CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 15 december 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze procedure verzoekt Griekenland krachtens artikel 173 EEG-Verdrag om nietigverklaring van beschikking 90/644/EEG van de Commissie (PB 1990, L 350, biz. 82) betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1988 in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie (hierna: „EOGFL”), gefinancierde uitgaven, voor zover deze beschikking de door Griekenland ingediende rekeningen in bepaalde sectoren betreft.
2.
Deze zaak volgt op een reeks andere zaken over de handelwijze van de Griekse autoriteiten bij het beheer van het landbouwbeleid. Zie met name de tussen Griekenland en de Commissie gewezen arresten in de zaken C-259/87 (Jurispr. 1990, biz. I-2545), C-334/87 (Jurispr. 1990, biz. I-2849), C-35/88 (Jurispr. 1990, biz. I-3125), C-335/87 Gurispr. 1990, biz. I-2875), C-32/89 (Jurispr. 1991, biz. I-1321), C-110/89 (Jurispr. 1991, biz. I-2659), C-61/90 Qurispr. 1992, blz. I-2407) en C-385/89 Qurispr. 1992, blz. I-3225). Men mag echter verwachten, zoals ik hierna zal uiteenzetten, dat deze zaak de laatste is in deze reeks.
3.
Uit artikel 1 en uit de bijlage bij de in deze zaak bestreden beschikking (hierna: „bestreden beschikking”) blijkt, dat de uitgaven die verzoekster uit hoofde van de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1988 ten laste van het EOGFL wenste te brengen, 169057420413 DR bedroegen. Van dit bedrag heeft de Commissie 167404485562 DR tot de communautaire financiering toegelaten en 1652934851 DR ten laste van verzoekster gelaten. Volgens de laatstgenoemde omvat deze som bedragen die de Commissie als komende ten laste van het EOGFL had moeten erkennen.
4.
Verzoekster is tijdens het bilateraal overleg vóór de vaststelling van de bestreden beschikking in kennis gesteld van de correcties die de Commissie voornemens was in haar rekeningen uit te voeren. De redenen voor de door de Commissie gekozen benadering zijn uiteengezet in het syntheseverslag inzake de resultaten van de onderzoeken die in het kader van de goedkeuring van de rekeningen voor 1988 zijn uitgevoerd, waarvan uittreksels bij de memorie van verweer van de Commissie zijn gevoegd.
5.
De Griekse regering heeft in haar beroep acht verschillende middelen ingediend; zij heeft evenwel tijdens de procedure twee middelen teruggetrokken. Derhalve zal ik de overige zes één voor één onderzoeken.
A — Verkoop van zachte tarwe: onjuiste uitvoering van het arrest van het Hof in zaak C-259/87, Griekenland/Commissie
6.
Verzoekster betoogt, dat de Commissie in strijd met artikel 176 van het Verdrag niet de maatregelen heeft genomen die de uitvoering van het arrest van het Hof in zaak C-259/87 (Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2845) met zich meebracht. In die zaak verklaarde het Hof de beschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen uit hoofde van de door het EOGFL gefinancierde uitgaven voor het begrotingsjaar 1983 (beschikking 87/368/EEG; PB 1987, L 195, blz. 43) nietig, voor zover de Commissie de door Griekenland gedeclareerde uitgaven inzake de verkoop van twee partijen van 30000 ton zachte tarwe van de communautaire financiering had uitgesloten. Overeenkomstig dit arrest liet de Commissie het bedrag van 596040000 DR uit hoofde van het begrotingsjaar 1983 toe tot de communautaire financiering in het kader van de goedkeuring van de rekeningen betreffende 1988. Verzoekster betoogt, dat de Commissie, om zich te voegen naar het arrest van het Hof, alle uitgaven die zijn ontstaan uit hoofde van de betrokken verkopen, welke 875015976 DR plus rente bedragen, moet erkennen als komende ten laste van het EOGFL. Verzoekster verzoekt het Hof de beschikking nietig te verklaren, voor zover de Commissie slechts een lager bedrag heeft toegelaten. Subsidiair brengt verzoekster naar voren, dat het arrest van het Hof zo moet worden uitgelegd, dat het ten laste brengen van het EOGFL enkel mag worden geweigerd voor het bedrag van het verschil tussen de aankoop- en verkoopprijs van de twee partijen. In dit geval moet het verworpen bedrag 83340000 DR zijn en niet 278975976 DR zoals de Commissie heeft berekend.
7.
De Commissie betoogt, dat de werkelijke prijs waarvoor de partijen zijn verkocht, 596040000 DR bedroeg en dat het dit bedrag is dat volgens het arrest van het Hof aan Griekenland moet worden terugbetaald.
8.
Volgens mij heeft de Commissie gelijk. Zoals zij benadrukt, heeft zij alleen de verplichting om Griekenland voor de totale uitgaven inzake de verkoop van de twee partijen te crediteren indien de verkoop overeenkomstig de communautaire regels had plaatsgevonden. In zaak C-259/87 heeft het Hof verklaard, dat, aangezien de verkoop van de twee partijen niet overeenkomstig de eisen van het gemeenschapsrecht was, de Commissie het recht had om een bedrag dat gelijk is aan de theoretische prijs van de partijen en berekend overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad (PB 1981, L 327, blz. 1), plus de kosten van de terugtrekking daarvan uit het interventiestelsel, niet toe te laten tot de financiering door het EOGFL. Het Hof heeft nochtans verklaard, dat de weigering van de Commissie om van deze theoretische prijs de bedragen af te trekken die na onregelmatige verkopen zijn geïnd, tot een ongerechtvaardigde verrijking van het EOGFL leidde en met het gemeenschapsrecht in strijd was. Dientengevolge heeft het Hof de beschikking van de Commissie nietig verklaard, voor zover zij weigerde „het bedrag overeenkomende met de verkoop van twee partijen” te erkennen als komende ten laste van het EOGFL (zie r. o. 27 en punt 1 van het dispositief van het arrest). Er wordt niet bestreden, dat het werkelijk geïnde bedrag in verband met de verkoop van de twee partijen 596040000 DR is. Daaruit volgt, dat de Commissie met recht alleen dit bedrag ten laste van het EOGFL heeft gebracht.
9.
Wat het verzoek van de Griekse regering betreft, om het verschuldigde bedrag te vermeerderen met rente, stelt de Commissie, dat het gebruikelijk is geen rente te betalen in verband met dit soort financiële transacties tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten. Zij stelt eveneens, dat deze handelwijze per saldo tot voordcel strekt van de Lid-Staten, die vaak onwettig en voor lange tijd aanzienlijke communautaire fondsen vasthouden die zonder rente van de voorschotten voor de volgende begrotingsjaren worden afgetrokken. Zij voegt daaraan toe, dat zij niet heeft getracht de rente te berekenen over de bedragen die door Griekenland tijdens de voorgaande begrotingsjaren onwettig ten laste van het EOGFL zijn gebracht. Volgens mij zijn deze argumenten overtuigend en moeten zij prevaleren. Ik ben derhalve van mening, dat het verzoek van verzoekster dat op het verkrijgen van rente is gericht, moet worden verworpen.
10.
Ik concludeer, dat het middel dat door verzoekster is ontleend aan onjuiste uitvoering door de Commissie van het arrest van het Plof in zaak C-259/87, moet worden afgewezen.
B — Opslagkosten voor een partij olie uit afvallen van olijven: onjuiste uitvoering van het arrest van liet Hof in zaak C-334/87, Griekenland/Commissie
11.
Verzoekster stelt, dat de Commissie in strijd met artikel 176 EEG-Verdrag het arrest van het Hof in zaak C-334/87 (Griekenland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-2849, verbeterd bij beschikking van het Hof van 20 september 1990) niet juist heeft uitgevoerd. In deze zaak verklaarde het Hof de beschikking van de Commissie betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor het begrotingsjaar 1984 (beschikking 87/468/EEG; PB 1987, L 262, blz. 23) nietig, voor zover zij een door Griekenland gedeclareerde uitgave inzake de opslagkosten voor een partij olie uit afvallen van olijven over het tijdvak van 14 maart tot 7 augustus 1984 niet tot de communautaire financiering toeliet. Na dat arrest aanvaardde de Commissie bij de goedkeuring van de rekeningen voor 1988 ten laste van het EOGFL een bedrag van 9389270 DR voor 1984. Verzoekster stelt, dat dit bedrag niet alle kosten dekt die door het EOGFL moeten worden gedragen, en verzoekt de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover daarbij een bedrag van 4704109 DR voor opslagkosten voor een extra tijdvak van 48 dagen niet ten laste van het EOGFL wordt gebracht.
12.
De oorsprong van dit geschil is te vinden in een uitnodiging tot inschrijving, die tot resultaat had dat in juli 1983 een partij olie uit afvallen van olijven uit de voorraden van het Griekse interventiebureau werd verkocht. Overeenkomstig artikel 13 van verordening (EEG) nr. 2960/77 (PB 1977, L 348, blz. 46) diende de koper de olie over te nemen binnen 60 dagen na het bericht van de toewijzing. Op verzoek van de Griekse autoriteiten verduidelijkte de Commissie bij telex van 8 november 1983 bepaalde punten inzake de eisen van het gemeenschapsrecht. In een andere telex van 20 december 1983 bevestigde zij, dat het EOGFL de opslagkosten van de partij tot het verstrijken van de overnamepcriode dekte. Na de telex van 8 november 1983 meende de Commissie, dat er geen enkele onzekerheid meer kon bestaan over de betekenis van de communautaire voorschriften. In haar beschikking lot goedkeuring van de rekeningen voor 1984 weigerde zij derhalve de opslagkosten vanaf 1 februari 1984 (dat wil zeggen het begin van de maand die volgt op de termijn van 60 dagen, gerekend vanaf de telex van 8 november) tot de werkelijke levering van de olie in oktober 1984 ten laste van het EOGFL te brengen. Het Hof heeft evenwel in zaak C-334/87 verklaard, dat uit de relevante bepalingen van het gemeenschapsrecht niet duidelijk blijkt of de koper een waarborg moest stellen, zodat verzoekster terecht met de transactie had gewacht totdat de Commissie haar zienswijze had gegeven. Het Hof oordeelde, dat de opslagkosten voor het tijdvak van 14 maart, de datum waarop de Griekse autoriteiten dienaangaande een verzoek indienden, tot 7 augustus, de datum waarop de Commissie haar antwoord gaf, ten laste van het EOGFL konden worden gebracht.
13.
Verzoekster stelt, dat het uitgangspunt van de termijn van 60 dagen moet worden berekend vanaf de telex van de Commissie van 20 december. Dienovereenkomstig moeten haar de opslagkosten ten laste worden gebracht vanaf 18 februari en niet vanaf 1 februari, de datum die de Commissie bij haar berekeningen aanhoudt. Het Hof heeft evenwel in rechtsoverweging 48 van het arrest uitdrukkelijk de stelling van verzoekster wat het tussenliggende tijdvak van 1 februari tot 14 maart 1984 betreft, verworpen. Dit argument moet derhalve falen.
14.
Verzoekster stelt voorts, dat het antwoord van de Commissie op het verzoek inzake de opslagkosten op 9 en niet op 7 augustus, zoals in het arrest van het Hof is verklaard, is ontvangen. Het is evenwel duidelijk, dat verzoekster met dit argument, waarvoor zij geen bewijs levert, in wezen niet opkomt tegen de uitvoering van het arrest bij de bestreden beschikking, maar tegen 's Hofs arrest zelf. Het argument moet derhalve worden verworpen.
15.
Ten slotte betoogt verzoekster, dat volgens haar berekeningen de Commissie de opslagkosten voor een tijdvak van 124 in plaats van 76 dagen, zoals zij overeenkomstig het arrest van het Hof had moeten doen, ten laste van de Griekse Staat heeft gebracht. Verzoekster legt echter geen bewijs over om de berekeningen van de Commissie te ontkrachten, die van haar kant meent, dat de opslagkosten overeenkomstig het arrest van het Hof ten laste van de Griekse Staat zijn gebracht. Dit argument faalt dus eveneens.
16.
Ik concludeer, dat het middel dat verzoekster ontleent aan onjuiste uitvoering door de Commissie van het arrest van het Hof in zaak C-334/87, moet worden afgewezen.
C — Uitvoerrestituties voor veevoeders
17.
Verzoekster verzoekt de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover deze een bedrag van 869296279 DR uit hoofde van uitvoerrestituties voor veevoeders niet als komende ten laste van het EOGFL erkent. De Commissie beroept zich voor deze weigering op de arresten van het Hof in de zaken C-35/88 (Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-3125) en C-32/89 (Griekenland/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1321). In zaak C-35/88 stelde het Hof op grond van door de Commissie overgelegde doorslaggevende bewijzen vast, dat het KYDEP (Centraal beheerskantoor voor nationale produkten) tussen 1981 en 1984 als orgaan van de staat had geïntervenieerd in de sector granen en dat de staat in strijd met het gemeenschapsrecht de tekorten van het KYDEP had gedekt. In zaak C-32/89 stelde het Hof vast, dat de Griekse Staat de operaties van het KYDEP controleerde en ook zijn tekorten voor het begrotingsjaar 1986 had gedekt. De Commissie betoogt, dat verzoekster niets heeft aangevoerd waaruit blijkt, dat er een wijziging is gekomen in de relatie tussen de staat en het KYDEP. In tegendeel, volgens een rapport van de Griekse Landbouwbank van 26 januari 1990 over de zaken van het KYDEP vertoonden de rekeningen van KYDEP in 1988 door zijn interventie in de sector veevoeders een tekort (zoals ook tijdens de begrotingsjaren 1985 tot 1987). Dit tekort komt in de rekeningen van het KYDEP voor als „vorderingen op de staat”. De Commissie stelt eveneens, dat de Griekse regering de herhaalde verzoeken van de Commissie om tot administratieve en financiële controle van het KYDEP over te gaan, heeft verworpen. De Commissie betoogt, dat zij, daar zij niet kon verifiëren of de uitvoerrestituties voor veevoeders in aanmerking kwamen voor financiering door het EOGFL, de communautaire financiering van het totale bedrag voor 1988 enkel kon weigeren.
18.
Verzoekster brengt/een aantal argumenten tegen deze weigering naar voren. Ten eerste stelt zij, dat ieder begrotingsjaar op zichzelf staat. De bewijsstukken inzake de voorgaande begrotingsjaren kunnen de weigering om de in 1988 gedane uitgaven in aanmerking voor financiering te doen komen, niet rechtvaardigen. Verzoekster stelt eveneens, dat de arresten van het Plof in de zaken C-35/88 en C-32/89 betrekking hebben op voorgaande begrotingsjaren, terwijl dit geding verband houdt met een reeks verschillende feiten. Volgens haar heeft de Griekse Staat in 1988 geen activiteiten van het KYDEP in de sector veevoeders gesubsidieerd. Tot staving van dit argument legt verzoekster een brief over die op 24 januari 1991 door de algemeen directeur van het KYDEP aan het Ministerie van Landbouw is gezonden. Ook legt zij een kopie over van de rekeningen van het KYDEP voor 1988 en een uittreksel van het jaarverslag van de afdeling financiën van het KYDEP. Bovendien stelt verzoekster, dat de bestreden weigering van financiering is gebaseerd op een verkeerde uitlegging van de term „steunmaatregelen van de staat”. Zij betoogt, dat hetgeen het verslag van de Griekse Landbouwbank omschrijft als vorderingen van het KYDEP op de staat, geen „steunmaatregel van de staat” is in de zin van artikel 92 van het Verdrag.
19.
Om te beginnen merk ik op, dat de Griekse regering in haar opmerkingen in zaak C-35/88 zelf heeft erkend, dat de aan het KYDEP toegekende subsidies steunmaatregelen van de staat waren. Op die grondslag oordeelde het Hof, dat Griekenland de krachtens artikel 93, lid 3, van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen, door de Commissie niet op de hoogte te stellen van de stcunprojecten voor het KYDEP inzake de aan- en verkoop van vocdergranen. Zoals ik reeds vermeldde, stelde het Hof in het arrest C-32/89 vast, dat deze handelwijze was voortgezet tijdens het begrotingsjaar 1986 (zie ook zaak C-61/90, Commissie/Griekenland, reeds aangehaald). Het is derhalve duidelijk, dat de tekorten van het KYDEP gedurende een bepaald aantal jaren zijn aangevuld met staatsmiddelen. Verzoekster bestrijdt niet, dat het KYDEP na zijn interventie in de sector veevoeders in 1988 een tekort had, noch dat dit tekort op de rekeningen van het KYDEP als „vorderingen op de staat” is geboekt, maar zij stelt, zoals ik reeds heb opgemerkt, dat de staat dat jaar geen activiteit van het KYDEP in die sector heeft gesubsidieerd. Volgens mij bewijst dit evenwel niet, dat het KYDEP tijdens het tijdvak waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, niet in strijd met het gemeenschapsrecht in de markt voor veevoeders heeft geïntervenieerd, zelfs niet indien wordt erkend, dat de Griekse Staat geen betaling aan het KYDEP heeft gedaan om zijn tekorten te dekken. Gezien de gebruikelijke handelwijze tijdens de voorgaande jaren, blijkt uit de verwijzing in de rekeningen van het KYDEP naar „vorderingen op de staat”, dat het tekort van het KYDEP nog steeds werd gezien als financiële verantwoordelijkheid van de staat, waardoor er duidelijk vanuit kan worden gegaan, dat het KYDEP in opdracht van de staat is doorgegaan met zijn interventie in de sector veevoeders, in de hoop dat zijn verliezen door staatsmiddelen zouden worden gedekt.
20.
Zoals blijkt uit de aan het Hof overgelegde documenten, verklaarde de Commissie zich voorts bij brief van 3 april 1990 bereid om het geweigerde bedrag te herzien, op voorwaarde dat de Griekse autoriteiten nauwkeurige en concrete gegevens zouden leveren, en haar zouden toestaan de markt voor veevoeders in Griekenland en de financiële betrekkingen tussen het KYDEP en de Griekse Staat te onderzoeken. De Commissie vroeg in die brief tevens, dat zij vóór 30 april 1990 de relevante gegevens en de toestemming voor het verrichten van een onderzoek zou ontvangen, zodat zij binnen de aangegeven termijnen kon overgaan tot de goedkeuring van de rekeningen voor 1988. Bij brief van 4 mei 1990 weigerde de Griekse regering de inspectie, zulks op grond dat het KYDEP een privaatrechtelijke instelling was. Later verklaarde het Hof in het arrest van 12 juli 1990 in zaak C-35/88, dat verzoekster door de weigering om aan de Commissie inlichtingen over het functioneren van het KYDEP te verstrekken, de krachtens artikel 5 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen. Verzoekster stelt, dat zij in maart 1991 de Commissie heeft uitgenodigd om tot controles bij het KYDEP over te gaan. Zij verklaart, dat zij haar stelling had kunnen bewijzen indien deze controles in juni 1991 waren verricht, zoals oorspronkelijk door de Commissie was toegezegd. De Commissie betoogt echter, en de Griekse regering bestrijdt dit niet, dat de controles op uitdrukkelijk verzoek van de Griekse autoriteiten enkel op toekomstige begrotingsjaren betrekking mochten hebben en niet op het begrotingsjaar waarin het in de bestreden beschikking ging. Dit argument faalt derhalve.
21.
Dientengevolge kon de Commissie volgens mij op grond van de bewijsstukken waarover zij beschikte, niet concluderen, dat de door verzoekster in het kader van de uitvoerrestituties voor veevoeders gedane uitgaven voor het begrotingsjaar 1988 overeenkomstig de eisen van het gemeenschapsrecht waren verricht. Hieruit volgt, dat de Commissie met recht de communautaire financiering heeft geweigerd.
22.
De Griekse regering brengt nog naar voren, dat de beschikking van de Commissie, voor zover zij de communautaire financiering van het bestreden bedrag weigert, ongeldig is wegens gebrek aan voldoende motivering en schending van de „rechten van de verdediging”, dat wil zeggen het recht van de regering om haar standpunt naar behoren voor te dragen. Uit de aan het Hof overgelegde documenten blijkt echter duidelijk, dat de Commissie de redenen voor haar weigering heeft uiteengezet en dat verzoekster nauw bij de procedure was betrokken die tot de vaststelling van het syntheseverslag en van de beschikking tot goedkeuring van de rekeningen heeft geleid. Dat blijkt onder meer uit een brief van 3 april 1990 en uit een telex van 16 juni 1990 van de Commissie aan de Griekse regering. Bovendien kan het argument, dat de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen, niet worden aanvaard, omdat het geschil over de financiële banden tussen de Griekse Staat en het KYDEP al verscheidene jaren duurt en herhaaldelijk voorwerp is geweest van arresten van het Hof.
23.
Ten slotte stelt de Griekse regering, dat de Commissie aanvankelijk financiering had geweigerd van een bedrag van 8200000 DR, welk bedrag zij vervolgens zonder verklaring tot 869296279 DR heeft verhoogd. Uit de aan het Hof overgelegde documenten blijkt echter, dat het bedrag van 8200000 DR een fout was die enkel voorkwam in de Griekse versie van de brief van de Commissie van 3 april 1990. Het juiste bedrag is bij telex van 16 juni 1990 aan Griekenland medegedeeld. Bovendien heeft de Commissie op 3 augustus 1990 een kopie van de gewijzigde Griekse versie van de brief verzonden. Ook dit argument faalt derhalve.
24.
Ik concludeer, dat het middel dat verzoeksters vordering met betrekking tot de geweigerde financiering van uitvoerrestituties voor veevoeders door het EOGFL, moet worden verworpen.
D — Medeverantwoordelijkheidsheffing op granen
25.
Verzoekster verzoekt eveneens de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover deze de communautaire financiering weigert van een bedrag van 215156000 DR met betrekking tot de medeverantwoorde-Iijkheidshcffing op granen. Dit onderdeel van het verzoek omvatte oorspronkelijk drie punten, respectievelijk inzake de vertraging bij de inning van de heffing, de wijziging van bepaalde statistische gegevens die door Griekenland aan Eurostat waren overgelegd, en de stelling, dat de bestreden beschikking leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeenschap. Wat het eerste punt betreft heeft de Commissie tijdens de procedure ingestemd met een rectificatie van de goedkeuring van de rekeningen voor 1989 en partijen zijn overeengekomen, dat het derde punt bij de goedkeuring van de rekeningen voor 1990 zal worden onderzocht. Dientengevolge heeft het geschil enkel nog betrekking op de door Griekenland aan Eurostat overgelegde statistische gegevens.
26.
De berekeningsmethode die de Commissie gebruikt om de inning van de mcdeverantwoordclijkhcidsheffing door de Lid-Statcn te controleren, is door het Hof onderzocht in het arrest van 20 mei 1992 (zaak C-385/89, Griekenland/Commissie). Deze berekeningsmethode is voornamelijk gebaseerd op de door de Lid-Statcn aan Eurostat geleverde statistische gegevens. In casu heeft de Commissie haar weigering gebaseerd op de gegevens die op 6 december 1989 door Eurostat zijn gepubliceerd. Zij heeft geweigerd de herziene gegevens, die Griekenland op 6 februari 1990 heeft ingediend, in aanmerking te nemen. Verzoekster betoogt, dat de eerste gegevens slechts voorlopig waren en dat de later overgelegde gegevens definitief waren. Zij stelt, dat het onderscheid tussen voorlopige en definitieve gegevens algemeen is aanvaard en dat het redelijk is, dat er verschillen tussen de twee reeksen gegevens zijn. Zij concludeert, dat de weigering van de Commissie om de tweede reeks gegevens te aanvaarden, onwettig is.
27.
Men zal zich herinneren, dat verzoekster in zaak C-385/89 een vergelijkbaar argument had aangevoerd tegen de weigering van de Commissie om gewijzigde gegevens in aanmerking te nemen die in verband met de goedkeuring van de rekeningen voor 1987 aan Eurostat waren overgelegd. In rechtsoverweging 14 van het arrest overwoog het Hof:
„Dienaangaande zij opgemerkt, dat in een geval als het onderhavige, waarin de nationale autoriteiten achteraf wezenlijke veranderingen aanbrengen in cijfermateriaal dat voor de berekening van de medeverantwoordelijkheidsheffing van beslissende betekenis is, zij de plicht hebben om voldoende concrete informatie te verstrekken die een dergelijke verandering kan rechtvaardigen.”
In deze zaak wordt niet bestreden, dat de eerste reeks gegevens meer dan een jaar na de oogst van de granen waarop zij betrekking heeft, is overgelegd. Aan de hand van de voor het Hof overgelegde documenten kan niet worden vastgesteld, of de Griekse regering bij het indienen van deze gegevens de Commissie heeft geattendeerd op het voorlopig karakter ervan. Volgens mij mocht de Commissie ze derhalve als definitief beschouwen. Verzoekster heeft geen bewijs overgelegd, waardoor de herkomst van deze correcties of de grotere betrouwbaarheid van de nieuwe reeks gegevens kan worden vastgesteld. Men kan derhalve concluderen, dat de Commissie het recht had om te weigeren de nieuwe gegevens in aanmerking te nemen.
28.
Bovendien is het niet duidelijk, hoe de nieuwe gegevens verzoekster zouden kunnen helpen. De Commissie heeft cijfers overgelegd die, op basis van de nieuwe gegevens, zouden leiden tot een toename met 21000 ton van de hoeveelheid granen waarover de medeverantwoordelijkheidsheffing had moeten worden geïnd. Hoewel verzoekster dit cijfer lijkt te bestrijden, heeft zij zelfs op basis van haar eigen berekeningen niet kunnen aantonen, dat de betrokken hoeveelheid niet groter was. Verzoekster heeft derhalve niet aangetoond, hoe de overgelegde nieuwe gegevens zouden kunnen leiden tot een verlaging van het bedrag waarvan de financiering is geweigerd.
29.
Ik concludeer dat de aanval op de beschikking van de Commissie, voor zover het de medeverantwoordelijkheidsheffing op granen betreft, moet falen.
E — De verbeurte van de bij de verkoop van vlees gestelde waarborg
30.
Verzoekster verzoekt de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover daarbij financiering is geweigerd van een bedrag van 245233 DR, in verband met een fout in de berekening van de door Thraki A. E., een Griekse vennootschap, bij de verkoop van interventievlees betaalde waarborg.
31.
Verordening (EEG) nr. 2182/77 van de Commissie stelt nauwkeurige uitvoeringsbepalingen vast voor de verkoop van bevroren rundvlees uit interventievoorraden, dat bestemd is voor verwerking in de Gemeenschap (PB 1977, L 251, biz. 60). Artikel 4 bepaalt, dat vóór de afsluiting van een koopovereenkomst een waarborg wordt gesteld door de toekomstige koper om de werkelijke verwerking van de produkten te garanderen. Uit de opmerkingen van partijen blijkt, dat de Griekse autoriteiten Thraki A. E., een koper van rundvlees uit interventie, die niet binnen de gestelde termijn tot verwerking was overgegaan, hadden medegedeeld, dat als gevolg hiervan het totale bedrag van de waarborg was verbeurd (868909 DR). Na een klacht van de vennootschap zond de Commissie op 20 november 1987 het Griekse interventiebureau een brief van de volgende inhoud:
„De diensten van de Commissie merken op, dat de bepalingen van verordening nr. 2182/87 juist lijken te zijn toegepast door het Griekse interventiebureau. De Commissie is nochtans van mening, dat in dit geval het evenredigheidsbeginsel toepassing zou kunnen vinden. Behoudens de bevestiging dat aan de basisvoorwaarde, dat wil zeggen de verwerking van het vlees, is voldaan, zal het verbeurde bedrag van de waarborg dientengevolge opnieuw kunnen worden berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 2182/77, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1809/87.”
De Griekse regering betoogt, dat het interventiebureau het verbeurde bedrag van de waarborg op grond van deze brief heeft verlaagd tot 623676 DR. De Commissie heeft echter geweigerd het verschil tussen het oorspronkelijke bedrag en het verlaagde bedrag van de verbeurde waarborg als komende ten laste van het EOGFL te erkennen. Griekenland verzoekt de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover zij weigert dit bedrag ten laste van het EOGFL te brengen. De Commissie verklaart, dat overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 2182/77 en verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie (PB 1985, L 205, biz. 5) een waarborg enkel op twee voorwaarden kan worden vrijgegeven: in de eerste plaats moet de verwerking van het vlees zijn voltooid, en in de tweede plaats moet een controle worden verricht binnen de voorgeschreven termijn nadat de koopovereenkomst ís afgesloten. Volgens de Commissie zijn de koopovereenkomsten op 12 april 1986 ondertekend, maar zoals blijkt uit het rapport van de controleur van 27 januari 1988, is de controle pas op 26 januari 1988 verricht, lang nadat de gestelde termijn was verstreken. De Commissie concludeert, dat de voorwaarden van het gemeenschapsrecht niet in acht zijn genomen. Zij stelt ook, dat zij geen kennis had van al deze feiten toen zij aan het interventiebureau schreef. Volgens haar heeft verzoekster haar advies verkeerd uitgelegd; haar brief betekende in feite, dat zij bereid was het niet-verbeuren van de waarborg te aanvaarden, behoudens de vervulling van de twee voorwaarden, ook indien de desbetreffende documenten haar na het verstrijken van de uiterste datum bereikten.
32.
Volgens mij is het niet eenvoudig om in de brief van de Commissie te lezen wat deze er thans in legt. Deze brief lijkt op zich te zeggen, dat het Griekse interventiebureau het bedrag van de waarborg opnieuw kan berekenen, op de enkele voorwaarde dat het vlees werkelijk is verwerkt. Hoewel de door het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden niet volledig in acht zijn genomen, wat de Griekse regering niet heeft bestreden, kon er twijfel bestaan over de toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Ik ben derhalve geneigd te denken, dat de Griekse regering het recht had om het bedrag van de verbeurde waarborg op grond van deze brief te verlagen.
33.
Ik concludeer, dat de vorderingen van verzoekster inzake de door Thraki A. E. betaalde waarborg dienen te worden toegewezen.
F — Kwaliteit van de tabak in interventieopslag
34.
Bij de goedkeuring van de rekeningen voor 1987 weigerde de Commissie de kosten inzake de tabak van de Burley-variëteit en bepaalde hoeveelheden Oosterse tabak in interventieopslag als komende ten laste van het EOGFL te erkennen, zulks op grond dat de kwaliteit ervan niet met de gestelde normen overeenkwam. De Griekse regering verzocht dienaangaande de beschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen nietig te verklaren. Het Hof verwierp dat beroep in het arrest in zaak C-385/89. Bij de goedkeuring van de rekeningen voor 1988 voerde de Commissie een automatische correctie van 528931426 DR uit voor de hoeveelheden Burley-tabak en Oosterse tabak die in 1988 waren verkocht. Verzoekster verzoekt de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover zij haar het bedrag van de financiële correctie ten laste brengt en dit om twee redenen: In de eerste plaats omdat de Commissie tijdens haar controles voorafgaande aan de goedkeuring van de rekeningen voor 1987, de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden; in de tweede plaats omdat de betrokken financiële correctie in strijd is met de beginselen van de rechtszekerheid en van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
35.
Wat het eerste argument betreft, betoogt de Griekse regering, dat de technieken voor de monsterneming die door de Commissie bij de aan de goedkeuring van de rekeningen voor 1987 voorafgaande controles zijn toegepast, inadequaat en in strijd met de internationale normen waren. Tot staving van dit argument verwijst zij naar een rapport van 18 december 1988 van een vertegenwoordiger van de Griekse Organisatie voor tabak, die bij de controles van de Commissie aanwezig was. Verzoekster betoogt eveneens, dat de door het laboratorium van de SEITA in Bergerac uitgevoerde analyses van de monsters tot gunstiger resultaten hebben geleid wat de kwaliteit van de tabak betreft, dan die van de Commissie. In antwoord op deze argumenten volstaat de vaststelling, dat het Hof in het arrest in zaak C-385/89 de argumenten van verzoekster inzake de ongeschiktheid van de door de Commissie gebruikte controlemethoden heeft verworpen. Bovendien heeft het Hof verklaard, dat verzoekster in onvoldoende mate had aangetoond, dat de betrokken tabaksvariëteiten aan de gestelde kwaliteitsnormen beantwoorden. Dit argument moet derhalve worden verworpen.
36.
Wat het tweede argument betreft, stelt de Griekse regering, dat het aan de goedkeuring van de rekeningen voor 1987 voorafgaande syntheseverslag geen voorbehoud maakte over de mogelijkheid, dat er in de toekomst een financiële correctie kon worden uitgevoerd. De goedkeuring van de rekeningen was derhalve definitief en de Commissie had niet het recht om daarna een correctie uit te voeren, dat wil zeggen in de goedkeuring van de rekeningen voor 1988.
37.
Volgens mij kan dit argument niet worden aanvaard. Bij de goedkeuring van de rekeningen voor 1987 heeft de Commissie aangetoond, dat de Burley-tabak en bepaalde hoeveelheden Oosterse tabak in interventieopslag niet aan de kwaliteitsnormen beantwoordden. Deze vaststelling is, zoals gezegd, door 's Hofs arrest in zaak C-385/89 bevestigd. Het noodzakelijke gevolg van deze vaststelling is, dat de Commissie bij de berekening van de hoeveelheid tabak die het interventiestelsel in 1988 verliet, geen tabaksverkopen in aanmerking kon nemen die niet aan de gestelde voorwaarden voldeden en derhalve nooit tot de interventie hadden mogen worden toegelaten. Het feit, dat de Commissie geen voorbehoud heeft gemaakt bij de goedkeuring van de rekeningen voor 1987, doet niet af aan de wettigheid van haar weigering. Het ontbreken van voorbehoud kan alleen relevant zijn indien de Commissie reeds goedgekeurde rekeningen opnieuw zou onderzoeken. In deze zaak is de financiële correctie in de rekeningen over 1988 aangebracht voor de in dat jaar verkochte hoeveelheden tabak. Deze correctie had derhalve geen terugwerkende kracht. Het is mij derhalve niet duidelijk, hoe de handelwijze van de Commissie onder deze omstandigheden tot een schending van de beginselen van rechtszekerheid en van bescherming van gewettigd vertrouwen kon leiden.
38.
Dientengevolge concludeer ik, dat verzoeksters vordering in verband met de kwaliteit van de tabak in interventieopslag, moet worden verworpen.
Algemene opmerkingen
39.
Het lijkt mij nuttig, hier nogmaals te wijzen op de verplichting van de Lid-Staten om krachtens artikel 5 van het Verdrag met de Commissie samen te werken teneinde het juiste gebruik van de gemeenschapsfondsen zeker te stellen. Zoals ik in mijn conclusie in zaak C-32/89 (Griekenland/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1321) in de punten 52 tot en met 54 heb gesteld, treden de Lid-Staten bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheid voor het toezicht op de strikte naleving van de relevante gemeenschapsbepalingen in wezen op als „trustees” van het EOGFL en in die hoedanigheid dienen zij ervoor te zorgen, dat de omstandigheden waaronder de uitgaven worden gedaan, zo doorzichtig mogelijk zijn.
40.
Aan de reeks zaken over de gedraging van de Griekse autoriteiten, waarnaar wordt verwezen in punt 4 hierboven, liggen voor een deel de moeilijkheden ten grondslag die de Commissie heeft gehad om de voor haar noodzakelijke gegevens te verkrijgen, en deze zaak heeft eens te meer de problemen getoond die aan een gebrek aan goede communicatie zijn te wijten. In het bijzonder de operaties en de activiteiten van het KYDEP en zijn relatie met de Griekse Staat zijn verre van doorzichtig geweest.
41.
Het feit dat de Commissie in dupliek kon verklaren, dat Griekenland onlangs heeft aanvaard, dat het KYDEP door de inspecteurs van het EOGFL wordt gecontroleerd en dat er al twee controles konden worden uitgevoerd, stemt derhalve tot tevredenheid. In feite ging de Commissie wat het beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, zover dat zij stelde, dat er een nieuw tijdperk aanbrak in de betrekkingen tussen Griekenland en de Gemeenschap en dat die verandering voor alle betrokken partijen, het Hof daaronder begrepen, enkel voordelig kon zijn, omdat men een belangrijke vermindering van de kans op geschillen tussen de Commissie en Griekenland kan verwachten. Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Griekse regering gezegd, dat hij de indruk had, dat het Hof deze keer het soort kwesties die in deze zaak waren opgeworpen, voor het laatst behoefde te behandelen, en hij heeft de wens uitgesproken, dat deze geschillen voortaan door besprekingen met de Commissie worden opgelost.
42.
Liet Hof kan zich enkel verheugen over deze ontwikkeling.
Conclusie
43.
In deze zaak ben ik tot de conclusie gekomen, dat het beroep slechts op één punt moet worden toegewezen. Omdat verzoekster volgens mij op alle andere punten van het verzoek in het ongelijk moet worden gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
44.
Dienovereenkomstig ben ik van mening, dat het Hof als volgt dient te beslissen:
1)
nietigverklaring van beschikking 90/644/EEG van de Commissie van 30 november 1990 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1988 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling „Garantie”, gefinancierde uitgaven, voor zover de Commissie het bedrag van 245233 DR, zijnde het verschil tussen het bedrag van de door Thraki A. E. gestelde waarborg bij de verkoop van interventievlees en het bedrag van de verbeurde waarborg, niet ten laste van het EOGFL heeft gebracht;
2)
verwerping van het beroep voor het overige;
3)
verwijzing van de Helleense Republiek in de kosten.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy