Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Deze zaken zijn krachtens artikel 177 EEG-Verdrag naar het Hof verwezen door het Arbeidshof te Luik (België). De verwijzende rechter vraagt om opheldering over de strekking van de artikelen 12 en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 (zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83; PB 1983, L 230, blz. 6) betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. De in beide zaken identieke vragen luiden als volgt:
"1) Wanneer een pensioenuitkering (in casu een volledig pensioen) krachtens de Belgische wettelijke regeling alleen is toegekend, moet dan, met het oog op een eventuele cumulatie van die uitkering met een pensioen van een andere Lid-Staat, in casu Italië, artikel 46 van verordening nr. 1408/71 in zijn geheel worden toegepast, met inbegrip van lid 3? Heeft de rechtspraak, neergelegd in het arrest Petroni en in de latere arresten van dezelfde strekking, nog reden van bestaan?
2) Geldt dezelfde regel wanneer het niet gaat om een op basis van verzekeringstijdvakken en daarmee gelijkgestelde tijdvakken berekend rustpensioen, doch om een door het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers uitbetaald invaliditeitspensioen, dat, behoudens verschillen in verband met de gezinssituatie, voor iedereen hetzelfde is?
3) Kan de neutralisering door artikel 12, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 1408/71 van een nationale anti-cumulatiebepaling die, het recht op uitkeringen, dat uitsluitend krachtens in de betrokken staat vervulde verzekeringstijdvakken is verworven, beperkt, rekening houdend met het recht op gelijksoortige uitkeringen dat in een andere Lid-Staat is verworven, tot gevolg hebben dat de nationale uitkering krachtens artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 wordt verminderd, wanneer voor het recht op die uitkering in de eerste staat geen verzekeringstijdvakken behoefden te worden samengeteld en artikel 12, lid 2, tweede volzin, van de verordening geen ander effect had dan een krachtens de nationale wettelijke regeling alleen verworven recht te handhaven?"
De achtergrond
2. De verwijzingsarresten geven weinig bijzonderheden over de achtergrond van de beide zaken; uit de stukken van de verwijzende rechter blijkt evenwel, dat daaraan de volgende feiten ten gronslag liggen.
3. Di Crescenzo, een Italiaans onderdaan, werkte gedurende 27 jaar als mijnwerker in België. Daarvoor was hij gedurende bijna vijf jaar in Italië werkzaam als werknemer. Sinds 1 april 1975 ontving hij een volledig rustpensioen van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen (hierna: "RWP"), het bevoegde Belgische orgaan. Op 1 juni 1980 kreeg hij eveneens recht op een rustpensioen krachtens de Italiaanse wetgeving. Het bevoegde Belgische orgaan was van mening dat het, op grond van de Belgische anti-cumulatieregels, rekening diende te houden met het Italiaanse pensioen van Di Crescenzo, en verlaagde bij beschikking van 17 mei 1985 diens Belgische pensioen met ingang van 1 juli 1980. Di Crescenzo stelde dat de Belgische anti-cumulatieregels niet konden worden toegepast op onderdanen van andere Lid-Staten en hij stelde beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Luik, die zijn recht op een volledige pensioen krachtens de Belgische wetgeving erkende.
4. Na de beslissing van de Arbeidsrechtbank aanvaardde het bevoegde Belgische orgaan (op dat moment de Rijksdienst voor pensioenen, hierna: "RVP", opvolger van de RWP), dat Di Crescenzo van 1 juli 1980 tot 31 december 1980 recht had op een volledig pensioen, doch het stelde zich op het standpunt, dat zijn pensioen op grond van de bij de Belgische wet van 10 februari 1981 ingevoerde nieuwe anti-cumulatiebepalingen, met ingang van 1 januari 1981, de datum van inwerkingtreding van deze wet, zou moeten worden verlaagd. Het bevoegde Belgische orgaan stelde hoger beroep in bij het Arbeidshof teneinde te doen vaststellen, dat Di Crescenzo na 31 december 1980 geen recht had op een volledig pensioen. Voor het Arbeidshof betoogde het bevoegde orgaan, dat hij met ingang van 1 januari 1981 recht had op het hoogste van de beide volgende pensioenen:
a) een pensioen dat uitsluitend was berekend op basis van de Belgische wetgeving, met inbegrip van de Belgische anti-cumulatieregels, òf
b) een pensioen berekend volgens artikel 46 van verordening nr. 1408/71, met inbegrip van het in lid 3 van dat artikel voorgeschreven maximum,
Di Crescenzo betoogde dat artikel 46, lid 3, niet van toepassing was in zijn zaak, waarna het Arbeidshof besloot het Hof van Justitie te raadplegen.
5. Casagrande is eveneens Italiaans onderdaan. Haar overleden echtgenoot, Barel, werkte 21 jaar als mijnwerker in België, na 14 jaar in Italië als werknemer werkzaam te zijn geweest. Op 1 mei 1968 kreeg hij recht op een Belgisch rustpensioen. Hij overleed op 16 januari 1983. Op 30 september 1983 stelde het bevoegde Belgische orgaan Casagrande op de hoogte van zijn voorlopig besluit om haar een overlevingspensioen toe te kennen op basis van Barels loopbaan als werknemer, met inbegrip van de periode die hij in Italië had gewerkt. In zijn op 12 oktober 1984 vastgestelde definitieve beschikking paste het bevoegde Belgische orgaan echter de Belgische anti-cumulatieregels toe en verlaagde het Casagrandes pensioen met ingang van 1 februari 1983, omdat zij, op grond van de periode die Barel in Italië had gewerkt, van het bevoegde Italiaanse orgaan ook een overlevingspensioen ontving. Op 21 februari 1985 stelde de Nationale kas voor ouderdoms- en overlevingspensioenen Casagrande ervan op de hoogte, dat haar Belgisch overlevingspensioen verder zou worden verlaagd als gevolg van een verhoging van haar Italiaans overlevingspensioen.
6. Casagrande stelde zich op het standpunt, dat zij met ingang van 1 februari 1983 recht had op een volledig Belgisch overlevingspensioen en stelde derhalve beroep in bij de Arbeidsrechtbank te Luik, waar zij betoogde dat de Belgische anti-cumulatieregels niet van toepassing waren op onderdanen van andere Lid-Staten. Haar beroep slaagde, want de Arbeidsrechtbank kende haar met ingang van 1 februari 1983 een volledig pensioen toe, zonder aftrek wegens het feit dat zij ook een overlevingspensioen uit een andere Lid-Staat ontving. Het bevoegde Belgische orgaan (op dat moment de RVP) stelde hoger beroep in bij het Arbeidshof, waar het betoogde dat het pensioen van Casagrande op dezelfde manier diende te worden berekend als dat van Di Crescenzo.
De eerste en de derde vraag van de verwijzende rechter
7. De kernvraag in beide zaken lijkt derhalve, in hoeverre de Belgische autoriteiten bij de berekening van de aan verzoekers verschuldigde bedragen rekening mogen houden met in andere Lid-Staten toegekende uitkeringen. Het antwoord op die vraag hangt af van de strekking van de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening nr. 1408/71. Di Crescenzo en Casagrande achten de Belgische anti-cumulatieregels op grond van de tweede volzin van artikel 12, lid 2, niet op hen van toepassing. Ofschoon die bepaling lijkt in te houden dat voor hun aanspraken het in artikel 46, lid 3, vastgestelde maximum geldt, stellen Di Crescenzo en Casagrande, dat die bepaling niet tot gevolg kan hebben dat pensioenen waarop zij recht hebben op grond van in één Lid-Staat vervulde tijdvakken van tewerkstelling, worden verlaagd.
8. Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:
"De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat zijn verkregen of om inkomsten welke op het grondgebied van een andere Lid-Staat zijn verworven. Deze regel is evenwel niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) of beroepsziekte geniet, welke door de organen van twee of meer Lid-Staten overeenkomstig de artikelen 46, 50, 51 of 60, lid 1, sub b, worden vastgesteld."
9. Artikel 46 maakt deel uit van hoofdstuk 3 van titel III van verordening nr. 1408/71, welk hoofdstuk volgens artikel 44, lid 1, betrekking heeft op uitkeringen bij ouderdom en overlijden (pensioenen) van een werknemer of zelfstandige die aan de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest, of van zijn overlevenden. De eerste drie leden van artikel 46 luiden als volgt:
"Vaststelling van de uitkeringen
1. Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, bepaalt, indien is voldaan aan de door deze wettelijke regeling gestelde voorwaarden voor het recht op uitkering zonder dat daarbij artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, behoeft te worden toegepast, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, het uitkeringsbedrag in overeenstemming met de totale duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke krachtens deze wettelijke regeling in aanmerking moeten worden genomen.
Dit orgaan moet evenwel ook het uitkeringsbedrag berekenen, dat zou worden verkregen bij toepassing van de in lid 2, sub a en b, vastgestelde regels. Alleen het hoogste uitkeringsbedrag wordt aangehouden.
2. Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, past de onderstaande regels toe, indien de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, zijn vervuld:
a) Het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Lid-Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag;
b) op basis van het in de vorige alinea bedoelde theoretische bedrag stelt het orgaan vervolgens het werkelijke uitkeringsbedrag vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen, welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld;
c) indien de totale duur van de tijdvakken van verzekering en van wonen welke vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld, langer is dan de maximumduur, welke de wettelijke regeling van een der Staten voor het recht op volledige uitkering vereist, houdt het bevoegde orgaan van deze Staat voor de toepassing van dit lid rekening met deze maximumduur in plaats van met de totale duur van de genoemde tijdvakken; deze wijze van berekening mag niet tot gevolg hebben dat dit orgaan een uitkering verschuldigd is welke hoger is dan de volledige uitkering volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling;
d) (...)
3. De betrokkene heeft recht op de som van de uitkeringen welke overeenkomstig de leden 1 en 2 zijn berekend tot maximaal het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen.
Voor zover het in de vorige alinea bedoelde bedrag wordt overschreden, corrigeert ieder orgaan dat lid 1 toepast, zijn uitkering met een bedrag dat overeenkomt met de verhouding tussen het bedrag van de betrokken uitkering en de som van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitkeringen."
10. De onderliggende gedachte van hoofdstuk 3 van titel III van verordening nr. 1408/71 wordt als volgt uiteengezet in de zevende en achtste overweging van haar considerans (PB 1971, L 149, blz. 2):
"overwegende dat de cooerdinatievoorschriften, vastgesteld ter uitvoering van artikel 51 van het Verdrag, de werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, de verworven rechten en voordelen moeten waarborgen, zonder dat zij mogen leiden tot ongerechtvaardigde cumulaties; (...) dat daartoe, wat betreft invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen en uitkeringen bij overlijden (pensioenen), de betrokkenen in het genot moeten kunnen worden gesteld van alle uitkeringen waarop in de verschillende Lid-Staten recht is verkregen, tot ten hoogste de uitkering die door één van deze staten verschuldigd zou zijn, indien de werkgever zijn beroepswerkzaamheden uitsluitend op het grondgebied van deze staat had uitgeoefend, welk maximum nodig is ter voorkoming van ongerechtvaardigde cumulatie met name veroorzaakt door het samenvallen van verzekeringstijdvakken en daarmede gelijkgestelde tijdvakken".
