Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De Corte d' appello di Roma (hierna: de verwijzende rechter) heeft het Hof een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 2, vierde alinea, van Raadsverordening (EEG) nr. 3247/81 van 9 november 1981(1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2632/85 van 16 september 1985(2), en van bijlage II, punt VIII "Olijfolie", van die verordening waarnaar voornoemde bepaling verwijst. Punt VIII van voornoemde bijlage luidt als volgt:
"VIII. Olijfolie
Voor de toepassing van de bepalingen inzake de hoeveelheden die ontbreken wegens diefstal of ander verlies waarvan de oorzaak kan worden vastgesteld, moet de interventieprijs voor de betrokken kwaliteit, verhoogd met alle maandelijkse verhogingen, in aanmerking worden genomen."
De vraag is gerezen in een geschil tussen Federazione italiana dei consorzi agrari (hierna: "Federconsorzi") en het Italiaanse interventiebureau Azienda di Stato per gli interventi sul mercato agricolo (hierna: "AIMA") in verband met de hoogte van het door Federconsorzi aan AIMA te betalen bedrag voor een hoeveelheid olijfolie die in de loop van het verkoopseizoen 1985/1986 in een opslagplaats van Federconsorzi werd gestolen.
Voor een beter begrip van het bodemgeschil zal ik eerst de communautaire bepalingen aanduiden die het rechtskader van dat geschil vormen. Zij betreffen de vaststelling van de aankoopprijs van ter interventie aangeboden olijfolie, enerzijds, en het opstellen van de jaarrekening met het oog op financiering, door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, van interventiemaatregelen in de vorm van opslag, anderzijds. Tenzij anders aangeduid verwijs ik hierna naar de voorschriften die van toepassing waren gedurende het verkoopseizoen 1985/1986 tijdens hetwelk de diefstal plaatsvond die tot het bodemgeschil aanleiding gaf.
Het juridisch kader
2. Er zijn vooreerst de voorschriften met betrekking tot de bepaling van de aankoopprijs van ter interventie aangeboden olijfolie.
Om de in de sector olijfolie nagestreefde stabiliteit te bereiken heeft de Raad bij verordening nr. 136/66/EEG(3) voor producenten of hun groeperingen de mogelijkheid geopend olijfolie aan de bevoegde instanties van de Lid-Staten aan te bieden. De door de Lid-Staten aangewezen interventiebureaus zijn verplicht de aangeboden olijfolie tegen interventieprijs te kopen.(4)
Overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 136/66, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1562/78 (zie voetnoot 4), wordt de interventieprijs jaarlijks vastgesteld voor de standaardkwaliteit van een soort olie waarvan de benaming in de bijlage bij de verordening voorkomt. Artikel 12, lid 1, laatste zin, van verordening nr. 136/66 verduidelijkt echter dat, wanneer olijfolie die voor interventie wordt aangeboden qua benaming of kwaliteit niet overeenstemt met die waarvoor de interventieprijs is vastgesteld (dus niet beantwoordt aan de voornoemde standaardkwaliteit), de aankoopprijs aan de hand van een schaal van toeslagen en kortingen wordt aangepast.
De bijlage bij verordening nr. 136/66 geeft de benaming en de definitie van zeven soorten olijfolie, waarbij de eerste soort ("olijfolie verkregen bij de eerste persing", ook genoemd "zuivere olijfolie verkregen bij de eerste persing") als volgt is onderverdeeld:
"a) extra: olijfolie met een volkomen onberispelijke smaak, waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, ten hoogste 1 gram per 100 gram bedraagt;
b) fijn: olijfolie, die voldoet aan de eisen van extra olijfolie, doch waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, ten hoogste 1,5 gram per 100 gram bedraagt;
c) courant (de uitdrukking 'halffijn' kan eveneens worden gebruikt): olijfolie met een goede smaak, waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, ten hoogste 3,3 gram per 100 gram bedraagt;
d) voor verlichting: olijfolie met een onaangename smaak, of waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, meer bedraagt dan 3,3 gram per 100 gram."
3. Overeenkomstig artikel 12, lid 4, van verordening nr. 136/66 heeft de Commissie, bij verordening (EEG) nr. 3472/85 van 10 december 1985(5), de uitvoeringsbepalingen voor de aankoop en opslag van olijfolie door de interventiebureaus vastgesteld. Luidens artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr. 3472/85 is de aankoopprijs de "prijs die geldt op de dag van levering voor goederen franco opslagplaats, niet gelost, met inachtneming van de in deze verordening vastgestelde toeslagen en kortingen" en wordt die aankoopprijs aangepast "door toepassing op de interventieprijs van de in bijlage vermelde toeslagen en kortingen".
Voor een goed begrip van voorliggende zaak geef ik de bijlage van verordening nr. 3472/85 hierna volledig weer:
(Ecu/100 kg)
Benaming en kwaliteit in de zin van de bijlage bij Verordening nr. 136/66/EEG
(de zuurheidsgraad geeft het gehalte aan vrije vetzuren aan, uitgedrukt in gram oliezuur per 100 gram olie)
Toeslag
KortingOlie verkregen bij eerste persing, extra17,29°Olie verkregen bij eerste persing, fijn12,09°Olie verkregen bij eerste persing, halffijn°°Olie verkregen bij eerste persing, voor verlichting 1
8,14Andere oliën verkregen bij eerste persing voor verlichting:° met een zuurheidsgraad van meer dan 1 , doch niet meer dan 8
de korting wordt met O,32 Ecu verhoogd voor elke 1/10 zuurheidsgraad meer ° met een zuurheidsgraad van meer dan 8 de korting wordt met O,35 Ecu verhoogd voor elke 1/10 zuurheidsgraad meerOlie van afvallen van olijven, met een zuurheidsgraad van hoogstens 5 123,00Andere olie van afvallen van olijven:° met een zuurheidsgraad van meer dan 5 , doch niet meer dan 8 de korting wordt met O,17 Ecu verhoogd voor elke 1/10 zuurheidsgraad meer° met een zuurheidsgraad van meer dan 8 de korting wordt met 0,20 Ecu verhoogd voor elke 1/10 zuurheidsgraad meer
Uit deze bijlage blijkt dat "olie verkregen bij eerste persing, halffijn" (hierna: "halffijne olie") de standaardkwaliteit is waarvoor de interventieprijs is vastgesteld.(6) De aankoop van "olie verkregen bij eerste persing, voor verlichting" (hierna: "olie voor verlichting") geschiedt, zo blijkt eveneens uit deze bijlage, tegen een prijs die gelijk is aan de interventieprijs verminderd met een korting die toeneemt naarmate de zuurheidsgraad groter is, te beginnen met een korting ter hoogte van 8,14 ECU/100 kg voor olie met zuurheidsgraad 1 .
4. Bespreken we nu de voorschriften met betrekking tot het opstellen van de jaarrekening met het oog op financiering van interventies door het EOGFL.
Verordening (EEG) nr. 1883/78 van de Raad van 2 augustus 1978(7) duidt de algemene regels aan voor de financiering van de interventies door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie. Artikel 4, lid 1, van die verordening schrijft voor dat, wanneer in het kader van een interventiemaatregel produkten worden aangekocht en opgeslagen, het gefinancierde bedrag wordt bepaald door de jaarrekeningen die worden vastgesteld door de betaaldiensten en -organen en waarop op de debetzijde, respectievelijk de creditzijde, de verschillende elementen van uitgaven en ontvangsten worden geboekt.
Overeenkomstig artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1883/78 heeft de Raad, bij voornoemde verordening nr. 3247/81, voor de interventiemaatregelen in het kader waarvan landbouwprodukten door de interventiebureaus worden aangekocht en opgeslagen, de boekingsregels vastgesteld voor het opstellen van de jaarrekening van de betaaldiensten. Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 3247/81 laat voor de bewaring van de opgeslagen hoeveelheden de vaststelling toe van een tolerantiegrens ° dit is, zo begrijp ik het, de grens beneden dewelke ontbrekende hoeveelheden niet worden aangerekend. Luidens artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 3247/81 wordt de waarde van de hoeveelheden boven de tolerantiegrens op de creditzijde van de rekeningen geboekt, waarbij, voor de berekening van deze waarde, het volgende geldt:
"Behoudens de specifieke bepalingen van bijlage II wordt deze waarde berekend door de betrokken hoeveelheden te vermenigvuldigen met de basisinterventieprijs voor de standaardkwaliteit op de eerste dag van het verkoopseizoen dat tijdens het begrotingsjaar aanvangt, in voorkomend geval vermeerderd met alle maandelijkse verhogingen."
Aangezien bijlage II van verordening nr. 3247/81, in haar oorspronkelijke versie, geen specifieke maatregelen voor olijfolie bevatte, diende de waarde van hoeveelheden boven de tolerantiegrens, overeenkomstig die versie, dan ook te worden vastgesteld aan de hand van de interventieprijs voor de standaardkwaliteit, dit is voor halffijne olie.
5. Artikel 3, lid 2, vierde alinea, van verordening nr. 3247/81, in zijn oorspronkelijke versie, bepaalt dat de hoeveelheden die ontbreken wegens diefstal of ander verlies waarvan de oorzaak vastgesteld kan worden, niet meegeteld worden bij de berekening van de tolerantiegrens. De waarde van deze hoeveelheden dient, volgens die bepaling, aan de creditzijde te worden geboekt op de datum waarop de diefstal is gepleegd of het verlies zich heeft voorgedaan, dan wel bij gebreke daarvan, op de datum waarop de diefstal of het verlies zijn geconstateerd. Die waarde wordt bepaald "volgens de voorschriften inzake de hoeveelheden boven de tolerantiegrens". Voor olijfolie waarvoor in bijlage II geen specifieke bepalingen waren voorzien, diende die waarde dan ook te worden berekend aan de hand van de interventieprijs voor de voornoemde standaardkwaliteit. Als interventieprijs geldt dan, aldus de laatste zin van de bepaling, de prijs van het lopende verkoopseizoen, in voorkomend geval verhoogd met alle maandelijkse verhogingen.
Artikel 3, lid 2, vierde alinea, van verordening nr. 3247/81 werd gewijzigd bij voornoemde verordening nr. 2632/85. Aan de bepaling dat de waarde van de gestolen of verloren hoeveelheden wordt berekend volgens de voorschriften inzake de hoeveelheden boven de tolerantiegrens, werd meer bepaaldelijk toegevoegd dat dit geldt "behoudens de specifieke bepalingen van bijlage II". Tevens werd aan bijlage II een punt VIII "Olijfolie" toegevoegd, waarvan de tekst hiervoor (nr. 1) reeds werd geciteerd. Daaruit blijkt dat, vanaf het van kracht worden van wijzigingsverordening nr. 2632/85 en dus voor de diefstallen die in het ons aanbelangende verkoopseizoen 1985/1986 plaatsvonden, de waarde van de gestolen hoeveelheden olijfolie aan de hand van de interventieprijs voor de betrokken kwaliteit wordt vastgesteld. Met andere woorden, van dan af gold voor olijfolie niet langer de algemene regel volgens welke de waarde van ontvreemde hoeveelheden aan de hand van de interventieprijs voor de standaardkwaliteit moest worden bepaald.
De bij verordening nr. 2632/85 ingevoerde regeling is echter niet lang van toepassing geweest. Bij verordening (EEG) nr. 3492/90 van 27 november 1990(8) heeft de Raad verordening nr. 3247/81 ingetrokken en heeft hij de Commissie bevoegd verklaard om de waarde van ontvreemde hoeveelheden vast te stellen (zie de artikelen 5, lid 2, en 8 van verordening nr. 3492/90). Bij verordening (EEG) nr. 3597/90 van 12 december 1990(9) heeft de Commissie op grond van die bevoegdheid nieuwe boekingsregels vastgesteld. Luidens artikel 2, lid 1, van die verordening wordt de waarde van ontbrekende hoeveelheden die het gevolg zijn van diefstal, berekend "door de betrokken hoeveelheden te vermenigvuldigen met de basisinterventieprijs die geldt voor de standaardkwaliteit op de eerste dag van het lopende boekjaar, vermeerderd met 5 %" (cursivering toegevoegd). Deze regeling geldt "behoudens bijzondere, in de bijlage opgenomen bepalingen". Deze bijlage bevat evenwel geen bijzondere bepalingen voor olijfolie. Artikel 2, lid 5, van verordening nr. 3597/90 preciseert ten slotte dat voor de vaststelling van de waarde van de in lid 1 bedoelde hoeveelheden "eventuele verhogingen, toeslagen, kortingen, percentages en coëfficiënten die op de interventieprijs bij aankoop van het produkt van toepassing zijn, niet in aanmerking (worden) genomen".
Het bodemgeschil en de bevoegdheid van het Hof
6. Bij aanbestedingsovereenkomst van 1 februari 1986 heeft AIMA aan Federconsorzi opdracht gegeven om, gedurende het verkoopseizoen 1985/1986, zoals gedurende de vorige seizoenen, in te staan voor de praktische uitvoering van de interventiemaatregelen (o.a. aankoop en opslag) op de markt van olijfolie. In haar opmerkingen voor het Hof wijst de Italiaanse regering erop dat deze opdracht diende te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden waarvan sprake in het ministerieel besluit van 12 april 1984(10) en de "atto disciplinare" van 24 september 1985.(11)
Artikel 3, tweede alinea, van voornoemde overeenkomst regelt als volgt de verplichtingen van Federconsorzi in geval van verlies van bij haar opgeslagen olijfolie:
"De opslaghouder is gehouden tot vergoeding (...) van verliezen tengevolge van voor zijn risico komende omstandigheden, en wel tegen de waarde als geregeld in de op het desbetreffende tijdstip geldende gemeenschapswetgeving."
Op 25 augustus 1986 (d.i. in het verkoopseizoen 1985/1986) werd vastgesteld dat 6 127,33 liter olijfolie werd gestolen uit de opslagplaats van Federconsorzi in Gioia Tauro. Het staat vast dat het gaat om "olijfolie verkregen bij de eerste persing voor verlichting" welke in het verkoopseizoen 1983/1984 ter interventie was aangekocht. Omtrent de zuurheidsgraad van de gestolen olijfolie bestaat er echter betwisting. Federconsorzi beweert dat met een zuurheidsgraad 7 rekening moet worden gehouden. AIMA beweert van haar kant dat de zuurheidsgraad niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Niettemin is geweten dat de gestolen olijfolie voor verlichting in geen geval zuurheidsgraad 1 heeft. De verwijzende rechter wijst er namelijk op dat, volgens de feiten die het arbitraal college (daarover hierna, nr. 7) heeft vastgesteld, er in het verkoopseizoen 1983/1984, dat wil zeggen het seizoen gedurende hetwelk de gestolen olijfolie werd aangekocht, in Gioia Tauro geen olijfolie met zuurheidsgraad 1 werd aangekocht, maar uitsluitend partijen met een zuurheidsgraad van minimaal 2 en maximaal 13,8 .
7. Tussen AIMA en Federconsorzi is een geschil ontstaan omtrent de uitlegging van de bepalingen van de gemeenschapswetgeving die aanduiden hoe de waarde van gestolen olijfolie moet worden berekend, welke bepalingen krachtens het hiervoor geciteerde artikel 3, tweede alinea, van de aanbestedingsovereenkomst voor partijen verbindend zijn. Volgens AIMA, die zich beroept op een eensluidend advies dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen op haar heeft verstrekt, dienen deze bepalingen aldus te worden uitgelegd dat aan het interventiebureau de tegenwaarde moet worden betaald van de ontvreemde hoeveelheden tegen de in het verkoopseizoen 1985/1986 geldende aankoopprijs, inclusief maandelijkse verhogingen, voor "olijfolie verkregen bij eerste persing voor verlichting, met zuurheidsgraad 1 ". Federconsorzi beweert daarentegen dat zij de ontvreemde hoeveelheden moet vergoeden aan de hand van de lagere aankoopprijs voor "olijfolie verkregen bij eerste persing voor verlichting, met zuurheidsgraad 7 " die van toepassing was in het verkoopseizoen 1983/1984 of, subsidiair, in het verkoopseizoen 1985/1986.
Overeenkomstig de aanbestedingsovereenkomst werd dit geschil aan een arbitraal college voorgelegd. In zijn uitspraak, waaraan de Pretore di Roma bij beschikking van 14 juli 1989 exequatur heeft verleend, heeft dit college voor een tussenoplossing gekozen: het oordeelde dat het aan AIMA te betalen bedrag moest worden berekend aan de hand van de aankoopprijs die van toepassing was in het verkoopseizoen 1985/1986, vermeerderd met de maandelijkse verhogingen die op het tijdstip van de diefstal reeds waren ingegaan, voor de in het seizoen 1983/1984 aangekochte hoeveelheden olijfolie voor verlichting met een geringe zuurheidsgraad (d.i. ° zo blijkt uit de prejudiciële vraag ° olijfolie voor verlichting met de laagste zuurheidsgraad die gemeten is in de betrokken opslagplaats gedurende het verkoopseizoen 1983/1984 tijdens hetwelk de gestolen olie werd aangekocht, in casu zuurheidsgraad 2 ).
8. Federconsorzi heeft AIMA voor de Corte d' appello gedaagd en de nietigverklaring van de arbitrale uitspraak gevorderd. Op wedereis heeft AIMA eveneens de nietigverklaring van de arbitrale uitspraak gevorderd. Van oordeel dat zijn uitspraak afhankelijk was van de manier waarop de betrokken gemeenschapsbepalingen dienen te worden uitgelegd, heeft de Corte d' appello volgende vraag aan het Hof voorgelegd:
"Moet het bepaalde in artikel 3, lid 2, vierde alinea, en in bijlage II, punt VIII, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad, in samenhang met de bepalingen van verordening (EEG) nr. 136/66 van de Raad alsmede van verordening (EEG) nr. 3472/85 van de Commissie, aldus worden uitgelegd, dat met het oog op de boekhouding van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds de waarde van olijfolie verkregen bij eerste persing voor verlichting, die uit een interventieopslagplaats is ontvreemd, moet worden bepaald ° naar verhouding tot de weggehaalde hoeveelheden ° aan de hand van de prijs ° met de voorgeschreven maandelijkse verhogingen ° die in het verkoopseizoen waarin de diefstal werd geconstateerd, gold voor bij eerste persing verkregen olijfolie voor verlichting met zuurgraad 1 dan wel met de laagste zuurgraad die gemeten is in de betrokken opslagplaats gedurende het verkoopseizoen waaruit de ontvreemde olie afkomstig is, of is voor die waarde strikt en alleen de prijs bepalend die op het moment van de overdracht is betaald voor dezelfde kwaliteit en hoeveelheid als is ontvreemd, of moet een andere dan de hier genoemde normen worden aangelegd?"
9. De vraag om uitlegging van verordening nr. 3247/81 wordt door de verwijzende rechter voorgelegd om een geschil te beslechten dat niet rechtstreeks door die verordening wordt beheerst maar wel door een aanbestedingsovereenkomst die naar die verordening verwijst. Bijgevolg rijst de vraag of het Hof overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag wel bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden.
Sinds het arrest Dzodzi(12) staat vast dat het Hof bevoegd is om bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht waarnaar het nationale recht van een Lid-Staat verwijst ter bepaling van de regels die op een louter interne situatie van die Lid-Staat van toepassing zijn (r.o. 36 van het arrest). Gelet op de reden die het Hof tot dit standpunt bewogen heeft ° namelijk het vermijden van toekomstige uitleggingsproblemen (zie r.o. 37 van het arrest) ° ligt het voor de hand dat het Hof eveneens bevoegd is om bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen over een bepaling van gemeenschapsrecht waarnaar niet een nationale bepaling maar een contractuele bepaling verwijst ter vaststelling van de verbintenissen tussen partijen.
Het is echter nuttig eraan te herinneren (zie ook r.o. 42 van het arrest Dzodzi) dat het Hof enkel bevoegd is bepalingen van gemeenschapsrecht te onderzoeken. Het kan in zijn antwoord aan de nationale rechter geen rekening houden met de opzet van de overeenkomst noch met de bepalingen van nationaal recht (bijvoorbeeld het voornoemde ministerieel besluit van 12 april 1984 of de voornoemde "atto disciplinare" van 24 september 1985) die mede de draagwijdte van de contractuele verbintenissen kunnen bepalen. Of het gemeenschapsrecht integraal, dat wil zeggen met uitsluiting van nationale of contractuele bepalingen, op de contractuele verhouding tussen partijen kan worden toegepast, is dan ook een vraag die ter beoordeling staat van de nationale rechter.
Beantwoording van de vraagstelling
10. De verwijzende rechter wil met de voorgelegde vraag in wezen vernemen hoe de termen "de interventieprijs voor de betrokken kwaliteit" waarvan sprake in bijlage II, punt VIII, van verordening nr. 3247/81, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2632/85, moeten worden uitgelegd (zie hiervoor nr. 5, tweede alinea). Overeenkomstig artikel 3, lid 2, vierde alinea, van de gewijzigde verordening nr. 3247/81 moet die prijs immers in aanmerking worden genomen om de waarde te bepalen van de hoeveelheden olijfolie die ontbreken wegens een diefstal die in het verkoopseizoen 1985/1986 werd vastgesteld.
De verwijzende rechter vraagt meer bepaaldelijk welke van de vier volgende prijzen voor de waardebepaling in aanmerking moet worden genomen:
1) de prijs die tijdens het verkoopseizoen waarin de diefstal werd geconstateerd, gold voor olijfolie voor verlichting met zuurheidsgraad 1 ;
2) de prijs die tijdens het verkoopseizoen waarin de diefstal werd geconstateerd, gold voor olijfolie voor verlichting met de laagste zuurheidsgraad die gemeten is in de opslagplaats gedurende het verkoopseizoen tijdens hetwelk de gestolen olie werd aangekocht;
3) de prijs die op het moment van de aankoop werd betaald voor olie van dezelfde kwaliteit als deze die later werd ontvreemd;
4) een andere dan de drie voornoemde prijzen.
Zoals uit deze lijst van mogelijke interpretaties blijkt, moeten twee aspecten worden onderscheiden: vooreerst is er de vraag naar het in aanmerking te nemen tijdstip (het ogenblik op hetwelk de diefstal werd gepleegd of geconstateerd dan wel het ogenblik op hetwelk de ontvreemde olie voor interventie werd aangekocht); vervolgens is er de vraag naar de in aanmerking te nemen zuurheidsgraad van de te vergoeden olijfolie voor verlichting. Ik behandel deze twee vragen in die volgorde.
11. Wat het in aanmerking te nemen tijdstip betreft, zijn de Italiaanse regering en de Commissie het eens met de uitspraak van het arbitraal college. Volgens dit college moet de waarde van de ontvreemde olie worden bepaald aan de hand van de aankoopprijs voor de betrokken kwaliteit die van toepassing was op het ogenblik dat de diefstal werd vastgesteld, dat wil zeggen aan de hand van de voor het verkoopseizoen 1985/1986 geldende aankoopprijs vermeerderd met de maandelijkse verhogingen die tot op dat ogenblik waren ingegaan.
Gelet op de tekst van artikel 3, lid 2, vierde alinea, tweede en derde zin, van verordening nr. 3247/81 ben ik van mening dat de ontvreemde olie ° in een geval als het voorliggende waarin de datum waarop de diefstal is gepleegd schijnbaar niet gekend is(13) ° inderdaad moet worden vergoed aan de hand van de aankoopprijs voor de betrokken kwaliteit die op het ogenblik van de vaststelling van de diefstal toepasselijk was. Die bepalingen luiden immers als volgt:
"De waarde van deze hoeveelheden dient op de creditzijde te worden geboekt op de datum waarop de diefstal is gepleegd of het verlies zich heeft voorgedaan, dan wel bij gebreke daarvan, op de datum waarop de diefstal of het verlies zijn geconstateerd; de waarde wordt bepaald volgens de voorschriften inzake de hoeveelheden boven de tolerantiegrens. Indien op die datum het nieuwe verkoopseizoen nog niet is begonnen, dient de interventieprijs van het lopende verkoopseizoen te worden genomen, in voorkomend geval verhoogd met alle maandelijkse verhogingen."
De uitdrukkingen "het nieuwe verkoopseizoen" en "maandelijkse verhogingen" verwijzen duidelijk naar de prijs die van toepassing was op het ogenblik dat de diefstal werd gepleegd dan wel vastgesteld.
12. Wat de in aanmerking te nemen kwaliteit betreft, zijn partijen het eens met het arbitraal college dat, gelet op de wijziging die verordening nr. 2632/85 in verordening nr. 3247/81 heeft aangebracht (hiervoor nr. 5, tweede alinea), de waarde van de in de loop van het verkoopseizoen 1985/1986 ontvreemde olie moet worden bepaald aan de hand van de specifieke bepalingen voor de sector olijfolie, dat wil zeggen aan de hand van de interventieprijs voor de betrokken kwaliteit en dus niet langer op basis van de interventieprijs voor de standaardkwaliteit. Zij zijn het er bijgevolg over eens dat in casu moet worden uitgegaan van de aankoopprijs voor olie voor verlichting (d.i. de ontvreemde oliesoort) en niet voor halffijne olie (d.i. de olie van de standaardkwaliteit). In geschil is alleen of ook de korting ingevolge de zuurheidsgraad van de ontvreemde olie voor verlichting in aanmerking moet worden genomen. Dit geschil komt er in wezen op neer te weten of de termen "betrokken kwaliteit" waarvan sprake in bijlage II, punt VIII, van de gewijzigde verordening nr. 3247/81 ook de zuurheidsgraad omvatten en, zo ja, dewelke.
In dat verband beweren de Italiaanse regering en de Commissie dat de term "kwaliteit" verwijst naar de vier soorten olie (extra, fijne, halffijne en voor verlichting) waarvan sprake in de hiervoor (in nr. 2) afgedrukte bijlage bij verordening nr. 136/66. Oliën voor verlichting met een verschillende zuurheidsgraad zouden niet kunnen worden aangemerkt als zijnde van een aparte "kwaliteit". De termen "betrokken kwaliteit" waarvan sprake in verordening nr. 3247/81 zouden daarom uitsluitend verwijzen naar één van de vier voornoemde soorten olie, met dien verstande dat, wanneer olie voor verlichting werd ontvreemd, de prijs van deze oliesoort met de korting voor zuurheidsgraad 1 in aanmerking zou dienen te komen.
13. Ik kan deze opvatting niet delen. Het is juist dat de bijlage bij Raadsverordening nr. 136/66 de benaming en de definitie aanduidt van vier soorten olijfolie verkregen bij eerste persing. Maar ook indien elk van deze vier soorten olijfolie als een kwaliteitsklasse is aan te merken, betekent dit niet dat wanneer olijfolie van de kwaliteit "voor verlichting" werd ontvreemd een korting wegens een andere zuurheidsgraad dan zuurheidsgraad 1 niet in aanmerking zou moeten worden genomen. Het tegendeel is waar. Luidens artikel 12, lid 1, eerste alinea, laatste zin, van verordening nr. 136/66, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1562/78 (hiervoor nr. 2), wordt de aankoopprijs aan de hand van een schaal van toeslagen en kortingen aangepast "wanneer olijfolie die voor interventie wordt aangeboden qua benaming of kwaliteit niet overeenstemt met die waarvoor de interventieprijs is vastgesteld" (cursivering toegevoegd).
Op grond van deze bepaling die uitdrukkelijk naar benaming én kwaliteit verwijst, heeft de Commissie de oliesoort "voor verlichting" in de bijlage bij haar verordening nr. 3472/85, onder de hoofding "Benaming en kwaliteit in de zin van de bijlage bij verordening nr. 136/66/EEG", onderverdeeld in klassen afhankelijk van de zuurheidsgraad: naast olie voor verlichting 1 (waarvoor een korting van 8,14 ECU/100 kg van toepassing is) is er sprake van andere oliën voor verlichting "met een zuurheidsgraad van meer dan 1 doch niet meer dan 8 " (voor deze subklasse wordt de korting met 0,32 ECU verhoogd voor elke 1/10 zuurheidsgraad meer) en "met een zuurheidsgraad van meer dan 8 " (voor deze subklasse wordt de korting met 0,35 ECU verhoogd voor elke 1/10 zuurheidsgraad meer). Uit de omstandigheden dat deze subklassen voorkomen in de kolom waarboven "Benaming en kwaliteit" staat en dat de korting op de interventieprijs afhankelijk is van de zuurheidsgraad voor verlichting, leid ik af dat de zuurheidsgraad mede bepalend is om uit te maken welke de "betrokken kwaliteit" van olijfolie voor verlichting is. Om de waarde van ontvreemde olijfolie voor verlichting te bepalen moet dan ook, overeenkomstig punt VIII van bijlage II van verordening nr. 3247/81, de zuurheidsgraad van deze oliesoort in aanmerking worden genomen.
14. De wetshistoriek bevestigt dit standpunt. Zoals hiervoor (nr. 5) reeds aangeduid, schrijft Raadsverordening nr. 3247/81 als algemene regel voor dat de waarde van ontvreemde hoeveelheden aan de hand van de interventieprijs voor de standaardkwaliteit moet worden bepaald. Die algemene regel, die tot het verkoopseizoen 1984/1985 ook gold voor de sector olijfolie, hield derhalve de toepassing in van een forfaitaire vergoeding waarbij geen rekening werd gehouden met de werkelijke kwaliteit van de ontvreemde olie. Bijgevolg lag de te vergoeden waarde nu eens boven de werkelijke waarde (namelijk wanneer olie van een mindere kwaliteit dan de standaardkwaliteit was ontvreemd) dan weer beneden die werkelijke waarde (namelijk wanneer olie van een betere kwaliteit dan de standaardkwaliteit was ontvreemd). Bij verordening nr. 2632/85 is de Raad voor de sector olijfolie evenwel afgestapt van deze forfaitaire regeling: vanaf het verkoopseizoen 1985/1986 diende de interventieprijs voor de betrokken kwaliteit van olijfolie in aanmerking te worden genomen.
Naderhand heeft de Commissie (daartoe gemachtigd bij Raadsverordening nr. 3492/90 die in de plaats kwam van verordening nr. 3247/81) bij verordening nr. 3597/90 opnieuw een andere regeling ingesteld (hiervoor nr. 5, derde alinea). De bij artikel 2, lid 1, van Commissieverordening nr. 3597/90 ingestelde algemene regel voorziet nog steeds ° maar nu ook opnieuw voor de sector olijfolie waarvoor niet langer specifieke bepalingen gelden ° in een forfaitaire vergoeding, welke bepaald wordt aan de hand van de interventieprijs voor de standaardkwaliteit van de ontvreemde produkten, met dien verstande dat die regeling nu strikter is dan voordien omdat die prijs voortaan met 5 % wordt verhoogd. In haar opmerkingen voor het Hof betoogt de Commissie dat het weglaten van specifieke bepalingen voor olijfolie een bewuste keuze is geweest die werd ingegeven door de omstandigheid dat grote hoeveelheden olijfolie met een onverklaarbare frequentie werden ontvreemd.
Uit deze wetshistoriek moge blijken dat de Raad, bij verordening nr. 2632/85 en tot de inwerkingtreding van Commissieverordening nr. 3597/90, voor de sector olijfolie, in de plaats van een forfaitaire waardebepaling van de ontvreemde produkten, een regeling heeft ingesteld die is afgestemd op de werkelijke waarde van die produkten. Het in aanmerking nemen van de zuurheidsgraad van olijfolie voor verlichting, sluit dan ook aan bij dit streven naar een vergoeding op basis van de werkelijke waarde.
15. Hiermee is aan de verwijzende rechter evenwel nog geen volledig dienstig antwoord verstrekt. De Italiaanse regering en de Commissie merken immers op dat bij eerste persing verkregen olijfolie, per verkoopseizoen, volgens de in bijlage van verordening nr. 136/66 genoemde vier soorten wordt opgeslagen. Wat in het bijzonder olie voor verlichting betreft zou het opslagbedrijf al de in eenzelfde verkoopseizoen aangekochte olie van die soort in een zelfde recipiënt mogen opslaan ongeacht de zuurheidsgraad ervan. Volgens de Italiaanse regering en de Commissie brengt dit mee dat bij diefstal wel kan vastgesteld worden dat het gaat over olie voor verlichting aangekocht tijdens een bepaald verkoopseizoen, maar dat het niet mogelijk is de zuurheidsgraad van ontvreemde olie voor verlichting te bepalen.
Federconsorzi betwist deze stelling. Zij wijst erop dat het opslagbedrijf, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van verordening nr. 3472/85, ertoe gehouden is een dagelijkse voorraadboekhouding te voeren die onder meer de aankoopfactuur van iedere aangekochte partij bevat, alsook een afschrift van het analysecertificaat. In feite, zo beweert Federconsorzi, is voor elke aangekochte partij een hele reeks gegevens, waaronder de zuurheidsgraad, beschikbaar. Zij wijst er verder op dat de opslaghouder, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van verordening nr. 3472/85, ertoe gehouden is van elke met het oog op opslag samengestelde partij drie representatieve monsters aan het interventiebureau te bezorgen, zodat dit bureau de olie van iedere partij kan herkennen.(14) Op grond van die gegevens is het volgens haar mogelijk de zuurheidsgraad ° de gemiddelde zuurheidsgraad, zo begrijp ik het ° van de ontvreemde olie voor verlichting te bepalen.
16. Het komt mij voor dat de vraag welke zuurheidsgraad de ontvreemde olie voor verlichting had, een kwestie is waarover de nationale rechter zich dient uit te spreken met inachtneming van de beschikbare bewijsmiddelen maar met dien verstande dat, wanneer overtuigende bewijzen ontbreken, het niet aan de Gemeenschap staat om het bewijsrisico te dragen. De reden daarvoor zie ik in het belang van de Gemeenschap bij de bescherming van de communautaire financiën tegen fraude, meer bepaaldelijk tegen diefstallen. Het komt mij immers voor dat, bij ontbreken van bewijsmateriaal, de voor de Gemeenschap gunstigste oplossing moet worden gekozen, een standpunt dat overigens aansluit bij vaste rechtspraak van het Hof inzake tenlastelegging in de landbouwsector van door de Lid-Staten onrechtmatig verrichte betalingen, dit zijn betalingen die niet in overeenstemming zijn verricht met de communautaire voorschriften betreffende de financiering van uitgaven. Volgens deze rechtspraak(15) moeten dergelijke betalingen ten laste blijven van de Lid-Staten, in die mate zelfs dat wanneer het onmogelijk is met zekerheid vast te stellen in hoeverre een met het gemeenschapsrecht strijdige nationale maatregel tot een (onwettige) verhoging van de uitgaven heeft geleid, de gemeenschapsautoriteit de financiering van alle betrokken uitgaven moet weigeren(16). Hieruit moge blijken hoe in geval van twijfel de bewijslast bij de persoon ligt die om financiering van de uitgaven verzoekt, hetgeen trouwens in overeenstemming is met het algemene beginsel van bewijsrecht, dat het bewijsrisico bij diegene ligt die niet in staat is te voldoen aan zijn plicht om met zekerheid de feiten (in casu de zuurheidsgraad van de ontvreemde olie) te bewijzen waarvan de omvang van de financiering afhangt.
Het voorgaande brengt mee dat wanneer bewijskrachtige gegevens de nationale rechter toelaten de (ene dan wel gemiddelde) zuurheidsgraad van de ontvreemde partij olie te bepalen, hij met die zuurheidsgraad rekening dient te houden. De nationale rechter mag zich daarbij steunen op de voorraadboekhouding van het opslagbedrijf dan wel op andere bewijskrachtige gegevens zoals de door het arbitraal college aangeduide omstandigheid dat gedurende het verkoopseizoen tijdens hetwelk de ontvreemde olie werd aangekocht, door het opslagbedrijf geen olie voor verlichting met zuurheidsgraad 1 werd aangekocht en dat dergelijke olie dan ook niet kon worden ontvreemd. Ingeval evenwel geen gegevens voorhanden zijn die een nadere bepaling van de zuurheidsgraad van de ontvreemde partij olie met zekerheid toelaten, meen ik (net als het arbitraal college) dat om de hiervoor genoemde reden de waardebepaling moet gebeuren onder verwijzing naar olie met de laagste zuurheidsgraad die in de opslagplaats waar de diefstal plaatsvond werd opgeslagen gedurende het verkoopseizoen tijdens hetwelk de ontvreemde olie werd aangekocht, dat wil zeggen de voor de Gemeenschap gunstigste oplossing.
Besluit
17. Ik geef het Hof in overweging de prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
"Artikel 3, lid 2, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad van 9 november 1981 en bijlage II, punt VIII, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2632/85 van de Raad van 16 september 1985, moeten in die zin worden uitgelegd dat, voor het opstellen van de jaarrekening voor de financiering van interventiemaatregelen in de vorm van opslag door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, de waarde van de hoeveelheden olijfolie verkregen bij eerste persing voor verlichting die wegens diefstal ontbreken, moet worden bepaald door de ontvreemde hoeveelheden te vermenigvuldigen met de aankoopprijs van toepassing gedurende het verkoopseizoen in de loop waarvan de diefstal werd gepleegd of vastgesteld, verhoogd met alle maandelijkse verhogingen, voor de betrokken oliesoort met een zuurheidsgraad overeenstemmend met de zuurheidsgraad van de ontvreemde hoeveelheden dan wel, indien die zuurheidsgraad niet met zekerheid kan worden vastgesteld, overeenstemmend met de laagste zuurheidsgraad die in de opslagplaats waar de diefstal plaatsvond werd opgeslagen gedurende het verkoopseizoen tijdens hetwelk de ontvreemde olie voor verlichting werd aangekocht."
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) ° Verordening (EEG) nr. 3247/81 van de Raad, van 9 november 1981, inzake de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, van bepaalde interventiemaatregelen, met name aankoop, opslag en verkoop van landbouwprodukten door de interventiebureaus (PB 1981, L 327, blz. 1).
(2) ° PB 1985, L 251, blz. 1.
(3) ° Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, blz. 3025).
(4) ° Zie artikel 12, lid 1, eerste en tweede zin, van verordening nr. 136/66, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1562/78 van 29 juni 1978 (PB 1978, L 185, blz. 1).
(5) ° PB 1985, L 333, blz. 5.
(6) ° Zie ook artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1502/85 van de Raad van 23 mei 1985 houdende vaststelling van de produktierichtprijs, de produktiesteun en de interventieprijs voor olijfolie voor het verkoopseizoen 1985/1986 (PB 1985, L 151, blz. 27) luidens hetwelk de in artikel 1 bedoelde interventieprijs (227,62 ECU per 100 kg) betrekking heeft op halffijne olijfolie verkregen bij eerste persing, waarvan het gehalte aan vrije vetzuren, uitgedrukt in oliezuur, 3,3 gram per 100 gram bedraagt.
(7) ° PB 1978, L 216, blz. 1.
(8) ° PB 1990, L 337, blz. 3.
(9) ° PB 1990, L 350, blz. 43.
(10) ° GURI nr. 114 van 26.4.1984.
(11) ° GURI nr. 235 van 5.10.1985.
(12) ° Arrest van 18 oktober 1990 (gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Jurispr. 1990, blz. I-3763). Zie ook het arrest van 8 november 1990 (zaak C-231/89, Gmurzynska, Jurispr. 1990, blz. I-4003) en het arrest van 24 januari 1991 (zaak C-384/89, Tomatis, Jurispr. 1991, blz. I-127, verkorte publikatie).
(13) ° De verwijzende rechter duidt alleen aan dat de diefstal op 25 augustus 1986 werd ontdekt.
(14) ° Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3472/85 dient het interventiebureau, wanneer het opslagbedrijven met de interventieverrichtingen belast, door middel van steekproeven na te gaan of de opgeslagen olie en de in artikel 8, lid 3, genoemde monsters met elkaar overeenstemmen.
(15) ° Meest recentelijk in het arrest van 8 januari 1992, zaak C-197/90, Italië/Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-1, r.o. 38.
(16) ° Zie in het bijzonder het arrest van 24 maart 1988, zaak 347/85, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 1749, r.o. 13.
Full & Egal Universal Law Academy