Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De problemen van de Europese koopvaardij, die blijken uit de prejudiciële vraag die het Arbeitsgericht Bremen (Bondsrepubliek Duitsland) in twee verwijzingsbeschikkingen heeft gesteld, zijn de aanleiding om het begrip nationale steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag te preciseren. Het belang van deze vraag voor de gevolgen ervan in de praktijk, is niet minder groot dan de moeilijkheid om de grenzen van het toepassingsgebied van genoemd artikel af te bakenen.
2. Ter terechtzitting hebben sommige interveniënten gesproken over de aanzienlijke daling van het aantal teboekstellingen onder de vlag van de Lid-Staten ten gunste van de vlag van derde landen. Dit welbekende verschijnsel van de "flag of convenience" is ook aan de orde geweest tijdens de mondelinge behandeling van de zaak Poulsen en Dina Navigation (C-286/90) op 21 januari 1992.
3. Deze zaken werpen licht op dwingende, maar haaks op elkaar staande vereisten. De teboekstelling onder de vlag van derde landen van aan reders uit de Gemeenschap toebehorende schepen leidt er enerzijds toe, dat laatstgenoemden onbeperkt zeelieden uit die derde landen kunnen aanstellen en aldus hun loonkosten kunnen drukken, en anderzijds dat de belastingontvangsten van de Lid-Staten verminderen. De werkgelegenheid voor zeelieden uit de Gemeenschap wordt daardoor minder.(1) Het valt overigens niet uit te sluiten, dat de inkrimping van de gemeenschapsvloot duidelijke gevolgen heeft voor de effectiviteit van het internationale beleid van beperking van de vangstquota in de visserijsector ° een beleid dat ook door de Gemeenschap wordt voorgestaan °, daar tal van derde landen de desbetreffende internationale verdragen niet hebben ondertekend. Ten slotte past het samenleven, aan boord van hetzelfde schip, van zeelieden die een zeer verschillend loon ontvangen, hoewel zij soms hetzelfde werk verrichten, slecht bij het doel, of ten minste bij de geest, van het door de Gemeenschap gevoerde sociale beleid, zelfs indien de uit derde landen afkomstige zeelieden geen verblijfplaats in een van de Lid-Staten hebben.
4. Hoe dit politieke en sociale "decor" er ook uitziet, deze zaken roepen precaire juridische problemen op, die ik nu aan een onderzoek moet onderwerpen, na de voornaamste feiten terzake in herinnering te hebben geroepen.
5. Sloman Neptun Schiffahrts AG (hierna: "Sloman Neptun"), een in Bremen gevestigde rederij, stelde een zeeschip te boek in het Duitse Internationale Zeeschepenregister.(2) Omdat zij een Filippijnse radio-officier (verwijzingsbeschikking in zaak C-72/91), alsook vijf zeelieden van dezelfde nationaliteit (verwijzingsbeschikking in zaak C-73/91) in dienst wilde nemen, verzocht zij daarvoor haar ondernemingsraad (Seebetriebsrat) om toestemming. Deze weigerde, op grond dat het aan die zeelieden geboden loon nog geen 20 % is van dat van Duitse zeelieden, en dat het opnemen van werknemers tegen het lage loon van het land van herkomst de arbeidsrust in de onderneming verstoort.
6. Voor het Arbeitsgericht Bremen, dat van het geschil kennis neemt, beriep de Seebetriebsrat zich erop, dat het uit de inschrijving in het internationale Duitse register volgende stelsel een steunmaatregel van de staat is in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag. Hij verwees voornamelijk naar lid 4 van § 21 van het Flaggenrechtgesetz, gewijzigd bij § 1, lid 2, van de bondswet van 23 maart 1989(3), dat bepaalt dat "arbeidsovereenkomsten van bemanningsleden van een in het Internationale Zeeschepenregister te boek gesteld koopvaardijschip, die in Duitsland geen woonplaats of vaste verblijfplaats hebben, niet reeds op grond van het feit dat het schip onder Duitse vlag vaart, aan het Duitse recht onderworpen zijn".
7. De rechter a quo heeft het Hof vervolgens een prejudiciële vraag voorgelegd om te kunnen beoordelen, of de Duitse wet houdende invoering van een tweede register voor de teboekstelling van zeeschepen onder bondsvlag in de internationale vaart, verenigbaar is met de artikelen 92 en 117 EEG-Verdrag, voor zover zij toelaat, dat Duitse collectieve arbeidsovereenkomsten niet worden toegepast op zeelieden die onderdaan zijn van derde landen en geen verblijfplaats hebben in de Bondsrepubliek Duitsland, en dat dezen dientengevolge aan minder gunstige arbeids- en beloningsvoorwaarden worden onderworpen.(4)
8. Laat ik onmiddellijk het probleem van artikel 117 onderzoeken. Volgens de ter terechtzitting door de vertegenwoordiger van de Seebetriebsrat gemaakte opmerkingen zou deze bepaling een negatieve verplichting ten laste van de Lid-Staten inhouden ° namelijk om niet aan de bestaande sociale bescherming af te doen °, die voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is om door een particulier voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen. Ter ondersteuning van deze opvatting wordt verwezen naar 's Hofs arrest Defrenne III.(5) Met name wordt wel gedoeld op het bijwoord "voornamelijk" in rechtsoverweging 19 van het arrest, die begint met de woorden:
"dat in tegenstelling tot de voornamelijk programmatische bepalingen van de artikelen 117 en 118 (...)".(6)
9. Laat ik duidelijk zijn. Dergelijke a contrario redeneringen lijken mij riskant. Advocaat-generaal Capotorti had trouwens in zijn conclusie bij dit arrest zijn gevoelen over de afwezigheid van rechtstreekse werking van zowel artikel 117 als artikel 118 aldus geformuleerd:
"Met betrekking tot deze bepalingen zij allereerst opgemerkt dat in geen hunner een beginsel, in de zin van een richtsnoer, is neergelegd. Mijns inziens dient er, wat artikel 117 betreft, veeleer van een doelstelling te worden gesproken; daarop wijst ook de terminologie van de tweede alinea, waarin met de woorden 'een dergelijke ontwikkeling' aan de bedoeling van de eerste alinea wordt vastgeknoopt. Te minder mag aan een rechtstreeks toepasselijk beginsel worden gedacht, waar in de bepaling met zoveel woorden wordt gewezen op de noodzaak om die doelstelling via communautaire en nationale procedures te bereiken: uit artikel 117 spreekt zo goed als uit artikel 118 ten duidelijkste de bedoeling dat er ten deze geleidelijkheid zal worden betracht, en anders dan in artikel 119, worden er ook geen termijnen gesteld binnen welke die verwezenlijking zal moeten hebben plaatsgevonden."(7)
10. Overigens is er in 's Hofs rechtspraak niets te vinden, waaruit enige rechtstreekse werking van artikel 117 kan worden afgeleid. Natuurlijk kan een aan de staat opgelegde negatieve verplichting, wanneer de daarmee verboden gedraging voldoende duidelijk is, rechtstreeks worden ingeroepen door een burger voor een nationale rechter.(8) Maar de verplichting om de bestaande sociale toestand niet te verslechteren, lijkt wegens haar algemeenheid te onduidelijk om er rechtstreekse werking aan te kunnen toekennen. Hoe moet daarover worden geoordeeld, wanneer een bepaalde wettelijke maatregel tot wijziging van het sociale stelsel van een Lid-Staat aan artikel 117 moet worden getoetst? Is een verlaging van de sociale lasten voor de ondernemingen, waardoor de strijd tegen de werkloosheid wordt bevorderd, vergezeld van een korting op bepaalde sociale verplichtingen, een maatregel die in strijd is met deze negatieve verplichting, die de Seebetriebsrat in artikel 117 ziet? Dat zou ik niet graag beweren.
11. Daarom dient de in geding zijnde wettelijke regeling mijns inziens enkel aan de hand van artikel 92, lid 2, te worden onderzocht.
12. De eerste moeilijkheid lijkt mij daarbij in de financiering van de steunmaatregel te liggen. De middelen die de ondernemingen of de bedrijfstakken waaraan de steunmaatregel ten goede komt, ontvangen of die zij niet behoeven af te dragen, zijn in het algemeen afkomstig van de staat, respectievelijk voor de staat bestemd. Natuurlijk heft de Duitse regering in deze zaak geen inkomstenbelasting, wegens het zeer lage niveau van het aan de Filippijnse zeelieden betaalde loon. Want in principe vallen deze, ofschoon zij geen ingezetenen van de Bondsrepubliek Duitsland zijn, wel onder de Duitse inkomstenbelasting, omdat hun inkomsten uit een bron in deze staat komen. Ook de sociale-zekerheidsorganen ontvangen lagere premies dan wanneer lonen op het niveau van de Duitse collectieve arbeidsovereenkomsten betaald zouden worden.
13. Maar men kan de hoofdzaak niet vatten via de bijzaak. Het in geding zijnde bijzondere stelsel wordt immers in hoofdzaak gefinancierd door de werknemers zelf, die een loon accepteren dat nog geen 20 % is van dat wat Duitse zeelieden zouden krijgen. De eventuele inkomstenderving van de schatkist en van de Duitse sociale-zekerheidsorganen is slechts het gevolg daarvan. Zij zou in voorkomend geval gerechtvaardigd kunnen worden door "de aard of de opzet van dit stelsel"(9), daar het volstrekt gebruikelijk is dat de belastingen en de sociale bijdragen worden berekend op grond van het aan de werknemer uitbetaalde loon.
14. Indien men besloot de onderhavige zaak enkel vanuit het oogpunt van gederfde "overheids"-inkomsten te beoordelen, zou men tot het verrassende resultaat komen om van de Duitse werkgevers sociale bijdragen te eisen die onevenredig zijn aan het uitbetaalde loon, en van de Filippijnse werknemers te verlangen dat zij inkomstenbelasting betalen die in geen verhouding staat tot het bedrag van dat loon.
15. Voor de Seebetriebsrat heeft de betrokken "steunmaatregel" niet alleen betrekking op de sociale lasten van de ondernemingen, maar ligt hij ook naar zijn aard in de beloningsvoorwaarden voor de betrokken zeelieden, die veel slechter zijn dan het in de Duitse collectieve arbeidsovereenkomsten vastgelegde minimumloon.
16. In deze zaak is de financiering van de "steunmaatregel" dus voornamelijk afkomstig uit particuliere middelen.
17. Zeker, in de vaste rechtspraak wordt er vaak op gewezen, dat
"artikel 92 ziet op alle steunmaatregelen van staten of met staatsmiddelen bekostigd, ongeacht of de steun rechtstreeks door de staat wordt verleend dan wel door van overheidswege ingestelde of aangewezen, publiek- of privaatrechtelijke beheersorganen".(10)
18. Het Hof heeft zich evenwel nooit uitgesproken over de vraag, of een maatregel die de kosten van bepaalde ondernemingen verlicht, als steunmaatregel kan worden aangemerkt wanneer er geen sprake is van een financiële bijdrage van de staat en van een publiek- of privaatrechtelijk orgaan dat is aangewezen of ingesteld om de steunmaatregel te beheren.
19. In het arrest betreffende de Italiaanse textielindustrie(11) werd de kwijtschelding van de normaliter op de werkgevers rustende sociale lasten gedragen door de sociale-zekerheidsorganen en was het Hof van oordeel, dat
"deze middelen, die afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de staat verplichte bijdragen en (...) worden beheerd en verdeeld overeenkomstig deze wetgeving, zijn te beschouwen als staatsmiddelen in de zin van artikel 92, zelfs indien zij worden beheerd door instellingen die los staan van de overheid".(12)
20. Op gelijke wijze had in de zaak Steinike & Weinlig(13) het bij bondswet in het leven geroepen Absatzfoerderungsfonds der deutschen Land-, Forst- und Ernaehrungswirtschaft tot doel, door tussenkomst van de door het fonds gefinancierde en gecontroleerde "Centrale Marketing-Gesellschaft der deutschen Agrarwirtschaft", de verkoop en de exploitatie van Duitse produkten aan te moedigen.(14)
21. In dat arrest oordeelde het Hof, dat
"het voor de toepassing van artikel 92 nochtans voornamelijk aankomt op de gevolgen van de steun voor de begunstigde ondernemingen en producenten, en niet op de situatie van de organen die de steun verdelen of beheren".(15)
22. In het arrest Commissie/Frankrijk(16) ging het om een situatie waarin de Caisse nationale de crédit agricole uit haar winsten een "solidariteitsuitkering" ten gunste van de meest achtergestelde boeren financierde. Het Hof verklaarde, dat
"onder artikel 92 EEG-Verdrag valt een steunmaatregel waartoe, zoals bij de onderhavige solidariteitsuitkering, door een openbare instelling is besloten en die door die instelling is gefinancierd, waaraan slechts na goedkeuring door de overheid uitvoering kan worden gegeven en waarvoor gelijkaardige toekenningsvoorwaarden gelden als voor een gewone steunmaatregel van de staat".(17)
23. In het arrest Frankrijk/Commissie(18) ging het om een door de Franse regering ingesteld Fonds industriel de modernisation (FIM), dat bijdroeg aan de financiering van ondernemingen in de vorm van leningen tegen lagere rente dan het markttarief. Dit fonds werd gefinancierd uit de opbrengst van de "comptes de développement industriel" ("Codevi"), privé-spaarrekeningen op zeer korte termijn, die waren vrijgesteld van inkomstenbelasting. Naar 's Hofs oordeel en volgens de niet door de Franse regering betwiste considerans van de beschikking van de Commissie
"kwam de combinatie van de belastingvrijstelling van de Codevi en de omzetting van de opbrengst ervan in FIM-leningen erop neer, dat aan de begunstigde ondernemingen een rentesubsidie werd verleend ten koste van de belastingontvangsten van de staat".(19)
24. In de zaak Griekenland/Commissie(20) wees het Hof erop, dat de rentevergoeding voor ondernemingen die voor de export werkten, door de Helleense Republiek waren ingevoerd "door tussenkomst van de Bank van Griekenland, die op dit gebied handelt onder rechtstreeks toezicht van de staat", en dat "de banken de rentevergoeding betalen of de bewijzen van de aankoop van deviezen toesturen aan de Bank van Griekenland, die dan tot betaling overgaat"(21), om tot de slotsom te komen, dat er sprake was van een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1.
25. Ook al wordt in andere arresten belang gehecht aan het bestaan van een aan de staat toe te rekenen gedraging, toch moet worden vastgesteld, dat er ook in die zaken een tusseninstantie was tussen de "bijdrageplichtigen" ° dat wil zeggen het geheel van werknemers, consumenten of ondernemers op wie de financiering van de steunmaatregel uiteindelijk drukt ° en de begunstigden.
26. Zo droegen in de zaak Commissie/Italië(22), betreffende de opslagkosten voor suiker, de suikerbietenproducenten een inhouding op de overeenkomstig een gemeenschapsverordening voor hen bestemde steun, om een bijzonder fonds te financieren waaruit een gedeelte van de opslagkosten aan de betrokken suikerfabrikanten werd terugbetaald. De heffing en het bijzondere fonds waren ingesteld door akkoorden tussen de beroepsorganisaties die respectievelijk de suikerindustrie en de suikerbietenproducenten vertegenwoordigden. Het Hof oordeelde, dat
"het optreden van de Italiaanse overheid niet beperkt blijft tot het verlenen van machtiging aan de vereveningskas om op te treden als lasthebber van de partijen bij de akkoorden tussen de beroepsorganisaties. Deze akkoorden bevatten immers verscheidene elementen die niet passen in een vrijelijk tussen particuliere organisaties gesloten overeenkomst. Zo is het bij voorbeeld de minister van Landbouw die constateert dat een akkoord tot stand is gekomen en dat het in de gegeven omstandigheden bindende werking 'erga omnes' zal hebben; in het akkoord voor het verkoopseizoen 1977/1978 wordt deze vaststelling voorafgegaan door een preambule, waarvan de minister verklaart dat zij een integrerend deel van het akkoord vormt; de akkoorden treden in werking zodra de CIP(23) de uitvoeringsmaatregelen heeft vastgesteld; en bij de akkoorden wordt een 'paritair comité' ingesteld, onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de minister en met de taak de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de akkoorden te bevorderen en bepaalde uitvoeringsregelingen vast te stellen."(24)
Hieruit leidde het Hof af, dat
"de totstandkoming en de uitvoering van de akkoorden tussen beroepsorganisaties, de verrichtingen van de vereveningskas voor suiker, en de door de CIP en de minister van Landbouw vastgestelde maatregelen onderling zo nauw samenhangen, dat zij onmogelijk afzonderlijk kunnen worden bezien. Men kan dan ook niet anders dan vaststellen dat de akkoorden tussen beroepsorganisaties een onderdeel zijn van een geheel van maatregelen strekkend tot steunverlening aan de Italiaanse suikerindustrie, waarvoor de Italiaanse regering de verantwoordelijkheid draagt."(25)
27. In het arrest Van der Kooy e.a.(26), betreffende de preferentiële aardgastarieven voor de Nederlandse tuinders, overwoog het Hof, ofschoon de Gasunie een privaatrechtelijke vennootschap was, het volgende:
"In de eerste plaats zijn de aandelen van Gasunie zodanig verdeeld, dat de Nederlandse staat er, direct of indirect, 50 % van in handen heeft en, direct of indirect, de helft van de leden van de raad van commissarissen benoemt, welk orgaan onder meer over de toe te passen tarieven moet besluiten. In de tweede plaats is de minister van Economische zaken bevoegd de door Gasunie toegepaste tarieven goed te keuren, hetgeen, ongeacht hoe die bevoegdheid wordt uitgeoefend, de Nederlandse regering de mogelijkheid geeft een tarief dat haar niet past, te blokkeren. Ten slotte hebben Gasunie en het Landbouwschap(27) tot tweemaal toe gevolg gegeven aan de inmenging van de Commissie om de Nederlandse regering tot een wijziging van het tuinbouwtarief te bewegen, en wel eerst na de ° later ingetrokken ° beschikking 82/73 van de Commissie en een tweede keer na de thans bestreden beschikking 85/215."(28)
Het Hof besliste vervolgens:
"Dit alles te zamen beschouwd toont aan, dat Gasunie bij de vaststelling van de gastarieven geenszins volledig autonoom handelt, maar onder toezicht van de overheid staat en haar aanwijzingen volgt. Vaststaat derhalve dat Gasunie het tarief niet kon vaststellen zonder rekening te houden met de door de overheid gestelde eisen"(29),
en:
"Dit volstaat om te kunnen concluderen, dat de vaststelling van het litigieuze tarief het gevolg is van een gedrag van de Nederlandse staat en dus kan vallen onder het begrip steunmaatregel van een Lid-Staat in de zin van artikel 92 van het Verdrag."(30)
28. De onderhavige zaak heeft als bijzonderheid, dat er geen door de staat aangewezen of aangestelde tussenpersoon bestaat tussen degenen die de "steunmaatregel" financieren, namelijk de uit derde landen afkomstige zeelieden, en de begunstigden, in casu de Duitse reders.
29. In de zaak Norddeutsches Vieh- und Fleischkontor(31) oordeelde advocaat-generaal VerLoren van Themaat als volgt:
"Men zou zeer wel de stelling kunnen verdedigen, dat ook een autonome toekenning van financieel waardeerbare voordelen die door Lid-Staten worden bekostigd, onder artikel 92 vallen. Daarbij kan men enerzijds denken aan door de Lid-Staat ten behoeve van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkten aan bij voorbeeld particuliere elektriciteitsbedrijven of vervoerondernemingen (zonder vergoeding van de kosten daarvan) voorgeschreven tariefverlagingen."(32)
30. Ik moet evenwel het arrest Van Tiggele(33) noemen, inzake een stelsel van minimumprijzen voor jenever, waarin het Hof besliste, dat
"ongeacht de definitie welke van het begrip steunmaatregel (...) moet worden gegeven, uit de bewoordingen zelf van de bepaling(34) volgt, dat een maatregel die wordt gekenmerkt door de vaststelling van minimumdetailhandelsprijzen ten einde de verkopers van een produkt, uitsluitend ten laste van de verbruikers, te bevoordelen, geen steunmaatregel in de zin van artikel 92 kan vormen"(35),
en besloot, dat
"de voordelen welke een dergelijke ingreep in de prijsvorming voor de verkopers van het produkt meebrengt, immers noch direct noch indirect, in de zin van artikel 92 met staatsmiddelen worden bekostigd".(36)
31. Er is tot nu toe geen duidelijk antwoord gegeven op een soortgelijke vraag met betrekking tot het begrip subsidies, dat voorkomt in de gedragscode voor subsidies en compenserende rechten, die is voortgekomen uit de overeenkomst inzake de uitlegging en de toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van het GATT.(37) G. Horlick, R. Quick en E. Vermulst(38) vermelden dienaangaande het volgende:
"In 1960 a Working Party on Subsidies stated:
' The GATT does not concern itself with such action (subsidies) by private persons acting independently of their governments except insofar as it allows importing countries to take actions under other provisions of the Agreement.' (39)
Such actions under other provisions of the agreement could be countervailing duties according to Article VI. A Working Party on Antidumping and Countervailing duties stated shortly thereafter:
' A large majority of the experts considered that it (the term subsidy) covered only subsidies granted by governments and semi-governmental bodies. Three experts considered that the word should be interpreted in a wider sense and felt that it covered all subsidies, whatever their character and whatever their origin, including also subsidies granted by private bodies.' "(40)
32. J.-F. Beseler en A.-N. Williams merken in hun boek Anti-Dumping and Anti-Subsidy Law(41) het volgende op:
"The problem is important. If a subsidy were to be equated with all forms of government intervention in the economy, this would lead, in the last resort, to the potential countervailability of any kind of state intervention, whether financial or merely regulatory, for example price controls of pollution standards.