11. Artikel 46 van verordening nr. 1408/71, en in het bijzonder artikel 46, lid 3, weerspiegelt deze gedachte door een maximum te stellen aan het aan een belanghebbende uit te betalen uitkeringsbedrag. Dit maximum zou het bedrag zijn waarop hij recht zou hebben gehad indien hij alle tijdvakken van verzekering en van wonen krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten in één Lid-Staat had vervuld. De voor dit doel relevante Lid-Staat zou die Lid-Staat zijn waarvan de wettelijke regeling de hoogste uitkeringen garandeerde.
12. Al snel bleek echter, dat, in plaats van de positie van de migrerend werknemer te beschermen, artikel 46 in bepaalde omstandigheden kon leiden tot een verlaging van het uitkeringsbedrag waarop hij op grond van de nationale wetgeving recht alleen zou hebben gehad. In zaak 24/75 (Petroni, Jurispr. 1975, blz. 1149) verklaarde het Hof in rechtsoverweging 13, dat "het doel der artikelen 48 tot en met 51 niet zou worden bereikt, indien de werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht op vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen, welke hun in ieder geval reeds door de wettelijke regeling van een Lid-Staat zijn gewaarborgd". Het Hof concludeerde in rechtsoverweging 22 van het arrest, dat "artikel 46, lid 3, onverenigbaar is met artikel 51 EEG-Verdrag, voor zover het een cumulatie van twee in verschillende Lid-Staten verkregen uitkeringen beperkt door verlaging van een uitsluitend onder de nationale wetgeving verkregen uitkering".
13. In zaak 22/77 (Mura, Jurispr. 1977, blz. 1699) besliste het Hof, dat wanneer artikel 46, lid 3, niet van toepassing was omdat het een verlaging van de uitsluitend onder de nationale wetgeving verschuldigde uitkering zou meebrengen, de tweede volzin van artikel 12, lid 2, eveneens niet van toepassing was. In de rechtsoverwegingen 14 en 15 van het arrest verklaarde het Hof:
"dat wanneer deze tweede zin niet van toepassing is, de eerste zin geldt en dientengevolge de bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de nationale wetgeving voorziet, aan de rechthebbende kunnen worden tegengeworpen;
dat evenwel uit lid 1 van artikel 46 volgt dat, indien de toepassing van alleen de nationale bepalingen voor het ontstaan en de berekening van het recht minder voordelig is voor de werknemer dan de toepassing van de bepalingen betreffende samentelling en pro-rataberekening, deze laatste moeten worden toegepast".
Het Hof concludeerde derhalve:
"Zolang een werknemer alleen krachtens de nationale wettelijke regeling een pensioen ontvangt, staan de bepalingen van verordening nr. 1408/71 niet eraan in de weg dat de nationale wettelijke regeling, waaronder de nationale anti-cumulatiebepalingen, integraal op hem worden toegepast, met dien verstande dat wanneer de toepassing van deze nationale wettelijke regeling minder gunstig blijkt dan die van de samentellings- en pro-rataregeling, deze laatste ingevolge artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1408/1 toepassing moet vinden."
In zaak 238/81 (Van der Bunt-Craig, Jurispr. 1983, blz. 1385, r.o. 15) voegde het Hof hieraan toe, dat wanneer artikel 46 van verordening nr. 1408/71 toepasselijk is, "artikel 46, lid 3, van toepassing is, dat samenloop van verworven uitkeringen op de in de leden 1 en 2 van dat artikel voorziene wijze beoogt te beperken, en zulks met uitsluiting van de anti-cumulatievoorschriften van de nationale wettelijke regeling".
14. In zaak C-108/89 (Pian, Jurispr. 1990, blz. I-1599) vatte het Hof in de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 de strekking van zijn rechtspraak als volgt samen:
"Het is vaste rechtspraak, dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 niet eraan in de weg staan, dat wanneer een werknemer uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling een pensioen ontvangt, die nationale wettelijke regeling integraal op hem wordt toegepast, dus ook de nationale anti-cumulatiebepalingen.
Het is evenwel ook vaste rechtspraak (...), dat wanneer de toepassing van uitsluitend de nationale wettelijke regeling voor de werknemer minder gunstig uitvalt dan die van de regeling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, dit artikel 46 moet worden toegepast (...).
