Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In deze zaak heeft het Tribunal de Relação de Lisboa het Hof vier prejudiciële vragen gesteld over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van bepaalde nationale beperkingen op het geven van rijles. Het Tribunal de Relação wenst te vernemen, of die beperkingen verenigbaar zijn met de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van personen en diensten en met de mededingingsregels van het EEG-Verdrag, en heeft twee vragen gesteld over de uitlegging en de gevolgen van de Eerste richtlijn 80/1263/EEG van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs (PB 1980, L 375, blz. 1, hierna: "de richtlijn").
2. De prejudiciële vragen zijn gesteld in het kader van een hoger beroep bij het Tribunal de Relação tegen een vonnis van de plaatselijke rechtbank van Loures, waarbij J. A. Batista Morais (hierna: "verdachte") wegens overtreding van artikel 7, lid 1, van wetsdecreet nr. 6/82 van 12 januari 1982 tot betaling van een geldboete van 20 000 ESC is veroordeeld. Artikel 7 van het wetsdecreet bepaalt dat rijscholen alleen rijles mogen geven op het grondgebied van het district waar zij zijn gevestigd, behoudens speciale vergunning van de directie Verkeer of wanneer er in de aangrenzende districten geen rijscholen zijn. Verdachte werd kennelijk op 27 mei 1989 aangetroffen tijdens het geven van rijles op een autoweg in het district Loures, terwijl hij werkte voor een rijschool die in het aangrenzende district Lissabon was gevestigd. Het district Loures heeft zijn eigen rijscholen en verdachtes werkgever heeft geen bijzondere vergunning om aldaar rijles te geven.
Verenigbaarheid met het EEG-Verdrag
3. De eerste twee aan het Tribunal de Relação voorgelegde vragen luiden als volgt:
"1) Is artikel 7, lid 1, van wetsdecreet nr. 6/86 in strijd met de bepalingen inzake het vrije verkeer van personen en diensten, met name de artikelen 52, 53, 54, leden 2 en 3, sub c, 56 en 57 EEG-Verdrag (betreffende het recht van vestiging), 60, sub a, 63, lid 2, en 65 EEG-Verdrag (betreffende het vrije verkeer van diensten), 85, lid 1, sub c (betreffende de mededinging), en derhalve in de nationale rechtsordes niet van toepassing?
2) Moeten de verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van personen, diensten en goederen, die gelden voor onderdanen en goederen van een land in situaties die zich voordoen in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap, ook worden toegepast in gevallen waarin de mogelijke belemmeringen van het vrije verkeer zich voordoen ten aanzien van de onderdanen van slechts een Lid-Staat en binnen het grondgebied van die Lid-Staat?"
De tweede vraag dient mijns inziens het eerst te worden behandeld.
Vraag 2
4. De tweede aan het Hof voorgelegde vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van personen, diensten en goederen ook voor zuiver interne situaties van een Lid-Staat gelden, dat wil zeggen voor situaties waarin er geen feitelijke aanknopingspunten met een andere Lid-Staat zijn. Opgemerkt zij overigens, dat de onderhavige zaak kennelijk geen vragen doet rijzen over het vrije verkeer van goederen, maar wel over het vrije verkeer van personen of diensten.
5. Het Hof heeft verscheidene keren overwogen, dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten niet gelden voor situaties die volledig binnen de interne sfeer van een Lid-Staat liggen: zie voor de vrijheid van vestiging de arresten van 8 december 1987 (zaak 20/87, Gauchard, Jurispr. 1987, blz. 4879, r.o. 10-12), 3 oktober 1990 (gevoegde zaken C-54/88, C-91/88 en C-14/89, Nino e.a., Jurispr. 1990, blz. I-3537, r.o. 10 en 11) en 28 januari 1992 (gevoegde zaken C-330/90 en C-331/90, López Brea en Hidalgo Palacios, Jurispr. 1992, blz. I-323, r.o. 7) en voor het vrije verkeer van diensten de arresten van 18 maart 1980 (zaak 52/79, Debauve, Jurispr. 1980, blz. 833, r.o. 9) en 23 april 1991 (zaak C-41/90, Hoefner en Elser, Jurispr. 1991, blz. I-1979, r.o. 37-39). Wat het vrije verkeer van personen en diensten betreft, volgt hieruit derhalve duidelijk dat de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord.
