Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Het Tribunal administratif de Paris heeft het Hof een vraag gesteld over de geldigheid van opmerking NB 2 in bijlage I bij de gebruiksaanwijzing van 11 maart 1981 met betrekking tot invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten(1) (hierna: "gebruiksaanwijzing"). Deze opmerking luidt als volgt:
"Wanneer voor eenzelfde produkt de hiervoor vermelde representatieve koersen voor verschillende Lid-Staten op een verschillende datum in werking treden, moeten de vooraf vastgestelde, in nationale valuta uitgedrukte bedragen die op de certificaten zijn vermeld bij gebruik van die certificaten in een andere Lid-Staat als volgt worden omgerekend:
a) het op het certificaat vermelde, in nationale valuta uitgedrukte bedrag wordt in Ecu omgerekend aan de hand van de bij de berekening van dat bedrag gebruikte representatieve koers;
b) het op de sub a) beschreven wijze verkregen bedrag in Ecu wordt in nationale valuta omgerekend aan de hand van de representatieve koers die geldt op de dag waarop de douaneformaliteiten worden vervuld in de Lid-Staat waar het certificaat wordt gebruikt."
De context
2. De prejudiciële vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen de vennootschap naar Duits recht Hans-Otto Wagner GmbH (hierna: "Wagner"), handelaar in landbouwprodukten, en het Franse interventiebureau Fonds d' intervention et de régularisation du marché du sucre (hierna: "FIRS") wegens de betaling in Franse frank (hierna: "FF") van bij een openbare inschrijving in Duitse mark (hierna: "DM") vastgestelde restituties bij uitvoer.
3. Ingevolge artikel 19, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker(2) kan, voor zover dit nodig is om de uitvoer mogelijk te maken, een restitutie bij de uitvoer van suiker worden toegekend ter compensatie van het verschil tussen de prijzen op de wereldmarkt en de prijzen in de Gemeenschap. Artikel 19, lid 3, van deze verordening preciseert, dat de restitutie gelijk is voor de gehele Gemeenschap. Volgens artikel 19, lid 4, van de verordening, worden de restituties periodiek of, zoals in het onderhavige geval, door middel van een openbare inschrijving vastgesteld.
Bij verordening (EEG) nr. 766/68 van 18 juni 1968(3), heeft de Raad de algemene voorschriften vastgesteld inzake de toekenning van restituties bij de uitvoer van suiker. De openbare inschrijving heeft betrekking op het bedrag van de restitutie (artikel 4, lid 1), de voorwaarden voor de openbare inschrijving moeten alle in de Gemeenschap gevestigde personen een gelijke toegang waarborgen (artikel 4, lid 2), en het maximumbedrag van de restitutie voor de openbare inschrijving wordt door de Commissie, volgens de procedure van het beheerscomité, op basis van de binnengekomen aanbiedingen bepaald (artikel 4, lid 3).
4. Bij verordening (EEG) nr. 2382/84 van 14 augustus 1984(4), heeft de Commissie een permanente hoofdinschrijving tot 12 juni 1985 gehouden voor de vaststelling van heffingen en/of restituties bij uitvoer van witte suiker; tijdens de duur van deze permanente inschrijving kon zij deelinschrijvingen houden (artikel 1, lid 1). Volgens artikel 2 van verordening nr. 2382/84 moesten de deelinschrijvingen worden gehouden overeenkomstig verordening nr. 766/68 alsmede de erna volgende bepalingen van verordening nr. 2382/84. In de offerte moest het bedrag worden vermeld van de heffing bij uitvoer of van de restitutie bij uitvoer per 100 kilogram witte suiker, uitgedrukt in de munteenheid van de Lid-Staat waar de offerte werd ingediend (artikel 5, lid 2, sub d). Op grond van de voor het verkoopseizoen 1984/1985 vastgestelde interventieprijs voor witte suiker, en met name rekening houdend met de situatie en de te verwachten ontwikkeling op de suikermarkt in de Gemeenschap en daarbuiten, kon de Commissie overgaan hetzij tot vaststelling van een minimumbedrag van de heffing bij uitvoer, hetzij tot vaststelling van een maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer (artikel 9, lid 1). Wanneer een maximumbedrag voor de restitutie bij uitvoer was vastgesteld, diende te worden toegewezen aan de inschrijver of de inschrijvers in wier offerte het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer of een lager bedrag was vermeld evenals aan elke inschrijver die in zijn offerte een heffing bij uitvoer had vermeld (artikel 9, lid 3). Degene aan wie was toegewezen had voor de toegewezen hoeveelheid recht op een uitvoercertificaat waarin, naar gelang van het geval, de in de offerte vermelde heffing of restitutie werd vermeld (artikel 12, eerste alinea, sub a). De op grond van deelinschrijvingen afgegeven uitvoercertificaten waren slechts gedurende een bepaalde periode geldig. Uitvoercertificaten op grond van deelinschrijvingen die tussen 17 oktober en 28 november 1984 hadden plaatsgevonden, konden eerst vanaf 1 december 1984 worden gebruikt en waren slechts geldig tot 30 april 1985 (artikel 13, lid 2, sub b).
Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2382/84, is in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen(5) een bericht van inschrijving met de inschrijvingsvoorwaarden gepubliceerd. Punt V.8 van dit bericht luidt als volgt:
"Voor de vergelijkbaarheid van de offertes en voor de toewijzing door de Lid-Staten wordt het in de nationale munteenheid uitgedrukte bedrag voor de heffing bij uitvoer of de restitutie bij uitvoer in ecu omgerekend met behulp van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geldende omrekeningskoersen."
5. Voor een beter inzicht in de financiële implicaties van het hoofdgeding moet bovendien ook worden verwezen naar verordening (EEG) nr. 855/84 van de Raad van 31 maart 1984 inzake de berekening en de afbraak van de monetaire compenserende bedragen voor bepaalde landbouwprodukten(6), op grond waarvan de representatieve koers (ook wel genoemd "landbouwomrekeningskoers" of "groene koers") van bepaalde munteenheden is gewijzigd. Zo is de representatieve koers van de FF gedevalueerd en die van de DM gerevalueerd ten opzichte van de ecu, hoewel deze wijzigingen voor de verschillende sectoren op andere data in werking zijn getreden. Bijlage IV bij verordening nr. 855/84 bepaalt immers, dat de (gedevalueerde) representatieve koers van de FF (1 ecu = 6,86866 FF) met ingang van 1 juli 1984 geldt voor de sectoren suiker en isoglucose. Bijlage III bij deze verordening bepaalt, dat de (gerevalueerde) representatieve koers van de DM (1 ecu = 2,38516 DM) met ingang van 1 januari 1985 geldt, zonder dat een uitzondering wordt gemaakt voor de sector suiker.
6. Wagner nam in Duitsland deel aan de elfde en de twaalfde deelinschrijving in oktober 1984 (dus na de publikatie van verordening nr. 855/84), in het kader van de in verordening nr. 2382/84 bedoelde permanente hoofdinschrijving. Overeenkomstig artikel 5, lid 2, sub d, daarvan diende zij haar offertes in DM in.
Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van dezelfde verordening stelde de Commissie, na een onderzoek van de offertes en na advies van het beheerscomité voor suiker, het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer voor de tiende deelinschrijving vast op 39,018 ecu per 100 kilogram en voor de elfde inschrijving op 39,136 ecu per 100 kilogram.(7) Vier offertes van Wagner, waarin een restitutiebedrag bij uitvoer was opgegeven dat lager was dan of gelijk aan het door de Commissie vastgestelde maximumbedrag, werden toegewezen, voor de uitvoer van 1 500 ton witte suiker in totaal. Zij ontving uitvoercertificaten waarop de bedragen van de toegekende restituties bij uitvoer (97,77 tot 98,36 DM per 100 kilogram) in DM waren vermeld.
Hoewel de betrokken uitvoercertificaten vanaf 1 december 1984 konden worden gebruikt (artikel 13, lid 2, sub c, van verordening nr. 2382/84) zijn de 1 500 ton suiker pas in april 1985 uitgevoerd (na de inwerkingtreding van de nieuwe representatieve koers van de DM zoals vastgesteld bij verordening nr. 855/84 van 31 maart 1984). Bovendien gaf Wagner er de voorkeur aan, de suiker vanuit Frankrijk te exporteren. Aangezien de restitutie bij uitvoer wordt betaald door de Lid-Staat op wiens grondgebied de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld(8), verzocht Wagner het FIRS om betaling van restituties ten bedrage van (volgens haar berekening) 4 196 946 FF in totaal. Blijkens de nationale processtukken heeft Wagner dit bedrag als volgt vastgesteld: zij heeft op het op de uitvoercertificaten vermelde bedrag van de restitutie bij uitvoer in DM de "kruiselingse" wisselkoers DM/FF toegepast op basis van de representatieve koers van het tijdstip van uitvoer (100 DM = 287,975 FF); vervolgens heeft zij het aldus berekende bedrag in FF vermenigvuldigd met de monetaire coëfficiënt van het tijdstip van uitvoer (1,020); dit bedrag heeft zij aangepast door aftrek van een (niet vooraf vastgesteld) monetair compenserend bedrag van 7,93 FF per 100 kilogram suiker.
7. Hoewel het FIRS geen bezwaar heeft gemaakt tegen de laatste twee stappen in de berekening van Wagner (toepassing van een monetaire coëfficiënt en van een monetair compenserend bedrag), was het wel van mening, dat de omrekening in FF van de op de uitvoercertificaten in DM uitgedrukte restitutie overeenkomstig opmerking NB 2 van bijlage I bij de gebruiksaanwijzing moest geschieden. Het FIRS heeft het op elk certificaat vermelde restitutiebedrag dus eerst omgerekend in ecu aan de hand van de representatieve koers van de DM op het tijdstip van de openbare inschrijvingen (opmerking NB 2, sub a), dus vóór de revaluatie van de groene DM ten opzichte van de ecu. Vervolgens rekende het deze bedragen in ecu om in FF, door toepassing van de representatieve koers van de FF van de dag van de douaneformaliteiten (opmerking NB 2b). Het FIRS betaalde dus slechts 3 974 893 FF, 222 113 FF minder dan Wagner in totaal had gevraagd.(9)
Wagner betoogde dat de gebruiksaanwijzing niet aan haar kan worden tegengeworpen en bovendien dat opmerking NB 2 ten tijde van de feiten niet van toepassing was. Zij drong er dan ook bij het FIRS op aan, haar het verschil (222 113 FF) te betalen tussen het bedrag dat zij heeft ontvangen en dat waarop zij aanspraak maakt. Toen dit verzoek onbeantwoord bleef, stelde Wagner beroep in bij het Tribunal administratif de Paris. Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhangt van de vraag of opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing door het FIRS met recht kon worden toegepast, heeft het Tribunal administratif het Hof om een uitspraak over de geldigheid van deze opmerking verzocht.
De strekking van de prejudiciële vraag
8. Om de strekking van de prejudiciële vraag te kunnen beoordelen, moet eerst worden vastgesteld wat het karakter is van de gebruiksaanwijzing, inzonderheid van opmerking NB 2 van bijlage I daarbij.
Mijns inziens staat vast, dat de gebruiksaanwijzing, die is bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, serie C, geen verbindende gemeenschapshandeling is die op zich volstaat voor het FIRS om de omrekeningsvoorschriften van opmerking NB 2 aan exporteurs als Wagner tegen te werpen. Zij is een bestuurshandeling die, aldus de Commissie in haar opmerkingen, bedoeld is om de vervulling van de uit de gemeenschapsregels inzake de certificaten voor de handel in landbouwprodukten tussen de Gemeenschap en derde landen voortvloeiende formaliteiten voor de handelaren en de douane te vergemakkelijken. In opmerking NB 2 van deze gebruiksaanwijzing is meer in het bijzonder uiteengezet, hoe een vooraf in de valuta van een Lid-Staat vastgestelde restitutie overeenkomstig de bestaande communautaire regels moet worden omgerekend in de valuta van een andere Lid-Staat wanneer de uitvoercertificaten in die andere Lid-Staat worden gebruikt.
Nu opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing niet meer is dan een toelichting, behoeft ° anders dan de verwijzende rechter vraagt ° de geldigheid ervan niet te worden onderzocht. Gelet op het voorwerp van het hoofdgeding moet de prejudiciële vraag evenwel aldus worden begrepen, dat zij ertoe strekt te vernemen of de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende bepalingen van gemeenschapsrecht aldus moeten worden uitgelegd, dat de in opmerking NB 2 uiteengezette omrekeningsmethode verplicht moet worden toegepast. Ten einde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te kunnen geven, moet dus eerst worden vastgesteld welke gemeenschapsbepalingen de omrekening in de valuta van de Lid-Staat van uitvoer regelen van een vooraf in de valuta van een andere Lid-Staat vastgestelde restitutie bij uitvoer, en moet dan worden onderzocht of deze regels in de door opmerking NB 2 bedoelde zin moeten worden uitgelegd.
Bespreking
9. De situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, wordt gekenmerkt door de volgende omstandigheden: i) naar aanleiding van een inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van witte suiker is een uitvoercertificaat afgegeven, waarin het toegewezen en derhalve vooraf(10) vastgestelde restitutiebedrag is uitgedrukt in de munteenheid van de Lid-Staat waar de inschrijver zijn offerte heeft ingediend (in casu DM), en waarin geen monetaire compenserende bedragen vooraf zijn vastgesteld; ii) dit certificaat is gebruikt in een andere Lid-Staat (in dit geval Frankrijk) van waaruit de betrokken partijen suiker zijn uitgevoerd; iii) tussen de afgifte van het certificaat en het gebruik ervan is de representatieve koers van de munteenheid waarin het restitutiebedrag op het certificaat is uitgedrukt, gewijzigd ten opzichte van de representatieve koers van de munteenheid van de Lid-Staat van uitvoer.
Voor elk aspect van deze situatie geldt een afzonderlijke gemeenschapsregeling.
10. i) De toekenning en de vaststelling van het bedrag van de restitutie bij uitvoer is geregeld in de verordeningen die overeenkomstig verordening nr. 1785/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker en verordening nr. 766/68 houdende vaststelling van de algemene voorschriften inzake de restitutie bij de uitvoer van suiker, voor de vaststelling van de restituties bij uitvoer in een openbare inschrijvingsprocedure voorzien. In het onderhavige geval moet derhalve te rade worden gegaan met verordening nr. 2382/84. In de paragrafen 14 tot 16 kom ik hierop terug. Thans kan worden volstaan met erop te wijzen, dat ingevolge de artikelen 5, lid 2, sub d, en 12, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 2382/84, het uitvoercertificaat het restitutiebedrag vermeldt in de munteenheid van de Lid-Staat waar de offerte is ingediend, in casu in DM.
11. ii) Zoals hierboven opgemerkt (paragraaf 6 en voetnoot 8), bepaalt artikel 30, lid 1, van verordening nr. 2730/79 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, dat de restitutie wordt betaald door de Lid-Staat op wiens grondgebied de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld. De restitutie moet dus betaald worden in de munteenheid van de Lid-Staat van uitvoer, wat in een geval als het onderhavige, waarin is uitgevoerd vanuit een andere staat (Frankrijk) dan die waarin de offerte is ingediend (Duitsland), impliceert, dat het op het certificaat in DM vermelde restitutiebedrag moet worden omgerekend in de munteenheid van de staat van uitvoer, in dit geval in FF. Aangezien dit punt onbetwist is, zal ik er niet nader op ingaan.
12. iii) Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1223/83 van de Raad van 20 mei 1983 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen(11), luidt als volgt:
"Wanneer voor verrichtingen ter uitvoering van de besluiten betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid (...) de (...) munteenheden moeten worden uitgedrukt in een andere munteenheid of in ecu, moet (...) als wisselkoers worden toegepast de koers die overeenkomt met de representatieve koers van deze munteenheid."
Overeenkomstig verordening (EEG) nr. 878/77 van de Raad van 26 april 1977 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen(12), inmiddels vervangen door verordening nr. 1223/83, heeft de Commissie verordening (EEG) nr. 3016/78 van 20 december 1978, houdende vaststelling van sommige bepalingen voor de toepassing van de wisselkoersen in de sectoren suiker en isoglucose vastgesteld.(13) Ingevolge artikel 1 en punt X, sub b, van de bijlage bij deze verordening is de volgende representatieve koers van toepassing op elke restitutie bij uitvoer in het kader van verordening (EEG) nr. 3330/74(14) zonder vaststelling vooraf van monetaire compenserende bedragen:
"Representatieve koers van toepassing op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer worden vervuld."
Waar punt X van de bijlage bij verordening nr. 3016/78 de toepassing voorschrijft van de representatieve koers van de dag waarop de douaneformaliteiten worden vervuld, is dit slechts een toepassing van het in de tweede overweging van de considerans vermelde algemene beginsel, dat de representatieve koers moet worden toegepast die geldt op de datum waarop het feit plaatsvindt waardoor de transactie tot stand komt, in casu de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer.
Hieruit volgt, dat NB 2 van de gebruiksaanwijzing, gesteld dat de sub a geregelde wijze van omrekening gerechtvaardigd is (dat het op het certificaat in nationale valuta uitgedrukte restitutiebedrag dus aan de hand van de ten tijde van de toewijzing geldende koers vooraf in ecu moet worden omgerekend), sub b terecht bepaalt, dat het aldus in ecu verkregen bedrag vervolgens in nationale valuta moet worden omgerekend "aan de hand van de representatieve koers die geldt op de dag waarop de douaneformaliteiten worden vervuld in de Lid-Staat waar het certificaat wordt gebruikt". Dit punt wordt overigens evenmin betwist.
13. In geding is in feite alleen nog de vraag, of voor de in opmerking NB 2, sub a, van de gebruiksaanwijzing bedoelde omrekening vooraf in ecu een rechtsgrondslag bestaat. In dit verband moet men Wagner toegeven, dat geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht deze omrekening uitdrukkelijk verplicht stelt. Zoals het Hof reeds meermalen heeft geoordeeld, met name in het arrest Merck (r.o. 12)(15):
"dient men echter, bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling, niet uitsluitend met de aldaar gebezigde bewoordingen te rade te gaan, doch ook met het redeverband en de doelstellingen van de betrokken regeling".
Met de Franse regering en de Commissie ben ik van mening, dat de bepalingen van verordening nr. 2382/84, inzonderheid artikel 9 daarvan, uitgelegd in het licht van hun context en het doel van de verordening om de hierna uiteengezette redenen wel degelijk de in opmerking NB 2, sub a, van de gebruiksaanwijzing bedoelde omrekening verplicht stellen.
14. De eerste doelstelling van verordening nr. 2382/84, zoals van iedere andere verordening betreffende een openbare inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer, bestaat erin de Gemeenschap de mogelijkheid te geven haar suikeroverschotten naar derde landen te exporteren door de betrokkenen met elkaar te laten concurreren en zo de laagste restituties bij uitvoer te betalen. Bij het nastreven van deze doelstelling van budgettaire aard moet echter de gelijke behandeling van alle betrokkenen worden gewaarborgd, waar zij ook in de Gemeenschap gevestigd zijn (zie artikel 4, lid 2, van de reeds aangehaalde verordening nr. 766/68). Aangezien een in het kader van een openbare inschrijving vastgestelde restitutie moet worden geacht vooraf te zijn vastgesteld (zie punt 10), wil verordening nr. 2382/84 de exporteurs in de Gemeenschap bovendien ook zekerheid verschaffen omtrent het restitutiebedrag waarvoor zij in aanmerking komen op het ogenblik van de uitvoer.(16)
Uit deze doelstellingen volgt, dat een houder van een uitvoercertificaat dat is afgegeven in het kader van een openbare inschrijvingsprocedure voor restituties bij uitvoer, een verkregen recht heeft om bij uitvoer het restitutiebedrag te ontvangen dat hem na onderzoek van de ingediende offertes is toegekend, voor zover de uitvoer inderdaad plaatsvindt onder de voorwaarden die in de communautaire regeling zijn vastgesteld.(17) Tevens volgt daaruit, dat het bedrag waarop de houder van het certificaat recht heeft, gelet op de budgettaire doelstelling van de verordening en op het beginsel van gelijke behandeling dat bij de verwezenlijking ervan in acht moet worden genomen, niet a posteriori kan worden gewijzigd door bij voorbeeld dit bedrag de weerslag te laten ondergaan van monetaire ontwikkelingen die na de toewijzing ervan hebben plaatsgevonden.
15. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld welke de strekking is van artikel 9 van verordening nr. 2382/84, bepalend dat de Commissie kan overgaan "tot vaststelling van een maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer" (lid 1), waarbij "wordt toegewezen aan de inschrijver of de inschrijvers in wier offerte het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer of een lager bedrag is vermeld" (lid 3).
Om bij de "toewijzing door de Lid-Staten" de "vergelijkbaarheid van de offertes" ° en dus een gelijke behandeling van de inschrijvers ° te kunnen verzekeren, moeten zoals blijkt uit punt V.8 van het hierboven aangehaalde bericht van inschrijving (zie punt 4), de (in nationale valuta uitgedrukte) offertes in ecu worden omgerekend aan de hand van de representatieve koers, die kennelijk de koers is die geldt ten tijde van het onderzoek van deze offertes. Op basis van de ontvangen offertes (omgerekend in ecu), stelt de Commissie het maximumbedrag in ecu van de restitutie bij uitvoer vast. Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat de inschrijvers in wier offertes het vastgestelde maximumbedrag of een lager bedrag is vermeld, recht hebben op het bedrag in ecu verkregen door toepassing van de ten tijde van de openbare inschrijving geldende representatieve koers op het in de offerte in nationale valuta uitgedrukte bedrag.
16. Het Hof heeft zich overigens reeds voor deze uitlegging uitgesproken in zijn arrest van 20 november 1979 in de zaak Wagner.(18) Ook in die zaak ging het over de voorschriften voor de berekening van het bedrag van de restitutie bij de uitvoer van witte suiker, toegekend na een openbare inschrijving in het kader van verordening (EEG) nr. 2101/75(19), die veel gemeen heeft met verordening nr. 2382/84 in het kader waarvan in het onderhavige geval de restituties zijn toegekend. Het Hof verklaarde in rechtsoverweging 19 van het arrest:
"de in het kader van een inschrijving gedane offertes [worden] (...) uitgedrukt in nationale valuta, doch (...) de gehele berekening [wordt] bij de Commissie in rekeneenheden uitgevoerd. Om ze te kunnen vergelijken worden de offertes met behulp van de 'groene' koersen omgerekend in rekeneenheden. Toewijzing vindt slechts plaats rekening houdend met het in rekeneenheden uitgedrukte maximumbedrag en op grond van vergelijking hiermee."
Dit standpunt van het Hof moet worden gezien in samenhang met het eerdere arrest van 24 mei 1978 in de zaak Wagner.(20) Op grond van een letterlijke uitlegging van verordening nr. 2101/75 inzake een openbare inschrijving, stelde het Hof toen vast (r.o. 6), dat:
"de betrokken restituties in de nationale munteenheid werden vastgesteld, en dat de omrekening ervan in rekeneenheden slechts een interne verrichting van de Commissie vormde met het oog op de vergelijkbaarheid van de offertes".
Legt men deze twee arresten naast elkaar, dan blijkt dat het bedrag van de restitutie bij uitvoer weliswaar in nationale valuta wordt vastgesteld, doch dat de toekenning ervan aan de inschrijver in ecu dient te geschieden. Aangezien het toegekende bedrag de grondslag dient te zijn voor de betaling van de restitutie bij de uitvoer van de betrokken produkten (zie hierboven, punt 14), moet worden uitgegaan van het bedrag in ecu verkregen door toepassing van de representatieve koers van het tijdstip van de openbare inschrijving op het in de offerte in nationale valuta uitgedrukte bedrag.
Hieruit volgt, dat opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing, sub a, terecht bepaalt, dat het op het certificaat in nationale valuta uitgedrukte bedrag in ecu moet worden omgerekend aan de hand van de bij de berekening van dat bedrag gebruikte representatieve koers. Al even terecht wordt in opmerking NB 2, sub b, uiteengezet, dat dit bedrag in ecu in de nationale valuta van de Lid-Staat van uitvoer moet worden omgerekend aan de hand van de representatieve koers die geldt op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer worden vervuld.
17. De argumenten van Wagner voor een omrekening volgens de "kruiselingse" wisselkoers DM/FF van het tijdstip van uitvoer, vermogen mij niet te overtuigen. Aangezien de representatieve koersen steeds in de vorm van een pariteit ten opzichte van de ecu worden uitgedrukt, komt de toepassing van de "kruiselingse" representatieve koers DM/FF van het tijdstip van uitvoer neer op een dubbele omrekening (eerst vanuit DM in ecu, vervolgens vanuit ecu in FF), telkens tegen de representatieve koers van het ogenblik. Dit houdt in, dat de inschrijver een (hoger) restitutiebedrag in FF kan verkrijgen, berekend op basis van een bedrag in ecu dat hoger is dan het hem toegekende bedrag, aangezien het is verkregen door omrekening van het in de offerte vermelde bedrag in DM aan de hand van de (gerevalueerde) representatieve koers van de DM die gold op het tijdstip van de uitvoer. Dit komt derhalve neer op een wijziging achteraf van het in het kader van de openbare inschrijving toegekende restitutiebedrag. Ik wijs er overigens op, dat de toepassing van de representatieve koers van het tijdstip van uitvoer op het in de laagste offerte van Wagner vermelde bedrag in DM (97,77 DM 2,38516 = 40,99 ecu), een hoger restitutiebedrag in ecu zou opleveren dan het door de Commissie voor de tiende (39,018 ecu) en de elfde (39,136 ecu) deelinschrijving vastgestelde maximale restitutiebedrag. Dit toont duidelijk aan, dat de omrekeningsmethode die Wagner voorstaat, de inschrijvingsvoorwaarden zou vervalsen. Zouden deze modaliteiten ten tijde van de inschrijving zijn toegepast, dan zouden de offertes van Wagner immers niet zijn aanvaard.
18. Bovendien zou de omrekeningsmethode van Wagner kunnen leiden tot een verlegging van het handelsverkeer, doordat inschrijvers erdoor zouden worden aangezet de betrokken produkten systematisch vanuit een andere Lid-Staat dan die waar zij hadden ingeschreven uit te voeren. Wanneer zij vanuit een andere Lid-Staat uitvoeren, kunnen zij dankzij de omrekeningsmethode van Wagner immers profiteren van de revaluatie van de "groene" DM die na de toekenning van het restitutiebedrag had plaatsgevonden, en toch ontsnappen aan het corrigerende effect van de Duitse monetaire coëfficiënt(21) die ingevolge artikel 6, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 1372/81 van de Commissie van 19 mei 1981 houdende bepalingen inzake de berekening van de monetaire compenserende bedragen(22), op de restitutie in DM van toepassing zou zijn geweest(23) indien uit Duitsland was uitgevoerd.
De toepassing van de door Wagner verdedigde omrekeningsmethode zou zeker in een situatie als de onderhavige volkomen ongerechtvaardigd zijn. Ten tijde van de indiening van de offertes (in de loop van oktober 1984) wisten de inschrijvers immers reeds dat de representatieve koers van de DM per 1 januari 1985 zou worden gerevalueerd. Aangezien de in het kader van de betrokken deelinschrijvingen af te geven uitvoercertificaten na deze datum konden worden gebruikt (artikel 13, lid 2, sub b, van verordening nr. 2382/84), zou de omrekeningsmethode van Wagner, zoals gezegd, de inschrijvers die voor offertes in DM hadden geopteerd, met de bedoeling de certificaten in een andere Lid-Staat dan Duitsland te gebruiken, een ongerechtvaardigd voordeel hebben verschaft in vergelijking met andere inschrijvers.
19. Wagner betwist overigens niet dat, indien een situatie als de onderhavige zich vandaag zou voordoen, de in opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing uiteengezette omrekeningsmethode zou moeten worden toegepast. Zij betoogt enkel, dat deze methode eerst is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1676/85 van de Raad van 11 juni 1985 inzake de waarde van de rekeneenheid en de omrekeningskoersen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten worden toegepast(24), zodat zij, behoudens in bepaalde bijzondere gevallen, niet van toepassing was ten tijde van de feiten.
Dit betoog is ongegrond. Zoals gezegd, moesten de bepalingen van gemeenschapsrecht die rechtstreeks op de feiten van toepassing waren, in de zin van opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing worden uitgelegd.
20. Subsidiair voert Wagner aan, dat bijlage I bij de gebruiksaanwijzing van 11 maart 1981 (met een tabel van de toepasselijke omrekeningskoersen, en de litigieuze opmerking) vervolgens (met uitwerking tot 26 mei 1987, toen een nieuwe gebruiksaanwijzing werd gepubliceerd die in de plaats kwam van die van 1981) is vervangen door andere bijlagen waarin nergens werd verwezen naar de in de betrokken opmerking uiteengezette omrekeningsmethode. De beginselen van rechtszekerheid, gelijke behandeling en een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht verzetten zich derhalve tegen een ononderbroken geldigheid van opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing van 1981 tot 1987.
Ook dit argument kan niet worden aanvaard. Nu de communautaire bepalingen die van toepassing zijn op de feiten van het geding in de zin van opmerking NB 2 van de gebruiksaanwijzing moeten worden uitgelegd, moet de daarin uiteengezette omrekeningsmethode hoe dan ook worden toegepast, zelfs bij ontstentenis van een verklarende opmerking.
