CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
F. G. JACOBS
van 2 juli 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Verzoeker in de nationale procedure, Twijnstra, is melkveehouder in Nederland. In 1980 ging hij met de bevoegde Nederlandse autoriteit een zogenoemde SLOM-verbintenis aan, waarbij hij zich ertoe verbond om, tegen ontvangst van een premie, gedurende de periode van 10 april 1980 tot 10 april 1985 geen van zijn bedrijf afkomstige melk en zuivelprodukten te leveren. De verbintenis was gesloten overeenkomstig verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, biz. 1). Begin januari 1984 verkocht verzoeker een gedeelte van zijn landbouwpercelen, waarop de verbintenis rustte. De kopers verbonden zich ertoe deze percelen niet vóór 10 april 1985 voor melkveehouderij te gebruiken. Derhalve ontving verzoeker de volledige omschakelingspremie overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 1078/77, dat luidt als volgt:
„1.
Elke opvolger op een bedrijf kan zich er schriftelijk toe verbinden de door zijn voorganger aangegane verplichtingen verder na te komen.
In dit geval behoudt laatstgenoemde de reeds betaalde bedragen en wordt het resterende gedeelte aan zijn opvolger uitgekeerd.
In het tegenovergestelde geval worden de reeds uitgekeerde bedragen door de voorganger terugbetaald.
2.
Ingeval slechts een gedeelte van een bedrijf wordt overgedaan, behoudt de aanvrager zijn recht op de premie, indien de persoon aan wie hij het gedeelte heeft overgedaan zich er schriftelijk toe verbindt om de door zijn voorganger aangegane verplichtingen verder na te komen. In het tegenovergestelde geval wordt een evenredig gedeelte van de reeds uitgekeerde bedragen door de voorganger terugbetaald. Dit gedeelte wordt berekend aan de hand van het groenvoederareaal dat werd overgedaan.”
2.
In 1988 hervatte verzoeker de melkproduktie. Inmiddels had de Raad bij verordeningen (EEG) nrs. 856/84 (PB 1984, L 90, biz. 10) en 857/84 (PB 1984, L 90, biz. 13) een extra heffing op de melkproduktie ingevoerd. Melkveehouders kregen een referentiehoeveelheid, die was gebaseerd op hun produktie in een bepaalde periode (de referentieperiode) en de extra heffing werd opgelegd voor hoeveelheden die deze referentiehoeveelheid overschreden. Aanvankelijk voorzagen deze verordeningen niet in de toekenning van een referentiehoeveelheid aan melkveehouders die, zoals verzoeker, als gevolg van hun verbintenis tot niet-levering of omschakeling gedurende de referentieperiode geen melk hadden geproduceerd. Bij arresten van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321, en zaak 170/86, Von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355) verklaarde het Hof verordening nr. 857/84 ongeldig, voor zover hierin niet was voorzien in de toekenning van een referentiehoeveelheid aan degenen die volgens het Hof mochten verwachten, dat zij na afloop van de verbintenis tot niet-levering of omschakeling de melkproduktie zouden mogen hervatten.
3.
Na de arresten in de zaken Mulder en von Deetzen stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 (PB 1989, L 84, blz. 2) vast, waarin aan verordening nr. 857/84 een artikel 3 bis werd toegevoegd, dat voorziet in toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid aan producenten die als gevolg van een verbintenis tot niet-levering of omschakeling hiervoor nog niet eerder in aanmerking waren gekomen. De specifieke referentiehoeveelheid zou 60 % van de hoeveelheid melk bedragen die door de producent was geleverd in de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de maand van indiening van de aanvraag voor de premie voor niet-levering of omschakeling (artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84). Bij arresten van 11 december 1990 (zaak C-189/89, Spagl, Jurispr. 1990, blz. I-4539, en zaak C-217/89, Pastätter, Jurispr. 1990, blz. I-4585) verklaarde het Hof die bepaling ongeldig, voor zover het de specifieke referentiehoeveelheid beperkte tot 60 % van de hoeveelheid die gedurende de betrokken twaalf maanden was geleverd. Ter uitvoering van deze arresten stelde de Raad op 13 juni 1991 verordening (EEG) nr. 1639/91 (PB 1991, L 150, blz. 35) vast.
