CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 6 mei 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige zaak betreft een verzoek van de Social Security Commissioner te Belfast om uitlegging van, enerzijds, de artikelen^ lidi, en73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( 1 ) en, anderzijds, artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. ( 2 ) De aan het Hof gestelde vragen zijn gerezen in het kader van een geschil tussen R. Hughes, verzoekster (hierna: mevrouw Hughes), en de Chief Adjudication Officer, verweerder, omtrent het recht van eerstgenoemde op „family credit”.
Feitelijke en juridische achtergrond
2.
„Family credit” is een wekelijkse uitkering in contanten die wordt verstrekt aan mindergegoede gezinnen uit hoofde van de Social Security (Northern Ireland, hierna: „NI”) Order 1986 en de Family Credit (General) Regulations (NI) 1987. Artikel 21 van de Social Security (NI) Order bepaalt:
„1)
Er worden regelingen vastgesteld voor de volgende uitkeringen (hierna:.inkomensafhankelijke uitkeringen'):
a)
income support (inkomenssteun);
b)
family credit (gezinsbijslag), en
c)
housing benefit (woontoelage).
(...)
5)
Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 52, lid 1, sub a, heeft een persoon in Noord-Ierland, wanneer een aanvraag daartoe wordt gedaan of geacht wordt te zijn gedaan, recht op family credit, indien
a)
zijn inkomen
i)
het toepasselijke bedrag niet overschrijdt, dan wel
ii)
dit bedrag overschrijdt, doch slechts met een zodanig bedrag dat er na de vermindering overeenkomstig artikel 22, lid 3, geen bedrag resteert;
b)
hij, of indien hij gehuwd is of ongehuwd samenleeft, hij of die andere persoon, doorgaans betaald werk verricht, en
c)
hij, of indien hij gehuwd is of ongehuwd samenleeft, hij of die andere persoon een inwonend kind of een andere, nader omschreven persoon te zijnen laste heeft.”
Artikel 22 van de Order bepaalt verder:
„(...)
2)
Indien iemand recht heeft op family credit krachtens artikel 21, lid 5, sub ai, is het bedrag gelijk aan het bedrag dat in zijn geval de passende maximum family credit is.
3)
Indien iemand recht heeft op family credit krachtens artikel 21, lid 5, sub aii, is het bedrag gelijk aan wat overblijft nadat de passende maximum family credit is verminderd met een vastgesteld percentage van het gedeelte van zijn inkomen dat het toepasselijke bedrag te boven gaat.
(...)”
en artikel 23, lid 6, bepaalt ten slotte:
„Niemand heeft recht op een inkomensafhankelijke uitkering, indien zijn vermogen of een vastgesteld gedeelte ervan groter is dan het vastgestelde bedrag.”
De Family Credit (General) Regulations, en in het bijzonder Regulations 28, 46, 47 en 48, voorzien in de regels voor de berekening van de hoogte van family credit. Belangrijk is dat om aanspraak te kunnen maken op family credit, het vermogen van de aanvrager niet meer dan 6000 UKL mag bedragen en dat het hierboven in verband met het inkomen genoemde toepasselijke bedrag (zie artikel 21, lid 5, suba) is vastgesteld op 51,45 UKL per week. Meer in het algemeen moet nog worden opgemerkt dat family credit een uitkering betreft waar geen premie- of bijdrageplicht tegenover staat.
3.
Mevrouw Hughes, verzoekster in het bodemgeschil, woont met haar echtgenoot en drie kinderen in de Republiek Ierland. Zij oefent geen beroepswerkzaamheden uit. Haar echtgenoot, een Brits onderdaan, is werkzaam bij het Britse Ministerie van Landbouw in Noord-Ierland en heeft nooit elders dan in Noord-Ierland gewerkt. Op 30 maart 1988 deed mevrouw Hughes bij de bevoegde Britse overheid een aanvraag voor family credit. Deze aanvraag werd eerst door de Adjudication Officer en daarna in beroep door het Enniskillen Social Security Appeal Tribunal afgewezen op grond van de overweging, dat mevrouw Hughes niet voldeed aan het woonplaatsvereiste neergelegd in het hierboven aangehaalde artikel 21, lid 5, van de Social Security Order, zoals uitgewerkt in Regulation 3 (l)(a) en (b), van de Family Credit (General) Regulations. Laatstgenoemde bepalingen stellen dat:
„(e) jn persoon wordt geacht in Noord-Ierland te zijn, indien op de dag van de aanvraag
a)
hij in Noord-Ierland verblijft en er zijn normale woonplaats heeft;
b)
zijn eventuele partner zijn normale woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk;
(...)”