Conclusie
21. Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"De omrekening van het bedrag van een in het kader van een permanente hoofdinschrijving in de zin van verordening (EEG) nr. 2382/84 van de Commissie van 14 augustus 1984 in ecu toegekende uitvoerrestitutie, dat op het uitvoercertificaat is uitgedrukt in de valuta van de Lid-Staat waar de offerte is ingediend, moet, wanneer de certificaten in een andere Lid-Staat worden gebruikt en het monetair compenserend bedrag niet vooraf is vastgesteld, als volgt geschieden:
° het op het certificaat in nationale valuta vermelde bedrag wordt in ecu omgerekend aan de hand van de representatieve koers die gold op de dag waarop de restitutie is toegekend;
° het aldus verkregen bedrag in ecu wordt omgerekend in de valuta van de Lid-Staat van uitvoer aan de hand van de representatieve koers die gold op de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° PB 1981, C 52, blz. 2.
(2) ° PB 1981, L 177, blz. 4. Ik verwijs in deze conclusie naar de gemeenschapsbepalingen die van kracht waren ten tijde van de feiten van het hoofdgeding.
(3) ° PB 1968, L 143, blz. 6.
(4) ° PB 1984, L 221, blz. 5.
(5) ° PB 1984, C 218, blz. 27.
(6) ° PB 1984, L 90, blz. 1.
(7) ° Zie de verordeningen (EEG) van de Commissie nrs. 2976/84 van 24 oktober 1984 en 3067/84 van 31 oktober 1984 tot vaststelling van het maximumbedrag van de restitutie bij uitvoer van witte suiker voor de tiende, respectievelijk de elfde deelinschrijving in het kader van de permanente hoofdinschrijving bedoeld in verordening (EEG) nr. 2382/84 (PB 1984, L 281, blz. 22, en L 288, blz. 65).
(8) ° Artikel 30, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, blz. 1).
(9) ° Partijen zijn het eens over de cijfers in de verwijzingsbeschikking, waaronder het bedrag van 222 113 FF dat overeenkomt met de korting door het FIRS, terwijl het rekenkundige verschil tussen 4 196 946 en 3 974 893 gelijk is aan 222 053.
(10) ° Volgens artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) nr. 243/78 van de Commissie van 1 februari 1978 houdende invoering van de vaststelling vooraf van de monetaire compenserende bedragen (PB 1978, L 37, blz. 5), worden de in het kader van een openbare inschrijving vastgestelde heffingen of restituties (...) als vooraf vastgesteld aangemerkt.
(11) ° PB 1983, L 132, blz. 33.
(12) ° PB 1977, L 106, blz. 27.
(13) ° PB 1978, L 359, blz. 11.
(14) ° Verordening van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1974, L 359, blz. 1). Deze verordening is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 1785/81.
(15) ° Arrest van 17 november 1983, zaak 292/82, Jurispr. 1983, blz. 3781.
(16) ° Zie arrest van 26 januari 1978, gevoegde zaken 44/77-51/77, Union Malt, Jurispr. 1978, blz. 57.
(17) ° Zie r.o. 23 van het arrest Union Malt.
(18) ° Zaak 162/78, Jurispr. 1978, blz. 3467.
(19) ° Verordening van de Commissie van 11 augustus 1975 betreffende een permanente inschrijving voor de bepaling van een heffing en/of een restitutie bij uitvoer van witte suiker (PB 1975, L 214, blz. 5).
(20) ° Zaak 108/77, Jurispr. 1978, blz. 1187.
(21) ° De monetaire coëfficiënt op het tijdstip van de uitvoer van de in de certificaten bedoelde ladingen suiker was 0,982 voor de uitvoer vanuit Duitsland (negatieve correctie) en 1,020 voor de uitvoer vanuit Frankrijk (positieve correctie) (zie bijlage II bij verordening (EEG) nr. 3719/84 van de Commissie van 27 december 1984 houdende wijziging van de monetaire compenserende bedragen (PB 1984, L 342, blz. 1).
(22) ° PB 1981, L 138, blz. 14.
(23) ° Wat de monetaire coëfficiënt betreft, zie het arrest Wagner, r.o. 18-21.
(24) ° PB 1985, L 164, blz. 1. Wagner verwijst eveneens naar alinea 7.1 van de Algemene opmerkingen van de gebruiksaanwijzing van 26 mei 1987 (PB 1987, C 140, blz. 2) die in de plaats is gekomen van de gebruiksaanwijzing van 11 maart 1981 die in de onderhavige zaak aan de orde is.
Full & Egal Universal Law Academy