The United States authorities appear to assimilate all forms of government intervention with subsidies.
Neither Article VI nor Article XVI of the GATT contain precise guidelines on the subject. However, the Illustrative List of export subsidies repeatedly uses such terms as 'provision' , 'delivery' , 'exception, remission' , or 'grant' by governments. The last item of the list, number '1' expressly refers to 'any other charge on the public account constituting an export subsidy ...' The references clearly imply that a financial contribution by the state is an indispensable prerequisite of a subsidy."(42)
33. Het schijnt derhalve, dat de Gemeenschap en de Verenigde Staten zich op dit punt in een volslagen afwijkende positie bevinden.
34. Het Amerikaanse recht staat namelijk toe, dat er anti-subsidieheffingen worden opgelegd tegen subsidies uit particuliere bron(43), ook al is de Amerikaanse overheid volgens de doctrine voorzichtig met het gebruik van deze mogelijkheid.(44) Horlick, Quick en Vermulst maken zich in het reeds aangehaalde artikel echter sterk voor het bestaan van een overheidsgedraging, zelfs wanneer de gelden afkomstig zijn uit particuliere bron, en concluderen, dat de in geding zijnde maatregel als subsidie moet worden gekwalificeerd. Zij oordelen immers:
"In between assistance provided by the government and subsidies by private companies one could locate subsidies, provided by private companies at the order of the government. It is this government-mandated type of assistance that the phrase 'required by government action' intends to cover. A good example of this practice can be found in the 1982 Certain Steel Products from Spain Case, in which the ITA found that the Spanish government had directed banks to lend certain funds to exporting companies in Spain at preferential rates and found this to confer a countervailable subsidy."(45)
35. Daarentegen herhaalde de Commissie in een besluit van 18 april 1985(46) duidelijk haar doctrine ter zake door als volgt te verklaren: "Op het gebied van internationale handel wordt een subsidie namelijk bovenal gekenmerkt door een financiële bijdrage van de overheid. Dit blijkt met name uit punt 1) van de Enuntiatieve Lijst van Uitvoersubsidies. Deze lijst, die eveneens als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2176/84(47) is opgenomen, vermeldt duidelijk dat een maatregel slechts dan als subsidie kan worden aangemerkt als hij ten laste van de overheidsfinanciën komt. Het zou onjuist zijn andere maatregelen dan die welke lasten voor de overheidsfinanciën met zich brengen, aan een subsidie gelijk te stellen. Dit zou namelijk in het uiterste geval ertoe leiden dat elk ingrijpen van de overheid in het economische leven als subsidie kan worden aangemerkt, of het nu gaat om belastingmaatregelen dan wel om louter bestuursrechtelijke voorschriften, bij voorbeeld de instelling van een prijzencontrole of normen op het gebied van milieuverontreiniging."
36. Deze principiële stellingname van de Commissie wordt overigens door 's Hofs rechtspraak bevestigd. In het arrest Fediol(48) beriep het Hof zich, toen verzoekster betoogde, dat het begrip subsidie niet noodzakelijkerwijs een last voor de overheidsfinanciën veronderstelde, op de Enuntiatieve Lijst van Uitvoersubsidies, opgenomen als bijlage bij verordening (EEG) nr. 2176/84, en stelde het het volgende vast:
"In het laatste punt van deze lijst worden 'alle andere uitgaven ten laste van de overheidsfinanciën' als uitvoersubsidie in de zin van artikel XVI van het GATT aangemerkt"(49),
waaruit het afleidde, dat
"zowel uit de formulering van deze algemene bepaling als uit de andere in de lijst opgenomen voorbeelden blijkt, dat de gemeenschapswetgever het begrip uitvoersubsidie aldus heeft opgevat, dat het noodzakelijkerwijs financiële lasten impliceert die rechtstreeks of indirect door de overheid worden gedragen".(50)
37. Uw Hof moet dus, in het centrum van een problematiek die binnen het GATT uitvoerig aan de orde is geweest, op een gelijksoortig gebied positie kiezen.
38. In zijn conclusie bij het arrest Fediol (reeds aangehaald) baseerde advocaat-generaal Mancini zich overigens, met name om steun te vinden voor de uiteindelijk door het Hof overgenomen stelling, op "de wijze waarop het Verdrag ° dat, laten wij dit niet vergeten, een internationale overeenkomst is ° het daarmee verwante fenomeen van de steun regelt". Hij vervolgde met de verwijzing, dat naar zijn mening "de steunmaatregel volgens artikel 92 immers uit een overheidsmaatregel bestaat die een last meebrengt voor de overheidsfinanciën en erop is gericht bepaalde bedrijven of produkties te begunstigen".(51)
39. Ter terechtzitting gaf de Commissie ter ondersteuning van haar stelling, dat de in deze zaak in geding zijnde maatregel een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, is, als voorbeeld een door de staat ingestelde heffing op de aankoop van bepaalde produkten, welke zou worden gestort in een fonds dat de betrokken bedragen weer aan een bepaalde onderneming doorgeeft. Een dergelijke maatregel zou in haar ogen ontegenzeglijk een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, zijn.
40. Naar mijn mening dient, gezien de feiten in casu, een extremer voorbeeld te worden gegeven. Nemen wij een van de overheid afkomstig voorschrift dat particulieren ° consumenten, werknemers, handelsondernemingen of elke andere categorie van privé-personen ° verplicht bedragen te betalen aan een bepaalde onderneming of aan een bepaalde industriesector in het bijzonder. Naar mijn idee verlangt de ratio legis van artikel 92, te weten handhaving van gelijke mededingingsvoorwaarden tussen de ondernemers die zich in een situatie van mededinging bevinden, dat een dergelijke maatregel zou worden gekwalificeerd als steunmaatregel. Het "overheids"-karakter dat artikel 92, lid 1, impliceert, heeft meer betrekking op de overheidsinstantie die de maatregel heeft uitgevaardigd ° de staat en de daaruit voortgekomen instanties °, die op deze wijze de normale marktcondities komt verstoren, dan op het lichaam of de persoon die de steunmaatregel financiert. De inkomsten van de staat worden gevoed door privé-personen door middel van directe of indirecte belastingen en uiteindelijk drukt de financiering van de steunmaatregel, ongeacht de aard en het aantal tussenliggende instanties, op meer of minder vage manier in ieder geval op de burgers en de ondernemers. Naar mijn gevoel, en gelijk het Hof in het arrest Steinike & Weinlig(52) besliste, komt het voornamelijk aan op
"de gevolgen van de steun voor de begunstigde ondernemingen en producenten".(53)
Met de herkomst van de middelen behoeft dus niet in het bijzonder rekening te worden gehouden.
41. Vanaf het moment dat een onderneming zich bevoordeeld ziet door een ontheffingsmaatregel die voortkomt uit een duidelijke gedraging van de staat, ongeacht de herkomst van de financiering, worden de mededingingsvoorwaarden aangetast en moeten de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag toepassing vinden.
42. Als de Duitse regering een bijzonder fonds had ingesteld, gefinancierd met verplichte bijdragen die worden geheven over het loon dat aan uit derde landen afkomstige zeelieden wordt uitbetaald, en met de opdracht de investeringen van de Duitse reders te financieren, dan zou niet worden betwist dat een dergelijke maatregel binnen het bereik van de artikelen 92 en 93 valt. De afwezigheid van een tusseninstantie in deze zaak lijkt mij niet beslissend.
43. Het "overheids"-karakter van de maatregel mag naar mijn mening slechts betrekking hebben op de vraag van de toerekenbaarheid. Vloeit, met andere woorden, de steunmaatregel voort uit een gedraging die aan de staat is toe te rekenen? In de zaak Van der Kooy e.a.(54) stelde het Hof, ofschoon Gasunie een privé-vennootschap is waarvan de Nederlandse Staat een gedeelte van het kapitaal houdt, zorgvuldig vast, welke invloed de Nederlandse regering kon hebben op de beslissingen van Gasunie over de vaststelling van de tarieven.(55) Vaak zal het eenvoudig om wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften gaan. In casu vloeit de eventueel als steunmaatregel te kwalificeren maatregel voort uit een bondswet en de vraag of er sprake is van een aan de staat toe te rekenen gedraging, laat geen twijfel toe.
44. Men kan trouwens in zoverre niet uitgaan van het facultatieve karakter van de maatregel. Zodra deze voortvloeit uit een vrijwillige concrete gedraging van een Lid-Staat, is het feit dat de aangevochten bepaling enkel een mogelijkheid opent, op zich niet voldoende om haar te doen ontkomen aan toepassing van artikel 92, lid 1. De marktstructuur en de felle mededinging op de gemeenschapsmarkt kunnen er immers toe leiden, dat de ondernemingen die van het voordeel kunnen profiteren, in feite bijna alle gebruik maken van de hun aldus geboden mogelijkheid om hun produktiekosten te verlagen. Steunmaatregelen voor de vestiging van ondernemingen in een bepaald geografisch gebied hebben evenmin een verplicht karakter en het is ook niet gemakkelijker om vooraf precies vast te stellen, wie de begunstigden zijn. Toch wordt niet betwist, dat dergelijke maatregelen steunmaatregelen zijn.
45. Het arrest Van Tiggele(56) laat zich waarschijnlijk verklaren door de bijzondere aard van de prijsregelingen, die overigens onverenigbaar zijn met artikel 30 EEG-Verdrag wanneer zij, zoals de vaststelling van minimumprijzen op een bepaald bedrag, de afzet van ingevoerde produkten kunnen bemoeilijken. Hun karakter van maatregelen van algemene strekking belet ongetwijfeld eveneens om ze, behoudens bijzondere omstandigheden(57), zonder meer als steunmaatregelen te bestempelen. Ik zal zo meteen de zeer precaire vraag van maatregelen van algemene strekking onderzoeken.
46. Deze zaak is op grond van de ontwikkeling van het communautaire recht inzake steunmaatregelen dus dé gelegenheid om een parallelle ontwikkeling van het anti-subsidierecht in gang te zetten, die het de Commissie mogelijk zou maken om, evenals haar Amerikaanse evenknie, met meer succes te strijden tegen maatregelen die de handelsbelangen van de Gemeenschap aantasten. Zoals H. Lesquillons onder verwijzing naar het standpunt van de Commissie in de zaak Fediol (reeds aangehaald) betoogde(58), "is de Commissie in zekere zin gebonden aan de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag en aan haar eigen beoordelingen met betrekking tot steunmaatregelen van de Lid-Staten ten behoeve van hun ondernemingen en ook door de communautaire steunregelingen voor ondernemingen. Een algemene samenhang is noodzakelijk."
47. Indien de steunmaatregel rechtstreeks door privé-personen kan worden gefinancierd, kunnen vele door de staat gestelde regels die bepaalde ondernemingen of bepaalde industriële sectoren in staat stellen hun produktie- of verhandelingskosten te reduceren, als steunmaatregelen worden gekwalificeerd. De Duitse regering heeft ter terechtzitting het voorbeeld genoemd van een wettelijke regeling die niet alle ondernemingen onderwerpt aan bepalingen inzake ontslagbescherming of inzake medezeggenschap in de onderneming. Van belang voor het onderscheid tussen deze maatregelen van algemene strekking en het begrip steunmaatregel is, naar mijn mening, het criterium van "selectiviteit van de steunmaatregel".(59) Deze voorwaarde wordt uitdrukkelijk gesteld in artikel 92, lid 1, dat verlangt, dat de steunmaatregel "bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties" bevoordeelt.
48. Het gaat om een zeer moeilijke vraag, waarover het Hof zich tot op heden betrekkelijk zelden heeft uitgesproken. In zijn arrest Commissie/Frankrijk(60) verwierp het het argument, dat de instelling van een preferentieel herdiscontotarief voor de uitvoer niet als steunmaatregel kon worden aangemerkt omdat het aan alle uitgevoerde nationale produkten ten goede komt.(61) Evenzo gaf het in een niet-nakomingszaak tegen Italië(62) de Commissie gelijk, die gesteld had dat de gedeeltelijke fiscalisatie van werkgeversbijdragen een steunmaatregel was, in zoverre zij leidde tot een sterkere verlaging van die bijdragen aan het stelsel van ziekteverzekering voor vrouwelijke dan voor mannelijke werknemers, waardoor bepaalde Italiaanse produkties, waar vrouwelijke arbeidskracht van bijzonder belang was, werden bevoordeeld. In haar conclusie in deze zaak merkte advocaat-generaal Rozès op:
"De Commissie geeft echter toe, dat het bij wet nr. 33 van 23 februari 1980 ingevoerde stelsel slechts een eerste aanloop vormt naar de uitbreiding van de fiscalisatie der werkgeversbijdragen aan het stelsel van ziekteverzekering tot de gehele Italiaanse economie, en voldoende algemeen is om niet onder de toepassing van artikel 92, lid 1, te vallen, behalve op één punt, namelijk de grotere vermindering voor vrouwelijke werknemers. Deze vermindering begunstigt bepaalde produktiesectoren die bijzonder actief zijn in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en voornamelijk vrouwelijke werkkrachten gebruiken, en vormt zodoende een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel."(63)
49. In de zaak Commissie/Ierland(64) betoogde de Commissie, dat regeringsmaatregelen die de gehele nationale produktie bevoordelen ten opzichte van ingevoerde produkten, te algemeen waren om binnen het toepassingsgebied van artikel 92, lid 1, te komen. Advocaat-generaal Capotorti was echter in zijn conclusie in die zaak een tegenovergestelde mening toegedaan. Hij drukte zich, wat artikel 92 betreft, uit als volgt:
"Deze bepaling is vaak uitgelegd als zou de verwijzing naar 'bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties' een strikte beperking inhouden: met andere woorden, alleen aan bestaande sectoren toegekende staatssteun zou onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Ik meen echter dat deze uitlegging onjuist is. Het volstaat erop te wijzen, dat van de categorieën steunmaatregelen die met de gemeenschappelijke markt verenigbaar of eventueel ermee verenigbaar worden geacht (artikel 92, leden 2 en 3), sommige stellig niet tot bepaalde sectoren zijn beperkt (zoals die tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of tot opheffing van een ernstige verstoring in de economie van een Lid-Staat). Waarom zou daarvan gewag zijn gemaakt, indien de algemene verbodsbepaling van lid 1 alleen betrekking had op steun verleend aan bepaalde sectoren? Nog afgezien van de tekst van artikel 92, ben ik in ieder geval van oordeel, dat het wel degelijk gerechtvaardigd is van een algemeen en principieel verbod van overheidssteun aan de nationale produktie te spreken, wil men niet tot de ongerijmde opvatting vervallen, dat steunmaatregelen ten gunste van bepaalde sectoren verboden en die met een ruimere draagwijdte geoorloofd zijn."(65)
50. Ik deel dit standpunt, maar ik wil wel met C. Quigley(66) benadrukken, dat "the dividing line between general aids and general measures of economic policy may be rather obscure". Naar mijn mening moet het bestaan van een specifieke factor worden vastgesteld, die het mogelijk maakt een maatregel van algemene strekking als steunmaatregel te kwalificeren. Bij lezing van de rechtspraak ben ik geneigd te denken, dat het enige fundamentele bestanddeel dat voor de toepassing van artikel 92, lid 1, is vereist, het uit haar aard zelf uitzonderlijke karakter van de maatregel is in vergelijking met de opbouw van het algemene stelsel waarin zij is ingebed.
51. Dit is naar mijn mening de ratio decidendi van het arrest Commissie/Frankrijk(67), waarin het instellen van een preferentieel herdiscontotarief voor de uitvoer als steunmaatregel werd gekwalificeerd. De uitzondering schuilt hier in het bestaan van een bijzonder percentage, dat onder het algemeen toepasselijke lag.
52. Hetzelfde geldt voor het arrest Commissie/Italië(68), waarin de Commissie de steunmaatregel zag in de sterkere verlaging van de werkgeversbijdragen voor de ziekteverzekering ten gunste van vrouwelijke werkkrachten. In het arrest betreffende de Italiaanse textielindustrie stelde het Hof evenzo vast, dat de in geding zijnde maatregel bestemd was "om de ondernemingen in een bepaalde industriesector ten dele vrij te stellen van de geldelijk lasten die voortvloeien uit de normale toepassing van het algemene stelsel van sociale voorzieningen, zonder dat deze vrijstelling gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van dit stelsel".(69)
53. De verwijzing naar de mogelijkheid om de vrijstelling "door de aard of de opzet" van het systeem te rechtvaardigen, toont duidelijk aan, dat het noodzakelijk is, het uitzonderingskarakter van de betwiste bepaling vast te stellen ten opzichte van, in zekere zin, wat "rechtens normaal" is.
54. Ook uit de rechtspraak inzake de deelneming van de staat in het kapitaal van privaatrechtelijke ondernemingen blijkt, dat het Hof zich op dit criterium baseert. Het deelnemen onder voorwaarden die niet dezelfde zouden zijn als voor een particuliere belegger, is namelijk in zo' n geval kenmerkend voor het begrip steunmaatregel.(70) In de "klassieke" vooronderstelling, waarin door de staat een subsidie of een lening tegen preferentiële percentages wordt toegekend, is het uitzonderingskarakter eveneens aanwezig, hetzij omdat het niet in de aard van de overheid ligt om privé-personen te financieren, hetzij voor zover de voorwaarden van dit handelen niet overeenkomen met die van de markt.
55. Het lijdt geen twijfel, dat deze verwijzing naar het uitzonderingsaspect van de steunmaatregel is terug te voeren tot politieke en filosofische opvattingen over de rol van de staat en over de grenzen van zijn economische interventie. Het wekt daarom geen verbazing, dat het de ratio legis van artikel 92 is om interventies van de staat die buiten het algemene wettelijk bestek inzake economische activiteiten vooral op fiscaal en sociaal gebied vallen, aan gemeenschappelijk toezicht te onderwerpen. Het begrip uitzondering maakt het mijns inziens, veel meer dan het aanwijzen van specifieke begunstigden, mogelijk onderscheid te maken tussen steunmaatregelen en deze algemene maatregelen op economisch en sociaal gebied.
56. Hier geldt hetgeen M.-J. Sussman(71) opmerkt ten aanzien van het begrip subsidie in de Amerikaanse wetgeving tot uitvoering van de GATT-bepalingen:
"No government benefit is used by every citizen; all accrue to specific sectors. For example, paved roads are mainly used only by vehicle drivers, and in developing countries, large portions of the population may gain little from such benefits; government support of employee training, such as the United States provides, accrues only to industries that have such programs; and government provision of copper at prices just slightly above cost is a benefit which accrues only to users and consumers of copper."(72)
57. Het is natuurlijk heel eenvoudig om de specifieke begunstigden van de steunmaatregel te identificeren, wanneer deze de vorm heeft van een uitbetaling van sommen gelds aan deze of gene onderneming. Maar in het geval van een algemene maatregel schiet dit criterium tekort, want, zoals de aangehaalde auteur aantoont, komen zelfs algemene maatregelen hoe dan ook slechts aan sommigen ten goede. Op gelijke wijze kan men bij een uitzonderingsregeling ten gunste van, bij voorbeeld, exportondernemingen niet bij voorbaat de omvang van de groep begunstigden vaststellen. Het lijkt mij, dat in een dergelijk geval de steunmaatregel door haar uitzonderingskarakter zelf moet worden gekenmerkt.
58. Het onderscheid tussen het toepassingsgebied van de artikelen 92 en 93 enerzijds en dat van de artikelen 99-102 EEG-Verdrag anderzijds is natuurlijk niet gemakkelijk. Naar mijn mening is een maatregel uitzonderlijk, wanneer zij niet van toepassing is op alle ondernemingen of op alle industriesectoren die, gelet op de aard of de opzet van dit stelsel, daarvan zouden kunnen profiteren.
59. Het voorbeeld van het arrest Commissie/Frankrijk(73) verduidelijkt deze problematiek. De vaststelling van een herdiscontotarief voor alle al dan niet voor uitvoer bestemde Franse produkten zou een maatregel van algemene strekking zijn geweest, die naar mijn mening niet als steunmaatregel had kunnen worden gekwalificeerd, zelfs niet indien dat percentage gunstiger was geweest dan wat in de andere staten van de Gemeenschap werd gehanteerd. Dergelijke mededingingsdistorsies tegenover de ondernemingen die in andere Lid-Staten opereren, zouden vermeden kunnen worden door toepassing van de artikelen 99-102 EEG-Verdrag. Zodra het voorkeurtarief betrekking heeft op enkel de uitgevoerde produkten, ontstaat er daarentegen een voordeel op de binnenlandse markt ten gunste van exporterende ondernemingen. Daar dit voordeel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten nadelig beïnvloedt, is er sprake van een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1.
60. Het arrest Commissie/Italië(74) geeft daarvan een ander voorbeeld. De sterkere verlaging van de werkgeversbijdragen, uitsluitend voor vrouwelijke werkkrachten, begunstigde de Italiaanse ondernemingen die voornamelijk vrouwelijke werknemers in dienst hebben. De Commissie gaf in die zaak toe, dat de maatregel bij een korting van de werkgeversbijdragen over de gehele linie niet onder artikel 92 zou zijn gevallen.
61. Sommige auteurs gebruiken hier het begrip "discriminatie".(75) Dit begrip lijkt mij, zonder onjuist te zijn, dubbelzinnig wanneer het om steunmaatregelen gaat. Discriminatie onderstelt immers noodzakelijkerwijs het bestaan van ondernemingen of produkties in een gelijke situatie, derhalve in mededinging, die van het voordeel van de betrokken maatregel uitgesloten zouden zijn. In casu nu kan een steunmaatregel de facto worden voorbehouden aan bepaalde ondernemingen of aan bepaalde produkties, terwijl in de betrokken Lid-Staat geen concurrerende ondernemingen of produkties bestaan. Toch blijft het een feit, dat de steunmaatregel, door af te wijken van wat de normale toepassing van het betrokken stelsel zou zijn, de mededinging vervalst ten koste van de in andere Lid-Staten gevestigde ondernemingen. Het is volgens mij niet nodig een "discriminatie" binnen de betrokken Lid-Staat zelf vast te stellen, hetgeen de vaststelling van het bestaan van een concurrerende produktie of onderneming zou impliceren. Nogmaals, alleen het uitzonderingskarakter van de maatregel lijkt mij een vereiste.
62. Naar mijn mening staat het uitzonderingscriterium niet toe, fiscale of sociale maatregelen als steunmaatregelen te beschouwen die in die zin van algemene strekking zijn, dat alle ondernemingen in de betrokken Lid-Staten ervan kunnen profiteren, zoals de vaststelling van werkgeversbijdragen of vennootschapsbelasting op een bepaald percentage. Indien het niveau van de fiscale en sociale verplichtingen van de ondernemingen in een Lid-Staat aanzienlijk lager is dan in andere staten, dan zou voor een dergelijke situatie, die ontegenzeglijk de mededinging beïnvloedt, een oplossing kunnen worden gevonden door toepassing van de artikelen 99-102 EEG-Verdrag. Met andere woorden, het algemene voordeel dat deze of gene nationale wettelijke regeling verschaft, zou niet kunnen worden aangepakt via artikel 92, lid 1; voor de toepassing van dit laatste artikel dient het bestaan te worden vastgesteld van een extra voordeel dat uit de uitzondering met name van de sociale of fiscale wetgeving voortvloeit. Mijns inziens is het dit wat het Hof in zijn arrest Italië/Commissie(76) tot uitdrukking wilde brengen door te oordelen,
"dat (...) in de artikelen 99 tot en met 102 van het Verdrag wordt bepaald, op welke wijze generieke distorsies als gevolg van verschillen tussen de stelsels van belastingen en sociale zekerheid in de afzonderlijke Lid-Staten kunnen worden opgeheven, mede gelet op de structurele moeilijkheden van bepaalde industriesectoren;
dat daarentegen de eenzijdige wijziging van een bepaalde factor van de produktiekosten in een economische sector in één Lid-Staat het bestaande evenwicht kan verstoren".(77)
63. Dezelfde problematiek ontmoet men bij het subsidiebegrip van de anti-subsidiecode van het GATT. Beseler en Williams(78) merken daarbij op:
"The effects of measures of a general nature on international trade are difficult or even impossible to determine since they tend to be mitigated or counterbalanced by other macro-economic factors, such as, for example, the variation in exchange rates or the level of taxation influenced by the measures in question. In any case, any attempt to call a measure of a general nature a subsidy would be absurd because, ignoring that the policies of all modern states imply, to varying degrees, some financial intervention of the government, it would make countervailable large sections of social and economic policy."
64. Deze auteurs merken voorts op, dat
"the Community, though not having specifically mentioned this criterion in its own legislation, has therefore consistently argued in GATT that sector specificity is an indispensable requirement of any domestic subsidy".(79)
65. De Commissie formuleerde dit in haar besluit van 16 april 1985(80) als volgt: "Financiële steun van staatswege is altijd een van de voornaamste instrumenten van economisch en sociaal beleid geweest. Voor zover de uitwerking van een dergelijke steun van algemene aard is, heeft er geen concurrentievervalsing plaats op het nationale vlak. Zo leveren maatregelen die als van algemeen belang worden beschouwd, zoals de totstandbrenging of verbetering van nationale stelsels op het gebied van infrastructuur, onderwijs, volksgezondheid of vervoer, niet dergelijke verstorende gevolgen op. Elke concurrentievervalsing houdt in dat er discriminatie bestaat tussen de begunstigden van dergelijke stelsels. In het geval van uitvoersubsidies wordt gediscrimineerd tussen de produktie welke voor de binnenlandse markt en die welke voor uitvoer is bestemd. De binnenlandse subsidies worden daarentegen gekenmerkt door het feit dat met de toekenning ervan wordt beoogd bepaalde ondernemingen te bevoordelen."(81)
66. Toch schijnt het, dat voor de Commissie het criterium specificiteit in voorkomend geval de vorm kan aannemen van een uitzondering op de algemeenheid van een stelsel. Toen zij werd geconfronteerd met verschillen in uitvoerheffingen op sojaprodukten, verklaarde zij in haar besluit betreffende de invoer van soja uit Argentinië(82) eerst het volgende: "Uit de voorschriften van het GATT en uit de communautaire wetgeving, in het onderhavige geval de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2176/84, blijkt duidelijk dat het begrip lasten voor de overheidsfinanciën ook het afzien door de overheid van door een belastingplichtige verschuldigde belastingen of andere heffingen omvat. De Commissie merkt echter op, dat de situatie die zich in het onderhavige geval voordoet, niet een dusdanig afzien inhoudt, doch veeleer het niet invoeren van een nieuwe fiscale verplichting. Indien in het algemeen het niet invoeren van een belasting als een subsidie zou worden beschouwd, zou dit betekenen dat een overheid door bepaalde personen of produkten te belasten, maar andere niet, geacht moeten worden deze laatste financieel te steunen."(83) Zij erkende desondanks: "Men zou zich kunnen afvragen of de bovengenoemde redenering stand houdt in het geval waarin de op fiscaal gebied geschapen nieuwe verplichting de algemene regel is en waarin het niet scheppen van een dergelijke verplichting een uitzondering op deze algemene regel is."(84)
67. Het criterium uitzondering is ook toegepast in het arrest Fediol.(85) Daarin wijst het Hof erop, dat
"het begrip lasten niet enkel slaat op het geval waarin de staat een financiële bijdrage levert, maar ook op het geval waarin de staat afziet van de inning van heffingen en aldus een uitzondering op een algemeen geldende belastingregel invoert"(86),
en dat de verzoekster niet had aangetoond, dat
"de Argentijnse staat (...) inkomsten heeft moeten derven die hem volgens het algemene heffingenstelsel normalerwijze zouden zijn toegevallen".(87)
68. Het criterium dat ik op het gebied van steunmaatregelen voorstel, zou dus volledig aansluiten bij het criterium dat de rechtspraak hanteert bij het begrip subsidie.
69. Het Amerikaanse recht vertoont echter op dit punt grote aarzeling. De International Trade Administration, wier taak het is het anti-subsidierecht toe te passen, gebruikte op dit punt de "specificity test", die gewoonlijk wordt omschreven als volgt: "The relevant inquiry under it is whether the benefit is bestowed upon a specific sector of the economy or is available generally to any similarly situated potential beneficiary. If the benefit is targeted to a specific sector, it is a countervailable bounty or grant. If it is made generally available to all similarly situated sectors, it is considered to be a valid non-countervailable government program, even if it has the incidental effect of encouraging exports."(88) Deze "test" werd echter verworpen door de Court of International Trade in zijn arrest Cabot Corporation v. United States(89), ten gunste van een analyse die uitsluitend betrekking had op de uitwerkingen van de betwiste maatregelen.
70. Dit arrest wordt door de Amerikaanse doctrine verschillend beoordeeld.(90) Zo merkt Sussman(91) op: "If a 'bounty or grant' is defined for the purpose of the countervailing duty law solely by its effects, then a subsidy will be found whenever there is a difference between the cost of production of an imported good and its cost of production in the absence of a particular government or private benefit bestowed on the producer. Under this definition, virtually every act of government is a subsidy, including such things as the construction and maintenance of roads and the provision of police and armies."
71. De Court of International Trade heeft "public goods" echter uitgesloten van het begrip subsidie, daartoe overwegende: "Governments provide many such goods and services because of the inability of the price system to effectively provide these goods which tend to be indivisible and collectively consumable by all citizens whether they pay for them or not (...) A public good provided by government benefits society in a collective manner. It is not conferred upon any specific enterprise or industry."(92)
72. Het is ongetwijfeld niet nodig om hier vast te stellen, welk van de artikelen 99-102 het meest geschikt is om er de opheffing van de uit de fiscale en sociale stelsels van de Lid-Staten voortvloeiende mededingingsdistorsies op te baseren. Zoals D. Vignes(93) beklemtoonde: "Bij de constatering, dat in veertien jaar van communautair samenleven artikel 101 zelden is ingeroepen en niet als uitgangspunt voor een gemeenschapshandeling heeft gediend, kan men zich afvragen of het hier niet een tekst betreft, die slecht is opgesteld en gebaseerd op een onjuiste gedachtengang." En toch lijken de bewoordingen zelf van de bepaling te doelen op nationale maatregelen van algemene strekking, waarvan de "dispariteit (...) de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt vervalst en zodoende een distorsie veroorzaakt". Al in 1956 werd in het rapport Spaak onderscheid gemaakt tussen de algemene distorsiesituaties die te wijten zijn aan de kenmerken van de sociale of fiscale wetgeving van de Lid-Staten, waarvan de weerslag op de ondernemingskosten "gewoonlijk [werden] gecompenseerd door de algemene voorwaarden van het handelsverkeer, in het bijzonder de wisselkoers"(94), en de bijzondere distorsiesituaties die specifiek betrekking hebben op een bepaalde sector van de economie van een Lid-Staat. Deze laatste zouden onder artikel 101 vallen. Ik moet echter vaststellen, dat tot op heden het toepassingsgebied van dit artikel in de rechtspraak niet is vastgesteld. Dit artikel heeft, zoals Vignes aangeeft, wellicht een bijzondere draagwijdte binnen het ruimere toepassingsgebied van artikel 100. Het buiten toepassing blijven van artikel 101 vindt ongetwijfeld ook zijn oorsprong in het feit, dat de in het rapport Spaak als behorend bij deze bepaling genoemde situaties [de "distorsies ten voordele of ten nadele van bepaalde industriesectoren of van bepaalde typen ondernemingen", "verschil in de kostprijs (...) die kunstmatig is ingesteld tussen ondernemingen die overigens dezelfde economische of technische karaktereigenschappen kunnen hebben"], tegenwoordig zouden worden beschouwd als bestanddelen van een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1.
73. Nu kom ik toe aan de toepassing op het hier in geding zijnde geval van het "uitzonderings"-criterium dat ik meen te kunnen afleiden uit de gehele rechtspraak van het Hof.
74. Het is een moeilijk probleem. Is de in geding zijnde maatregel een afwijking van een algemeen stelsel? De Duitse regering wijst erop, dat vóór de instelling van het tweede scheepsregister artikel 30 van de Invoeringswet van het Duitse burgerlijk wetboek reeds de mogelijkheid bood, in een gelijk geval het Duitse recht niet toe te passen. Die mogelijkheid is volgens de Duitse regering bevestigd door een arrest van het Bundesarbeitsgericht van 24 augustus 1989.(95) Ook het volkenrecht, aldus nog steeds de Duitse regering, voorziet in het recht om in een dergelijk geval het recht van de vlaggestaat niet toe te passen. Met name wordt verwezen naar artikel 5, lid 1, van het Verdrag van 29 april 1958 inzake de volle zee, en artikel 6 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.(96) De wet waarbij het tweede register werd ingesteld, is slechts aangenomen om de toestand te verduidelijken, omdat de Duitse reders, ten minste tot aan het reeds genoemde arrest van het Bundesarbeitsgericht, niet zeker waren, dat zij hun nationale recht buiten toepassing konden laten, en er hoe dan ook de voorkeur aan gaven, hun schepen te boek te stellen in registers van landen buiten de Gemeenschap.
75. Deze opmerkingen zijn van belang. De in geding zijnde maatregel heeft, laten wij dat meteen zeggen, geen uitzonderingskarakter. Het gaat eenvoudig om een regel die de grenzen van de toepassing van het Duitse recht afbakent of, nauwkeuriger, die het particulieren toestaat, indien hun overeenkomst een grensoverschrijdend aspect vertoont, het toepasselijke recht te kiezen. Zoals de Duitse regering ° naar mijn mening terecht ° opmerkte, kan slechts wanneer de rechtsorde van een Lid-Staat van toepassing is, de staat binnen deze rechtsorde bijzondere uitzonderingsmaatregelen treffen, die dan onder de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag vallen. De situatie is hier vergelijkbaar met die van ondernemingen uit de Gemeenschap, die hun produktiebedrijven vestigen in derde landen waar de loonkosten lager zijn. Men zou toch ook niet op het idee komen, de wettelijke regeling van een Lid-Staat die deze ondernemingen toestaat de loonvoorwaarden van het nationale recht niet toe te passen, aan artikel 92 te toetsen. De bijzonderheden van deze zaak komen voort uit het feit dat scheepvaartondernemingen werknemers uit derde landen in dienst kunnen nemen zonder dat dezen verblijfplaats hebben in een van de Lid-Staten en dus een verblijfsvergunning in een van deze staten moeten aanvragen.
76. Hierbij doet niet ter zake, dat de Duitse wetgever het nuttig heeft geacht een tweede scheepvaartregister in te stellen om op die mogelijkheid te wijzen. Deze wetswijziging is immers, gelet op het reeds aangehaalde arrest van het Bundesarbeitsgericht, geen uitzondering ten opzichte van een vroegere rechtstoestand die toepassing van het arbeidsrecht van de vlaggestaat verplicht zou hebben gesteld.
77. Volgens de rechtspraak van het Hof is overigens een wijziging ten opzichte van een vroegere rechtstoestand geen beslissend criterium. In het arrest Italië/Commissie(97) oordeelde het Hof weliswaar dat
"bij de toepassing van artikel 92, lid 1, noodzakelijkerwijs moet worden uitgegaan van de mededingingssituatie op de gemeenschappelijke markt vóór de totstandkoming van de litigieuze maatregel"(98),
maar dat is kennelijk om na te gaan, of de in geding zijnde maatregel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt.(99)
78. In het arrest Griekenland/Commissie(100) verklaarde het Hof, dat het van geen belang is, dat
"vergeleken met het oude stelsel van exportkredieten de rentevergoeding economisch neutraal is voor het concurrentievermogen van de Griekse exporten en dat de Commissie tegen het oude stelsel niet is opgetreden, aangezien het huidige stelsel, los van het oude beschouwd, bepaalde ondernemingen bevoordeelt".(101)
79. Evenmin kan men de bedoelingen in aanmerking nemen waaraan de Duitse wetgever bij de instelling van het tweede register uitdrukking heeft gegeven. Want in de eerste plaats wijkt dit, zoals gezegd, op het punt waarom het hier gaat, niet van de vroegere rechtstoestand af, en in de tweede plaats gaat het in de rechtspraak niet om de doelstellingen van de maatregelen(102), maar om de gevolgen ervan.(103) In de enige zaak(104) waarin het Hof rekening hield met het feit, dat de litigieuze bepalingen naar zeggen van de betrokken regering een onderdeel waren van een pakket maatregelen ten gunste van bepaalde ondernemers, betwistte die regering, nadat zij die bepalingen overeenkomstig artikel 93, lid 3, ter kennis van de Commissie had gebracht, voor het Hof hun karakter van steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1.(105) Het Hof kwalificeerde daarop de betrokken maatregel als een steunmaatregel, hoofdzakelijk op grond dat de toekenningsmodaliteiten ervan overeenkwamen met die van een gewone overheidssteun.
80. Wezenlijk is volgens mij de vraag, of er een algemene regel bestaat die zegt, dat het arbeidsrecht van de vlaggestaat dwingend moet worden toegepast op arbeidsovereenkomsten met uit derde landen afkomstige zeelieden die geen ingezetenen zijn van de vlaggestaat.
81. Wanneer dit naar Duits recht niet het geval is, dan is het ook niet het geval naar het tussen de Lid-Staten geldende internationaal privaatrecht. Zo staat het Verdrag van Rome aan partijen bij een arbeidsovereenkomst toe, de op deze overeenkomst toepasselijke wet te kiezen (artikelen 3, lid 1, en 6, lid 1), mits deze keuze de werknemer niet de bescherming ontzegt die hem zou worden geboden door de dwingendrechtelijke bepalingen van de wet die zonder rechtskeuze toepasselijk zou zijn. Deze wet kan volgens artikel 6, lid 2, zijn: hetzij de wet van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, hetzij de wet van het land waar de onderneming die de werknemer aanneemt, is gevestigd, hetzij de wet van een land waarmee de arbeidsovereenkomst de nauwste banden heeft. In zoverre lijkt het mij niet onredelijk, ervan uit te gaan dat, als dit het geval zou zijn, de in het Spaans opgestelde en op de Filippijnen gesloten arbeidsovereenkomst met een Filippijnse zeeman inzake tewerkstelling aan boord van een zeeschip dat vaart op trajecten tussen Zuidoost-Azië en de Bondsrepubliek Duitsland, waarbij de werknemer in geen geval woonplaats in Duitsland kan hebben, wordt beheerst door het Filippijnse recht.
82. Het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de totstandbrenging van een communautair scheepsregister en de voorziening in de mogelijkheid van het voeren van de communautaire vlag door zeeschepen(106), door de Commissie op 2 augustus 1989 ingediend, bepaalt in artikel 8:
"De lonen, arbeidsuren en verdere arbeidsvoorwaarden van zeelieden die geen onderdaan van een Lid-Staat zijn, varende op in EUROS geregistreerde schepen, zijn in overeenstemming met aanbeveling 109 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake lonen(107), arbeidsuren en bemanning van 1958, met inachtneming van eventuele met organisaties als bedoeld in artikel 9 gesloten collectieve loonovereenkomsten."
Artikel 9, lid 1, luidt:
"Indien scheepseigenaren uit de Gemeenschap, die de schepen welke zij bezitten of exploiteren, in EUROS hebben geregistreerd, zeelieden in dienst nemen die geen onderdaan van een Lid-Staat zijn, mogen dergelijke zeelieden slechts te werk worden gesteld op basis van met vakbonden of soortgelijke organisaties in het land waar zij hun verblijfplaats hebben gesloten collectieve loonovereenkomsten."
83. Het is interessant, dat de Commissie op 13 december 1991 een gewijzigd voorstel voor dezelfde verordening heeft ingediend.(108) In de visa daarvan wordt nu, naast artikel 84, lid 2, EEG-Verdrag, artikel 92, lid 3, sub d, genoemd; maar dat houdt wellicht verband met de opneming van een nieuw artikel 18, dat de Lid-Staten toestaat de werkgevers de belastingen terug te betalen die door de schepelingen met een fiscale verblijfplaats in een Lid-Staat zijn verschuldigd over het loon dat zij voor de duur van het dienstverband als bemanningslid van een in het EUROS-register te boek gesteld schip hebben ontvangen. Een dergelijke maatregel vormt ontegenzeglijk een steunmaatregel, zoals trouwens in de nieuwe, zeventiende tot en met twintigste, overwegingen van de considerans van het gewijzigde voorstel wordt vastgesteld.
84. Zeker, artikel 9, lid 3, van het eerste voorstel bepaalde, dat "de wetgeving van de Lid-Staat van registratie van het schip, of indien expliciet vermeld in de overeenkomst, van enige andere Lid-Staat" van toepassing is op de door werkgevers- en werknemersorganisaties van de uit derde landen afkomstige zeelieden gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten, en artikel 15, lid 3, van het gewijzigde voorstel bepaalt, dat "het recht van de Lid-Staat van registratie van het schip, of indien expliciet vermeld in de overeenkomst, van enige andere Lid-Staat(109) (...) op dergelijke collectieve loonovereenkomsten van toepassing" is. Zelfs in de eerste versie van het voorstel was de toepassing van het recht van een Lid-Staat voor zeelieden slechts van belang in het geval dat het minimumloon dwingend langs wettelijke weg wordt vastgesteld en dus als zodanig in aanmerking moet worden genomen door de collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit is niet het geval wanneer, zoals in het Duitse recht, het minimumloon wordt bepaald door akkoorden tussen de sociale partners.
85. De toepassing van de beloningsvoorwaarden van de in de vlaggestaat van kracht zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten wordt door het voorstel voor de verordening dus niet verplicht gesteld.
86. Wat de oplossingen betreft die door de meeste nationale wetgevingen van de Lid-Staten worden gekozen, moet ik vaststellen, dat een aantal daarvan het mogelijk maakt het recht van de vlaggestaat niet toe te passen, zonder dat daarvoor per se naar een tweede register moet worden uitgeweken.
87. In het Griekse recht bij voorbeeld bepaalt artikel 25, tweede alinea, van het burgerlijk wetboek, dat bij gebreke van een keuze door partijen, het recht toepasselijk is dat op grond van alle bijzondere omstandigheden zich daar het meest toe leent. De rechter baseert zich hierbij op criteria zoals de nationaliteit van de schepeling, de plaats waar de overeenkomst is gesloten en die waar zij wordt uitgevoerd, de taal waarin de overeenkomst is gesteld, het hoofdkantoor van de reder, de vlag waaronder het schip vaart, zonder dat dit laatste aspect beslissend is.(110)
88. Naar Iers recht is het in Ierland in dienst nemen van de schepeling bepalend voor de toepasselijkheid van het Ierse recht inzake loon, hetgeen het mitsdien mogelijk maakt om de toepasselijkheid van dit recht uit te sluiten ten aanzien van uit derde landen afkomstige en niet in de Gemeenschap woonachtige zeelieden.
89. In het Britse recht zijn de Employment Protection (Consolidation) Act 1978 evenals de Wages Act 1986, die aan de werknemers verschillende rechten met name met betrekking tot de beloning toekennen, niet van toepassing op uit derde landen afkomstige zeelieden die aan boord van zeeschepen onder Britse vlag werkzaam zijn, maar niet in Engeland woonachtig zijn. Zij zijn niet onderworpen aan de verplichting om sociale-zekerheidsbijdragen te betalen.(111)
90. Het is echter in de Lid-Staten die geen tweede of internationale vlag kennen of waarvan het recht niet toestaat, dat een buitenlandse wet op het gebied van beloning wordt toegepast op zeelieden die varen op schepen onder de nationale vlag, dat het in dienst nemen van zeelieden die niet afkomstig zijn uit landen van de Gemeenschap, is verboden of ernstig wordt beperkt.
91. Zo schrijft in het Belgische recht de wet van 5 juni 1928 inzake de regeling van de arbeidsovereenkomst ter zee, in artikel 10 voor, dat het aanstellen van de schepeling, behoudens in geval van overmacht, plaatsvindt uit de pool van zeelieden van de koopvaardij. De inschrijving in de pool is volgens het koninklijk besluit van 9 april 1965 afhankelijk van een verblijfplaats in België (artikel 7, lid 1). Onder voorbehoud van internationale verdragen kunnen buitenlanders alleen dan in de pool worden bijgeschreven, als er geen Belgische kandidaten zijn en op voorwaarde dat zij in België wonen.
92. In het Spaanse recht verbieden de organieke wet nr. 7 van 1 juli 1985 betreffende de rechten en vrijheden van buitenlanders in Spanje(112) en de artikelen 30-33 van het koninklijk decreet nr. 1119 van 26 mei 1986(113) de ondernemingen om buitenlandse werknemers aan te nemen indien dezen voorafgaand geen vergunning hebben verkregen om in Spanje te werken, onder voorbehoud van bekrachtigde internationale verdragen. Volgens artikel 1.5, lid 2, van het werknemersstatuut(114) geldt voor de arbeid ter zee het schip als een werkplek die wordt geacht zich te bevinden in het administratieve gebied waar het schip zijn thuishaven heeft.
93. Naar Italiaans recht is het aannemen van zeelieden onderworpen aan hun inschrijving als "gente di mare" in de registers van zeevarend personeel.(115) Deze inschrijving is onder voorbehoud van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen voorbehouden aan Italiaanse staatsburgers.(116)
94. Hetzelfde geldt in Portugal: de toegang tot de "inscriçao marítima", die voorwaarde is om als schepeling te worden aangenomen, en de verkrijging van de bijbehorende vergunning zijn aan Portugese staatsburgers voorbehouden, met inachtneming van de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen en de door Portugal geratificeerde internationale verdragen.(117)
95. Vele Lid-Staten hebben evenals de Bondsrepubliek Duitsland een tweede vlag ingevoerd, niet enkel met het doel, op het gebied van beloning de toepassing van een buitenlands recht mogelijk te maken voor uit derde landen afkomstige zeelieden. Deze vlag maakt het bij voorbeeld mogelijk om een groter aantal van deze zeelieden te werk te stellen. Dit is het geval met het Franse tweede scheepsregister in het gebied van de Franse australische en antarctische gebieden, soms de "Kerguelen-vlag" genoemd(118), of het Luxemburgse open zeeschepenregister, dat is ingesteld bij de wet van 9 november 1990.(119) Het belang hiervan ligt soms in de verlichting van de fiscale lasten voor de reders wier schepen de vlag voeren. Dat is ook het geval bij zeeschepen die te boek zijn gesteld in een Brits overzees gebiedsdeel.(120)
96. Uit deze korte analyse van de situatie in de Lid-Staten blijkt, dat men in geen enkel geval de toepassing van het recht van de vlaggestaat op de beloningsvoorwaarden in de arbeidsovereenkomst met uit derde landen afkomstige zeelieden zonder verblijfplaats als algemene regel kan beschouwen. De wetgeving die slechts de toepassing van een ander recht toestaat, is dus volstrekt geen uitzondering op wat in zekere zin "juridisch normaal" zou zijn.
97. De verstorende werking die inherent is aan iedere fiscale of sociale wetgeving van een Lid-Staat ten opzichte van de mededinging binnen de Gemeenschappen die zou kunnen worden opgelost door harmonisatie van deze wetgevingen, kan naar mijn mening zowel voortvloeien uit materiële bepalingen van deze wetgeving als uit die welke haar toepassingsgebied beheersen vanaf het moment dat deze geen afwijkend aspect laten zien met betrekking tot regels die uit "de aard of de opbouw" van het stelsel voortvloeien.
98. Ik concludeer op deze gronden, dat artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag in deze zin moet worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op een wetgeving als die welke ik hier heb besproken.
99. Een laatste opmerking. Mocht het Hof besluiten de oplossing die ik voorsta, niet over te nemen, dan is het de taak van de Commissie om vast te stellen, of deze steunmaatregel het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt en of zij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen.
100. In de tussentijd zou het Duitse stelsel, dat niet is aangemeld ingevolge artikel 93, lid 3, geen toepassing meer kunnen vinden.
101. In dit verband herinner ik eraan, dat volgens het recente arrest Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires et Syndicat national des négociants et transformateurs de saumon(121), het de taak is van de nationale rechterlijke instanties om
"de justiabelen die zich op een dergelijke miskenning kunnen beroepen, te waarborgen dat daaruit, overeenkomstig hun nationale recht, alle consequenties zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen, als wat betreft de terugvordering van in strijd met deze bepaling of eventuele voorlopige maatregelen verleende financiële steun".(122)
102. Ik geef daarom in overweging te verklaren voor recht:
"1) Artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag heeft geen betrekking op een nationale wet die op het gebied van beloning en arbeidsomstandigheden de vrije keuze laat van het recht dat van toepassing is op de arbeidsovereenkomst gesloten tussen een reder en een uit een land buiten de Gemeenschap afkomstige schepeling die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft op het grondgebied van een van de Lid-Staten.
2) Artikel 117 EEG-Verdrag bevat geen verplichting die voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk is om door een particulier te kunnen worden ingeroepen voor een nationale rechterlijke instantie."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Volgens de door de Seebetriebsrat ter terechtzitting verstrekte cijfers waren er in 1971 49 000 Duitsers in de maritieme sector werkzaam; in 1990 waren dat er nog slechts ongeveer 13 800.
(2) ° Een register dat naast het nationale register is ingesteld door de bondswet van 23 maart 1989 (BGBl. I, blz. 550).
(3) ° Houdende invoering van een tweede register voor de teboekstelling van zeeschepen onder bondsvlag in de internationale vaart (BGBl. I, blz. 550).
(4) ° Het minimumloon wordt in de Bondsrepubliek Duitsland niet bij wet, maar bij collectieve arbeidsovereenkomsten vastgesteld.
(5) ° Arrest van 15 juni 1978 (zaak 149/77, Jurispr. 1978, blz. 1365).
(6) ° Cursivering van mij.
(7) ° Jurispr. 1978, blz. 1365, 1381.
(8) ° Zie bij voorbeeld de conclusie van advocaat-generaal Tesauro in de zaak Dansk Denkavit en P. Poulsen Trading (punt 10) betreffende de rechtstreekse werking van de Zesde BTW-richtlijn, die de invoering van belastingen met het karakter van omzetbelasting verbiedt (Jurispr. 1992, blz. I-2217, I-2231).
(9) ° Arrest van 2 juli 1974 (zaak 173/73, Italië/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 709, r.o. 33).
(10) ° Bij voorbeeld arrest van 30 januari 1985 (zaak 290/83, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1985, blz. 439, r.o. 14); zie ook arresten van 22 maart 1977 (zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 595), 7 juni 1988 (zaak 57/86, Griekenland/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 2855, r.o. 12) en 2 februari 1988 (gevoegde zaken 67/85, 68/85 en 70/85, Van der Kooy e.a., Jurispr. 1988, blz. 219, r.o. 35).
(11) ° Italië/Commissie, reeds aangehaald; zie ook arrest van 25 juni 1970 (zaak 47/69, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1970, blz. 487).
(12) ° R.o. 35.
(13) ° Arrest reeds aangehaald in voetnoot 10.
(14) ° Zie r.o. 1.
(15) ° R.o. 21, cursivering van mij.
(16) ° Reeds aangehaald in voetnoot 10.
(17) ° R.o. 15.
(18) ° Arrest van 13 juli 1988 (zaak 102/87, Jurispr. 1988, blz. 4067).
(19) ° R.o. 5.
(20) ° Arrest reeds aangehaald in voetnoot 10.
(21) ° R.o. 13.
(22) ° Arrest van 24 april 1980 (zaak 72/79, Jurispr. 1980, blz. 1411).
(23) ° Interdepartementale prijzencommissie.
(24) ° R.o. 23.
(25) ° R.o. 24.
(26) ° Reeds aangehaald in voetnoot 10; zie ook het arrest van 21 maart 1991 (zaak C-303/88, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. 1433, r.o. 11-14).
(27) ° Vertegenwoordiger van de tuinbouworganisaties.
(28) ° R.o. 36.
(29) ° R.o. 37.
(30) ° R.o. 38, cursivering van mij.
(31) ° Arrest van 13 oktober 1982 (gevoegde zaken 213/81-215/81, Jurispr. 1982, blz. 3583).
(32) ° Conclusie, Jurispr. 1982, blz. 3583, 3606.
(33) ° Arrest van 24 januari 1978 (zaak 82/77, Jurispr. 1978, blz. 25).
(34) ° Artikel 92 EEG-Verdrag.
(35) ° R.o. 24.
(36) ° R.o. 25.
(37) ° Getekend bij het slot van de Tokyo Round op 12 april 1979.
(38) ° Government Actions against Domestic Subsidies, an Analysis of the International Rules and an Introduction to United States Practice , Legal Issues of European Integration, 1986, blz. 1, 9.
(39) ° GATT, BISD, Supp. 9e, paragraaf 12, blz. 192 (1961).
(40) ° Ibidem, paragraaf 34, blz. 200.
(41) ° London, Sweet and Maxwell, 1986.
(42) ° Blz. 123.
(43) ° Paragraaf 303 van de Tariff Act 1930, paragraaf 701 (a) (i) (b) van de Trade Agreements Act 1979.
(44) ° G. Horlick, R. Quick en E. Vermulst, o.c., blz. 31.
(45) ° Reeds aangehaald werk, blz. 32.
(46) ° Besluit 85/239/EEG van de Commissie van 18 april 1985 tot beëindiging van de anti-subsidieprocedure betreffende de invoer van sojaschroot van oorsprong uit Argentinië (PB 1985, L 108, blz. 28); zie ook besluit 85/233/EEG van de Commissie van 16 april 1985 houdende beëindiging van de anti-subsidieprocedure betreffende de invoer van sojaschroot van oorsprong uit Brazilië (PB 1985, L 106, blz. 19, punt 12.3).
(47) ° Verordening van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1).
(48) ° Arrest van 14 juli 1988 (zaak 187/85, Jurispr. 1988, blz. 4155).
(49) ° R.o. 11.
(50) ° Ibidem.
(51) ° Conclusie, Jurispr. 1988, blz. 4155, 4173.
(52) ° Reeds aangehaald in voetnoot 10.
(53) ° R.o. 21, cursivering van mij.
(54) ° Arrest reeds aangehaald in voetnoot 10.
(55) ° Zie r.o. 36, reeds aangehaald in punt 27.
(56) ° Reeds aangehaald in voetnoot 33.
(57) ° Zoals prijsniveaus die bepaalde produkties bevoordelen ten nadele van concurrerende produkten.
(58) ° Dumping, subventions et autres mesures de défense commerciale, Ferlex Éditions, 1989, deel 1, blz. 841-842.
(59) ° Een uitdrukking die met name wordt gebezigd door A. Mattera in Le marché unique européen, ses règles, son fonctionnement, Jupiter, 1990, tweede druk, blz. 67.
(60) ° Arrest van 10 december 1969 (gevoegde zaken 6/69 en 11/69, Jurispr. 1969, blz. 523).
(61) ° R.o. 21.
(62) ° Arrest van 14 juli 1983 (zaak 203/82, Commissie/Italië, Jurispr. 1983, blz. 2525).
(63) ° Conclusie, Jurispr. 1983, blz. 2525, 2533.
(64) ° Arrest van 24 november 1982 (zaak 249/81, Jurispr. 1982, blz. 4005, 4015).
(65) ° Conclusie, Jurispr. 1982, blz. 4005, 4024.
(66) ° The Notion of a State Aid in the EEC , European Law Review, deel 13, 1988, blz. 243, 245.
(67) ° Arrest van 10 december 1969, reeds aangehaald in voetnoot 60.
(68) ° Reeds aangehaald in voetnoot 62.
(69) ° Reeds aangehaald in voetnoot 9, r.o. 33 (cursivering van mij).
(70) ° Voor de laatste stand van de rechtspraak op dit punt, zie arrest van 21 maart 1991 (zaak C-303/88, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1433).
(71) ° Countervailing Duties and the Specificity Test: an Alternative Approach to the Definition of Bounty of grant , Law and Policy in International Business, 1986, deel 18, blz. 475.
(72) ° Blz. 505.
(73) ° Arrest van 10 december 1969, reeds aangehaald in voetnoot 60.
(74) ° Reeds aangehaald in voetnoot 62.
(75) ° J. Carbajo, in C. Blumann: Les aides nationales dans la Communauté européenne , Publications de l' université de Tours, 1987, blz. 12.
(76) ° Arrest van 2 juli 1974, reeds aangehaald in voetnoot 9.
(77) ° R.o. 38 en 39.
(78) ° O.c. (punt 32), blz. 138; zie ook besluit 85/233 (aangehaald in voetnoot 46), punt 7.3.
(79) ° EEC-memorandum in de zaak European Steel Products, GATT, Doc. n SCM/35, 21 oktober 1982, geciteerd door Beseler en Williams, o.c., blz. 138.
(80) ° Besluit 85/233, reeds aangehaald in voetnoot 46.
(81) ° Ibidem, punt 7.3.
(82) ° Besluit 85/239, reeds aangehaald in voetnoot 46.
(83) ° Ibidem, punt 7.4.
(84) ° Ibidem, cursivering van mij.
(85) ° Reeds in voetnoot 48 aangehaald.
(86) ° R.o. 11, cursivering van mij.
(87) ° R.o. 16.
(88) ° M.-J. Sussman, reeds aangehaald in voetnoot 71, blz. 478; dit criterium komt soms voor in de uitdrukking principle of general availability ; zie L.-A. Cameron en G.-C. Berg: The U.S. Countervailing Duty Law and the Principle of General Availability , Journal of World Trade Law, deel 19, n 5, blz. 497.
(89) ° 620 F. Supp. 722, 730-33, CIT (1985).
(90) ° Tegen: M.-J. Sussman, op. cit.; vóór: J.-L. Panzarella in Is the Specificity test generally applicable? , Law and Policy in International Business, 1986, deel 18, blz. 417; zie voor een ander, meer mathematisch, criterium, gebaseerd op het verband tussen het voordeel voor de betrokken ondernemingen en hun aandeel in het bruto nationaal produkt, L.-A. Cameron en G.-C. Berg, reeds aangehaald in voetnoot 88, blz. 505.
(91) ° Het in voetnoot 71 aangehaalde artikel, blz. 497.
(92) ° 620 F. Supp. 722, 731-32, n 8, CIT (1985).
(93) ° In J. Megret: Le droit de la Communauté économique européenne, Éditions de l' université de Bruxelles, 1973, blz. 195.
(94) ° Rapport van de hoofden van afvaardiging aan de ministers van Buitenlandse zaken, Brussel, 21 april 1956, blz. 60.
(95) ° Der Betrieb 1990, blz. 1666.
(96) ° BGBl. 1972 II, blz. 1089, respectievelijk PB 1980, L 266, blz. 1.
(97) ° Arrest van 2 juli 1974, reeds aangehaald in voetnoot 9.
(98) ° R.o. 36.
(99) ° Zie r.o. 37-45.
(100) ° Reeds aangehaald in voetnoot 10.
(101) ° R.o. 10, cursivering van mij.
(102) ° Arrest Italië/Commissie, reeds aangehaald in voetnoot 9, r.o. 27.
(103) ° Ibidem.
(104) ° Arrest van 30 januari 1985, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald in voetnoot 9.
(105) ° Ibidem, r.o. 11-15.
(106) ° COM(89) 266 def. (PB 1989, C 263, blz. 11).
(107) ° Welke volgens de Belgische regering voorziet in een minimumloon van 286 USD per maand.
(108) ° COM(91) 483 def. (PB 1992, C 19, blz. 10).
(109) ° Franse versie: de tout autre État . Maar uit andere taalversies blijkt duidelijk, dat men hier moet lezen de tout autre État membre .
(110) ° Efeteio Pireues 868/1980, EN* 1981, blz. 47, Areios Pagos 102/1961; NOB 1961, blz. 825, Efeteio Athene 1238/1976, NOB 1976, blz. 807, Efeteio Pireues 142/1983, EN* 1983, blz. 180, Efeteio Pireues 852/1983.
(111) ° Artikelen 87-98 van de Social Security (Contribution) Regulations 1979 (Statutory Instrument 1979, n 591), gewijzigd door de Social Security (Contributions) (Mariners) Amendment Regulation 1982 (Statutory Instrument 1982, n 206).
(112) ° BOE nr. 158 van 3 juli 1985.
(113) ° BOE nr. 140 van 12 juni 1986.
(114) ° Wet nr. 8 van 10 maart 1980, BOE nr. 64 van 14 maart 1980.
(115) ° Regolamento per la navigazione marittima, artikel 427; artikelen 115 en 118 Wetboek van Scheepvaart.
(116) ° Artikel 119 Wetboek van Scheepvaart.
(117) ° Decreet nr. 104/89, DR nr. 80 van 6 maart 1989.
(118) ° Decreet nr. 87-190 van 20 maart 1987.
(119) ° Mémorial A 1990 blz. 808; van de 54 schepen onder deze vlag, zijn er 51 van Belgische oorsprong, hetgeen valt toe te schrijven aan de mogelijkheid om op deze wijze aan de Belgische wet van 5 juni 1928 te ontkomen.
(120) ° Artikel 56 (1) van de Merchant Shipping Act 1988; zo ook: the Merchant Shipping Act 1988 (Cayman Islands) Order 1988 (Statutory Instrument 1988, nr. 1841), the Merchant Shipping Act 1988 (Isle of Man) Order 1989 (Statutory Instrument 1989, nr. 679), the Merchant Shipping Act 1988 (Bermuda) Order 1989 (Statutory Instrument 1989, nr. 1334) en the Merchant Shipping Act 1988 (Bermuda) Order 1991 (Statutory Instrument 1991, nr. 1703).
(121) ° Arrest van 21 november 1991 (zaak C-354/90, Jurispr. 1991, blz. I-5505).
(122) ° R.o. 12.
Full & Egal Universal Law Academy