Om het bij hem aanhangige geding te beslechten, dient de nationale rechter een vergelijking te maken tussen de uitkeringen die uitsluitend krachtens het nationale recht, de nationale anti-cumulatiebepalingen daaronder begrepen, verschuldigd zouden zijn, en de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn bij toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, daaronder begrepen de anti-cumulatiebepaling van artikel 46, lid 3."
Deze beginselen zijn onlangs door het Hof herhaald in het arrest van 18 februari 1992 (zaak C-5/91, Di Prinzio, Jurispr. 1992, blz. I-897).
15. Mijns inziens ligt de beslissing in de zaak Petroni aan de oorsprong van deze benadering. Gelijk het Hof in de rechtsoverwegingen 23 tot en met 27 van zijn arrest van 21 maart 1990 (zaak C-199/88, Cabras, Jurispr. 1990, blz. I-1023) verklaarde:
"(Beoogt) artikel 51 EEG-Verdrag (...) de nadelen op te heffen die voor migrerende werknemers kunnen voortvloeien uit de omstandigheid dat hun sociale-zekerheidsrechten onder verschillende nationale wettelijke regelingen zijn verkregen.
Dit doel zou niet worden bereikt indien migrerende werknemers door de uitoefening van hun recht van vrij verkeer de sociale-zekerheidsvoordelen verliezen die de wettelijke regeling van een Lid-Staat hun in ieder geval toekent, of indien zij in een minder gunstige situatie komen te verkeren dan wanneer zij heel hun loopbaan in één Lid-Staat hadden volbracht.
De regeling van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 kan volgens de rechtspraak dan ook enkel op een migrerend werknemer worden toegepast wanneer zij niet tot gevolg heeft, dat de betrokkene gedeeltelijk de voordelen verliest die de wettelijke regeling van één Lid-Staat hem toekent, en zij niet belet dat hij ten minste het volledige bedrag ontvangt van de gunstigste uitkering die hem uitsluitend ingevolge deze wettelijke regeling toekomt.
De gemeenschapsregeling kan dus alleen toepassing vinden wanneer dit voor de migrerend werknemer ten minste even gunstig blijkt te zijn als de integrale toepassing van uitsluitend de nationale wettelijke regeling, met inbegrip van haar anti-cumulatieregels.
In dat geval moet de gemeenschapsregeling echter volledig worden toegepast. De beperkingen die zij voor de migrerend werknemer kan meebrengen, moeten dan op de koop toe worden genomen, want deze staan tegenover de sociale-zekerheidsvoordelen die de werknemer aan deze regeling ontleent en zonder haar niet kan verkrijgen."
Was de beslissing in de zaak Petroni derhalve anders uitgevallen, dan hadden de nationale autoriteiten de in artikel 46 vastgelegde regels ook dan moeten toepassen, wanneer zij tot gevolg zouden hebben dat de belanghebbende voordelen verliest die de wettelijke regeling van één Lid-Staat hem toekent.
16. De nationale rechter lijkt het moeilijk te vinden om de beslissing van het Hof in de zaak Petroni te verzoenen met zijn latere beslissing in zaak 323/86 (Collini, Jurispr. 1987, blz. 5489), volgens welke artikel 46 integraal diende te worden toegepast, met inbegrip van lid 3. In de zaak Collini besliste het Hof:
"(...) dat de anti-cumulatiebepaling van artikel 46, lid 3, van toepassing is in alle gevallen waarin de som van de overeenkomstig de leden 1 en 2 van dat artikel berekende uitkeringen hoger is dan het hoogste van de theoretische pensioenbedragen, ook indien dat geen gevolg is van een samenval van verzekeringstijdvakken" (r.o. 13).
Het Hof besliste eveneens dat:
"wanneer er slechts één orgaan is dat een zelfstandige uitkering in de zin van artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1408/71 verstrekt, enkel dit orgaan zijn uitkering ingevolge lid 3, tweede alinea, van dat artikel moet verlagen, en wel door ze te verminderen met het gehele bedrag waarmee de som van de overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende uitkeringen het in de eerste alinea van lid 3 bedoelde maximum overschrijdt" (r.o. 18).
Ter terechtzitting bleek, dat de tweede hierboven genoemde beslissing van het Hof in de zaak Collini voor het bevoegde orgaan aanleiding was om, nadat het hoger beroep had ingesteld bij de nationale rechter, de aan Di Crescenzo en Casagrande verschuldigde uitkeringen opnieuw te berekenen.
17. Mijns inziens wijkt het Hof in zijn arrest in de zaak Collini niet af van het in de zaak Petroni neergelegde beginsel, volgens hetwelk artikel 46, lid 3, EEG-Verdrag alleen onverenigbaar was met artikel 51 EEG-Verdrag, voor zover het een verlaging van een uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling verkregen uitkering tot gevolg had. Dat was niet het geval in de zaak Collini, waarin, gelijk advocaat-generaal Da Cruz Vilaça opmerkte (blz. 5497 en 5502), de nationale wettelijke regeling inclusief haar anti-cumulatieregels minder gunstig bleek te zijn dan de toepassing van artikel 46, met inbegrip van lid 3. Het in de zaak Petroni neergelegde beginsel was derhalve niet van toepassing.
18. Ik ben dan ook van mening, dat de tweede en de derde vraag van de nationale rechter moeten worden beantwoord in de lijn van het arrest van het Hof in de zaak Pian. De Belgische autoriteiten dienen dus het bedrag te berekenen waarop de aanvrager van een uitkering recht heeft op grond van de Belgische wetgeving, met inbegrip van de Belgische anti-cumulatieregels. Daarna moeten zij het bedrag berekenen waarop de aanvrager recht heeft krachtens artikel 46 van verordening nr. 1408/71. De aanvrager heeft recht op het hoogste van deze beide bedragen. Ik wil hieraan toevoegen dat, gelijk het Hof opmerkte in de gevoegde zaken 116/80, 117/80, 119/80, 120/80 en 121/80 (Celestre e.a. Jurispr. 1981, blz. 1737, r.o. 12) en in zaak 58/84 (Romano, Jurispr. 1985, blz. 1679, r.o. 12 en 13), het bevoegde orgaan bij de berekening van het in artikel 46, lid 1, bedoelde bedrag geen rekening mag houden met uitkeringen die de aanvrager ingevolge de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat ontvangt. Bij de berekening van de rechten van de aanvrager uit hoofde van artikel 46 als geheel, dient het bevoegde orgaan echter het in artikel 46, lid 3, voorgeschreven maximum toe te passen.
19. Di Crescenzo en Casagrande betogen, dat artikel 46, lid 3, in hun geval niet van toepassing is, omdat zij geen gebruik behoefden te maken van het in verordening nr. 1408/71 voorziene stelsel van samentelling van verzekeringsperiodes. Tot staving hiervan beroepen zij zich op het arrest van het Hof in zaak 32/77 (Giuliani, Jurispr. 1977, blz. 1857), dat is gewezen naar aanleiding van een geschil over de wijze waarop de Duitse autoriteiten het invaliditeitspensioen van een in Italië woonachtig Italiaans onderdaan, die eerst in Italië en vervolgens in Duitsland had gewerkt, hadden berekend. De betrokkene voldeed aan de in de Duitse wetgeving neergelegde voorwaarden voor het recht op pensioen, doch de betaling hiervan moest op grond van de Duitse wetgeving worden opgeschort zolang hij in het buitenland woonde. De Duitse autoriteiten berekenden zijn recht derhalve krachtens artikel 46 van verordening nr. 1408/71, met inbegrip van lid 3 ervan. De betrokkene betoogde, dat zijn recht uitsluitend had moeten worden berekend op basis van de Duitse wetgeving, die voor hem gunstiger zou zijn geweest, en dat de Duitse autoriteiten op grond van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 niet betaling mochten weigeren op grond van het feit dat hij in een andere Lid-Staat woonde.
20. Het Hof besliste dat artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 slechts toepassing kon vinden wanneer voor de verkrijging van het recht op uitkeringen het stelsel van samentelling van verzekeringsperiodes moest worden toegepast. Aangezien de opheffing van de bepalingen inzake de woonplaats krachtens artikel 10 van verordening nr. 1408/71 niet van invloed was op de verkrijging van het recht op een uitkering, kon zij, aldus het Hof, niet leiden tot toepassing van artikel 46, lid 3, van deze verordening.
21. Gelet op de bijzondere omstandigheden van die zaak en op de latere rechtspraak van het Hof, is het mijns inziens duidelijk, dat het arrest Giuliani slechts bepaalt, dat de bevoegde organen van de Lid-Staten uitkeringen die onder de werkingssfeer van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vallen en die anders op grond van de nationale wetgeving zouden moeten worden betaald, niet mogen weigeren, enkel op grond dat de betrokkene in een andere Lid-Staat woont. Aangezien de uitkering in dergelijke gevallen wordt geacht verschuldigd te zijn krachtens de nationale wetgeving alleen, kan er geen sprake zijn van de toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 en van het in lid 3 van dat artikel vastgelegde maximum. De omstandigheden van de onderhavige zaken liggen anders. Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is niet relevant, aangezien zowel Di Crescenzo als Casagrande in België woont. De vraag die de nationale rechter dient te beslechten, is, of, en zo ja, in welke mate, de Belgische autoriteiten rekening mogen houden met het door de Italiaanse autoriteiten aan verzoekers betaalde pensioen. Het antwoord op die vraag is mijns inziens te vinden in het arrest van het Hof in de zaak Pian.
De tweede vraag van de verwijzende rechter
22. Ter terechtzitting waren alle betrokken partijen het mijns inziens terecht erover eens, dat het Hof de tweede vraag van de verwijzende rechter niet behoeft te beantwoorden. Uit het dossier blijkt, dat de procedures in het hoofdgeding geen betrekking hebben op door het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers betaalde invaliditeitspensioenen. De Commissie verwijst in haar schriftelijke opmerkingen betreffende de tweede vraag slechts naar rechtsoverweging 11 van het arrest Collini (reeds aangehaald), waarin het Hof de in rechtsoverweging 13 getrokken conclusie, die in deze conclusie onder punt 16 is opgenomen, nader verklaarde. Di Crescenzo en Casagrande hebben met betrekking tot de tweede vraag van de verwijzende rechter geen opmerkingen ingediend, terwijl de RVP, het enige nationale orgaan dat opmerkingen heeft ingediend, zich niet bevoegd acht commentaar te leveren op de door deze vraag opgeworpen problemen. Onder deze omstandigheden ben ik van mening, dat de tweede vraag geen beantwoording behoeft.
Conclusie
23. Ik geef het Hof derhalve in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
"Wanneer een werknemer, zelfstandige of nagelaten betrekking een pensioen ontvangt krachtens de nationale wetgeving van een Lid-Staat alleen, en dit pensioen samenloopt met een krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat betaald pensioen, verzet verordening (EEG) nr. 1408/71 zich er niet tegen, dat de wetgeving van die eerste Lid-Staat integraal op hem wordt toegepast, met inbegrip van eventuele nationale anti-cumulatieregels, tenzij het resultaat voor hem minder gunstig uitvalt dan de toepassing van de in artikel 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 vervatte bepalingen, met inbegrip van het in lid 3 vastgelegde maximum. In dat geval dient artikel 46 in zijn geheel te worden toegepast, met uitsluiting van eventuele nationale anti-cumulatieregels."
(*) Oorspronkelijke taal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy