Conclusie van de advocaat generaal
Mijnheer de President, mijne heren Rechters,
A - Inleiding
1 De zaak Evrard (C-93/91), die te zamen met de heropende zaak Lagauche (C-46/90) mondeling is behandeld, betreft de uitlegging van verdragsbepalingen bij de toepassing daarvan op de Belgische regeling inzake radio- en telecommunicatie. De rechtsproblematiek is dezelfde als in de arresten in de zaken C-202/88(1) en C-18/88(2).
2 Het hoofdgeding is een zelfde soort strafzaak als die welke in andere gelijkaardige gevallen reeds tot enkele prejudiciële procedures hebben geleid.(3) Aan de verdachte in het hoofdgeding wordt ten laste gelegd dat hij tussen 1 januari 1989 en 3 februari 1989 een niet door de RTT goedgekeurde draadloze telefoon heeft gehouden en te koop aangeboden, alsmede dat hij op 23 januari 1990 elf toestellen voor radioverbinding die evenmin waren goedgekeurd, namelijk twee toestellen Carphone Plus, twee draadloze zenders MPT 1344, drie draadloze telefoontoestellen respectievelijk Betacom, Betacom 7000 en Answercall Ranger 2000, alsmede een toestel dat was samengesteld uit een personenoproepsysteem DNT en drie ontvangers DNT PRA 3000, heeft gehouden en te koop aangeboden, zonder de bij artikel 3, lid 1, van de wet van 30 juli 1979 vereiste vergunning te hebben verkregen.
3 In verweer betoogt verdachte onder meer dat één van die toestellen reeds door de Deutsche Bundespost gehomologeerd was.
4 De verwijzende rechter betwijfelde of de nationale wettelijke bepalingen verenigbaar waren met het gemeenschapsrecht. Hij heeft het Hof daarop de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
"Moeten de artikelen 30 tot en met 37 en 86 EEG-Verdrag, alsmede richtlijn 88/301 van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur aldus worden uitgelegd, dat zij een verbod inhouden van bepalingen inzake radioverbindingen zoals die van de wet van 30 juli 1979 en van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979, die met gevangenisstraf of geldboete bedreigen degene die:
1) op het grondgebied van het Koninkrijk België of aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding houdt, of een station of een net voor radioverbinding aanlegt en doet werken zonder schriftelijke, persoonlijke en intrekbare vergunning van de voor telegrafie en telefonie bevoegde minister of staatssecretaris;
2) een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding te koop of ter verhuring aanbiedt zonder dat een exemplaar ervan door de Regie van Telegrafie en Telefonie is goedgekeurd als beantwoordend aan de technische voorschriften vastgesteld door de bevoegde minister, zulks ongeacht een eventuele goedkeuring verkregen in het kader van een procedure in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap?"
5 Voor de feiten en de middelen en argumenten van partijen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
B - Standpuntbepaling
6 De onderhavige zaak vertoont op wezenlijke onderdelen parallellismen met de zaak C-46/90 Lagauche. Vooral gaat het in beide zaken om dezelfde nationale bepalingen. Derhalve verwijs ik integraal naar mijn conclusies in die zaak, van zowel 11 juli 1991 als van vandaag.
7 De rechtsproblematiek is voor zover zij, wat de tijd betreft, betrekking heeft op gebeurtenissen tussen 1 januari 1989 en 3 februari 1989 en wat het voorwerp betreft, op draadloze telefoons en andere toestellen voor radiocommunicatie, vergelijkbaar met die in de zaak Lagauche. Afwijkend van, respectievelijk verdergaand dan de in de zaak Lagauche te beoordelen situatie is enerzijds de vraag hoe reeds in een andere Lid-Staat gehomologeerde toestellen juridisch moeten worden behandeld en anderzijds de vraag of voor de periode na 1 juli 1989 - datum waarop artikel 6 van richtlijn 88/301/EEG(4) volledig in werking trad - de feiten juridisch anders moeten worden beoordeeld.
1. De betekenis van de homologatie van een toestel in een andere Lid-Staat
8 Allereerst wil ik ingaan op de gevolgen van de homologatie van een toestel in een andere Lid-Staat volgens de aldaar geldende procedure. De vraag rijst, of goedkeuring in de Lid-Staat van verhandeling van een toestel nog vereist is, wanneer het betrokken type toestel reeds in een andere Lid-Staat gehomologeerd is. In die omstandigheden vasthouden aan het goedkeuringsvereiste in de Lid-Staat van verhandeling zou dan wellicht als een misbruik kunnen worden aangemerkt.
9 Men moet er van uitgaan, dat - in ieder geval nu nog - de telecommunicatiesystemen in de verschillende Lid-Staten onderling technische verschillen vertonen. Het doel is wel tot een technische harmonisatie van de systemen te komen, zodat in de toekomst een algemene goedkeuring van een toestel ook in de andere Lid-Staten moet worden erkend. Tot op heden is dat doel evenwel nog niet bereikt. Dit blijkt ook uit richtlijn 86/361/EEG betreffende de eerste fase van de wederzijdse erkenning van goedkeuringen van eindapparatuur voor telecommunicatie.(5)
10 In mijn conclusie in de zaak Lagauche heb ik de opvatting verdedigd, dat de goedkeuring van toestellen om redenen van openbare veiligheid noodzakelijk is. Ter rechtvaardiging van het goedkeuringsvereiste heeft de Belgische regering opgemerkt, dat bij voorbeeld algemene noodoproepdiensten door niet goedgekeurde radiocommunicatietoestellen kunnen worden gestoord. Zo men dus in beginsel van uitgaat dat goedkeuring op zich onontbeerlijk is, moet ervoor worden gezorgd dat het toestel ook verenigbaar is met het in de betrokken Lid-Staat geldende radio- en telecommunicatiesysteem.
11 Voor zover bij de technische keuring in de goedkeuringsprocedure dezelfde maatstaven worden aangehouden als die in de andere Lid-Staten, zou een nieuwe keuring inderdaad overbodig zijn en derhalve als misbruik moeten worden aangemerkt. Juist voor die gevallen bestaat er echter - zoals de Belgische regering heeft betoogd - een vereenvoudigde procedure voor de conformiteitsverklaring, waarbij de technische keuring achterwege blijft.
12 Naar mijn mening kan er bijgevolg geen bezwaar tegen bestaan, dat, zolang geen harmonisatie van de nationale systemen en rechtsregels heeft plaatsgevonden, de Lid-Staat vóór de verhandeling van de toestellen een goedkeuring in de zin van bovenbedoelde conformiteitsverklaring eist.
2. Het belang van de inwerkingtreding van artikel 6 van richtlijn 88/301
13 Te beantwoorden blijft nog de vraag wat de rechtsgevolgen zijn van de inwerkingtreding op 1 juli 1989 van artikel 6 van richtlijn 88/301. Dit artikel luidt als volgt:
"De Lid-Staten dragen ervoor zorg dat met ingang van 1 juli 1989 de formele vastlegging en publikatie van de specificaties en de keuringsregels bedoeld in artikel 5, alsmede de controle op de toepassing daarvan, worden uitgevoerd door een eenheid die onafhankelijk is van de particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden."
14 In mijn conclusie in de zaak Lagauche heb ik betoogd, dat de bovenbeschreven cumulatie van overheids- en commerciële functies door een openbare onderneming in strijd is met artikel 86 juncto artikel 90 EEG-Verdrag. Het gebod van artikel 6 van richtlijn 88/301 verandert ook niet de bestaande rechtssituatie, maar is een loutere precisering door de Commissie van de voor de Lid-Staten uit artikel 90, lid 3, voortvloeiende verplichtingen.(6) Voor zover men vóór 1 juli 1989 eventueel nog kon betwijfelen, of de cumulatie van taken door een openbare onderneming in strijd was met het gemeenschapsrecht, is dat sedert die datum niet meer het geval.
15 Eveneens in mijn conclusie in de zaak Lagauche heb ik het standpunt verdedigd, dat de onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de cumulatie van taken, op zich niet de onwettigheid van het goedkeuringsvereiste tot gevolg heeft. Daarentegen kan de inwerkingtreding van artikel 6 van richtlijn 88/301 tot gevolg hebben dat de goedkeuringsprocedure in dier voege onwettig wordt, dat een marktdeelnemer die wegens niet-naleving van het goedkeuringsvereiste wordt vervolgd, zich op de rechtstreekse toepasselijkheid van de gemeenschapsbepalingen kan beroepen om aan vervolging te ontkomen.
16 Om het al dadelijk te zeggen, ik ben van mening dat dit niet mogelijk is. Om te beginnen gelden de redenen om de goedkeuringsprocedure te handhaven, gelijk ik in de zaak Lagauche heb uiteengezet, ook na de inwerkingtreding van artikel 6 van richtlijn 88/301 onverkort verder.
17 Doorslaggevend is echter mijns inziens, dat de bepaling van een richtlijn waarop een particulier zich beroept, rechtstreeks toepasselijk moet zijn. Volgens vaste rechtspraak moet zij nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn, zodat in geval van conflict tussen het nationale recht en het gemeenschapsrecht de feitelijke situatie kan worden opgelost door de voorrang van het gemeenschapsrecht.
18 De onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht heeft in casu echter niet betrekking op de inhoud van de goedkeuringsprocedure, maar op de positie van de overheidsonderneming die met de goedkeuringsprocedure is belast. Gaat men ervan uit, dat de verplichte scheiding van overheids- en commerciële functies met ingang van 1 juli 1989 van rechtswege is voltrokken, dan blijft het de vraag hoe en door wie de onderscheiden functies worden uitgeoefend. Wanneer de nationale regeling door de voorrang van het gemeenschapsrecht buiten toepassing moet worden gelaten, ontstaat een leemte in de wet, die niet door het gemeenschapsrecht kan worden opgevuld. Om deze leemte te dichten, zijn maatregelen van de wetgever vereist.
19 Mijns inziens codificeert artikel 6 van richtlijn 88/301 een rechtsplicht voor de Lid-Staten, die particulieren slechts indirect tot voordeel strekt. Deze zienswijze betekent niet, dat de niet-nakoming van deze verplichting door een Lid-Staat geen rechtsgevolgen zou hebben. Meer nog dan de mogelijke oplossingen die ik in de zaak Lagauche heb aangegeven, zijn juridische consequenties denkbaar. Naast de mogelijkheid van een niet-nakomingsprocedure zou er grond kunnen zijn voor rechtstreekse aansprakelijkheid van de Lid-Staat, die eventueel recht op schadevergoeding zou kunnen geven.(7)
20 Voor de onderhavige zaak betekent deze zienswijze echter, dat de strafvervolging wegens niet voldoen aan de goedkeuringseis niet op gemeenschapsrechtelijke gronden behoeft te worden afgebroken.
C - Conclusie
21 Mitsdien geef ik het Hof in overweging op de vraag van de verwijzende rechter te antwoorden als volgt:
"De artikelen 30 tot en met 37 en 86 EEG-Verdrag en richtlijn 88/301/EEG betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur moeten aldus worden uitgelegd, dat zij op het gebied van de radiocommunicatie op zich geen verbod inhouden van bepalingen, zoals de wet van 30 juli 1979 en het koninklijk besluit van 15 oktober 1979, die met vrijheidsstraf of een boete bedreigen degene die
1) in het koninkrijk België of aan boord van een zeeschip, een binnenschip, een luchtvaartuig of enige andere drager onderworpen aan het Belgisch recht, een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding houdt, of een station of een net voor radioverbinding aanlegt en doet werken zonder schriftelijke, persoonlijke en intrekbare vergunning van de voor telegrafie en telefonie bevoegde minister of staatssecretaris;
2) een zend- of ontvangtoestel voor radioverbinding te koop of ter verhuring aanbiedt zonder dat een exemplaar ervan door de Regie is goedgekeurd als beantwoordend aan de technische voorschriften vastgesteld door de minister, indien wordt gegarandeerd dat de met de uitvoering van de desbetreffende bepalingen belaste instanties - zowel materieel als formeel - niet als concurrenten op de markt voor de verhandeling van die toestellen optreden.
Dit geldt ook voor gevallen waarin reeds goedkeuring in het kader van een procedure in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen is verkregen, indien de nationale keuring dient om de conformiteit vast te stellen en daarbij geen reeds verrichte testprocedure worden herhaald."
(1) - Arrest van 6 december 1990, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1990, blz. I-4445.
(2) - Arrest van 13 december 1991, GB-Inno-BM, Jurispr. 1991, blz. I-5941.
(3) - Zie zaken C-46/90, Lagauche; C-69/91, Decoster, en C-92/91, Taillandier.
(4) - Richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 1988, L 131, blz. 73).
(5) - Richtlijn 86/361/EEG van de Raad van 24 juli 1986 (PB 1986, L 217, blz. 21).
(6) - Zie arrest in de zaak C-202/88, reeds aangehaald.
(7) - Zie arrest van 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, Francovich en Bonifaci, Jurispr. 1991, blz. I-5357.
Full & Egal Universal Law Academy