6. Bovendien zijn de omstandigheden van de onderhavige zaak een voorbeeld van een situatie die zuiver binnen de interne sfeer van Portugal ligt. Zo is verdachte Portugees onderdaan, die door een in Portugal gevestigde rijschool is tewerkgesteld. Niets wijst erop, dat in de onderhavige zaak beperkingen worden gesteld aan het verrichten van diensten aan of door personen uit andere Lid-Staten. Bovendien is de theoretische mogelijkheid dat verdachte in de toekomst leerlingen uit andere Lid-Staten kan hebben, onvoldoende om een dergelijk verband te leggen: zie zaak C-41/90 (Hoefner en Elser, reeds aangehaald, r.o. 39). Uit het antwoord dat ik op de tweede vraag heb voorgesteld, kan derhalve worden afgeleid, dat ter beantwoording van de eerste vraag kan worden volstaan met een onderzoek van de verenigbaarheid van de betrokken nationale bepalingen met de mededingingsregels van het EEG-Verdrag.
Vraag 1
7. Volgens vaste rechtspraak van het Hof mogen de Lid-Staten geen maatregelen handhaven, die de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag van hun nuttig effect beroven. Dergelijke maatregelen zijn verboden ingevolge artikel 5, tweede alinea, of, in voorkomend geval, ingevolge artikel 90, lid 1. Een Lid-Staat mag met name geen situatie scheppen waarin ondernemingen worden gedwongen te handelen op een manier die, wanneer deze het gevolg zou zijn van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging, in strijd met artikel 85 zou zijn, ongeacht of de betrokken ondernemingen ondernemingen zijn waaraan de Lid-Staat bijzondere of uitsluitende rechten heeft verleend: zie de arresten van 16 november 1977 (zaak 13/77, Inno, Jurispr. 1977, blz. 2115, r.o. 32, 33 en 42) en 23 april 1991 (zaak C-41/90, Hoefner en Elser, reeds aangehaald in punt 5, r.o. 27).
8. In beginsel zijn derhalve verboden nationale wettelijke bepalingen die ondernemingen verplichten te handelen op een wijze die in strijd is met artikel 85 EEG-Verdrag, bij voorbeeld omdat de maatregel tot gevolg heeft dat de markt in geografische gebieden wordt verdeeld. De in casu in geding zijnde maatregel lijkt zonder meer in strijd met de mededinging en ter rechtvaardiging ervan is geen overtuigende reden aangevoerd. Er zal echter alleen inbreuk worden gemaakt op artikel 85, lid 1, wanneer de eruit voortvloeiende praktijk de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden. In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Commissie dat zij niet inziet hoe deze handel in casu ongunstig kan worden beïnvloed, zoals bij voorbeeld het geval zou zijn, wanneer in andere Lid-Staten gevestigde autorijscholen ondanks de in geding zijnde bepalingen in Portugal les zouden willen geven.
9. Er moet echter worden beklemtoond dat, anders dan de Commissie in deze procedure kennelijk meent, de vraag of een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, niet samenvalt met de vraag of een situatie met het oog op de toepassing van de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en goederen, als meer dan zuiver intern kan worden aangemerkt. Zo kan bij voorbeeld een alleenverkoopovereenkomst worden geacht, de handel tussen de Lid-Staten daadwerkelijk of potentieel ongunstig te beïnvloeden, ook wanneer alle partijen bij de overeenkomst zich binnen dezelfde Lid-Staat bevinden en de overeenkomst uitsluitend de verspreiding van nationale produkten betreft; een dergelijke overeenkomst kan immers niettemin gevolgen hebben voor de verspreiding van andere produkten: zie arrest van 16 juni 1981 (zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 14-16). Hetzelfde beginsel geldt mijns inziens in het geval van een overeenkomst die betrekking heeft op dienstverrichting. Ik geloof echter niet dat in casu de in geding zijnde bepalingen het vereiste effect hebben. Om de bestreden bepalingen aan artikel 85, lid 1, sub c, juncto artikel 5 te toetsen, moeten de gevolgen van die bepalingen gelijk worden gesteld met die van een bundel van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen Portugese rijinstructeurs. En het is duidelijk dat een dergelijke bundel de vrijheid van niet-Portugese instructeurs om in Portugal hun diensten aan te bieden, niet kan aantasten. De nationale wettelijke regels kunnen uiteraard zelf een dergelijke beperking stellen, maar hierdoor zouden zij, zo al mogelijk, eerder onder artikel 59 dan onder artikel 85 vallen.
