Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
1. Deze procedure betreft een geval dat geheel analoog is aan dat in de zaak Decoster (C-69/91), waarin ik eveneens vandaag concludeer. Taillandier zag zich strafrechtelijk vervolgd, op grond dat zij in mei 1990 telecommunicatie-eindapparatuur (met name telefoontoestellen) te koop had aangeboden, die niet tevoren was goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van het Franse decreet nr. 85-712 van 11 juli 1985.
Evenals in de zaak Decoster ondervraagt de nationale rechter het Hof over de verenigbaarheid van het decreet met het gemeenschapsrecht. In het bijzonder vraagt hij, of richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur(1) (hierna: "richtlijn eindapparatuur") in de weg staat aan de in decreet nr. 85-712 vervatte verplichting de te koop aangeboden apparatuur aan goedkeuring te onderwerpen en die goedkeuring op de apparatuur te vermelden, zulks op straffe van een geldboete tussen 1 300 en 2 500 FF.
Te dezen zij allereerst opgemerkt, dat volgens artikel 6 van de richtlijn eindapparatuur de Lid-Staten ervoor moeten zorgen, dat met ingang van 1 juli 1989 de formele vastlegging van de technische specificaties en de controle op de toepassing daarvan, alsmede de keuring, worden uitgevoerd door een eenheid die onafhankelijk is van de particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden.
Zoals blijkt uit mijn conclusie in de zaak Decoster, waarnaar ik hier integraal verwijs, is het zo, dat de eenheid die in Frankrijk ten tijde van de feiten was belast met de afgifte van de goedkeuring (of een gelijkwaardig document) en met de vastlegging van de desbetreffende technische specificaties, niet voldeed - althans volgens de gegevens in het dossier - aan de in artikel 6 van de richtlijn eindapparatuur gestelde eis van onafhankelijkheid. Eveneens in mijn conclusie Decoster heb ik te kennen gegeven, dat het ontbreken van onafhankelijkheid een fundamenteel inhoudelijk gebrek oplevert in de keuringsprocedure volgens decreet nr. 85-712 en bijgevolg de niet-toepasselijkheid meebrengt van de bepalingen waarbij de marktdeelnemers die eindapparatuur in de handel willen brengen, worden verplicht - door een goedkeuring of enige andere gelijkwaardige procedure - aan te tonen dat de apparatuur beantwoordt aan de gestelde eisen.
Derhalve geeft ik het Hof in overweging - zonder dat behoeft te worden nagegaan, of de in decreet nr. 85-712 vermelde geldboetes, gezien de hoogte ervan, zelf onverenigbaarheidsaspecten met het gemeenschapsrecht vertonen - de nationale rechter te antwoorden:
"Artikel 6 van richtlijn 88/301/EEG van de Commissie staat in de weg aan de toepassing van een nationale regeling, zoals die van het Franse decreet nr. 85-712, waarbij de marktdeelnemers die eindapparatuur in de handel willen brengen, worden verplicht - door een goedkeuring of een andere gelijkwaardige procedure - aan te tonen, dat de apparatuur beantwoordt aan bepaalde eisen, zolang niet tevens de onafhankelijkheid, ten opzichte van marktdeelnemers die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden, is gewaarborgd van het orgaan dat
- de goedkeuring (of een ander gelijkwaardig document) afgeeft,
- de technische specificaties die worden gebruikt voor de afgifte van de goedkeuring (of een ander gelijkwaardig document), formeel vastlegt."
(1) - PB 1988, L 131, blz. 73.
Full & Egal Universal Law Academy