Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing vraagt het Social Security Appeal Tribunal te Bognor Regis het Hof, of de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad(1) geldig zijn. De verwijzende rechter vraagt meer in het bijzonder of genoemde bepalingen verenigbaar zijn met artikel 51 EEG-Verdrag.
Ik wil de feiten van de zaak kort samenvatten; voor de details verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
2. Na in Engeland te hebben gewerkt, vestigde Gray, een Brits onderdaan, zich in 1971 met zijn vrouw op het eiland Gran Canaria, waar hij werkte als bedrijfsleider van het restaurant waarvan zijn vrouw eigenaar was. Hij deed dit tot 11 januari 1990, de datum waarop zijn vrouw het restaurant verkocht. In die periode had hij dan ook op grond van de Spaanse wetgeving sociale-zekerheidspremies betaald.
Hierna bleef Gray nog tot 26 februari 1990 op het Spaanse eiland. Tussen 11 januari en 26 februari 1990 liet hij zich echter niet als werkzoekende inschrijven bij het bevoegde Spaanse arbeidsbureau, omdat hij van plan was zo vlug mogelijk naar zijn land van oorsprong terug te keren. Terug in het Verenigd Koninkrijk, vroeg hij werkloosheidsuitkering aan; deze werd hem geweigerd op grond van artikel 67, lid 3, van verordening nr. 1408/71. De weigering om hem deze uitkering te verstrekken, heeft tot de onderhavige procedure geleid.
3. Artikel 67, leden 1 en 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat voor de verkrijging, het behoud of het herstel van het recht op werkloosheidsuitkering, voor zover nodig, rekening wordt gehouden met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of arbeid. Ingevolge lid 3 van dat artikel wordt werkloosheidsuitkering echter alleen toegekend indien de werkloze laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid heeft vervuld "krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd": dat wil zeggen, op voorwaarde, dat hij laatstelijk tijdvakken van verzekering of arbeid heeft vervuld in de staat waar hij de uitkering aanvraagt.
Artikel 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt, dat de volledig werkloze werknemer recht op werkloosheidsuitkering behoudt wanneer hij zich naar een of meer Lid-Staten begeeft om aldaar werk te zoeken, mits hij zich bij het arbeidsbureau van de bevoegde staat heeft laten inschrijven en voor zijn vertrek naar een andere Lid-Staat ten minste vier weken in die staat is gebleven (sub a); bovendien moet hij zich als werkzoekende hebben laten inschrijven bij de diensten van de staat waarheen hij zich heeft begeven (sub b). Hoe dan ook blijft het recht op werkloosheidsuitkering vervolgens niet meer dan drie maanden gehandhaafd (sub c).
De zojuist weergegeven regeling is zeer duidelijk, en het is zonneklaar dat Gray zich in casu in het Verenigd Koninkrijk niet op artikel 67 kan beroepen, daar zijn laatste tijdvak van verzekering in Spanje is vervuld, en evenmin op artikel 69, lid 1, nu hij zich voor zijn vertrek uit Spanje niet bij het arbeidsbureau heeft laten inschrijven.
Deze situatie was voor de nationale rechter aanleiding, om zich tot het Hof te wenden met de vraag of genoemde bepalingen ongeldig zijn wegens strijd met artikel 51 EEG-Verdrag, voor zover zij tot gevolg zouden hebben, dat het door het EEG-Verdrag verzekerde vrije verkeer van werknemers wordt beperkt.
Nagegaan moet dus worden, of het vrije verkeer van werknemers dat wordt gegarandeerd in het Verdrag, en in het bijzonder in artikel 51, op grond waarvan de Raad "de maatregelen vaststelt welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers", door de betrokken bepalingen van de verordening waarin aan de toegekende rechten bepaalde voorwaarden worden verbonden, wordt belemmerd of althans beperkt.
4. Ik wijs allereerst op het arrest Testa(2), waarin het Hof overwoog, dat "het de communautaire wetgever ingevolge artikel 51 niet verboden is, aan de door hem ter verzekering van het vrije verkeer van werknemers verleende voordelen voorwaarden en beperkingen te verbinden". In het arrest Antonissen(3) heeft het Hof onlangs meer in het algemeen met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers verklaard, dat beperkende voorwaarden zijn toegestaan zolang zij niet zodanig zijn, dat zij "het nuttig effect van het beginsel van het vrije verkeer" in gevaar brengen.
Duidelijk is, dat de litigieuze bepalingen werkloze werknemers een aantal rechten toekennen die moeten voorkomen dat zij nadeel lijden wanneer zij zich naar een andere Lid-Staat verplaatsen om werk te zoeken, en die zij op basis van de nationale bepalingen alleen niet zouden hebben. En hoewel het vrije verkeer van werkzoekenden een noodzakelijk middel is ter verwezenlijking en aanvulling van het vrije verkeer van werknemers, kan men, gelet op het doel van de litigieuze bepalingen, mijns inziens anderzijds niet in redelijkheid volhouden, dat de daarin gestelde voorwaarden, deze vrijheid belemmeren of beperken.
5. Dat het enige orgaan dat ingevolge artikel 67, lid 3, tot verstrekking van de werkloosheidsuitkering bevoegd is, het orgaan is van de staat waar de werknemer laatstelijk tijdvakken van verzekering of arbeid heeft vervuld, vloeit voort uit het meer algemene beginsel, waarop het Hof herhaaldelijk de nadruk heeft gelegd, dat een werkloze onderworpen is aan de wetgeving van de staat waar hij het laatst heeft gewerkt.(4)
In hetzelfde licht moet artikel 69, lid 1, worden gelezen, dat de uitvoer van werkloosheidsuitkeringen toestaat voor de duur van drie maanden, maar als voorwaarde stelt, dat de werkloze bij het arbeidsbureau van de staat van zijn laatste tewerkstelling moet zijn ingeschreven voordat hij zich naar een andere Lid-Staat begeeft: de reden hiervoor is juist, dat de werkloosheidsuitkeringen worden verstrekt krachtens de sociale wetgeving van die staat en dat die staat ze moet vergoeden aan het bevoegde orgaan van de staat waarheen de werkloze zich heeft begeven om werk te zoeken.
De oplegging van de onderhavige voorwaarden is dus in wezen een politieke keuze om de last van de uitkeringen te leggen op de Lid-Staat waar de betrokkene laatstelijk premie heeft betaald. Tegelijkertijd wil men, nu er geen gemeenschappelijke arbeidsmarkt is, de uitvoer van werkloosheid vermijden door de werklozen te stimuleren om allereerst werk te zoeken in de staat waar zij het laatst hebben gewerkt.
6. Vervolgens wijs ik erop, dat het probleem dat ons bezighoudt, gedeeltelijk is opgelost in het recente arrest Van Noorden.(5) Hierin verklaarde het Hof immers, dat "een werkzoekende die nooit onderworpen is geweest aan de sociale wetgeving van de Lid-Staat waar hij een werkloosheidsuitkering aanvraagt, en die dus ook niet laatstelijk tijdvakken van verzekering of van arbeid krachtens de wettelijke regeling van de betrokken Lid-Staat heeft vervuld, niet op grond van artikel 67 van verordening nr. 1408/71, maar slechts op grond van artikel 69 van dezelfde verordening werkloosheidsuitkeringen kan ontvangen" (r.o. 10). In hetzelfde arrest heeft het Hof uitgesloten, dat artikel 67 onverenigbaar zou zijn met de andere ter zake toepasselijke gemeenschapsbepalingen, en in het bijzonder met de artikelen 7 en 58 tot en met 66 EEG-Verdrag (r.o. 11).
De voorwaarde van artikel 69, lid 1, inzake de inschrijving bij het arbeidsbureau van de staat waar men het laatste heeft gewerkt past mijns inziens volledig in het systeem, aangezien het de enige manier is om de status van "werkloze" vast te stellen op grond van de wettelijke regeling van de staat die bevoegd is om de sociale-zekerheidsuitkeringen te verstrekken.
Concluderend ben ik van oordeel, dat de voorwaarden die in de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening nr. 1408/71 zijn neergelegd, het vrije verkeer van werknemers als door het EEG-Verdrag verzekerd, niet belemmeren of beperken. In het bijzonder vertonen de hier besproken bepalingen van de verordening geen aspecten die onverenigbaar zijn met artikel 51 EEG-Verdrag.
7. In het licht van het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Social Security Appeal Tribunal te Bognor Regis te beantwoorden als volgt:
"Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de artikelen 67, lid 3, en 69, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad; deze bepalingen zijn inzonderheid niet onverenigbaar met artikel 51 EEG-Verdrag."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) - PB 1971, L 149, blz. 2.
(2) - Arrest van 19 juni 1980, gevoegde zaken 41/79, 121/79 en 796/79, Testa, Jurispr. 1980, blz. 1979, r.o. 14.
(3) - Arrest van 26 februari 1991, zaak C-292/89, Antonissen, Jurispr. 1991, blz. I-745, r.o. 21.
(4) - Arresten van 7 maart 1985, zaak 145/85, Cochet, Jurispr. 1985, blz. 801, en 12 juni 1986, zaak 302/84, Ten Holder, Jurispr. 1986, blz. 1821.
(5) - Arrest van 16 mei 1991, zaak C-272/90, Van Noorden, Jurispr. 1991, blz. I-2543.
Full & Egal Universal Law Academy