10. Mijn conclusie is derhalve, dat nationale wettelijke bepalingen als vervat in artikel 7, lid 1, van wetsdecreet nr. 6/82 in omstandigheden als de onderhavige niet in strijd zijn met de mededingingsregels.
Verenigbaarheid met de rijbewijsrichtlijn
11. De derde en de vierde vraag van het Tribunal de Relação luiden als volgt:
"3) Kan of moet richtlijn 80/1263/EEG aldus worden uitgelegd dat, ofschoon deze richtlijn betrekking heeft op het rijexamen, het geven van rijlessen moet voldoen aan overeenkomstige voorwaarden, waaronder het vereiste dat het - voor zover mogelijk - plaatsvindt op autowegen en in de verschillende voor het rijexamen aanbevolen verkeerssituaties?
4) Gaat het bij de onderhavige richtlijn om een eenvoudige richtlijn in de zin van artikel 189 EEG-Verdrag, waarbij aan de nationale instanties de bevoegdheid is gelaten om vorm en middelen voor de tenuitvoerlegging te kiezen (met andere woorden, heeft zij een receptief karakter), of moet zij, ook al wordt zij aangeduid als een richtlijn, worden beschouwd als een generieke, bindende richtlijn, zoals die vastgesteld uit hoofde van de artikelen 56, 63 en 87 EEG-Verdrag?"
De strekking van de derde vraag is duidelijk: het Tribunal de Relação wenst te vernemen of de richtlijn, die verscheidene eisen stelt betreffende de afgifte van rijbewijzen en de aard van het rijexamen dat moet worden afgelegd alvorens een rijbewijs wordt afgegeven, aldus moet worden verstaan dat zij ook stilzwijgend eisen stelt betreffende de rijlessen aan de kandidaten voor het examen. Het Tribunal de Relação wenst met name te weten, of stilzwijgend het vereiste wordt gesteld dat de rijlessen gedeeltelijk op de autoweg plaatsvinden.
12. Daarentegen heeft de vierde vraag van het Tribunal de Relação zoals thans geformuleerd, niet veel zin. Het gemeenschapsrecht kent geen onderscheid tussen richtlijnen als bedoeld in artikel 189 EEG-Verdrag en krachtens de artikelen 56, 63 en 87 vastgestelde richtlijnen: deze laatste zijn slechts voorbeelden van de eerste. Mijns inziens wenst het Tribunal de Relação in hoofdzaak echter te vernemen, of de relevante bepalingen van de richtlijn rechtstreekse werking hebben, dat wil zeggen of zij door een particulier kunnen worden ingeroepen tegen een Lid-Staat die ze niet in nationaal recht heeft omgezet.
Vraag 3
13. Ik zal eerst bezien of de richtlijn gevolgen heeft voor de door de Lid-Staten gestelde eisen betreffende de wijze waarop rijles wordt gegeven. In zijn schriftelijke opmerkingen merkt verdachte op dat uit de richtlijn volgt, dat de Lid-Staten er met name voor moeten zorgen, dat de rijles ten minste gedeeltelijk wordt gegeven op autowegen en op buiten de agglomeraties gelegen wegen.
14. Artikel 6, lid 1, van de richtlijn luidt:
"De afgifte van het rijbewijs is (...) afhankelijk van:
a) het slagen voor een praktisch en theoretisch examen en het voldoen aan medische normen waarvan de minimumeisen niet wezenlijk minder streng mogen zijn dan die genoemd in de bijlagen II en III;
(...)"
Bijlage II is getiteld "Minimumeisen voor rijexamens" en is verdeeld in twee reeksen eisen voor respectievelijk het theoretisch examen en het praktisch examen. Tot de vereisten voor het praktisch examen behoren die welke worden genoemd in punt 9, getiteld "Plaats van het examen":
"Het in paragraaf 5 beschreven examenonderdeel kan op een speciaal examenterrein worden afgenomen; in dat geval moeten er nauwkeurige criteria worden vastgesteld om de vaardigheid van de kandidaat in het manoeuvreren met het voertuig objectief te toetsen. Het in paragraaf 6 bedoelde examenonderdeel wordt zo mogelijk afgenomen op buiten de agglomeraties gelegen wegen, op autowegen en in het stadsverkeer."
15. Verdachte betoogt het volgende. Uit de tweede zin van punt 9 blijkt dat een onderdeel van het rijexamen moet worden afgenomen op autowegen en op buiten de agglomeraties gelegen wegen. In het geval van in en rond Lissabon afgenomen examens is dit inderdaad mogelijk omdat, ofschoon het district Lissabon dergelijke wegen niet heeft, aangrenzende districten wel. Hieruit volgt, dat het rijexamen in Lissabon gedeeltelijk op dergelijke wegen moet worden afgenomen, zodat personen die zich op het examen voorbereiden, moet worden toegestaan hierop rijles te ontvangen, ook al is de door hen gekozen rijschool in het district Lissabon gevestigd. Derhalve hebben rijinstructeurs in Lissabon het recht om rijles op de autoweg te geven, welk recht voor de nationale rechterlijke instanties kan worden ingeroepen om aan de toepassing van artikel 7, lid 1, van het wetsdecreet te ontkomen.
16. De Commissie betoogt echter in haar schriftelijke opmerkingen, dat de richtlijn de Lid-Staten meer vrijheid biedt dan Morais betoogt. De Commissie wijst erop dat in bepaalde gebieden van Portugal de dichtstbijzijnde autoweg 200 km verwijderd kan zijn van de plaats waar het rijexamen wordt afgenomen. Volgens de Commissie belet het vereiste dat een onderdeel van het examen "zo mogelijk" op de autoweg moet worden afgelegd, de Lid-Staten niet te beslissen dat het examen nooit op een autoweg wordt afgelegd. Derhalve heeft een Lid-Staat volgens de Commissie het recht, voor zijn gehele grondgebied een eenvormig rijexamen voor te schrijven, waarbij rekening wordt gehouden met het feit, dat in bepaalde gebieden de autoweg niet gemakkelijk te bereiken valt. Voorts wijst het Verenigd Koninkrijk er in zijn schriftelijke opmerkingen op, dat leerling-chauffeurs in bepaalde Lid-Staten niet op een autoweg mogen rijden en betoogt het dat ook dit omstandigheden zijn, waarin het afleggen van een examenonderdeel op de autoweg niet "mogelijk" is.
17. Uit de schriftelijke opmerkingen van de Portugese regering blijkt dat deze het, anders dan Morais, niet mogelijk acht dat een onderdeel van het rijexamen op de autoweg wordt afgelegd, zelfs niet in het gebied van Lissabon. Er bestaat dus verschil van mening over de uitlegging van het begrip "mogelijkheid" als bedoeld in bijlage II bij de richtlijn. Het komt mij echter voor, dat dit begrip in het kader van bijlage II niet zo streng moet worden uitgelegd. Allereerst zij opgemerkt, dat de Franse versie van de richtlijn het begrip "si possible" gebruikt, dat in het Engels eerder moet worden vertaald met "if possible" dan met "wherever possible"; evenzo gebruikt de Portugese versie "se possível". Er moet daarom niet te veel waarde worden gehecht aan de enigszins nadrukkelijke Engelse versie. Ook moet worden opgemerkt, dat zowel de Commissie als het Verenigd Koninkrijk ter terechtzitting hebben beklemtoond, dat de richtlijn slechts een eerste stap is in een harmonisatieproces dat is voortgezet door de onlangs door de Raad vastgestelde richtlijn 91/439/EEG betreffende het rijbewijs (PB 1991, L 237, blz. 1), die de thans geldende richtlijn vanaf 1 juli 1996 zal vervangen; daarbij moet wel worden gezegd, dat er wat de thans in geding zijnde bewoordingen betreft, weinig verschil tussen de twee richtlijnen bestaat.