4.
Op 22 juni 1989 vroeg verzoeker om toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid. Bij besluit van 11 augustus 1989 kende de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtcreatie in de provincie Friesland verzoeker voor het verkoopseizoen 1989/1990 een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid toe van 245653 kg. Verzoeker bestreed dit besluit op grond dat de referentiehoeveelheid niet op de juiste basis was berekend. Het besluit werd door verweerder in de nationale procedure, de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bekrachtigd. Volgens verweerder had verzoeker geen recht op een referentiehoeveelheid van 60 % van de totale hoeveelheid die hij had geleverd gedurende de twaalf maanden vóór zijn aanvraag voor de omschakclingspremic. Die hoeveelheid moest volgens verweerder namelijk worden verminderd naar evenredigheid van de door verzoeker in januari 1984 verkochte percelen. Hiervoor beriep verweerder zich op artikel 5, lid 1, van de Beschikking Superheffing SLOM-dcelnemcrs, waarin zijns inziens artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 857/84 correct is uitgevoerd.
5.
Artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 857/84 luidde vóór de wijziging ervan bij verordening nr. 1639/91 als volgt:
„Indien de producent zijn bedrijf in de loop van de periode van niet-levering of omschakeling gedeeltelijk heeft overgedragen:
—
is de specifieke referentiehoeveelheid van de cedent zoals hierboven bepaald gelijk aan 60 % van de hoeveelheid waarvoor hij het recht op de premie heeft behouden;
—
is de specifieke referentiehoeveelheid van de cessionaris zoals hierboven bepaald gelijk aan 60 % van de hoeveelheid waarvoor hij het recht op de premie heeft verkregen.”
6.
Artikel 5, lid 1, van de Beschikking Superheffing SLOM-deelnemers bepaalt dat, indien de producent zijn bedrijf tijdens de periode van niet-levering of omschakeling gedeeltelijk heeft overgedragen, de specifieke referentiehoeveelheid tussen de cedent en de cessionaris moet worden verdeeld: de cedent krijgt een referentiehoeveelheid die overeenkomt met de mate waarin zijn verplichtingen die uit de verbintenis tot niet-levering of omschakeling voortvloeien, zijn gehandhaafd, terwijl de cessionaris een referentiehoeveelheid krijgt die overeenkomt met de mate van de krachtens de verbintenis op hem overgegane rechten en verplichtingen. Blijkbaar heeft deze bepaling tot gevolg, dat de cessionaris, indien hij de verbintenis is nagekomen, een gedeelte van de specifieke referentiehoeveelheid ontvangt dat overeenkomt met de omvang van de door hem gekochte percelen. De specifieke referentiehoeveelheid van de cedent wordt dienovereenkomstig verminderd.
7.
Verzoeker stelde tegen het besluit van verweerder beroep in bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Hij voerde twee middelen aan:
In de eerste plaats: artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84 is ongeldig, voor zover het zijn specifieke referentiehoeveelheid beperkt tot 60 % van de hoeveelheid melk die door hem is geleverd in de twaalf maanden voorafgaande aan zijn aanvraag voor de premie voor niet-levering.
In de tweede plaats: het besluit van verweerder is in strijd met de bewoordingen van artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, voor zover daardoor zijn specifieke referentiehoeveelheid wordt verminderd in verband met het feit dat hij een gedeelte van het bedrijf gedurende de periode van niet-levering had verkocht.
8.
Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven achtte het eerste middel, gelet op de arresten in de zaken Spagl en Pastätter, gegrond, maar het was van oordeel, dat het tweede middel een aantal vragen deed rijzen met betrekking tot de uitlegging en de geldigheid van artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84. Het heeft daarom het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Is het onder omstandigheden zoals die zijn beschreven onder punt 2. van deze uitspraak [d. w. z. de omstandigheden zoals beschreven sub 1 tot en met 4 hiervoor] geoorloofd aan artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad een toepassing te geven, waarbij afgeweken wordt van de letterlijke tekst van deze bepaling?
2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet aan deze bepaling een toepassing worden gegeven overeenkomstig de toepassing die daaraan in Nederland op basis van artikel 5, lid 1, van de Beschikking Superheffing SLOM-deelnemers wordt gegeven?
3)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: brengt een toepassing op basis van de letterlijke tekst van genoemde communautaire bepaling mee, dat de cessionaris als in die bepaling bedoeld nimmer aanspraak op een specifieke referentiehoeveelheid kan doen gelden, dan wel slechts in het geval dat hij zich door een privaatrechtelijke overeenkomst met de vervreemder van de SLOM-grond heeft verzekerd van diens recht op SLOM-premie?
4)
Leidt de bevestigende beantwoording van de derde vraag, al dan niet in samenhang met andere overwegingen, tot de conclusie, dat genoemde bepaling, geheel of gedeeltelijk ongeldig is wegens schending van het gemeenschapsrecht, waaronder het vertrouwensbeginsel?”
9.
Ik vestig de aandacht op het feit, dat een Duitse rechter — het Verwaltungsgericht Oldenburg— in zaak C-175/91 (Ahlers en Grünefeld) soortgelijke vragen heeft gesteld.
De eerste en de tweede vraag
10.
De letterlijke betekenis van artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 857/84 is volkomen duidelijk. Deze bepaling betekent dat aan iemand in verzoekers positie een specifieke referentiehoeveelheid moet worden toegewezen, die gelijk is aan 60 % van de hoeveelheid melk die door hem is geleverd in de twaalf maanden vóór zijn aanvraag voor een omschakelingsprcmie. Er behoeft geen aftrek te worden toegepast wanneer hij gedurende de geldigheid van de verbintenis tot omschakeling een gedeelte van zijn bedrijf heeft verkocht, omdat hij het recht op de premie krachtens artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77 behield. En degene aan wie hij een gedeelte van zijn bedrijf verkocht, heeft geen recht op een specifieke referentiehoeveelheid met betrekking tot de desbetreffende percelen, omdat hij recht op enig gedeelte van de premie verwierf.
11.
De Nederlandse autoriteiten geven echter in overweging, artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, niet letterlijk uit te leggen. In plaats daarvan zou het artikel aldus moeten worden gelezen, dat de specifieke referentiehoeveelheid die in verband met verzoekers produktie in de twaalf maanden vóór de indiening van zijn aanvraag voor een omschakelingspremie is toegekend moeten worden verdeeld tussen verzoeker en degenen die een gedeelte van zijn bedrijf hebben gekocht op basis van de respectieve grondoppervlakten die hij en de kopers bezitten. De Nederlandse regering vestigt de aandacht op een kennelijke incongruentie in de geldende regels: artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 857/84 houdt in dat, indien een bedrijf in de loop van de periode van nict-levering of omschakeling gedeeltelijk wordt overgedragen, de specifieke referentiehoeveelheid tussen de cedent en de cessionaris moet worden verdeeld op basis van het deel van de premie waarop ieder recht heeft; artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77 voorziet evenwel niet, dat de cessionaris van een bedrijf recht op een deel van de premie verwerft. De Nederlandse regering oppert als oplossing, dat artikel 6, lid 2, partijen vrijlaat om zelf te bepalen of de cessionaris recht krijgt op een deel van de premie. Wanneer zulks het geval is en het recht op een specifieke referentiehoeveelheid afhankelijk is van het recht op de premie, zou dit evenwel afbreuk kunnen doen aan de gerechtvaardigde verwachtingen van de cessionaris, omdat hij dan geen specifieke referentiehoeveelheid kan krijgen, tenzij hij zich van het recht op een deel van de premie heeft verzekerd. Volgens de Nederlandse regering is, gelet op de ratio van de betrokken bepaling, het beslissende criterium, welke oppervlakten van het productieve land in het bezit van de cedent respectievelijk de cessionaris zijn. In de procedure voor de nationale rechter betoogde de verwerende minister, dat de Raad bij de invoeging van artikel 3 bis in verordening nr. 857/84 ten onrechte ervan moet zijn uitgegaan, dat de cessionaris van een gedeelte van een bedrijf waarop een verbintenis tot niet-nakoming of omschakeling rust, automatisch recht zou krijgen op een evenredig deel van de premie, indien hij de verplichtingen van de cedent uit hoofde van de verbintenis overnam.
12.
In hun schriftelijke opmerkingen ontkennen de Raad en de Commissie dat de gemeenschapswetgever bij de invoeging van artikel 3 bis in verordening nr. 857/84 van een dergelijke verkeerde veronderstelling is uitgegaan. Volgens hen verwijst dit artikel, wanneer het spreekt over het recht* op een deel van de premie voor de cessionaris van een gedeelte van een bedrijf, uitsluitend naar de situatie die zich voordoet wanneer een bedrijf en een reeks gedeeltelijke overdrachten van de hand wordt gedaan. De cedent verliest het recht op een deel van de premie na elke gedeeltelijke overdracht, tenzij de cessionaris zich verbindt tot nakoming van de verbintenis tot niet-levering of omschakeling (artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77; wanneer het laatste perceel is overgedragen, wordt de transactie beschouwd als een overdracht van het gehele bedrijf in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1078/77, met als gevolg dat de cessionaris, wanneer hij zich ertoe verplicht de verbintenis verder na te komen, het recht op het resterende gedeelte van de premie verwerft, voor zover de cedent het recht op de premie niet reeds heeft verloren als gevolg van de eerdere overdrachten. Volgens de Raad en de Commissie is dat de enige situatie waarin de cessionaris van een gedeelte van het bedrijf recht kan krijgen op een deel van de premie en is dat de situatie waarop artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 857/84 doelt.
13.
De Raad en de Commissie stellen eveneens dat, waar artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, spreekt van een recht op de premie, daarmee wordt verwezen naar een recht tegenover de bevoegde autoriteit en niet naar een recht tegenover de andere partij bij de overdracht krachtens een privaatrechtelijke overeenkomst. De cessionaris van een gedeelte van het bedrijf verwerft dus geen „recht op de premie” in de zin van die bepaling louter omdat de cedent zich ertoe verplicht de premie aan hem te betalen.
14.
Volgens de Raad en de Commissie is er derhalve geen aanleiding om van de letterlijke betekenis, van artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, af te wijken. De cedent van een gedeelte van het bedrijf die het recht op de gehele premie behoudt, is rechthebbende op de gehele specifieke referentiehoeveelheid en de cessionaris heeft geen recht op enig gedeelte van de specifieke referentiehoeveelheid. De cessionaris mag er niet op vertrouwen een specifieke referentiehoeveelheid te krijgen, omdat de gemeenschapswetgever hem niet persoonlijk heeft bewogen tot het aangaan van een verbintenis tot niet-levering of omschakeling. Hoewel dit ertoe kan leiden, dat een producent een specifieke referentiehoeveelheid krijgt die is gebaseerd op zijn produktie op een bedrijf dat veel groter is dan zijn huidige, is dit niet ernstig, omdat artikel 3 bis, lid 1, vereist dat de producent aantoont dat hij in staat is de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te produceren, en artikel 3 bis, lid 3, vereist dat zijn leveringen een niveau van 80 % van de referentiehoeveelheid moeten hebben bereikt, voordat de voorlopige referentiehoeveelheid definitief wordt.
15.
Ter terechtzitting hebben de vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie duidelijk gemaakt, dat huns inziens op grond van artikel 3 bis alleen een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegewezen aan de cessionaris die het gehele bedrijf overneemt en aan de cessionaris die het na een reeks gedeeltelijke overdrachten resterende laatste gedeelte van het bedrijf overneemt; is er echter sprake van een dergelijke reeks gedeeltelijke overdrachten, dan kan geen van de cessionarissen, behalve de laatste in de rij, een specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis, lid 2, krijgen. De Raad en de Commissie proberen het verschil in behandeling van de diverse categorieën van cessionarissen te rechtvaardigen met het argument, dat de cessionaris van een gedeelte van het bedrijf ingevolge artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77 geen recht op de premie verwerft en tegenover de bevoegde autoriteit niet gehouden is, op het bedrijf geen melk te produceren; van hem kan dus niet worden gezegd, dat hij door de Gemeenschap ertoe is bewogen geen melk te produceren en hij mag dus niet verwachten dat hij op het bedrijf weer melk mag produceren. Anderzijds mogen de cessionaris van het gehele bedrijf en de cessionaris die het na een reeks gedeeltelijke overdrachten resterende laatste gedeelte van het bedrijf overneemt, wel cen beroep doen op het gewettigd vertrouwen, omdat zij krachtens artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1078/77 rechthebbende op een deel van de premie worden en tegenover de bevoegde autoriteit de verplichting krijgen om geen melk op het bedrijf te produceren.
16.
De poging van de Raad en de Commissie om het kennelijke gebrek aan samenhang in de geldende regels weg te redeneren, kan mij niet overtuigen. Artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, lijkt wel degelijk te bepalen, dat de cedent en de cessionaris beide recht op een deel van de premie hebben en dus voor een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking komen. De suggestie dat het tweede streepje van die bepaling enkel van toepassing is op de cessionaris van het na een reeks gedeeltelijke overdrachten resterende laatste gedeelte van het bedrijf mist elke overtuigingskracht. In een dergelijke situatie zou de oorspronkelijke producent volledig van het toneel verdwijnen en lijkt artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, in het geheel niet van toepassing te zijn. In feite gaat die bepaling ervan uit, dat de oorspronkelijke producent nog steeds de hoofdrol speelt. De bepaling begint met de woorden: „Indien de producent zijn bedrijf in de loop van de periode van niet-levering of omschakeling gedeeltelijk heeft overgedragen (...)” Dat betekent duidelijk, dat de producent een gedeelte van het bedrijf heeft behouden. Wanneer de auteur van deze bepaling de situatie had willen regelen, waarin de producent zijn gehele bedrijf in de loop van de periode van niet-levering of omschakeling van de hand had gedaan, hetzij in één enkele transactie of in een serie gedeeltelijke transacties, zou hij hiervoor zeker adequate bewoordingen hebben gekozen.
17.
Ondanks de incongruentie in de geldende regeling, zie ik niet in hoe aan de betrokken bepaling in het kader van deze zaak een uitlegging kan worden gegeven, die afwijkt van de gewone betekenis van de gebruikte bewoordingen. Artikel 3 bis, lid 2, derde alinea, eerste streepje, bepaalt, dat „de specifieke referentiehoeveelheid van de cedent (...) gelijk is aan 60 % van de hoeveelheid waarvoor hij het recht op de premie heeft behouden”. Deze woorden laten niets aan duidelijkheid te wensen over. Een producent in de situatie van verzoeker heeft het recht op de gehele premie behouden en komt dus voor de gehele specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking. De kopers van een gedeelte van zijn bedrijf verwierven geen recht op enige premie en komen dus niet in aanmerking voor een specifieke referentiehoeveelheid krachtens artikel 3 bis, lid 2.
18.
Ik moet toegeven, dat dit niet de meest logische oplossing is, omdat het betekent dat een producent die in de loop van de periode van niet-levering of omschakeling een gedeelte van zijn bedrijf van de hand heeft gedaan, recht kan hebben op een specifieke referentiehoeveelheid die de hoeveelheid overschrijdt, die hij kan produceren op de percelen waarop de verbintenis tot niet-levering of omschakeling rust. Het zou logischer zijn geweest om de specifieke referentiehoeveelheid tussen de cedent en de cessionaris te verdelen op basis van de respectieve aandelen van de percelen waarop de verbintenis tot niet-levering of omschakeling rust. Dit is evenwel niet de oplossing waarvoor in de betrokken wettelijke regeling is gekozen en dergelijke argumenten kunnen niet rechtvaardigen, dat ten aanzien van verzoeker niet een bepaling wordt toegepast die hem duidelijk en ondubbelzinnig recht geeft op een specifieke referentiehoeveelheid op basis van zijn gehele produktie in de twaalf maanden voorafgaand aan zijn aanvraag voor een omschakelingspremie. Een wettelijke regeling waarin de vrijheid van de producent om zijn grond voor een rechtmatige economische activiteit te gebruiken, wordt beperkt, ook al is de beperking in beginsel gerechtvaardigd in het algemeen belang, moet niet restrictief worden uitgelegd op een wijze die de belangen van de producent schaadt. In elk geval komt het standpunt van de Nederlandse regering neer op meer dan een restrictieve interpretatie; het vervormt de gewone betekenis van een volstrekt ondubbelzinnige bepaling.
De derde en de vierde vraag
19.
De derde en de vierde vraag betreffen het mogelijke recht van de cessionaris op een specifieke referentiehoeveelheid. Uit het voorafgaande zal duidelijk zijn, dat artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84 juncto artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77, geen regeling bevat op grond waarvan een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan iemand die een gedeelte verwerft van een bedrijf waarop een verbintenis tot niet-levering of omschakeling rust (behalve wanneer, zoals de Raad en de Commissie stellen, de cessionaris na een reeks gedeeltelijke overdrachten het resterende laatste gedeelte van het bedrijf verwerft). Een privaatrechtelijk contract, waarbij de cedent overeenkomt zijn recht op de premie aan de cessionaris over te dragen of hem een gelijkwaardige geldsom te betalen, kan hierin geen verandering brengen. Wanneer artikel 3, lid 2, derde alinea, tweede streepje, spreekt van „het recht op de premie” van de cessionaris, moet dit mijns inziens worden opgevat als een recht tegenover de bevoegde autoriteit en kan dit niet worden uitgelegd als een verwijzing naar een contractueel recht tegenover de cedent. Zoals we hebben gezien, kan de cessionaris van een gedeelte van een bedrijf geen recht in die zin krijgen op een deel van de premie krachtens artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77.
20.
Indien de cessionaris van een gedeelte van een bedrijf derhalve een specifieke referentiehoeveelheid vordert, zal hij dit niet moeten doen op grond van de bewoordingen van verordening nr. 857/84, maar enkel op grond van het vertrouwensbeginsel. De vraag of hij een beroep op dat beginsel mag doen, werpt een aantal moeilijke problemen op, die mijns inziens niet in deze procedure dienen te worden opgelost, aangezien de rechten van de cessionaris hier niet in het geding zijn. Als belangrijkste punt moet in gedachten worden gehouden dat, indien de cessionaris recht heeft op een specifieke referentiehoeveelheid krachtens het vertrouwensbeginsel, dit niet betekent dat de aan de cedent toegekende specifieke referentiehoeveelheid dienovereenkomstig moet worden verminderd. De gemeenschapswetgever zou in dat geval middelen moeten vinden om het gewettigd vertrouwen van de cessionaris te honoreren, doch tegelijkertijd de verworven rechten van de cedent te waarborgen. Is men zich hiervan eenmaal bewust, dan is beantwoording van de derde en de vierde vraag niet meer nodig.
Conclusie
21.
Bijgevolg ben ik van mening, dat de vragen van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven moeten worden beantwoord als volgt:
Een melkveehouder die een verbintenis tot niet-levering of omschakeling is aangegaan krachtens verordening nr. 1078/77 en gedurende de periode van geldigheid van die verbintenis een gedeelte van zijn bedrijf aan een ander heeft overgedragen, maar ingevolge artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1078/77 het recht op de gehele premie voor niet-levering of omschakeling heeft behouden, heeft recht op de gehele in artikel 3 bis, lid 2, van verordening nr. 857/84 bedoelde specifieke referentiehoeveelheid.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy