Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Inleiding
1. Het verzoek van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven dat thans aan de orde is, betreft bepaalde modaliteiten van de communautaire melkquotaregeling. De hoofdlijnen en de nadere uitwerking van deze bekende regeling worden gememoreerd in het rapport ter terechtzitting, zodat ik hier volsta met een samenvatting van de feiten. Op de afzonderlijke toepasselijke bepalingen zal ik terugkomen bij de behandeling van de desbetreffende prejudiciële vragen.
2. Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: "verzoeker"), een in Nederland gevestigde landbouwer, exploiteerde aanvankelijk een door hem gepacht bedrijf te Laag Zuthem. Op dit bedrijf kwam hij van 17 mei 1979 tot 17 mei 1984 een niet-leveringsverbintenis in de zin van verordening (EEG) nr. 1078/77 na.(1) Na afloop van deze periode kon hij geen referentiehoeveelheid krachtens artikel 2 van verordening (EEG) nr. 857/84(2) krijgen, en wel omdat hij in het jaar 1983, dat in Nederland bij de toepassing van deze bepaling als referentiejaar was gekozen, wegens voornoemde verplichting geen melk had geleverd.
3. Kort daarna was het de vraag, of de met betrekking tot het genoemde bedrijf gesloten pachtovereenkomst, die contractueel op 22 februari 1987 afliep, verder zou worden verlengd. Een hiertoe door verzoeker ingediend verzoek werd door de pachtkamer van het kantongerecht Zwolle bij beschikking van 16 september 1985 afgewezen. Deze beschikking werd op 7 februari 1986 door de pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem bevestigd.
4. In laatstgenoemd jaar hervatte verzoeker de melkproduktie en bleef hij hiermee doorgaan tot het einde van de pachtovereenkomst op 22 februari 1987.
5. Sedert 1988 exploiteert verzoeker in een ander bedrijf, te Giethem, in samenwerking met zijn schoonzoon een melkveehouderij in de vorm van een maatschap zonder rechtspersoonlijkheid. De maatschap heeft in het melkprijsjaar 1988/1989 op dit bedrijf melk geproduceerd.
6. Toen vervolgens bij verordening (EEG) nr. 764/89(3) bepalingen waren ingevoegd betreffende de toekenning van "specifieke" referentiehoeveelheden aan zogenoemde SLOM(4)-landbouwers, die op grond van verbintenissen uit hoofde van verordening nr. 1078/77 gedurende het desbetreffende referentiejaar geen melk hadden geleverd, diende verzoeker een aanvraag in om toekenning van een dergelijke referentiehoeveelheid.
7. Nadat verweerder in het hoofdgeding deze aanvraag had afgewezen en het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond had verklaard, stelde verzoeker beroep in bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: "het College"), dat bij beschikking van 7 maart 1991 aanvankelijk drie prejudiciële vragen aan het Hof heeft voorgelegd. Zij betreffen de geldigheid van een (in de uitvoeringsverordening van de Commissie opgenomen) bepaling over de identiteit van het door de aanvrager geëxploiteerde bedrijf, de definitie van het begrip "producent" in de zin van verordening nr. 857/84 in het geval van een samenwerkingsverband waarvan de SLOM-landbouwer deel uitmaakt, alsmede het probleem of in een dergelijk geval de SLOM-landbouwer of het samenwerkingsverband recht op de specifieke referentiehoeveelheid heeft.
8. Bij beschikking van 26 juni 1991 heeft het College een aanvullende vraag aan het Hof voorgelegd, namelijk over de geldigheid van artikel 3 bis, lid 5, van verordening nr. 857/84 (in de versie van verordening nr. 764/89), dat voorziet in kwijtschelding of terugbetaling van de extra heffing voor de hoeveelheden, die vóór de zesde heffingsperiode (dus vóór 1 april 1989) werden geproduceerd.
B - Beoordeling rechtens
De eerste vraag
9. De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft een bepaling die de Commissie na de vaststelling van verordening nr. 764/89 als artikel 3 bis in verordening nr. 1546/88 "tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing"(5) heeft ingevoegd(6) en die uit de zaken Maier(7) en O' Brien(8) bekend is. Laat ik de in dit verband relevante eerste alinea van lid 1, met cursivering van de betwiste passages, nogmaals citeren:
"De in artikel 3 bis, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 bedoelde aanvraag wordt door de betrokken producent bij de door de Lid-Staat aangewezen bevoegde instantie ingediend overeenkomstig de door deze Lid-Staat vastgestelde voorschriften. Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de in artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie(9) bedoelde goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie."
10. Ter zake vraagt de nationale rechter:
Is artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zoals toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989, gelet op de considerans, in strijd met voorrang genietend gemeenschapsrecht waaronder met name artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van de Europese Gemeenschappen, zoals toegevoegd bij verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad?
11. I. Ter beantwoording van deze vraag moet eerst worden onderzocht, hoe de bepaling met het oog op een geval als het onderhavige moet worden uitgelegd, met andere woorden of zij in een dergelijke geval in de weg staat aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid. Dit onderzoek is noodzakelijk, aangezien de in de verwijzingsbeschikking aangevoerde bezwaren tegen de geldigheid van de genoemde bepaling - dat wil zeggen de rechter en verzoeker twijfelen of deze bepaling verenigbaar is met verordening nr. 857/84, en verzoeker of zij verenigbaar is met het vertrouwensbeginsel(10) - in een ander licht zouden komen te staan en eventueel zelfs irrelevant zouden worden, wanneer deze bepaling niet in de weg zou staan aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid.
12. Dienaangaande ben ik het met de Commissie eens dat, in tegenstelling tot wat de Nederlandse regering tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, de betwiste bepaling in de weg staat aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid aan verzoeker (of ook aan de samen met zijn schoonzoon gevormde maatschap).
13. In dit verband moet in de eerste plaats worden gewezen op het arrest O' Brien.(11) Daarin heeft het Hof uit de duidelijke bewoordingen van de betwiste bepaling, juncto artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, afgeleid dat de voorlopige toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid afhankelijk is van de vraag of de betrokken producent het bij zijn premieaanvraag beheerde bedrijf nog geheel of gedeeltelijk exploiteert.(12) Volgens het Hof kan een dergelijke producent slechts aanspraak maken op een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid, wanneer hij het bedrijf - of althans een gedeelte ervan -, dat het voorwerp van zijn verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 was, nog exploiteert. Hij verliest dit recht echter, wanneer hij de exploitatie van het bedrijf volledig heeft gestaakt.(13) Het Hof verwijst hiervoor nog naar de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1033/89(14), volgens welke
"de aanvraag (tot toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid) slechts mag worden ingediend door een producent die ten minste een gedeelte van de produktie-inrichtingen exploiteert die hij bij de indiening van de aanvraag tot toekenning van de premie voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten of van de omschakelingspremie in exploitatie had".
14. Het Hof heeft zich in dit arrest in zeer algemene bewoordingen uitgedrukt. Ik ben daarom van mening, dat ook in het onderhavige geval, waarin de betrokken landbouwer het bedrijf wegens ommekomst van de pachtovereenkomst moest opgeven, niets anders kan gelden. In elk geval moet nog worden opgemerkt, dat de betwiste bepaling een specifieke uitdrukking van het beginsel van de band met de grond(15) lijkt, volgens hetwelk de referentiehoeveelheden toekomen aan de producent: gelet op de definitie in artikel 12, sub c en d, van verordening nr. 857/84 wil dat zeggen aan de personen of groeperingen van personen, die het bedrijf op een bepaald tijdstip exploiteren.(16) Dit beginsel geldt, gelijk het Hof uit artikel 7, leden 1 en 4, van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening (EEG) nr. 590/85(17), en artikel 5, eerste alinea, sub 3, van verordening (EEG) nr. 1371/84(18) heeft afgeleid, ook ingeval van teruggave van een bedrijf bij beëindiging van de pachtovereenkomst: de pachter verliest de referentiehoeveelheid dan aan de verpachter.(19)
15. Op het feit dat de Lid-Staten overeenkomstig artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, in de gewijzigde versie, kunnen bepalen dat de referentiehoeveelheid geheel of gedeeltelijk ter beschikking wordt gesteld van de vertrekkende pachter, zal ik bij het onderzoek naar de geldigheid van de litigieuze bepaling terugkomen. Voor de hier besproken uitlegging van deze bepalingen is slechts van belang, dat de gemeenschapswetgever niet deze uitzondering, maar enkel de eerdergenoemde regel van toepassing wilde laten zijn.
16. Artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 blijkt dus in dit verband een bevestiging van het beginsel van de band met de grond ingeval van aflopende pachtovereenkomsten, echter met de bijzonderheid, dat deze regel wordt toegepast op teruggaves, die tussen het eind van de niet-leveringsperiode en de vaststelling van verordening nr. 764/89 hebben plaatsgevonden, toen de betrokken landbouwer nog niet over een quotum beschikte.
17. Deze bepaling staat dus in casu in de weg aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid. Een andere uitlegging lijkt mij niet mogelijk.
18. II. Op deze basis moet de geldigheid van deze bepaling worden onderzocht. Ik zal mij daarbij beperken tot de effecten die zij heeft in verband met de onderhavige zaak. Zoals namelijk uit een vergelijking met de zaak Maier blijkt, dekt de bepaling zeer verschillende gevallen, zodat de geldigheid ervan in elk van deze gevallen afzonderlijk moet worden onderzocht.
19. 1. De verwijzende rechter trekt om te beginnen de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 in twijfel. Laatstgenoemde bepaling verlangt enkel, dat de aanvrager in staat is om de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te produceren. Er wordt echter niet met zoveel woorden verlangd, dat hij het bedrijf waarvoor de SLOM-verbintenis is gesloten, nog exploiteert.
20. Aangezien de verordeningen nrs. 857/84 en 1546/88 in het gemeenschapsrecht dezelfde rang hebben, moet de vraag eigenlijk aldus worden begrepen, dat moet worden onderzocht of de Commissie, voor zover het de hier bestreden bepaling betreft, de grenzen heeft overschreden van de bevoegdheid die haar is toegekend in artikel 5 quater, lid 7, van de basisverordening nr. 804/68, waarop verordening nr. 1546/88 is gebaseerd.
21. De regeling die, zoals zoëven uiteengezet, voor het onderhavige geval uit artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 volgt, overschrijdt deze grenzen echter niet. Zij bepaalt zich tot een concretisering van de in verordening nr. 857/84 - in het bijzonder in artikel 3 bis, lid 1, sub b - vastgestelde regels, zonder aan de betekenis ervan af te doen. Het blijkt namelijk, dat het Hof zijn in het arrest O' Brien getrokken conclusies niet enkel op artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 heeft gebaseerd, maar zowel uit deze bepaling als uit artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 heeft afgeleid. Terecht dunkt mij. Gelet op het probleem dat het algemene beginsel van de band met de grond opwierp doordat verordening nr. 764/89 te laat werd vastgesteld, kan artikel 3 bis, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 857/84 niet aldus worden begrepen, dat de strikte toepassing van dit beginsel op een vertrekkende pachter zou zijn uitgesloten. Deze bepaling belette de Commissie dus niet om nader vast te stellen, dat het in sub b bedoelde bedrijf hetzelfde moest zijn als het sub a bedoelde, wat overigens niet met de structuur of met de bewoordingen van de bepaling in tegenspraak is.
22. 2. Het betoog van verzoeker, zoals weergegeven in de verwijzingsbeschikking van de nationale rechter(20), is voor mij bovendien aanleiding om te onderzoeken of de bestreden bepaling verenigbaar is met het vertrouwensbeginsel.
23. Volgens de arresten Mulder(21) en von Deetzen(22) zou de bepaling onverenigbaar zijn met dit beginsel, wanneer zij verzoeker in bijzonder treft juist omdat hij gebruik heeft gemaakt van de door de gemeenschapsregeling geboden mogelijkheden om tegen betaling van een premie geen melk in de handel te brengen.(23)
24. In het hoofdgeding, maar ook voor het Hof, heeft verzoeker ter zake gesteld dat, wanneer hij bij ommekomst van de pachtovereenkomst over een melkquotum had beschikt, deze overeenkomst zou zijn verlengd, dan wel tussen hem en de verpachter een regeling voor de verdeling van het quotum zou zijn getroffen. Over de eerste mogelijkheid heeft verzoeker tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt, dat zijn pachtovereenkomst "zeer waarschijnlijk" zou zijn verlengd, indien hij sinds 1985 over een melkquotum had beschikt. Met betrekking tot de mogelijkheid om het melkquotum (in elk geval gedeeltelijk) ondanks de teruggave van het gepachte bedrijf te behouden, heeft hij in de schriftelijke procedure gesteld, dat hij, indien hij destijds over een quotum had beschikt, dit zeker had kunnen meenemen naar zijn nieuw bedrijf. Verzoeker verwijst hiervoor naar de in Nederland geldende regels, met name naar artikel 19 van de Beschikking Superheffing 1988(24), op grond waarvan de pachter met instemming van de verpachter bij beëindiging van de pachtovereenkomst de referentiehoeveelheid kan behouden. Dit is in het bijzonder het geval, wanneer de verpachter, zoals in casu, niet van plan is om op het betrokken bedrijf de melkveehouderij uit te oefenen.
25. Verzoekers beide argumenten waarin hij zijn situatie steeds vergelijkt met die welke zou hebben bestaan, wanneer hij reeds in 1987 over een melkquotum had beschikt, moeten afzonderlijk worden behandeld.
26. Ik behoef niet lang stil te staan bij het argument betreffende de eventuele verlenging van de pachtovereenkomst. Gesteld dat verzoeker, zoals hij beweert, een dergelijke verlenging had kunnen bereiken, wanneer hij destijds over een quotum had beschikt, dan kan op basis van deze omstandigheid niet worden geconcludeerd, dat de bestreden bepaling ongeldig is. Hij zegt namelijk niet of het in deze bepaling voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid neergelegde criterium zelf is te kritiseren, maar stelt alleen een nadeel dat door het verzuim van de gemeenschapswetgever in het verleden is ontstaan: omdat er in 1987 nog geen quota-regeling voor SLOM-landbouwers bestond, heeft verzoeker, zo stelt hij, zijn vroegere bedrijf verloren, wat thans ertoe leidt, dat hij niet aan het gewraakte criterium voldoet. De specifieke benadeling van verzoeker ten opzichte van landbouwers die geen gebruik van verordening nr. 1078/77 hebben gemaakt, wordt volgens dit argument niet door het gewraakte criterium veroorzaakt, maar door de gebreken in de in 1987 geldende quotaregeling. Een andere beoordeling zou hooguit mogelijk zijn, wanneer wij over aanwijzingen zouden beschikken, dat de genoemde gebreken in de Lid-Staten voor de beslissingen over de verlenging van de desbetreffende pachtovereenkomsten stelselmatig hetzelfde gevolg hadden als het door verzoeker in zijn geval gestelde gevolg. Daarvoor zijn er echter geen aanknopingspunten.
27. Kijken wij naar het argument betreffende de mogelijkheid om het melkquotum (althans gedeeltelijk) ondanks het vertrek uit het bedrijf te behouden, dan blijkt inderdaad, dat er een probleem is met de geldigheid van de bestreden bepaling. Had de gemeenschapswetgever niet, ten einde een specifieke benadeling van SLOM-landbouwers te verhinderen, met het oog op pachtovereenkomsten die tussen het einde van de niet-leveringsperiode en de vaststelling van verordening nr. 764/89 afliepen, zodat de SLOM-landbouwer uit het bedrijf vertrekt, moeten voorzien in een machtiging aan de Lid-Staten die vergelijkbaar is met die in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 in de gewijzigde versie?
28. Na vergelijking van de situaties van vertrekkende pachters in de beide betrokken groepen landbouwers (landbouwers die geen gebruik van verordening nr. 1078/77 hebben gemaakt enerzijds en SLOM-landbouwers anderzijds) zal de vraag in beginsel bevestigend worden beantwoord. Hoewel de Lid-Staten niet verplicht zijn om van een dergelijke machtiging gebruik te maken, zoals advocaat-generaal Jacobs met betrekking tot artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 in de gewijzigde versie terecht heeft opgemerkt(25), moet toch worden vastgesteld, dat de hier bestreden bepaling zelfs de mogelijkheid uitsluit van een regeling die voor de vertrekkende pachter gunstiger is dan het in de bestreden bepaling geconcretiseerde beginsel van de band met de grond.
29. In dit verband moeten nog twee mogelijke punten van twijfel worden onderzocht.
30. Het eerste punt van twijfel zou kunnen ontstaan, wanneer aan de invoeging van een clausule die de Lid-Staten tot afwijkende regelingen in genoemde zin machtigt, onoverkomelijke hindernissen in de weg staan. Dergelijke hindernissen zie ik echter niet.
31. Dienaangaande moet in de eerste plaats worden geconstateerd, dat het voor de Lid-Staten, gelet op de vertraagde vaststelling van de quota-regeling voor SLOM-landbouwers, ongetwijfeld moeilijk is om objectieve criteria op te stellen en te hanteren, volgens welke de vertrekkende pachter recht op het quotum heeft. Voor de conclusie dat iets dergelijks absoluut onmogelijk is, is evenwel noch in de stukken noch elders voldoende houvast te vinden.
32. In het onderhavige geval zijn dan ook geen beschermenswaardige belangen van derden te zien, waarop een dergelijke regeling zou afstuiten. Met name zie ik geen juridisch aanknopingspunt voor het feit dat de verpachter in een situatie als de onderhavige recht erop zou hebben om van de nadelen verschoond te blijven die een dergelijke regeling voor hem zou kunnen meebrengen.
33. Het tweede punt van twijfel betreft de grenzen van het vertrouwensbeginsel in de zin van de arresten Mulder en von Deetzen. In het arrest von Deetzen II(26) heeft het Hof deze grenzen aldus gedefinieerd, dat de SLOM-landbouwers
"er namelijk op mochten vertrouwen, dat zij na afloop van hun niet-leverings- of omschakelingsperiode weer melk zouden kunnen leveren en deze activiteit onder zodanige voorwaarden zouden kunnen uitoefenen, dat zij niet werden gediscrimineerd ten opzichte van andere melkproducenten, mochten zij er niet op vertrouwen dat in een gemeenschappelijke marktordening hun een niet uit hun beroepsactiviteit voortvloeiend commercieel voordeel zou worden toegekend".
34. Het Hof vervolgt:
"Deze producenten mochten er derhalve niet op vertrouwen, dat zij een voordeel als de toewijzing van een referentiehoeveelheid uit hoofde van de regeling inzake de extra heffing, zouden kunnen verhandelen, terwijl dit voordeel juist was toegekend ten einde hen in staat te stellen hun beroepsactiviteiten te hervatten."
35. Door deze overwegingen heeft het Hof zich ook laten leiden in de zaak Maier, waarin een SLOM-landbouwer zijn bedrijf op een tijdstip tussen het einde van de omschakelingsperiode en de vaststelling van verordening nr. 764/89 voor twintig jaar aan een derde had verpacht.(27) In gevallen als het onderhavige, waarin het vertrouwensbeginsel ertoe zou leiden, dat de SLOM-landbouwer (of een aanvrager die zijn recht van hem afleidt) het recht op de specifieke referentiehoeveelheid behoudt, kunnen deze overwegingen echter niet dienen, omdat zij uitgaan van de premisse dat de specifieke referentiehoeveelheid na de toekenning ervan aan een derde moet worden overgedragen. Overigens kan een op grond van de quotaregeling ongeoorloofde premiehandel ingeval van het vertrek van een pachter enkel ontstaan doordat de pachter en de verpachter, zonder objectieve criteria te hanteren, zelf beslissen wie het quotum krijgt. De machtiging in artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84 in de gewijzigde versie heeft echter, zoals uit de bewoordingen ervan blijkt, juist tot doel de Lid-Staten in staat te stellen om met inachtneming van de in hun gebied heersende feitelijke en juridische - in het bijzonder pachtrechtelijke - verhoudingen passende objectieve criteria op te stellen, volgens welke wordt beoordeeld of en in welke omvang de vertrekkende pachter het quotum behoudt.
36. Gelet op het vertrouwensbeginsel, mocht de Commissie artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84 dus slechts door de in artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 vervatte regel concretiseren, voor zover zij die door een met artikel 7, lid 4 overeenstemmende uitzondering afzwakte.
37. De draagwijdte van de aldus vastgestelde schending van dit beginsel blijft echter beperkt doordat het vertrouwensbeginsel zekere grenzen kent. Hiervoor zij verwezen naar de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 764/89, waarin duidelijk wordt vermeld, dat een landbouwer op grond van dit beginsel alleen dan aanspraak op de toekenning van een quotum kan maken, wanneer hij het voornemen en de mogelijkheid heeft om de produktie te hervatten.
38. Zoals uit het arrest Maier(28) blijkt, is aan de eerste van deze twee voorwaarden niet voldaan, wanneer uit de tussen het einde van de niet-leveringsperiode en de vaststelling van verordening nr. 764/89 opgetreden omstandigheden blijkt, dat de landbouwer de melkproduktie definitief heeft gestaakt. Deze beperking van het vertrouwensbeginsel kan de Commissie als aanleiding nemen om voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid bepaalde voorwaarden te stellen.
39. Met betrekking tot het vereiste dat melkproduktie mogelijk moet zijn, verlangt artikel 3 bis, lid 1, sub a, van verordening nr. 857/84, dat de aanvrager een hiertoe geschikt bedrijf exploiteert. Zoals uit de zaak Maier blijkt, kan deze bepaling dus in elk geval niet worden gekritiseerd voor zover zij in het algemeen het vereiste van de exploitatie van een geschikt bedrijf bevestigt.
40. Tot slot zou ik graag nog een opmerking willen maken over de aard en de wijze van uitoefening van de aan de Lid-Staten te verlenen machtiging. Aangezien de Lid-Staten op dit punt het gemeenschapsrecht dienen toe te passen, moeten zij onder meer de algemene rechtsbeginselen ervan in acht nemen.(29) Hiertoe behoren zowel het vertrouwensbeginsel, als het gelijkheidsbeginsel, dat in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag een bijzondere vorm heeft gekregen. Gelet op deze beginselen zullen de Lid-Staten bij de uitoefening van de bedoelde machtiging ermee rekening moeten houden of en op welke wijze zij van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 590/85, gebruik hebben gemaakt.
41. Concluderend geef ik het Hof in overweging op de eerste vraag van het College te antwoorden als volgt:
Artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 van de Commissie, in de versie van verordening nr. 1033/89, is ongeldig, voor zover hierin niet is voorzien in een machtiging aan de Lid-Staten om aan een producent de specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen ten behoeve van de produktie in een door hem geëxploiteerd bedrijf, dat niet het bedrijf is dat hij (of de landbouwer die de verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 van de Raad is nagekomen en van wie de producent zijn recht afleidt) nog exploiteerde op het tijdstip van de in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1391/78 van de Commissie bedoelde goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie, wanneer
- het oorspronkelijk geëxploiteerde bedrijf na afloop van de verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77, wegens ommekomst van de pachtovereenkomst en bij gebreke van een recht van de pachter op verlenging van de overeenkomst, onder de afgesproken voorwaarden aan de verpachter moest worden teruggegeven;
- de producent (of de landbouwer van wie hij zijn recht afleidt) voor de vaststelling van verordening nr. 764/89 de melkproduktie niet definitief heeft gestaakt; en
- het ten tijde van de indiening van de aanvraag geëxploiteerde bedrijf voldoet aan de in artikel 3 bis, lid 1, sub b, van verordening nr. 857/84 gestelde voorwaarden.
De tweede en de derde vraag
42. I. De eerste vraag betrof in wezen het probleem, voor welk bedrijf aanspraak kan worden gemaakt op de specifieke referentiehoeveelheid. De tweede en de derde vraag gaan daarentegen over bepaalde voorwaarden waaraan de persoon van de aanvrager moet voldoen. Om precies te zijn gaat het hier om zijn hoedanigheid als SLOM-landbouwer of zijn verhouding tot deze enerzijds, alsmede zijn verhouding tot het begunstigde bedrijf anderzijds.
43. Met betrekking tot het eerstgenoemde aspect blijkt uit de aanhef van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, juncto het eerste streepje van deze bepaling, dat de aanvrager in beginsel zelf een niet-leveringsverbintenis of een omschakelingsverbintenis moet zijn nagekomen.
44. Wat het tweede aspect betreft, de aanvrager moet op grond van de genoemde aanhef een in artikel 12, sub c, derde alinea, van deze verordening bedoelde producent zijn. Deze bepaling luidt:
"voor de toepassing van artikel 3 bis wordt als producent beschouwd de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gelegen".
45. Op deze beide aspecten hebben de volgende vragen van het College betrekking:
"Dient artikel 3 bis(30), juncto artikel 12, sub c, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad zo te worden uitgelegd dat aan het kunnen beschouwen van een persoon of groep van personen als producent op wie én het bepaalde in artikel 3 bis, eerste lid, eerste en tweede gedachtenstreepje, én het bepaalde vanaf a. van toepassing is, niet in de weg staat dat de SLOM-overeenkomst is aangegaan door één persoon terwijl deze ten tijde van de aanvraag voor een referentiehoeveelheid op grond van artikel 3 bis, een bedrijf uitoefende in een samenwerkingsverband met één of meer anderen?
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan degene die de SLOM-overeenkomst is aangegaan of de groep van personen die ten tijde van de in de tweede vraag bedoelde aanvraag het bedrijf exploiteert, worden beschouwd als de rechthebbende op een referentiehoeveelheid ingevolge artikel 3 bis?"
46. II. Ter beantwoording van deze vragen zij vooraf gepreciseerd, dat het begrip producent in artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84, waarnaar in de aanhef van artikel 3 bis, lid 1, van deze verordening wordt verwezen, een bepaalde verhouding van de aanvrager tot het betrokken bedrijf kenmerkt: hij bezit de vereiste hoedanigheid van producent slechts, wanneer hij het bedrijf exploiteert. De vraag of de aanvrager een verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 moet zijn nagekomen of in hoeverre hij van een landbouwer voor wie dit geldt, rechten op toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid kan afleiden, betreft, anders dan door het College in zijn tweede vraag wordt aangenomen, een voorwaarde van artikel 3 bis, lid 1, van verordening nr. 857/84, die niet mag worden verward met de hoedanigheid van producent van de aanvrager, waarom het in de derde vraag gaat.
47. III. 1. Op deze basis moet eerst het probleem worden onderzocht dat in de tweede vraag aan de orde wordt gesteld, namelijk of artikel 3 bis, lid 1, aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid in de weg staat, wanneer de SLOM-landbouwer het bedrijf niet alleen, doch gezamenlijk met een of meer andere personen in de vorm van een maatschap exploiteert. Ter zake wijzen de omstandigheden in deze zaak erop, dat de vorming van de maatschap de overdracht aan de toekomstige erfgenamen van het bedrijf moest voorbereiden. Het lijkt daarom nuttig om het antwoord te geven op basis van de rechtspraak in de zaak Rauh.(31)
48. In het geval dat aan dit arrest ten grondslag lag, had de verzoeker op grond van een exploitatieovereenkomst met zijn ouders, die voordien een niet-leveringsverbintenis waren aangegaan, hun bedrijf als toekomstig erfgenaam na afloop van de niet-leveringsperiode overgenomen. Zijn verzoek om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid werd afgewezen op grond van het feit, dat hij het bedrijf pas op het genoemde tijdstip had overgenomen en dus aan deze bepaling geen rechten kon ontlenen. Dienaangaande heeft het Hof vastgesteld:
"dat een producent die, zoals in het door de nationale rechter bedoelde geval, op grond van gemeenschapsbepalingen die inbreuk maken op het vertrouwensbeginsel, na afloop van zijn verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 geen referentiehoeveelheid kon krijgen, dientengevolge ook niet aan zijn erfgenaam of aan zijn rechtsopvolger in het kader van een met vererving vergelijkbare wijze van overgang, het voordeel van de toekenning van een referentiehoeveelheid kon overdragen. Een dergelijke producent is dus gesteld voor beperkingen die hem in het bijzonder treffen, juist omdat hij zich ertoe heeft verbonden, geen melk in de handel te brengen.
Deze beperkingen zouden worden gehandhaafd, indien artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 aldus zou worden uitgelegd, dat op grond van deze bepaling aan deze erfgenaam of rechtsopvolger, zoals ook het geval is met betrekking tot de producent zelf, niet een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend onder de in de bepalingen van dit artikel bedoelde voorwaarden." (r.o. 18 en 19).
49. De tegenwerping van de Commissie, dat de oorspronkelijke producent vóór de overdracht van het bedrijf geen verzoek om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid had ingediend, is niet door het Hof aanvaard,
"omdat een producent niet kan worden verweten, dat hij geen aanvraag voor een referentiehoeveelheid heeft ingediend, waarop hij krachtens de toen geldende gemeenschapsregeling geen recht had".(32)
50. Het Hof heeft vastgesteld, dat de consequentie van de onverenigbaarheid van artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 met het vertrouwensbeginsel kan worden vermeden, wanneer deze bepaling aldus wordt uitgelegd,
"dat onder de daarin bedoelde 'producenten' , naast de exploitanten van landbouwbedrijven die zelf een verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 hebben aangegaan, ook zij worden begrepen, die het betrokken bedrijf na afloop van de door de exploitant aangegane verbintenis door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze van overgang hebben verworven".(33)
51. Het Hof heeft derhalve voor recht verklaard, dat krachtens genoemd artikel 3 bis
"onder de aldaar bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid kan worden toegekend aan een producent die door vererving of op een daarmee vergelijkbare wijze een bedrijf heeft verworven na afloop van een door de erflater uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 aangegane verbintenis om geen melk in de handel te brengen".(34)
52. In een later arrest - von Deetzen II(35) - heeft het Hof het begrip "met vererving vergelijkbare wijze van overgang" nader verduidelijkt, zij het met het oog op een geval waarin het om de overdracht van een reeds overeenkomstig artikel 7 bis, lid 1, van verordening nr. 1546/88 (in de versie van verordening nr. 1033/89) toegekende specifieke referentiehoeveelheid ging.
53. Het Hof verklaarde:
"Het begrip '(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang' moet aldus worden uitgelegd, dat het - ongeacht de juridische vorm waarin de overdracht plaatsvindt - doelt op elke overdracht die rechtsgevolgen heeft die vergelijkbaar zijn met die van een overgang door vererving. Het omvat derhalve met name transacties betreffende het betrokken bedrijf tussen een producent en zijn vermoedelijke erfgenaam, voor zover deze transactie, gelet op het doel en het voorwerp ervan, primair is gericht op de voortzetting van het bedrijf door de vermoedelijke erfgenaam en niet op de verhandeling van de marktwaarde van het bedrijf door de erflater.
Mitsdien kan noch de inbreng van het bedrijf in een vennootschap naar burgerlijk recht waarin de producent deelneemt aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt, noch de omstandigheid dat, wanneer deze laatste door zijn overlijden of om andere redenen de vennootschap verlaat, naar Duits recht zijn aandeel in de vennootschap bij de overige vennoten aanwast, noch de verpachting van het bedrijf aan de vermoedelijke erfgenaam van de producent aan wie de specifieke referentiehoeveelheid toekomt, worden uitgesloten van het begrip '(met vererving) vergelijkbare wijze van overgang' , mits de condities van de overeenkomst die aan de betrokken handeling ten grondslag ligt, van dien aard zijn, dat de vermoedelijke erfgenaam wordt bevoordeeld ten opzichte van een marktdeelnemer die een vergelijkbaar bedrijf overeenkomstig de marktcondities overneemt." (r.o. 38 en 39).
54. Het Hof heeft er nog op gewezen dat het aan de nationale rechter staat om vast te stellen of aan de in dit verband noodzakelijke voorwaarden is voldaan.(36)
55. Dit arrest maakt voor het onderhavige geval duidelijk, dat een met vererving vergelijkbare wijze van overgang ook aldus kan plaatsvinden, dat de begunstigde niet, zoals in de zaak Rauh, als zodanig producent wordt, maar gezamenlijk met de potentiële erflater een samenwerkingsverband (groepering van natuurlijke of rechtspersonen) vormt, dat zelf de hoedanigheid van producent bezit.
56. Ten einde deze zaak op basis van het arrest Rauh, aangevuld door het arrest von Deetzen, op te kunnen lossen, moet nog worden opgehelderd, welke invloed de overige verschillen tussen het onderhavige geval en het eerstgenoemde arrest hebben.
57. Het eerste verschil is, dat het bedrijf in het geval Rauh (zoals ook in het geval von Deetzen II) eigendom van de potentiële erflater was, terwijl in dit geval niets erop wijst, dat verzoeker eigenaar van het bedrijf is; volgens de eerste verwijzingsbeschikking werd het "door de maatschap gepacht". Mijns inziens is evenwel ook in een dergelijke situatie een met vererving vergelijkbare wijze van overgang niet bij voorbaat uitgesloten. Het voorwerp van deze overgang kan de door de pachtovereenkomst geschapen mogelijkheid van exploitatie van dit bedrijf zijn. In hoeverre deze dingen daadwerkelijk zo kunnen worden ingeschat, hangt van de omstandigheden af, in het bijzonder van de inhoud van de pachtovereenkomst en de structuur van de verhoudingen binnen de maatschap. Het staat aan de nationale rechter om de desbetreffende feiten vast te stellen.
58. In het antwoord op de prejudiciële vraag kan op dit punt worden volstaan met een verwijzing naar het vereiste van een met vererving vergelijkbare wijze van overgang.
59. Twee andere verschillen tussen deze zaak en de zaak Rauh hangen samen met de bijzonderheid die aanleiding tot de eerste vraag heeft gegeven. Het eerste verschil is, dat het bedrijf, dat eventueel het voorwerp van een met vererving vergelijkbare wijze van overgang was, een ander bedrijf is dan dat waarvoor de verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 werd nagekomen. Het tweede verschil, dat nauw met het eerste is verbonden, is, dat met de exploitatie is begonnen gelijktijdig met of kort nadat de transacties plaatsvonden die de basis zouden kunnen vormen voor een met vererving vergelijkbare wijze van overgang: verzoeker heeft het bedrijf in Giethem onbetwistbaar nooit alleen geëxploiteerd.
60. Wat het eerste punt betreft, uit het antwoord op de eerste vraag van het College blijkt, dat verzoeker eventueel (afhankelijk van of en hoe Nederland van de te verlenen machtiging gebruik maakt) recht erop zou hebben dat de specifieke referentiehoeveelheid ter beschikking wordt gesteld voor de exploitatie van een ander bedrijf dan het SLOM-bedrijf, wanneer hij het betrokken bedrijf alleen zou exploiteren. De producent die hetzelfde bedrijf exploiteert overeenkomstig een met vererving vergelijkbare wijze van overgang, mag dan volgens het arrest Rauh niet in een slechtere positie komen te verkeren. Aan deze beoordeling verandert mijns inziens niets - en daarmee kom ik aan het tweede punt -, wanneer de SLOM-landbouwer het bedrijf nooit alleen heeft geëxploiteerd, maar de producent zelf bij of na de met vererving vergelijkbare wijze van overgang met de exploitatie is begonnen. Ik zie geen objectieve reden om tussen deze beide gevallen onderscheid te maken.
61. 2. Aangezien de tweede vraag derhalve aldus moet worden beantwoord, dat artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 onder de genoemde voorwaarden niet in de weg staat aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, wanneer de SLOM-landbouwer het betrokken bedrijf samen met een of meer andere personen exploiteert, moet ook worden ingegaan op de derde vraag.
62. Met betrekking tot het in deze vraag opgeworpen probleem: wie van de in aanmerking komende adressaten - de SLOM-landbouwer, de "maatschap" als zodanig of haar leden gezamenlijk - recht kan doen gelden op de specifieke referentiehoeveelheid, zij gewezen op de bewoordingen van artikel 3 bis, lid 1, juncto artikel 12, sub c, derde alinea, van verordening nr. 857/84 (beide in de versie van verordening nr. 764/89). Volgens deze bepalingen komt het recht op toekenning van de specifieke referentiehoeveelheid toe aan de "producent", dat wil zeggen aan de "landbouwexploitant", zoals het in laatstgenoemde bepaling heet. Op deze basis en met inachtneming van de definitie van het begrip "bedrijf" in de zin van artikel 12, sub d, van verordening nr. 857/84 heeft het Hof in de zaak Maier het begrip producent in de zin van artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 gedefinieerd, dat zonder twijfel overeenstemt met het begrip in verordening nr. 857/84. Het Hof verklaarde, dat hiermee
"enkel een landbouwexploitant is bedoeld die een geheel van produktie-eenheden voor de melkproduktie onder eigen verantwoordelijkheid exploiteert".(37)
63. Aangezien verzoeker op grond van deze definitie de hoedanigheid van producent in elk geval niet als individueel persoon bezit, is het uitgesloten, dat hij in zijn eentje recht heeft op de specifieke referentiehoeveelheid.(38) Voor de beantwoording van de gestelde vraag is verder van belang welk rechtskarakter de door beide landbouwers gevormde maatschap heeft en wie het bedrijf daadwerkelijk exploiteert. Wanneer het bij deze maatschap om een rechtspersoon gaat die als zodanig het bedrijf exploiteert, dan heeft zij recht op de specifieke referentiehoeveelheid. Wanneer het echter louter om een samenwerkingsverband zonder eigen rechtspersoonlijkheid gaat en de beide landbouwers het bedrijf in het kader van dit samenwerkingsverband gezamenlijk exploiteren, dan hebben zij ook gezamenlijk recht op de referentiehoeveelheid, maar dan als samenwerkingsverband dat door verordening nr. 857/84(39) als producent wordt beschouwd. Ook nu weer is het een zaak voor de nationale rechter om de desbetreffende feiten vast te stellen.
64. IV. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de tweede en de derde vraag, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk te beantwoorden. Daarbij acht ik het nuttig een band te leggen met het antwoord op de eerste vraag, door te verklaren dat in het onderhavige geval de opvolging van de producent, voor zover die door een met vererving vergelijkbare wijze van overgang tot stand komt, ook bij een toegestane bedrijfswisseling in de zin van het antwoord op de eerste vraag, niet aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid in de weg staat, zelfs niet wanneer de nieuwe producent zelf bij of na de met vererving vergelijkbare wijze van overgang met de exploitatie van het nieuwe bedrijf is begonnen.(40)
65. Het antwoord kan luiden als volgt:
Artikel 3 bis, juncto artikel 12, sub c, derde alinea, van verordening nr. 857/84 van de Raad, in de versie van verordening nr. 764/89 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd, dat de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid aan een rechtspersoon of een groepering van personen, die het betrokken bedrijf exploiteert (de producent), ook dan is toegestaan, wanneer de producent de verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 weliswaar niet zelf is nagekomen, maar bij deze rechtspersoon of groepering van personen een landbouwer is aangesloten, die wel aan deze voorwaarde voldoet, en die de mogelijkheid tot exploitatie van het bedrijf, voor zover de andere bij de producent aangeslotenen daarop recht hebben, na afloop van de verbintenis op een met vererving vergelijkbare wijze aan hem heeft overgedragen.
Zou de bedoelde landbouwer, ofschoon het niet om een bedrijf gaat, waarin hij de verbintenis uit hoofde van verordening nr. 1078/77 is nagekomen, recht op toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid hebben, wanneer hij het bedrijf alleen zou exploiteren, dan staat noch de identiteit van het geëxploiteerde bedrijf, noch de omstandigheid dat de landbouwer dit bedrijf nooit alleen heeft geëxploiteerd, maar de producent zelf bij of na de met vererving vergelijkbare overgang met de exploitatie is begonnen, in de weg aan toekenning van de specifieke referentiehoeveelheid aan de producent.
De vierde vraag
66. De vierde vraag van het College betreft artikel 3 bis, lid 5, van verordening nr. 857/84 dat het volgende bepaalt:
"De producent die op grond van het bepaalde in lid 1 voor het stelsel in aanmerking komt en aan wie een specifieke referentiehoeveelheid wordt toegewezen onder de voorwaarden van de leden 2, 3 en 4, hoeft geen extra heffing te betalen over de hoeveelheden die vóór de zesde periode van toepassing van de regeling van de extra heffing zijn geproduceerd en die de voorlopige specifieke referentiehoeveelheid niet overschrijden."
67. Ter zake vraagt het College:
Indien de eerste of de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: is verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad geldig, voor zover zij niet voorziet in kwijtschelding c.q. terugbetaling van heffing, dan wel voor zover artikel 3 bis, lid 5, van die verordening daaraan in de weg staat, over de periode na ommekomst van de SLOM-overeenkomst tot het tijdstip waarop zich een wijziging in de situatie heeft voorgedaan op grond waarvan de desbetreffende producent niet in aanmerking komt voor een voorlopige specifieke referentiehoeveelheid en voor zover de in die periode geproduceerde hoeveelheid melk de referentiehoeveelheid die zou zijn toegewezen wanneer die wijziging zich niet zou hebben voorgedaan, niet overschrijdt?
68. Blijkens de motivering van de verwijzingsbeschikking gaat het het College om de hoeveelheden die verzoeker tussen de hervatting van de melkproduktie en de beëindiging van zijn pachtovereenkomst vanuit zijn bedrijf te Laag Zuthem heeft geleverd.
69. I. Het College stelt de vraag voor het geval "de eerste of de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord". Aangezien uit het onderzoek van de eerste vraag mijns inziens is gebleken, dat artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 in strijd is met voorrang genietend gemeenschapsrecht en uit het onderzoek van de tweede vraag, dat artikel 3 bis van verordening nr. 857/84 onder bepaalde voorwaarden niet in de weg staat aan de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid, wanneer de SLOM-landbouwer het betrokken bedrijf gezamenlijk met een andere persoon exploiteert, wordt geen van beide vragen ontkennend beantwoord. Sluit het Hof zich bij de door mij voorgestelde antwoorden aan, dan zou een beantwoording van de vierde vraag, formeel gezien, overbodig zijn.
70. Toch zal ik deze vraag nog kort behandelen. Afgezien van de mogelijkheid dat het Hof op de beide vragen van mijn voorstellen afwijkt, moet ook worden vastgesteld, dat de verwijzende rechter, door aan te knopen bij een ontkennende beantwoording van de eerste beide vragen, van een onjuiste premisse uitgaat. Hij gaat er namelijk van uit, dat in dit geval zonder meer een specifieke referentiehoeveelheid moet worden toegekend, die dan tevens de beslissende hoeveelheid zou zijn voor artikel 3 bis, lid 5. Het hier in overweging gegeven antwoord op de eerste vraag zou er evenwel slechts toe leiden, dat de Lid-Staten een machtiging die vergelijkbaar is met artikel 7, lid 4, van verordening nr. 857/84, in de versie van verordening nr. 590/85, dienen te krijgen, waarbij thans niet vaststaat, welke de gevolgen zouden zijn voor het onderhavige geval, indien van deze machtiging gebruik werd gemaakt. Met een ontkennend antwoord op de eerste vraag in deze zin heeft het College blijkbaar geen rekening gehouden toen het de voorwaarde voor de beantwoording van de vierde vraag formuleerde. Op grond hiervan acht ik het juist om ook op de laatste vraag in te gaan.
71. II. Aangezien het in dit verband relevante artikel 3 bis, lid 5, van verordening nr. 857/84 de "amnestie" voor vroegere leveringen zonder twijfel enkel aan producenten verleent die bij het indienen van de aanvraag voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid en deze ook ontvangen, is het niet voldoende, wanneer de aanvrager ooit eens op een eerder tijdstip aan de voorwaarden heeft voldaan.
72. Anders dan de Raad tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, kunnen onder deze omstandigheden ook eventueel in het verleden aan extra heffing betaalde bedragen niet (wegens ongegronde verrijking) worden terugbetaald. Om precies te zijn, de arresten Mulder en von Deetzen hebben de voor deze eerdere betalingen voorziene rechtsgrondslag, die is vervat in de bepalingen van artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 en van verordening nr. 857/84, die is aangevuld door verordening nr. 1371/84, niet aangetast. In deze arresten werd namelijk verordening nr. 857/84 (in de bij verordening nr. 1371/84 aangevulde versie) nietig verklaard, voor zover de Raad in strijd met voorrang genietend gemeenschapsrecht had nagelaten, voor bepaalde producenten referentiehoeveelheden te voorzien als uitzondering op het beginsel van de extra heffing. De nietigverklaring had echter geen betrekking op de rechtsgrondslag van de extra heffing zelf. Het beginsel en de omvang van eventuele referentiehoeveelheden moest de Raad dus in het kader van zijn beleidsvrijheid - en uiteraard in overeenstemming met de genoemde arresten - als uitzondering in genoemde zin vaststellen. Voor zover dit niet is geschied, zijn de op grond van verordening nr. 857/84 betaalde extra heffingen niet zonder rechtsgrondslag betaald.
73. III. 1) Aangezien de landbouwers die enkel op een eerder tijdstip, maar niet meer bij de indiening van de aanvraag aan de voorwaarden van artikel 3 bis, leden 1 en 4, van verordening nr. 857/84 (eventueel aangevuld door de uitvoeringsverordeningen van de Commissie) voldoen, geen kwijtschelding of terugbetaling van in het verleden betaalde extra heffingen ontvangen, omdat lid 5 hiervoor geen regeling bevat, moet de geldigheid van dit lid worden onderzocht, die in het tweede deel van de vraag in twijfel wordt getrokken.
74. a) Aangaande de verenigbaarheid met het vertrouwensbeginsel moet worden onderzocht of artikel 3 bis, lid 5, tot een specifieke benadeling van SLOM-landbouwers ten opzichte van andere landbouwers leidt, in de zin van de rechtspraak in de zaken Mulder en von Deetzen. Vaststaat, dat het Hof niet enkel - in een eerste fase - het ontbreken van een quotaregeling voor SLOM-landbouwers heeft veroordeeld (arresten Mulder en von Deetzen), maar na de vaststelling van een speciale regeling ook nog onderdelen hieruit ongeldig heeft verklaard, wederom wegens schending van het vertrouwensbeginsel.(41) Deze stap was noodzakelijk, omdat de betrokken bepalingen de oorspronkelijk gekritiseerde fouten in het nieuwe stelsel en voor het toepassingsgebied ervan uitdrukkelijk voor de toekomst handhaafden.
75. In dit geval ligt de zaak echter anders. De bestreden bepaling voert slechts met terugwerkende kracht een kwijtscheldingsregeling in voor bepaalde landbouwers. De omstandigheid, dat de overige landbouwers voor de periode vóór 1 april 1989 geen kwijtschelding van de extra heffing ontvangen, is te verklaren door het in de arresten Mulder en von Deetzen veroordeelde, vóór 1 april 1989 geldende stelsel, of preciezer, door de lacune die dit stelsel wegens het ontbreken van een quotaregeling voor SLOM-landbouwers vertoonde en niet door de genoemde kwijtscheldingsregeling zelf. Hierin is de lacune van het oude stelsel niet voor de toekomst blijven voortbestaan(42), en evenmin is hierin een kwijtschelding van de niet begunstigde landbouwers voor het verleden uitdrukkelijk uitgesloten. Om de woorden van de verwijzende rechter te gebruiken (zie de formulering van de vraag): niet de regeling "staat" op dit punt "in de weg" aan de kwijtschelding, maar het oude melkquotastelsel, dat door de regeling ongewijzigd wordt gelaten. Ik ben dus van mening, dat deze regeling niet ongeldig kan worden verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
76. b) Ook is er volgens mij geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Hooguit zou er sprake kunnen zijn van een schending op grond van discriminatie ten opzichte van de door de bepaling begunstigde landbouwers. Dienaangaande moet echter worden vastgesteld, dat beide groepen landbouwers zich in een verschillende situatie bevinden, iets waarop de Commissie terecht heeft gewezen. Voor degenen die daadwerkelijk recht op de referentiehoeveelheid hadden en van wie dus vaststond, dat zij de melkproduktie weer zouden hervatten of voortzetten, was het van belang om de nadelen die uit betalingen in het verleden of uit nog openstaande vorderingen met betrekking tot de extra heffing voortvloeiden, in het belang van het economisch herstel van hun bedrijf zo veel mogelijk te beperken. Aangezien van landbouwers die geen referentiehoeveelheid ontvangen, geen toekomstige melkproduktie kan worden verwacht, behoren betalingen en vorderingen van genoemde aard tot de totaliteit van de schade die het oude quotastelsel aan hun bedrijf, waaronder eventueel zelfs de stopzetting van dit bedrijf, heeft veroorzaakt. Het lijkt dus niet willekeurig, voor deze groep een tegemoetkoming te bieden in het kader van de schadeloosstelling die op grond van het arrest Mulder II(43) moet worden gegeven.
77. Op deze basis kan ten slotte ook worden ingegaan op het eerste gedeelte van de vraag van het College, waarmee het in algemene zin wenst te vernemen of verordening nr. 857/84 "geldig" is "voor zover zij niet voorziet in kwijtschelding c.q. terugbetaling (...)". Zoals uit mijn eerdere opmerkingen blijkt, is de door de verwijzende rechter onderkende lacune in de regeling dezelfde als die welke reeds in de arresten Mulder en von Deetzen aan de orde was. De destijds door het Hof vastgestelde ongeldigheid van verordening nr. 857/84 behoeft in het onderhavige geval geen aanvulling.
78. Op al deze gronden moet de vierde vraag, indien het Hof erop ingaat, aldus worden beantwoord, dat bij onderzoek van artikel 3 bis, lid 5, van verordening nr. 857/84 niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
C - Conclusie
79. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te antwoorden als volgt:
Op de eerste drie vragen
"1) Artikel 3 bis van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie, in de versie van verordening (EEG) nr. 1033/89, is ongeldig, voor zover hierin niet is voorzien in een machtiging aan de Lid-Staten om aan een producent de specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen ten behoeve van de produktie in een door hem geëxploiteerd bedrijf, dat niet het bedrijf is dat hij (of de landbouwer die de verbintenis uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad is nagekomen en van wie de producent zijn recht afleidt) nog exploiteerde op het tijdstip van de in artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1391/78 van de Commissie bedoelde goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie, wanneer
- het oorspronkelijk geëxploiteerde bedrijf na afloop van de verbintenis uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/71, wegens ommekomst van de pachtovereenkomst en bij gebreke van een recht van de pachter op verlenging van de overeenkomst, onder de afgesproken voorwaarden aan de verpachter moest worden teruggegeven;
- de producent (of de landbouwer van wie hij zijn recht afleidt) voor de vaststelling van verordening (EEG) nr. 764/89 de melkproduktie niet definitief heeft gestaakt; en
- het ten tijde van de indiening van de aanvraag geëxploiteerde bedrijf voldoet aan de in artikel 3 bis, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 857/84 gestelde voorwaarden.
Zou de bedoelde landbouwer, ofschoon het niet om het bedrijf gaat waarin hij de verbintenis uit hoofde van verordening (EEG) nr. 1078/77 is nagekomen, recht op toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid hebben, wanneer hij het bedrijf alleen zou exploiteren, dan staat noch de identiteit van het geëxploiteerde bedrijf, noch de omstandigheid dat de landbouwer dit bedrijf nooit alleen heeft geëxploiteerd, maar de producent zelf bij of na de met vererving vergelijkbare overgang met de exploitatie is begonnen, in de weg aan toekenning van de specifieke referentiehoeveelheid aan de producent.
Voor zover noodzakelijk op de vierde vraag:
3) Bij onderzoek van artikel 3, lid 5, van verordening (EEG) nr. 857/84 is niet gebleken van feiten of omstandigheden, die de geldigheid ervan kunnen aantasten."
(*) Oorspronkelijke taal: Duits.
(1) - Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1).
(2) - Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13).
(3) - Verordening (EEG) nr. 764/89 van de Raad van 20 maart 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1989, L 84, blz. 2).
(4) - De afkorting SLOM betekent: Staking van de Levering van melk en zuivelprodukten en Omschakeling van het Melkveebestand.
(5) - Verordening van de Commissie van 3 juni 1988 (PB 1988, L 139, blz. 12).
(6) - Namelijk bij verordening (EEG) nr. 1033/89 van de Commissie van 20 april 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1989, L 110, blz. 27).
(7) - Arrest van 9 juli 1992, zaak C-236/90, Maier, Jurispr. 1992, blz. I-4483.
(8) - Arrest van 3 december 1992, zaak C-86/90, O' Brien, Jurispr. 1992, blz. I-6251.
(9) - PB 1978, L 167, blz. 45.
(10) - Volgens de bewoordingen van de verwijzingsbeschikking trekt verzoeker de verenigbaarheid van verordening nr. 764/89 met dit beginsel in twijfel. Bedoeld is echter ongetwijfeld artikel 3 bis van verordening nr. 1546/88 om de geldigheid waarvan het in de eerste vraag gaat.
(11) - Zie voetnoot 8.
(12) - R.o. 12 van het arrest.
(13) - Zie vorige voetnoot.
(14) - R.o. 13 van het arrest.
(15) - Dit is de inmiddels gebruikelijke uitdrukking; zie zaak C-341/89, Ballman, Jurispr. 1991, blz. I-25 (rapport ter terechtzitting blz. I-29, rechter kolom; conclusie van advocaat-generaal Tesauro, blz. I-33, linker kolom).
(16) - Arrest van 19 maart 1992, zaak C-84/90, Dent, Jurispr. 1992, blz. I-2009, r.o. 17.
(17) - Verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1985, L 68, blz. 1).
(18) - Verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11).
(19) - Arrest van 13 juli 1989, zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, r.o. 13-15; arrest van 10 januari 1992, zaak C-177/90, Kuehn, Jurispr. 1992, blz. I-35, r.o. 22.
(20) - Zie punt 11 hiervóór en voetnoot 10.
(21) - Arrest van 28 april 1988, zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321.
(22) - Arrest van 28 april 1988, zaak 170/86, von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355.
(23) - Zie b.v. arrest Mulder, r.o. 24.
(24) - Staatscourant 1988, nr. 64 van 31.9.1988.
(25) - Conclusie van 4 juli 1991 in zaak C-121/90, Posthumus, Jurispr. 1991, blz. I-5844, nr. 21.
(26) - Arrest van 22 oktober 1991, zaak C-44/89, von Deetzen II, Jurispr. 1991, blz. I-5119, r.o. 21.
(27) - Zie r.o. 21 en 22 van het arrest.
(28) - Zie rechtsoverweging 22.
(29) - Zie voor de grondrechten het arrest Wachauf (voetnoot 19), r.o. 19.
(30) - Volgens inlichtingen van het College heeft de vraag betrekking op artikel 3 bis van verordening nr. 857/84.
(31) - Arrest van 21 maart 1991, zaak C-314/89, Rauh, Jurispr. 1991, blz. I-1647.
(32) - Rechtsoverweging 21.
(33) - Rechtsoverweging 23.
(34) - Rechtsoverweging 25 en dictum.
(35) - Arrest van 22 oktober 1991, reeds aangehaald in voetnoot 26.
(36) - Rechtsoverweging 40.
(37) - Rechtsoverweging 11.
(38) - Zie conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 8 april 1992 in zaak C-86/90, O' Brien, Jurispr. 1992, blz. I-6266.
(39) - Zie artikel 12, sub c.
(40) - Zie hiervóór punt 58 e.v.
(41) - Arresten van 11 december 1990, zaak C-189/89, Spagl, Jurispr. 1990, blz. I-4539 en zaak C-217/89, Pastaetter, Jurispr. 1990, blz. I-4585; arrest van 3 december 1992, zaak C-264/90, Wehrs, Jurispr. 1992, blz. I-6285.
(42) - Het feit dat geen recht bestaat op een specifieke referentiehoeveelheid voor de toekomst is juist de grond voor het feit, dat ook geen kwijtschelding voor het verleden wordt verleend.
(43) - Arrest van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061.
Full & Egal Universal Law Academy