CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 22 september 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De prejudiciële vragen die aan het Hof zijn voorgelegd door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal), hebben betrekking op de uitlegging van artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag, artikel 208, lid 1, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanbeveling van de Commissie van 8 september 1987. ( 1 )
De vragen hebben inzonderheid betrekking op de inhoud en de omvang van de op de Portugese Republiek rustende verplichting om het nationale monopolie voor ethylalcohol, al dan niet uit landbouwprodukten verkregen, geleidelijk aan te passen. Het gaat derhalve om dezelfde problemen als die welke ten grondslag liggen aan zaak C-361/90 (Commissie/Portugese Republiek), waarin ik vandaag ook conclusie neem.
2.
Caves Neto Costa SA (hierna: „verzoekster”) stelde administratief beroep in tegen het besluit van 24 november 1987 waarbij de directeur-generaal Buitenlandse handel had geweigerd, haar een vergunning af te geven voor de invoer uit Frankrijk van een partij ethylalcohol. Tegen het stilzwijgend genomen afwijzend besluit van de minister van Handel en Toerisme en de staatssecretaris van Buitenlandse handel stelde verzoekster beroep in bij het Supremo Tribunal Administrativo.
Dit Tribunal heeft de zaak naar het Hof verwezen ten einde te vernemen, of de Portugese Republiek vanaf 1 januari 1986 invoercontingenten moest openen dan wel of dit op een latere datum moest geschieden, alsmede of de in de aanbeveling van de Commissie van 8 oktober 1987 vastgestelde contingenten juist zijn te achten.
3.
Zoals blijkt uit mijn conclusie in zaak C-361/90 (Commissie/Portugal), waarnaar ik voor zover nodig verwijs ( 2 ), verplicht artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte niet specifiek tot de opening van globale invoercontingenten, maar beperkt het zich ertoe te bepalen dat de betrokken Lid-Staat het monopolie geleidelijk in dier voege aanpast, dat vóór het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, is uitgesloten. Dit betekent, dat de Lid-Staten vrij zijn in hun keuze van de middelen en de wijze om dit resultaat te bereiken. Ten aanzien van de in de aanbeveling van de Commissie voorziene bepalingen behoeft hier alleen maar te worden opgemerkt dat liet hier — zoals overigens tussen partijen niet wordt betwist — om een niet-bindende handeling gaat.
4.
Na deze opmerking moet ik wel met klem erop wijzen, dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen er zeer duidelijk van uitgaan, dat artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag en artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte tijdens de overgangsperiode rechtstreekse werking hebben. Dienaangaande moet evenwel worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een bepaling van gemeenschapsrecht slechts rechtstreekse werking heeft indien zij voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is. Zoals reeds gezegd, leggen de betrokken bepalingen slechts een resultaatsverplichting op en laten zij het aan de Lid-Staten over om binnen de gestelde termijn middelen en wijze te kiezen om hieraan te voldoen.
Met betrekking tot artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag heeft het Hof reeds verklaard, dat „de uitsluiting —aan het einde van de overgangsperiode — van elke discriminatie tussen de onderdanen der Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en de afzet betreft, een naar uitkomst welbepaalde en van een eenvoudige opschortende clausule afhankelijk gestelde verplichting behelst” ( 3 ), en dat bijgevolg eerst „bij afloop van die periode (de hierbedoelde verplichting) niet langer van enige voorwaarde afhankelijk is noch ook ten aanzien van haar uitvoering of gevolgen van enigerlei handeling van de Gemeenschap dan wel van de Lid-Staten afhankelijk kan worden gesteld”. ( 4 )
Zoals duidelijk uit voornoemde arresten blijkt, doet de betrokken bepaling weliswaar aan het einde van de overgangsperiode rechten voor de justitiabelen ontstaan die de nationale rechter moet handhaven (ook al zijn de Lid-Staten de op hen rustende resultaatsverplichting nog niet nagekomen), maar neemt zulks niet weg dat tot aan het einde van die periode de betrokken bepaling, evenals het desbetreffende artikel van de Toetredingsakte, niet onvoorwaardelijk is en derhalve geen rechtstreekse werking heeft.
Mitsdien kunnen de justitiabelen zich tot het einde van de overgangsperiode, die in casu op 31 december 1992 verstrijkt, voor de nationale rechterlijke instanties niet op de betrokken bepalingen beroepen.
5.
Gelet op het voorgaande geef ik derhalve het Hof in overweging, de vragen van het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) te beantwoorden als volgt:
„1)
De artikelen 37, lid 1, EEG-Verdrag en 208, lid 1, van de Toetredingsakte moeten aldus worden uitgelegd, dat de verplichting van de Portugese Republiek om het nationaal monopolie voor ethylalcohol geleidelijk aan te passen, niet noodzakelijkerwijs de opening van invoercontingenten impliceert.
2)
Tot het einde van de overgangsperiode doen artikel 208, lid 1, van de Toetredingsakte en artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag voor de justitiabelen geen rechten ontstaan die voor de nationale rechterlijke instanties kunnen worden ingeroepen.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Aanbeveling aan de Portugese Republiek inzake de wijziging van het nationale alcoltoinionopolic van commerciële aard jegens de overige Lid-Staten (PB 1987, L 306, biz. 32).
( 2 ) Zic inzonderheid punten 3 en 5.
( 3 ) Arrest van 3 februari 1976 (zaak 59/75, Manghera, Jurispr. 1976, blz. 91, r. o. 15).
( 4 ) Arrest van 17 februari 1976 (zaak 45/75, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 181, r. o. 24).
Full & Egal Universal Law Academy