Mevrouw Hughes betwist niet dat zij evenmin als haar echtgenoot aan het woonplaatsvereiste voldoet. Zij meent echter dat zij niettemin recht heeft op family credit op grond van het gemeenschapsrecht. Ze stelt dat family credit een socialezekerheidsprestatie is in de zin van artikel 4, lid 1, subh, van verordening nr. 1408/71 en dat deze verordening en in het bijzonder artikel 73 bijgevolg van toepassing is. Overeenkomstig laatstgenoemde bepaling heeft een werknemer (of zelfstandige) op wie de wettelijke regeling van een Lid-Staat van toepassing is, „voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht op gezinsbijslagen waarin de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat voorziet, alsof die gezinsleden op het grondgebied van deze staat woonden”.
In subsidiaire orde stelt mevrouw Hughes, dat family credit een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 ( 3 ) is en dat het woonplaatsvereiste, neergelegd in voormelde Britse wetgeving, een krachtens dit artikel verboden verkapte discriminatie van de migrerende werknemer vormt.
De Chief Adjudication Officer, verweerder in het bodemgeschil, meent daarentegen dat artikel 73 van verordening nr. 1408/71 noch artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 in casu toepasselijk is.
4.
Bij beschikking van 14 januari 1991 heeft de Social Security Commissioner, de nationale rechter waarbij de zaak nu aanhangig is, aan het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Is family credit een sociale-zekerheidsuitkering als bedoeld in artikel, lidi, van verordening (EEG) nr. 1408/71?
2)
Zo ja, heeft dan de echtgenote van een werknemer, wanneer op deze laatste de wetgeving van een Lid-Staat (Lid-Staat A) toepasselijk is, ingevolge artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 het recht om voor de gezinsleden van die werknemer, die in een andere Lid-Staat wonen (Lid-Staat B), de gezinsbijslagen te ontvangen waarin de wettelijke regeling van Lid-Staat A voorziet, wanneer die echtgenote niet in Lid-Staat A woont of werkt en daar ook niet eerder heeft gewoond of gewerkt?
3)
Wanneer family credit geen sociale-zekerheidsuitkering is, is het dan een sociaal voordeel als bedoeld in artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68?
4)
Zo ja, kan die verordening dan van toepassing zijn wanneer de werknemer de nationaliteit heeft van de Lid-Staat waar hij werkt en altijd heeft gewerkt?
5)
Zo ja, kent die verordening dan zelfstandige rechten toe aan de echtgenoot van die werknemer, wanneer deze echtgenoot niet woont in de Lid-Staat waar de werknemer werkt?”
Alvorens deze vragen te beantwoorden, wil ik er wel eerst aan herinneren, zoals ook het Hof dit deed in het recente arrest van 20 juni 1991, Newton ( 4 ), dat het in het kader van een artikel 177-procedure niet aan het Hof staat zich uit te spreken over de toepassing van het gemeenschapsrecht op de casuspositie die in het geding voor de verwijzende rechter aan de orde is gesteld. Het Hof kan zich aldus niet uitspreken over de vraag of family credit al dan niet een uitkering in de zin van artikel 4, lidi, van verordening nr. 1408/71 (eerste vraag), of een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68 (derde vraag) is. Het Hof is daarentegen wel bevoegd om de verwijzende rechter de elementen van interpretatie met betrekking tot het relevante gemeenschapsrecht te verschaffen die hem in de gelegenheid stellen deze vragen zelf te beantwoorden. Het is dan ook in deze zin dat ik het Hof zal voorstellen voormelde vragen te beantwoorden.
De materiële en personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 (eerste en tweede vraag)
5.
Volgens vaste rechtspraak is een uitkering een sociale-zekerheidsuitkering in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 — en geen sociale bijstand in de zin van artikel 4, lid 4, van diezelfde verordening — wanneer de betrokken uitkering voor de rechthebbenden voortvloeit uit een wettelijk omschreven positie, los van enige individuele en discretionaire beoordeling van hun persoonlijke behoeften, en bovendien de betrokken uitkering verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, exhaustief opgesomde risico's. ( 5 ) Volgens mevrouw Hughes en de Commissie voldoet family credit aan deze voorwaarden en is het aldus een sociale-zekerheidsuitkering. De Britse en Duitse regering delen deze opvatting niet.
Het wordt niet betwist dat family credit voor de rechthebbenden voortvloeit uit een wettelijk omschreven positie. De Britse en Duitse regering menen echter dat family credit niettemin een sociale-bijstandsprestatie is omdat voor de toekenning van family credit de behoeften van de aanvrager doorslaggevend zijn. De toekenning gebeurt immers op basis van het vermogen van de aanvrager, zijn inkomen, het aantal kinderen en de leeftijd van die kinderen. Mevrouw Hughes en de Commissie wijzen er evenwel terecht op dat dit objectieve criteria zijn en dat de toekenning van family credit losstaat van enige individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften van de aanvrager. Gelet op de rechtspraak van het Hof meen ook ik dat family credit voldoet aan de hierboven als eerste vermelde voorwaarde. ( 6 )
6.
De Britse regering werpt ook op, dat het hoofddoel van family credit erin bestaat werknemers met een gezin die een slecht betaalde job hebben en die als werkloze meer inkomsten zouden hebben, aan het werk te houden door hun een supplement op hun inkomen te bezorgen. Gelet op dit hoofddoel vormt family credit, aldus de Britse regering, dan ook geen aanvulling op enige sociale-zekerheidsuitkering en staat het volledig los van het socialezekerheidsstelsel zoals omschreven in voormeld artikel 4, lid 1. Ik deel deze opvatting niet. Hoewel ik graag aanvaard dat family credit beoogt slecht betaalde werknemers aan het werk te houden, kan mijns inziens niet worden betwist dat family credit een uitkering is die ertoe strekt de lasten van het gezin te helpen dekken. Het is trouwens aldus dat het door de Britse regering vermelde doel wordt gerealiseerd. Deze uitkering valt derhalve in de categorie van artikel 4, lid 1, sub h, gezinsbijslagen, zoals deze gedefinieerd zijn in artikel 1, sub ui, van verordening nr. 1408/71.
Ten slotte meen ik dat de opwerping van de Britse en de Duitse regering, dat family credit niet als sociale-zekerheidsuitkering kan worden aangemerkt omdat voor family credit geen eisen met betrekking tot tijdvakken van bijdragebetaling gelden, evenmin kan worden aanvaard. Het is inderdaad juist dat family credit een uitkering is waar geen premie- of bijdrageverplichting tegenover staat. Artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1408/71 bepaalt echter dat niet op bijdragebetaling berustende uitkeringen niet (noodzakelijkerwijze) buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen. Zoals het Hof in het arrest Giletti uitdrukkelijk opmerkte, volgt uit deze bepaling dat de financieringswijze van een uitkering van geen belang is voor de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering. ( 7 ) Bovendien kan, zoals de Commissie terecht doet opmerken, het recht op family credit overeenkomstig artikel 73 van verordening nr. 1408/71 enkel worden ingeroepen voor het gezin van iemand die verplicht verzekerd is krachtens de sociale wetgeving van de Lid-Staat waar de uitkering wordt gevraagd, hetgeen een premie- of bijdrageverplichting veronderstelt.
7.
Staat eenmaal vast dat family credit een sociale-zekerheidsuitkering is en verordening nr. 1408/71 aldus toepassing vindt, dan rijst de vraag of mevrouw Hughes daaraan een aanspraak op family credit kan ontlenen. Artikel 73 van genoemde verordening vermeldt enkel dat de werknemer (of zelfstandige) voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonen, recht heeft op gezinsbijslagen. Over de echtgenoot of andere familieleden van de werknemer wordt niet gesproken. De Duitse regering besluit daaruit dat enkel de heer Hughes en niet zijn echtgenote, verzoekster in het bodemgeschil, zich kan beroepen op artikel 73.
In dit verband verwijzen mevrouw Hughes en de Commissie terecht naar artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat met betrekking tot het personele toepassingsgebied van de verordening bepaalt:
„Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinnen en op hun nagelaten betrekkingen.”
In het arrest van 23 november 1976, Kermaschek ( 8 ), heeft het Hof ter verduidelijking van deze bepaling in rechtsoverweging 7 gesteld:
„dat reeds de juxtapositie welke in het woord ‚alsmede’ besloten ligt er op wijst dat deze bepaling betrekking heeft op twee duidelijk onderscheiden categorieën: werknemers enerzijds, hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen anderzijds;
(...)
dat terwijl de tot de eerste categorie behorende personen de in de verordening bedoelde rechten op uitkering als eigen rechten kunnen inroepen, degenen die tot de tweede categorie behoren alleen maar aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten, verkregen in de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een werknemer — dat wil zeggen iemand die tot de eerste categorie behoort —”;
en in r. o. 9 dat:
„(...) de gezinsleden van(...) werknemers slechts aanspraak kunnen maken op de uitkeringen welke in die wetgevingen voorzien zijn ten behoeve van de gezinsleden (...)” ( 9 )
Hieruit volgt dat mevrouw Hughes op grond van artikel 73 een afgeleid recht op gezinsbijslagen kan doen gelden wanneer zij een gezinslid is van iemand die de voorwaarden van artikel 73 vervult, en de nationale wetgeving ook voor de gezinsleden in de betrokken gezinsbijslagen voorziet. Welnu, in de voorliggende zaak wordt niet betwist dat de echtgenoot van mevrouw Hughes de voorwaarden van artikel 73 vervult en dat de gezinsbijslagen waarin het betrokken nationale recht voorziet, van nature uit ook ten behoeve van de gezinsleden zijn voorzien. In die omstandigheden volgt uit artikel 73 dat mevrouw Hughes een afgeleid recht op family credit kan laten gelden. ( 10 ) ( 11 )
De werkingssfeer van verordening nr. 1612/68 en in het bijzonder artikel 7, lid 2, daarvan (derde, vierde en vijfde vraag)
8.
In subsidiaire orde werpt mevrouw Hughes op, dat family credit een sociaal voordeel is in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1612/68, en dat het woonplaatsvereiste neergelegd in de betrokken nationale wetgeving een krachtens dit artikel verboden verkapte discriminatie van de migrerende werknemer vormt.
Gelijk het Hof herhaaldelijk heeft opgemerkt, blijkt uit het geheel van de bepalingen van verordening nr. 1612/68 alsook uit het doel ervan, dat de sociale en fiscale voordelen welke krachtens artikel 7, lid 2, tot werknemersonderdanen van andere Lid-Staten worden uitgebreid, „die zijn welke, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemersonderdanen van andere Lid-Staten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken”. ( 12 ) Het lijdt geen twijfel dat in het licht van voormelde definitie family credit als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, moet worden aangemerkt.
9.
De Britse en Duitse regering alsook de Commissie menen niettemin dat artikel 7, lid 2, in casu niet toepasselijk is. Artikel 7, lid 2, beoogt immers de afschaffing van bepalingen in de wetgeving van de Lid-Staat van tewerkstelling, welke een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat, wat betreft sociale en fiscale voordelen aan een strengere behandeling onderwerpen of hem rechtens of feitelijk in een nadelige positie plaatsen vergeleken bij die van een eigen onderdaan in dezelfde omstandigheden. ( 13 ) Zoals hierboven reeds vermeld, is de echtgenoot van mevrouw Hughes echter een Brits onderdaan die in het Verenigd Koninkrijk werkt en dat ook altijd heeft gedaan. Aangezien hij dus geen onderdaan is van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van tewerkstelling, vindt artikel 7, lid 2, geen toepassing. Ik ben het daarmee eens, des te meer daar het Hof bij herhaling heeft gesteld dat de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers ( 14 ) alsook de secundaire wetgeving in uitwerking van die bepalingen ( 15 ) niet kunnen worden toegepast op situaties die geen enkel aanknopingspunt hebben met een van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven. Dit is zeker het geval bij werknemers die zoals de heer Hughes nooit gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer binnen de Gemeenschap en die dus niet in hun mobiliteit binnen de Gemeenschap door het niettoekennen van sociale of fiscale voordelen worden gehinderd.
Het is ongetwijfeld zo, dat het woonplaatsvereiste voor het verkrijgen van een family credit het Britse onderdanen die in Noord-Ierland werken, moeilijker maakt om in de Ierse Republiek te gaan wonen. Bij de huidige stand van de communautaire rechtspraak waarborgt het gemeenschapsrecht echter niet het recht van werknemers die onderdaan zijn van de Lid-Staat van tewerkstelling, om buiten deze Lid-Staat te gaan wonen.
10.
Mocht het Hof van oordeel zijn dat verordening nr. 1612/68 toch van toepassing is, dan wil de verwijzende rechter nog weten of en onder welke voorwaarden mevrouw Hughes, als echtgenote van een werknemer, overeenkomstig artikel 7, lid 2, eveneens aanspraak kan maken op dezelfde sociale voordelen als nationale werknemers. De Britse regering stelt in dit verband dat mevrouw Hughes zich als een ten laste van een werknemer komend gezinslid enkel dan op artikel 7, lid 2, kan beroepen wanneer ze in de betrokken Lid-Staat bij de werknemer woont. Dit lijkt mij onjuist te zijn.
In het arrest Lebon verklaarde het Hof uitdrukkelijk dat de familieleden van de werknemer in de zin van artikel 10 van verordening nr. 1612/68, en dus ook de echtgenote van de werknemer, een indirecte aanspraak hebben op de gelijkheid van behandeling die de werknemer zelf aan artikel 7 ontleent. ( 16 )& Welnu, artikel 7 stelt het recht op gelijke behandeling in hoofde van de werknemer niet afhankelijk van zijn woonachtig zijn in de Lid-Staat van tewerkstelling. Het is dan ook logisch dat ook de door het Hof erkende indirecte aanspraak op gelijke behandeling in hoofde van de familieleden van de werknemer niet gebonden zou zijn aan een vereiste van woonachtig zijn van de betrokken gezinsleden in de Lid-Staat van tewerkstelling van de werknemer. Integendeel, uit het recente arrest Bernini mag duidelijk blijken dat zulk woonplaatsvereiste voor de toepasselijkheid van artikel 7 niet bestaat. ( 17 ) Op de door de verwijzende rechter gestelde vraag kan dan ook geantwoord worden, dat wanneer een werknemer op grond van artikel 7, lid 2, recht heeft op een sociaal voordeel, de echtgenoot van de werknemer een indirecte aanspraak op dit sociaal voordeel heeft, ongeacht het feit dat hij niet woont in de Lid-Staat waar de werknemer werkt.
Wel is het zo, dat artikel 7 enkel de gelijkheid van behandeling waarborgt. Strikt genomen betekent dit, dat indien de wetgeving van de Lid-Staat van tewerkstelling —zoals in casu— voor de toekenning van een sociaal voordeel vereist dat de nationale werknemersonderdanen en/of hun familieleden woonachtig zijn op het grondgebied van de Lid-Staat, dit ook zou mogen worden vereist van migrerende werknemers en/of hun familie. ( 18 ) Hieraan moet echter onmiddellijk worden toegevoegd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de regels omtrent de gelijkheid van behandeling niet alleen zichtbare discriminaties op grond van de nationaliteit verbieden, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. ( 19 ) Zo stelde het Hof in het arrest van 8 mei 1990, Biehl, dat
„het criterium van de vaste woonplaats in het binnenland als voorwaarde voor eventuele terugbetaling van te veel betaalde belasting dreigt, ofschoon het ongeacht de nationaliteit van de betrokken belastingplichtige van toepassing is, toch in het nadeel te werken van in het bijzonder die belastingplichtigen die onderdaan van andere Lid-Staten zijn. Dit zijn immers dikwijls degenen die in de loop van een jaar het land verlaten of er zich vestigen.” ( 20 )
In die zaak komt het Hof dan ook tot het besluit dat het betrokken woonplaatsvereiste onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Ook in onderhavige zaak is er volgens mevrouw Hughes sprake van een verkapte discriminatie, doordat het woonplaatsvereiste hoofdzakelijk rechthebbenden die niet de Britse nationaliteit hebben, zou treffen. Deze opwerping, die ter beoordeling staat van de verwijzende rechter, komt in de vraagstelling evenwel niet aan de orde. Dit is trouwens niet verwonderlijk, gelet op het feit dat in casu de werknemer die (in de thans aangehouden veronderstelling dat verordening nr. 1612/68 toepasselijk is) het recht op family credit verwerft en van wiens recht het recht van mevrouw Hughes is afgeleid, Brits onderdaan is.
Conclusie
11.
Op grond van wat voorafgaat, stel ik het Hof voor de gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„1)
Een uitkering die voor de rechthebbenden voortvloeit uit een wettelijk omschreven positie, die wordt toegekend op basis van objectieve criteria, los van enige individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften van de aanvrager, en die verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 exhaustief opgesomde risico's, is een sociale-zekerheidsuitkering in de zin van voornoemd artikel.
2)
Een persoon die de voorwaarden van artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 niet vervult, kan zich toch op artikel 73 beroepen en een afgeleid recht op gezinsbijslagen doen gelden wanneer hij een gezinslid is van iemand die de voorwaarden van artikel 73 wel vervult, en de betrokken uitkering in de nationale wetgeving ook voorzien is voor de gezinsleden.
3)
Sociale voordelen in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 zijn voordelen welke al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn, en waarvan de uitbreiding tot werknemersonderdanen van andere Lid-Staten geschikt lijkt om hun mobiliteit binnen de Gemeenschap te vergemakkelijken.
4)
Artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 is niet van toepassing op een werknemer die onderdaan is van de Lid-Staat van tewerkstelling.
5)
Wanneer een werknemer op grond van artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 recht heeft op een sociaal voordeel, dan heeft de echtgenoot van de werknemer een indirecte aanspraak op dit sociaal voordeel, ongeacht het feit dat hij niet woont in de Lid-Staat waar de werknemer werkt.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) Zoals vastgesteld in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 6) en met betrekking tot artikel 73 laatstelijk gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 331, biz. 1).
( 2 ) PB 1968, L 257, biz. 2.
( 3 ) Artikel 7 van verordening nr. 1612/68 luidt:
„1.
Een werknemer die een onderdaan is van een Lid-Staat mag op liet grondgebied van andere Lid-Staten niet op grond van zijn nationaliteit anders worden behandeld dan de nationale werknemers wat betreft alle voonvaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op liet gebied van beloning, ontslag, en, indien bij werkloos is geworden, wcderinscliakcling in net beroep of wcdcrtcwcrkstclling.
2.
Hij geniet er dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers.
(...)”
( 4 ) Zaak C-356/89, Jurispr. 1991, blz. I-3017, r. o. 10.
( 5 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 24 februari 1987, gevoegde zaken 379/85 tot 381/85 en 93/86, Giletti, Jurispr. 1987, blz. 955, r. o. 11; 27 maart 1985, zaak 249/83, Hoeckx, Jurispr. 1985, blz. 973, r. o. 12-14, en recentelijk het in voetnoot 4 geciteerde arrest Newton, r. o. 11 en l9.
( 6 ) In liet arrest van 28 mei 1974, zaak 187/73, Callemcyn, Jurispr. 1974, blz. 553, stelde het Hof met betrekking tot een uitkering waarvan het zelf opmerkte dat de behoefte het wezenlijke tockcnningscritcrium was, dat deze uitkering niettemin een socialc-zckcrhcidsuitkcring kon zijn voor zover bü de toekenning afgezien wordt van een individuele beoordeling die kenmerkend is voor de sociale bijstand, en er voor de betrokkenen een wettelijk beschermd recht op de uitkering bestaat (r. o. 7-11). In het arrest van 20 juni 1991, Newton (zie voetnoot 4), stelde het Hof, dat het voor de kwalificatie van een uitkering als een sociale-zekerheidsuitkering vereist is dat de toekenning geschiedt op grond van objectieve criteria (r. o. 19).
( 7 ) Zie r o. 7 van dit in voetnoot 5 geciteerde arrest.
( 8 ) Zaak 40/76, Jurispr. 1976, blz. 1669.
( 9 ) Zie ook bij voorbeeld de arresten van 20 juni 1985, zaak 94/84, Deak, Jurispr. 1985, blz. 1873, r. o. 14 en 15 en 17 december 1987, zaak 147/87, Zaoui, Jurispr. 1987, blz. 5511, r. o. II-13.
( 10 ) Het feit dat mevrouw Hughes noch ín het Verenigd Koninkrijk woont noch werkt en geen van beide ooit heeft gedaan, staat aan het verkrijgen van dit afgeleide recht niet in de weg. Artikel 73 vereist immers niet, dat ook de echtgenoot van de werknemer werkt in de Lid-Staat waarvan de wetgeving toepasselijk is, en betreft precies de situatie waarin het gezin van de werknemer in een andere Lid-Staat woonachtig is.
( 11 ) De vraag of liet verenigbaar is met artikel 73, dat een nationale wetgeving zoals de Britse vereist dat voor het bekomen van family credit de echtgenoot van de werknemer, zo hij werkt, zulks in de betrokken Lid-Staat doet, rijst in de onderhavige zaak niet, omdat mevrouw Hughes niet werkt.
( 12 ) Zie bij voorbeeld het in voetnoot 5 geciteerde arrest Hoeckx, r. o. 21.
( 13 ) Zie bij voorbeeld het arrest van 31 mei 1979, zaak 207/78, Even, Jurispr. 1979, blz. 2019, r. o. 21.
( 14 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 28 juni 1984, zaak 180/83, Moser, Jurispr. 1984, blz. 2539, r. o. 15; 27 oktober 1982, gevoegde zaken 35/82 en 36/82, Morson en Jhanjan, Jurispr. 1982, blz. 3723, r. o. 15, en 28 maart 1979, zaak 175/78, Saunders, Jurispr. 1979, blz. 1129, r. o. 11.
( 15 ) Zie het in voetnoot 9 geciteerde arrest Zaoui, r. o. 16.
( 16 ) Arrest van 18 juni 1987, zaak 316/85, Lebon, Jurispr. 1987, blz. 2811, r. o. 12.
( 17 ) Arrest van 26 februari 1992, zaak C-3/90, Bernini, Jurispr. 1992, blz. I-1071, r. o. 27 en 28. Zie in dit verband ook míjn conclusie van 11 juli 1991 in deze zaak, nr. 22 (Jurispr. 1992, blz. I-1085).
( 18 ) Het is aldus dat men mijns inziens de arresten van 27 maart 1985, Hoeckx, reeds aangehaald, en Scrivncr (zaak 122/84, Jurispr. 1985, blz. 1027) moet lezen. ïn deze arresten verklaarde het Hof„dat een uitkering díe een ‚bcstaansminimum’ waarborgt, een sociaal voordeel in de zin van'sRaads verordening nr. 1612/68 is, waarvan migrerende werknemersonderdanen van andere Lid-Staten die op het grondgebied van de ititkcringsplicbtigc Lid-Staat wonen, alsook hun gezinsleden niet mogen worden uitgesloten” (Hoeckx, r. o. 22) (cursivering toegevoegd). In deze zaken vereiste de betrokken Belgische wetgeving ook van Belgische onderdanen dat ze in België woonachtig waren om aanspraak te kunnen maken op een „bestaansminimum”. Voor Belgische onderdanen gold evenwel niet — wat wel gold voor migrerende werknemers — dat ze reeds gedurende een bepaalde periode in België moesten verblijven.
( 19 ) Zie reeds in het arrest van 12 februari 1974, zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153, r. o. 11. Voor recent arresten, zie de arresten van 30 mei 1989, zaak 33/88, Alluë en Coonan, Jurispr. 1989, blz. 1591; 8 mei 1990, zaak C-175/88, Biehl, Jurispr. 1990, blz. I-1779, r. o. 13, en 21 november 1991, zaak C-27/91, Le Manoir, Jurispr. 1991, blz. I-5531, r. o. 10.
( 20 ) Zie r. o. 14 van het in voetnoot 19 geciteerde arrest Biehl.
Full & Egal Universal Law Academy