18. Bovendien wordt de uitlegging van het begrip mogelijkheid dat in punt 9 van bijlage II bij de thans geldende richtlijn wordt gebruikt, verduidelijkt door vergelijking met punt 7 van die bijlage, dat luidt als volgt:
"Het in paragraaf 5 beschreven examenonderdeel moet zoveel mogelijk vóór dat van paragraaf 6 worden afgenomen."
Strikt gesproken is het altijd mogelijk de uitvoering van de in punt 5 genoemde manoeuvres te examineren vóór het in punt 6 beschreven rijgedrag. De uitdrukking "zoveel mogelijk" in punt 7 moet daarom niet in enge zin worden opgevat, maar heeft een betekenis die dichter bij "redelijkerwijs uitvoerbaar" ligt dan bij "volgens de natuurkundige wetten". Mijns inziens moet hetzelfde gelden voor de uitlegging van het begrip "zo mogelijk" in punt 9.
19. Mijns inziens is een Lid-Staat dus niet verplicht, het rijexamen op een autoweg af te nemen, zelfs niet wanneer zich op rijafstand van het examencentrum een autoweg bevindt; integendeel, hij heeft het recht, dienaangaande een regeling te treffen die in alle omstandigheden het meest praktisch is, en rekening te houden met factoren als de consistentie van het examen. Een Lid-Staat heeft met name het recht, er rekening mee te houden dat een examen moet worden voorschreven dat in het gehele land gelijk is, daar in sommige gebieden wellicht niet gemakkelijk een autoweg kan worden bereikt. Mijns inziens heeft een Lid-Staat ook het recht, rekening te houden met gegronde overwegingen van openbaar belang; zo kunnen bij voorbeeld overwegingen van verkeersveiligheid beperkingen op het gebruik van autowegen door rijschoolleerlingen rechtvaardigen. Wanneer een Lid-Staat alles heeft gedaan wat in alle omstandigheden een redelijke uitoefening van zijn beoordelingsvrijheid vergt, kan mijns inziens niet worden gezegd dat hij handelt in strijd met de ingevolge bijlage II, punt 9, en artikel 6, lid 1, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen.
20. Bovendien moet worden aangetekend, dat artikel 6, lid 1, van de richtlijn alleen naar verlangt dat de normen voor het rijexamen niet "wezenlijk minder streng" zijn dan die genoemd in bijlage II. Dit vormt een verdere aanwijzing, dat het in bijlage II gebruikte begrip mogelijkheid niet een te strenge inhoud mag worden gegeven, omdat uit artikel 6, lid 1, duidelijk blijkt, dat de Lid-Staten steeds over een zekere mate van vrijheid beschikken bij de vaststelling van de wijze waarop het examen wordt afgenomen.
21. In ieder geval wordt niet bestreden, dat het rijexamen in Lissabon niet op de autoweg wordt afgenomen. De Portugese regering heeft ter terechtzitting verklaard, dat het autorijschoolleerlingen onder alle omstandigheden verboden is, rijlessen te nemen op de autoweg. Geen enkele rijschool in Portugal kan dus op wettige wijze rijles op een autoweg geven en dergelijke lessen behoeven dus niet te worden gegeven om kandidaten op het rijexamen voor te bereiden. Zelfs wanneer een Lid-Staat, anders dan ik hiervoor heb geconcludeerd, er dus wel voor moest zorgen dat een onderdeel van het rijexamen op een autoweg wordt afgelegd, zou het niet voldoen aan dit vereiste geen gevolgen hebben voor het rijonderricht. Hoewel de Lid-Staat in dat geval niet voldoet aan een vereiste van de richtlijn betreffende de plaats van het examen, heeft hij daarmee mijns inziens geen inbreuk gemaakt op enig ander vereiste betreffende het geven van rijles.
Vraag 4
22. Zoals wij hebben gezien, kan de vierde aan het Hof voorgelegde vraag aldus worden begrepen, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen of punt 9 van bijlage II bij de richtlijn juncto artikel 6, lid 1, rechten schept die door particulieren voor de nationale rechterlijke instanties kunnen worden ingeroepen. Het recht dat verdachte in de onderhavige zaak zou moeten inroepen om toepassing van artikel 7 van het wetsdecreet te voorkomen, zou bestaan in het recht voor zijn leerlingen om een gedeelte van hun rijexamen op een autoweg af te leggen en derhalve (als noodzakelijke implicatie hiervan) om onderwijs te krijgen op een dergelijke weg, die in voorkomend geval is gelegen buiten het district waar de rijschool is gevestigd.
23. Volgens vaste rechtspraak van het Hof hebben de bepalingen van een richtlijn slechts rechtstreekse werking in nationaal recht, wanneer de inhoud ervan onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig: zie, recentelijk, het arrest van 19 november 1991, (gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Francovich en Bonifaci, Jurispr. 1991, blz. I-5357, r.o. 11). Ik heb hiervóór in de punten 19 en 20 echter al opgemerkt, dat de richtlijn de Lid-Staten niet een nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting oplegt om een onderdeel van het rijexamen op de autoweg te laten afleggen; elke Lid-Staat beschikt over een beoordelingsvrijheid om, gelet op zijn eigen omstandigheden, te beslissen of het al dan niet mogelijk is een dergelijk vereiste te stellen.
24. Wanneer een bepaling die een Lid-Staat een verplichting oplegt, die Lid-Staat daarbij een zekere beoordelingsvrijheid inruimt, sluit dit op zich niet uit dat die bepaling rechtstreekse werking heeft, daar de uitoefening van die vrijheid ook aan rechterlijke toetsing kan zijn onderworpen. Zo heeft bij voorbeeld artikel 48 EEG-Verdrag rechtstreekse werking, ook al mogen ingevolge artikel 48, lid 3, de aan het vrije verkeer van werknemers verbonden rechten door de Lid-Staten aan beperkingen worden onderworpen die uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn. Derhalve kunnen de door artikel 48 gewaarborgde rechten door particulieren voor de nationale rechterlijke instanties worden ingeroepen in gevallen waarin een Lid-Staat zich niet op die beperkingen kan beroepen: zie het arrest van 4 december 1974 (zaak 41/74, Van Duyn, Jurispr. 1974, blz. 1337, r.o. 7).
25. In de onderhavige zaak kan echter om de reeds uiteengezette redenen niet worden gesteld, dat Portugal de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden door niet voor te schrijven, dat een examenonderdeel op een autoweg moet worden afgenomen; de vraag of punt 9 van bijlage II rechtstreekse werking heeft, rijst dan ook niet. Derhalve is het onnodig, de vierde vraag te beantwoorden.
Conclusie
26. Mitsdien geef ik in overweging, de door het Tribunal de Relação de Lisboa gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
"1) De wettelijke regeling van een Lid-Staat die het uitsluitende recht om rijlessen te geven op de wegen van een bepaald district, verleent aan scholen die daartoe over een vergunning beschikken en die binnen dat district zijn gevestigd, is op zich niet onverenigbaar met artikel 85, lid 1, juncto artikel 5, tweede alinea, EEG-Verdrag.
2) De verdragsbepalingen betreffende de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting zijn niet toepasselijk op een zuiver interne situatie van een Lid-Staat, bij voorbeeld wanneer een onderdaan van die staat die werkzaam is bij een aldaar gevestigde school, rijlessen geeft aan uit die staat afkomstige personen.
3) Een Lid-Staat moet ervoor zorgen dat personen die zich voorbereiden op het rijexamen dat door die staat wordt georganiseerd, niet wordt belet rijles te ontvangen op wegen die vergelijkbaar zijn met die waarop het examen daadwerkelijk wordt gehouden, ongeacht of het examen volledig voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 6, lid 1, en bijlage II bij de Eerste richtlijn 80/1263/EEG van de Raad van 4 december 1980. De richtlijn legt geen andere verplichting op betreffende de plaats van de rijles."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy