien de communautaire bepalingen in verordening nr. 1697/79 derhalve niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast, moet op de tweede vraag van de Corte suprema di cassazione worden geantwoord, dat de nationale rechter de nationale bepalingen betreffende de verjaring van ten onrechte niet-geheven uitvoerrechten dient toe te passen, mits die bepalingen zonder onderscheid voor nationale en communautaire schuldvorderingen gelden en de strekking noch de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht aantasten.
38.
Ten slotte betreft de laatste door de verwijzende rechter gestelde vraag de verenigbaarheid van de navordering van ten onrechte niet geïnde monetair compenserende bedragen — een vordering die, zoals hiervoor is aangetoond, dient te worden ingesteld volgens de nationale rechtsregels — met het gemeenschapsrechtelijk beginsel inzake bescherming van het „gewettigd vertrouwen”.
39.
Over het vertrouwensbeginsel, dat deel uitmaakt van het meer algemene beginsel van de rechtszekerheid, bestaat een uitgebreide rechtspraak. Het lijkt mij niet nodig deze in detail te onderzoeken. ( 31 )
40.
Het is bekend, dat de bescherming van liet gewettigd vertrouwen
„eveneens aan de particulier toekomt wanneer blijkt dat de administratie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt”. ( 32 )
41.
Het specifieke punt waar het ons hier om gaat, is te bepalen, in hoeverre de navordering van door een fout van de nationale administratie ten onrechte niet-geïnde uitvoerrechten — welke vordering zal verlopen volgens het nationale recht— kan worden onderworpen aan de toepassing van een vertrouwensbeginsel dat géén nationaal, maar een gemeenschapsrechtelijk beginsel is.
42.
In het arrest van 5 oktober 1988 (Padovani) ( 33 ) heeft het Hof voor de eerste maal beslist in een vergelijkbaar geval. Het Hof was gevraagd, zoals in het onderhavige geval, of het gemeenschapsrecht de autoriteiten van de Lid-Staten die belast zijn met de inning van landbouwheffingen volgens de modaliteiten van nationaal recht dat niet de bescherming van het gewettigd vertrouwen kent, verplicht zich te onthouden van navorderingen tegenover handelaren te goeder trouw.
43.
Het betrof het nationale recht van dezelfde Lid-Staat, te weten Italië, dat evenmin als het recht van vele andere Lid-Staten, in tegenstelling tot het Duitse recht, het beginsel van het „gewettigd vertrouwen” kent.
44.
Het Hof, dat zich overigens wel bewust was van deze nationale verschillen, overwoog dienaangaande:
„Bij een vergelijkend onderzoek van de desbetreffende nationale bepalingen blijkt het immers niet mogelijk, beginselen aan te wijzen die aan het recht van de Lid-Staten gemeen zijn of die in de Lid-Staten algemeen worden aanvaard, waaruit een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht zou zijn af te leiden dat een nationale administratie belet, te laag vastgestelde gemeenschapsheffingen na afloop van een eenvormige termijn of in geval van een aan de administratie te wijten vergissing te corrigeren.” ( 34 )
45.
Het Hof oordeelde als volgt:
„Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd, dat de in verordening nr. 1697/79 neergelegde beperkingen van de mogelijkheden tot navordering door de nationale autoriteiten van aan de Gemeenschap verschuldigde bedragen, de uitdrukking kunnen zijn van een communautair beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat reeds vóór de inwerkingtreding van die verordening bestond.
Nu niet het gemeenschaprecht in verband met navordering de voorwaarde stelt, dat het gewettigd vertrouwen van de deelnemers aan het economisch verkeer moet worden beschermd, wordt deze materie door het nationale recht beheerst.” ( 35 )
46.
Bijgevolg, en zonder veronachtzaming enerzijds van de mogelijke ongelijkheden tussen de navorderingsregelingen in de verschillende Lid-Staten, en anderzijds van het feit dat het voor handelaren onmogelijk is om zo lang na de betrokken uitvoertransacties deze heffingen op de buitenlandse importeurs te verhalen, moet op de vraag van de Corte suprema di Cassazione worden geantwoord, dat het gemeenschapsrechtelijk beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen de nationale autoriteiten, bij de toepassing van het nationale recht, niet belet de oorspronkelijk ten onrechte van handelaren te goeder trouw niet-geïnde monetair compenserende bedragen na te vorderen.
47.
Derhalve geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1311/73 van de Commissie van 16 mei 1973 met betrekking tot de voorlopige lijst van de v. q. p. r. d. alsmede de identificatie van deze wijnen in het geleidedocument, moet aldus worden uitgelegd, dat tijdens de geldigheidsduur van die regeling, te weten van 22 mei tot 31 augustus 1973, alleen de wijnen met een denominazione di origine controllata (DOC) en de wijnen met een denominazione di origine controllata e garantita (DOCG) in Italië mochten voorkomen op de voorlopige lijst van wijnen die aanspraak konden maken op de aanduiding v. q. p. r. d.
2)
Bij gebreke van toepasselijke communautaire bepalingen dient de nationale rechter de nationale bepalingen betreffende de verjaring toe te passen op door een fout van de nationale administratie ten onrechte van de belastingplichtige niet geheven uitvoerrechten, mits die bepalingen zonder onderscheid voor nationale en communautaire schuldvorderingen gelden en de strekking noch de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht aantasten.
3)
Het gemeenschappelijk beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen verplicht de nationale administratie niet, bij de toepassing van het nationale recht, zich te onthouden van navordering van de door haar oorspronkelijk ten onrechte van de handelaren te goeder trouw niet-geïnde monetair compenserende bedragen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 1 ) Verordening van 16 mei 1973 met betrekking tot de voorlopige lijst van de v. q. p. r. d. alsmede de identificatie van deze wijnen in het geleidedocument (PB 1973, L 132, blz. 20).
( 2 ) Verordening van 28 april 1970 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB 1970, L 99, blz. 20); de derde alinea werd ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1627/71 van de Raad van 26 juli 1971 tot wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 816/70 en nr. 817/70 ten aanzien van bepaalde overgangsmaatregelen in de wijnsector (PB 1971, L 170, blz. 3).
( 3 ) Verordening houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB 1962, blz. 989/62).
( 4 ) Verordening nr. 816/70 houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB 1970, L 99, blz. 1); verordening nr. 817/70, reeds aangehaald.
( 5 ) Verordening nr. 337/79 houdende een gemeenschappelijke organisatie van de wijnmarkt (PB 1979, L 54, blz. 1); verordening nr. 338/79 houdende vaststelling van bijzondere bepalingen betreffende in bepaalde gebieden voortgebrachte kwalitcitswijnen (PB 1979, L 54, blz. 48).
( 6 ) Uit de eerste overweging van de considerans verordening nr. 337/79 blijkt duidelijk hoe moeilijk de destijds toepasselijke regelgeving te begrijpen was:
„Overwegende dat de basisbepalingen inzake de ordening der markten in de wijnsector sinds hun vaststelling meermaals zijn gewijzigd; dat zij talrijk en ingewikkeld zijn en over verschillende Publikaticbladcn verspreid, zotlat zij moeilijk hanteerbaar zijn geworden waardoor de voor elke wettelijke regeling noodzakelijke duidelijkheid ontbreekt (...)”
( 7 ) Verordening (EEG) nr. 822/87 van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke organisatie van de wijnmarkt (PB 1987, L 84, blz. 1); verordening (EEG) nr. 823/87 van 16 maart 1987 houdende vaststelling van de bijzondere bepalingen betreffende de in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB 1987, L 84, blz. 59).
( 8 ) Reeds aangehaald, zie voetnoot 2.
( 9 ) Cursivering van mij.
( 10 ) Lid I verwijst naar de specifieke traditionele vermeldingen in Lid-Staten voor de aanduiding van bepaalde wijnen.
( 11 ) Verordening van de Commissie betreffende de controle op in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen (PB 1973, L 230, blz. 12).
( 12 ) Verordening houdende wijziging van verordening (KEG) nr. 1022/70 waarbij voor een overgangsperiode gcleidccertificatcn voor bepaalde wijnen worden ingesteld (PB 1970, L 190, blz. 15).
( 13 ) Verordening van de Commissie van 29 mei 1970 waarbij voor een overgangsperiode geleidecertificaten voor bepaalde wijnen worden ingesteld (PB 1970, L 118, blz. 20).
( 14 ) Artikel 1.
( 15 ) De geldigheid van verordening nr. 1022, oorspronkelijk van toepassing tot „uiterlijk 31 december 1970” (artikel 12, lid 2), werd bij verordening (EEG) nr. 734/73 van de Commissie van 7 maart 1973 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1022/70 verlengd tot 31 maart 1973 naar aanleiding van de invoering van een stelsel van geleidedocumenten in de wijnsector (PB 1973, L 69, blz. 31).
( 16 ) Verordening tot invoering van gcleidcdocumentcn en met betrekking tot de verplichtingen van producenten en handelaren, met uitzondering van kleinhandelaren, in de wijnsector (PB 1972, L 191, blz. 1), gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2814/72 van de Commissie van 22 december 1972 (PB 1972, L 297, biz. 1).
( 17 ) Zie de achtereenvolgens in PB 1973, C 31, blz. 20, en in PB 1973, C 50, blz. 2, bekendgemaakte lijsten.
( 18 ) Cursivering van mij.
( 19 ) Verordening van 1 maart 1973 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen. (PB 1973, I.64, blz. 1).
( 20 ) Verordening van 1 maart 1973 tot vaststelling van de monetaire compenserende bedragen (PB 1973, L 64, blz. 7).
( 21 ) PB 1979, L 197, blz. 1.
( 22 ) Arrest van 12 november 1981 (gevoegde zaken 212/80-217/80, Salumi, Jurispr. 1981, blz. 2735).
( 23 ) R. o. 11.
( 24 ) R. o. 12.
( 25 ) R. o. 15.
( 26 ) Arresten van 9 december 1982 (zaak 82/82, Italgrani, Jurispr. 1982, blz. 4323) en 5 oktober 1988 (zaak 210/87, Padovani e. a-, Jurispr. 1987, blz. 6177).
( 27 ) Arrest van 27 maart 1980 (zaak 66/79, 127/79 en 128/79, Salumi, Jurispr. 1980, blz. 1237).
( 28 ) R. o. 16.
( 29 ) R. o. 18.
( 30 ) Zie met name de arresten van 5 maart 1980 (zaak 265/78, Ferwerda, Jurispr. 19S0, r. o. 10 en 12) en 21 september 19S3 (zaak 203/82, Deutsche Mtlchkontor, Jurispr. 1983, blz. 2633, r. o. 19, 22 en 23).
( 31 ) Zie F. Hitbeau: „Le principe tic la protection dc la conłiancc legitime dans la jurisprudence de la Cour de Justice des Communautés européennes”, Cabios iie droit europeen, 1983, blz. 143.
( 32 ) Arrest van 19 mei 1983 (zaak 289/81, Mavridis, Jurispr. 1983, blz. 1731. r. O. 21).
( 33 ) Zie bovengenoemde verwijzingen, voetnoot 27.
( 34 ) R. o. 19.
( 35 ) R. o. 20 en 21.
Full & Egal Universal Law Academy