CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 6 mei 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Bij beschikking van 25 februari 1991 heeft het Bundessozialgericht (hierna: de verwijzende rechter) het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld in verband met het recht op uitkeringen bij werkloosheid onder verordening nr. 1408/71. ( 1 )
Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen mevrouw Doris Knoch (hierna: Knoch) en het Bundesanstalt für Arbeit (hierna: het Bundesanstalt).
Achtergrond van de prejudiciële vraagstelling
2.
Knoch, ongehuwd en van Duitse nationaliteit, was van 1 oktober 1982 tot 30 juni 1983 en van 1 oktober 1983 tot 30 juni 1984 werkzaam als docente Duitse taal en letterkunde aan de universiteit te Bath in Groot-Brittannië. Deze tewerkstelling kwam tot stand via de Deutsche Akademische Austauschdienst (hierna: DAAD). In mei 1981 had zij aan de universiteit te Heidelberg het eerste staatsexamen voor gymnasiumlerares afgelegd; in juni 1982 legde ze het magistersexamen af. Tijdens haar tewerkstelling in Groot-Brittannië was Knoch sociaal verzekerd en betaalde zij bijdragen voor de Britse werkloosheidsverzekering. Terzelfder tijd betaalde de DAAD haar een compenserende toelage, welke zij ook ontving tijdens de vakanties van 1 juli tot 30 september 1983 en van 1 juli tot 30 september 1984. Bovendien betaalde de DAAD haar, in aansluiting op de compenserende toelage, tot 30 november 1984 overbruggingsgeld ten bedrage van ongeveer 1500 DM per maand.
Te Bath had Knoch een huis gehuurd, zonder zich uit Bruchsal, waar zij ten huize van haar ouders was ingeschreven, te laten uitschrijven. Tijdens de vakantie van 1983 en ook in juli 1984 verbleef zij te Bruchsal. Begin augustus 1984 begaf zij zich van Bruchsal voor drie maanden naar Engeland om er werk te zoeken, doch zonder succes. In november of december 1984 keerde zij terug naar Duitsland waar zij, na in september 1985 de praktische scholing voor gymnasiumlerares te zijn begonnen, inmiddels het tweede staatsexamen aflegde.
Na haar tewerkstelling meldde Knoch zich te Bath aan als werkloze. Van begin juli tot 21 augustus 1984 ontving zij werklozensteun voor een bedrag van 139,76 UKL. Na haar terugkeer te Bruchsal meldde zij zich op 19 december 1984 bij het arbeidsbureau te Karlsruhe aan als werkloze en diende zij een aanvraag om werkloosheidsuitkering in. Het Bundesanstalt wees dit af op grond dat de wachttijd niet was vervuld en volgens het gemeenschapsrecht de tijd in Groot-Brittannië niet in aanmerking zou kunnen worden genomen.
In een arrest van 28 januari 1987 vernietigde het Sozialgericht deze beschikking, en veroordeelde het Bundesanstalt om Knoch vanaf 19 december 1984 de werkloosheidsuitkering in haar wettelijke omvang toe te kennen. Vervolgens verwierp het Landessozialgericht, in een arrest van 16 augustus 1988, het hoger beroep van het Bundesanstalt. Het overwoog hiertoe dat de door de Duitse wetgeving vereiste wachttijd door de tewerkstelling in Groot-Brittannië was vervuld. Deze tijdvakken van tewerkstelling hadden volgens artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening nr. 1408/71 door het Bundesanstalt in aanmerking moeten worden genomen.
In „Revision” voert het Bundesanstalt aan dat de artikelen 12 en 71 van verordening nr. 1408/71 geschonden werden. Plet is van mening dat artikel 71, lid 1, sub b, de werknemer die geen grensarbeider is, een keuzemogelijkheid biedt: aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen in de staat waar hij het laatst gewerkt heeft —wat Knoch in Groot-Brittannië gedaan heeft— of in de staat waar hij woont. Uit het in artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 neergelegde verbod op cumulatie van uitkeringen zou voortvloeien dat Knoch haar recht op werkloosheidsuitkering door het ontvangen van Britse werklozensteun heeft verloren. Knoch had slechts haar aanspraak naar Brits recht overeenkomstig artikel 69 van verordening nr. 1408/71 geldend kunnen maken. Knoch beroept zich evenwel op artikel 67 van genoemde verordening (zie nr. 6). Zij voert aan dat het Bundesanstalt dient rekening te houden met de krachtens de Britse wetgeving door haar als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de Duitse wetgeving waren vervuld.
3.
Zich geplaatst ziende voor een aantal uitleggingsproblemen in verband met verordening nr. 1408/71, heeft het Bundessozialgericht het Hof de volgende vragen gesteld:
„1.
Heeft de volledig werkloze werknemer die —zonder grensarbeider te zijn — tijdens zijn laatste tewerkstelling op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woonde, ook dan krachtens artikel 71, lid 1, sub b-ii, en artikel 67 van verordening nr. 1408/71 recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont of naar het grondgebied waarvan hij terugkeert, wanneer hij tevoren van het orgaan van de bevoegde Lid-Staat verzekeringsuitkeringen bij werkloosheid heeft ontvangen?
2.
a)
Vindt in het kader van artikel 71, lid 1, sub b-ii, en artikel 67 van verordening nr. 1408/71 artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 toepassing, bepalende dat krachtens de verordening geen recht kan worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak van verplichte verzekering?
b)
Wanneer zijn uitkeringen bij werkloosheid in de zin van artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 van dezelfde aard?
c)
Moet het orgaan van een Lid-Staat volgens de wettelijke regeling waarvan het verkrijgen van een recht op uitkering bij werkloosheid en de duur daarvan afhankelijk is van de vervulling van tijdvakken van verzekering, in het geval van artikel 71, lid 1, sub b-ii, en artikel 67 van verordening nr. 1408/71 overeenkomstig artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71
bij het verkrijgen en de duur van het recht geen rekening houden met de krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering, voor zover deze reeds tot een uitkering van dezelfde aard van de andere Lid-Staat hebben geleid,
of
moet artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 op het gebied van de uitkeringen bij werkloosheid aldus worden verwezenlijkt, dat als grondslag voor het later ontstane recht de tijdvakken van verzekering weliswaar ongeacht het eerste recht in aanmerking moeten worden genomen, maar van de verworven duur van het latere recht de dagen worden afgetrokken, waarvoor het eerst ontstane recht is ontvangen?
3.
a)
Is de verklaring die het bij werkloosheid bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan een migrerende werknemer het laatst onderworpen was, overeenkomstig artikel 84, lid 2, van verordening nr. 574/72 afgeeft, voor het orgaan van een andere Lid-Staat en de gerechten van deze staat verbindend, voor zover in de verklaring is vermeld dat de migrerende werknemer geen recht heeft op uitkering krachtens artikel 69 van verordening nr. 1408/71?
b)
Wanneer kan in de zin van artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, van verordening nr. 1408/71 de werkloze op grond van artikel 69 van verordening nr. 1408/71 aanspraak maken op uitkering krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was, met het gevolg dat de uitkering volgens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan hij woont, tijdelijk wordt geschorst?
c)
Betekent de in artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, van verordening nr. 1408/71 bedoelde schorsing van de uitkering volgens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan de werkloze woont of naar het grondgebied waarvan hij terugkeert gedurende het tijdvak waarin de werkloze op grond van artikel 69 van verordening nr. 1408/71 aanspraak kan maken op uitkering krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was, enkel, dat de werkloze gedurende die tijd niet de uitkering van het orgaan van de woonplaats ontvangt, doch daarna deze uitkering voor de volle duur kan ontvangen, of heeft de schorsing van de uitkering ook tot gevolg, dat de duur van het recht op uitkering met de dagen van de schorsing wordt verkort?”
4.
Gezien het technische karakter van de vraagstelling, lijkt het mij wenselijk eerst het stelsel in herinnering te brengen dat verordening nr. 1408/71 inzake werkloosheidsuitkeringen in het leven roept. Daarna behandel ik de prejudiciële vragen en hun onderdelen in de door de verwijzende rechter opgegeven volgorde. Hieraan voorafgaand ga ik nader in op het begrip „woonplaats” in de zin van artikel 71 van voornoemde verordening, daar de Franse regering betwist dat Knoch tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk nog in Duitsland woonachtig was.
Het door verordening nr. 1408/71 ingevoerde stelsel inzake werkloosheidsuitkeringen
5.
Zoals bekend, werd verordening nr. 1408/71 door de Raad genomen ter uitvoering van artikel 51 EEG-Verdrag. Zij beoogt een nadere coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid met het oog op de verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers, door binnen de Gemeenschap te waarborgen dat enerzijds alle onderdanen van de Lid-Staten gelijke behandeling gemeten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen, en dat anderzijds de werknemers en hun rechtsopvolgers prestaties inzake sociale zekerheid genieten ongeacht de plaats waar zij werken of wonen. ( 2 ) Te dien einde roept verordening nr. 1408/71 een stelsel in het leven waarbij in de eerste plaats alle tijdvakken worden samengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen voor de verkrijging en het behoud van het recht op prestaties en de vaststelling daarvan, vervolgens prestaties worden verleend aan de verschillende onder de verordening vallende categorieën personen, ongeacht waar zij binnen de Gemeenschap wonen, en ten slotte voorkomen wordt dat tengevolge van het werknemersverkeer en de verschillen tussen de nationale wetgevingen zich ongerechtvaardigde cumulaties, resulterend in een ongelijke behandeling, zouden voordoen.
Deze laatste doelstelling wordt nagestreefd door twee algemene bepalingen, namelijk het in artikel 3, lidi, neergelegde beginsel van gelijke behandeling:
„Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
en het algemene cumulatieverbod van artikel 12, waarvan lid 1, eerste zin, luidt:
„Krachtens deze verordening kan geen recht worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak van verplichte verzekering.”
6.
Op het vlak van werkloosheidsuitkeringen legt artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 de Lid-Staten die — zoals in Duitsland krachtens § 104, lid 1, van de Arbeitsförderungsgesetz het geval is— het verkrijgen, behoud of herstel van het recht op uitkering afhankelijk stellen van de vervulling van tijdvakken van verzekering, volgende verplichting op:
„Het bevoegde orgaan (...) houdt, voor zover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere Lid-Staat, als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijdvakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.”
In algemene regel echter geldt deze verplichting enkel, luidens artikel 67, lid 3, voor de staat onder wiens wetgeving
„de betrokkene laatstelijk (...) tijdvakken van verzekering (...) heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd”.
Artikel 71, lid 1, sub b, maakt onder bepaalde voorwaarden een afwijking op deze regel mogelijk:
„ i)
een werknemer die geen grensarbeider is en gedeeltelijk of door onvoorziene omstandigheden of volledig werkloos is, doch ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de bevoegde staat, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van die staat, alsof hij op het grondgebied van die staat woonde; deze uitkering wordt door het bevoegde orgaan verleend;
ii)
een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Lid-Staat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, heeft recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend. Indien deze werknemer evenwel in het genot van uitkering werd gesteld voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, heeft hij recht op uitkering overeenkomstig artikel 69. De uitkering volgens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan hij woont, wordt geschorst gedurende het tijdvak waarin de werkloze op grond van artikel 69 aanspraak kan maken op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was.”
Zoals het Hof reeds in het arrest Miethe verduidelijkte, verleent deze bepaling de volledig werkloze werknemer (niet-grensarbeider) een keuzerecht met betrekking tot de toepasselijke wetgeving inzake uitkeringen. Hij kan
„kiezen tussen een uitkering van de staat waar hij werkzaam is geweest en een uitkering van de staat waar hij woont. Dit keuzerecht oefent hij uit door zich ter beschikking te stellen van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de staat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest (artikel 71, lid 1, sub b-i), of van de diensten van arbeidsbemiddeling van de staat waar hij woont (artikel 71, lid 1, sub b-ii).” ( 3 )
Het doel van deze bepaling werd door het Hof — onder verwijzing naar de negende considerans van verordening nr. 1408/71 — reeds meermaals toegelicht, namelijk ervoor zorgen dat de migrerende werknemer onder de voor het zoeken naar werk gunstigste voorwaarden aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkeringen. ( 4 )
Zoals de Commissie in onderhavige zaak terecht opmerkt —en door het Hof reeds uitdrukkelijk bevestigd werd ( 5 ) —, gaat het hier niet enkel om een uitzondering op artikel 67, doch ook op het door artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 geponeerde beginsel dat de werknemer onderworpen is aan de wetgeving van de staat op wiens grondgebied hij werkzaamheden in loondienst uitoefent. Het uitzonderingskarakter van artikel 71, lid 1, sub b, heeft het Hof ertoe gebracht het begrip „Lid-Staat waar hij woont” aan bepaalde beperkingen te onderwerpen (zie verder, nr. 7).
„Woonplaats” in de zin van artikel 71 van verordening nr. 1408/71
7.
De Franse regering betwist de stelling van de verwijzende rechter dat Knoch voldoet aan de door artikel 71, lid 1, sub b-ii, gestelde voorwaarden, met name voor zover hij van oordeel is dat Knoch tijdens haar verblijf in Groot-Brittannië haar woonplaats in Duitsland had behouden. Zij baseert zich daartoe op het arrest Reibold, waarin het Hof, zijn uitspraak in Di Paolo ( 6 ) samenvattend, ter bepaling van het begrip „woonplaats” in de zin van artikel 71, lid 1, sub b-ii, als criteria opgeeft:
„dat onder de uitdrukking‚de Lid-Staat waar hij woont’ slechts is te verstaan de Lid-Staat waar de werknemer, ofschoon werkzaam in een andere Lid-Staat, zijn gewone woonplaats behoudt en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt (...) dat zodra een werknemer in een Lid-Staat een vaste werkkring heeft, hij moet worden vermoed daar woonplaats te hebben, (...) dat niet slechts naar de gezinssituatie van de werknemer moet worden gezien, maar ook naar de redenen van zijn verblijf buitenslands en de aard van de verrichte werkzaamheden (...)”. ( 7 )
Hieruit leidt het Hof af dat
„voor de toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening 1408/71, moet worden gezien naar de duur en de bestendigheid van betrokkenes woonplaats vóór zijn vertrek, de duur en liet doel van zijn afwezigheid, de aard van de in de andere Lid-Staat verrichte werkzaamheden, alsmede de intentie van betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt”. ( 8 )
De Franse regering vestigt de aandacht op elementen waaruit volgens haar in casu moet worden afgeleid dat Knoch haar gewone woonplaats niet (meer) in Duitsland had: op twee jaar tijd verbleef zij slechts gedurende vier maanden in Duitsland; en het centrum van haar belangen zou niet uitsluitend in Duitsland gelegen zijn, daar zij in Groot-Brittannië tewerkstelling heeft gezocht (maar niet gevonden) als titularis van een diploma dat haar toeliet in de lycea te onderwijzen alsmede van een „Magister”. Bovendien, zo gaat de Franse regering verder, kan met betrekking tot Knochs situatie onder het gemeenschapsrecht geen enkel argument aangaande een eventueel „juridisch vacuüm” worden gemaakt: haar werksituatie was volkomen gedekt door artikel 3 van verordening nr. 1408/71, dat, zoals het Hof in Allué en Coonan besliste, ten aanzien van nationale socialezekerheidsregelingen een specifieke uitdrukking is van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. ( 9 ) Vervolgens kan de Franse regering zich moeilijk voorstellen welk het statuut is onder het recht aangaande het vrije verkeer, van een ingezetene van een Lid-Staat die gedurende negen maanden per jaar in een andere Lid-Staat tewerkgesteld is en van het socialezekerheidsstelsel van deze staat geniet, terwijl hij evenwel zou verklaren dat hij er niet zijn woonplaats heeft. Wordt de stelling van de verwijzende rechter gevolgd, dan kan men zich afvragen of men hier niet voor een louter interne situatie naar Duits recht staat. Verder zou onderhavige zaak onderscheiden moeten worden van de situatie in het arrest Reibold, daar Knoch werk gezocht had in Groot-Brittannië en vervolgens werkloosheidsuitkeringen onder de Britse wetgeving heeft genoten. Ten slotte zou de brede interpretatie van het begrip „woonplaats” door de verwijzende rechter onverenigbaar zijn met het inzake fiscaliteit geldende gemeenschapsrecht, met name artikel 7 van richtlijn 83/182/EEG ( 10 ), en bijgevolg ingaan tegen de coherentie van het gemeenschapsrecht. De Franse regering besluit dan ook dat Knoch haar gewone verblijfplaats in Groot-Brittannië, en niet in Duitsland, had.
8.
Deze argumenten kunnen mij niet overtuigen. Toegepast op onderhavige zaak, wijzen de meeste door het Hof in Di Paolo en Reibold ontwikkelde criteria er integendeel op dat de verwijzende rechter terecht kon oordelen dat Knoch tijdens haar tewerkstelling in het Verenigd Koninkrijk haar gewone woonplaats in Duitsland behouden had. Doorslaggevend acht ik dat het Hof in deze rechtspraak enkel dan een vermoeden aanneemt van woonplaats in de Lid-Staat van tewerkstelling, wanneer de werknemer in kwestie aldaar een vaste werkkring („un emploi stable”) heeft. Dat was hier duidelijk niet het geval, daar Knoch gedurende twee academiejaren als docente in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was in het kader van een academische uitwisseling, tot stand gebracht door de DAAD. Na afloop van deze periode (juni 1984) had zij geen enkele betrekking meer in Groot-Brittannië en bleken haar pogingen om er werk te zoeken vruchteloos. In die omstandigheden kan men onmogelijk besluiten tot het bestaan van een vaste werkkring.
Aan het argument van de duur van Knochs afwezigheid in Duitsland kan evenmin een doorslaggevend belang worden gehecht. Zoals het Hof in Reibold stelde, is dit criterium nergens precies omschreven noch exclusief, en zou een te strenge maximumnorm voor afwezigheid (b. v. vier maanden, in navolging van de definitie van „grensarbeider” in artikel 1, sub b, van verordening nr. 1408/71) artikel 71 van de verordening voor een stuk van zijn nuttig effect beroven:
„Een werknemer die geen grensarbeider is, kan namelijk gedurende meer dan vier maanden op het grondgebied van een andere Lid-Staat werkzaam zijn en toch zijn gewone centrum van belangen in zijn staat van herkomst behouden. Zou een dergelijke werknemer evenwel van de toepassing van de bepaling worden uitgesloten, dan zouden hem —in strijd met het doel van de bepaling— niet meer de beste kansen voor een herintegratie worden geboden. Het criterium van de duur van de afwezigheid moet dus met inachtneming van de feitelijke omstandigheden van elk individueel geval worden toegepast.” ( 11 )
Overigens verduidelijkte het Hof in Di Paolo met betrekking tot de in artikel 71, lid 1, sub b-ii, toegevoegde woorden „of die naar dit grondgebied terugkeert” dat dit
„eenvoudig betekent dat het hierboven omschreven begrip woonplaats niet noodzakelijk uitsluit dat de betrokkene een tijdelijke verblijfplaats in een andere Lid-Staat heeft”. ( 12 ) Vervolgens kan uit de redenen van het buitenlands verblijf en de aard van de daar verrichte werkzaamheden niet worden afgeleid dat Knoch niet meer in Duitsland woonde: men kan bezwaarlijk aannemen dat een tijdelijke lesopdracht in het buitenland op grond van een academisch uitwisselingsprogramma op zichzelf tot een verandering van woonplaats leidt.
Wat ten slotte de verhouding tussen de situatie van Knoch en deze van Reibold in het gelijknamige arrest betreft, ben ik, anders dan de Franse regering, van mening dat beide zaken belangrijke gelijkenissen met elkaar vertonen. Evenals Knoch was Reibold, door bemiddeling van de DAAD, gedurende twee opeenvolgende academiejaren als docente in Groot-Brittannië tewerkgesteld (samengeteld 21 maanden, d. w. z. evenveel als Knoch); ook Reibold keerde tijdens de universitaire vakantieperiodes naar Duitsland terug, waar zij de door haar gehuurde woning had behouden. Dat Knoch in het Verenigd Koninkrijk aanspraak heeft gemaakt op werkloosheidsuitkeringen, acht ik
— tenminste voor zover het gaat om de beoordeling van het woonplaatsvereiste — niet doorslaggevend. Evenmin vind ik doorslaggevend dat zij er, tevergeefs, werk heeft gezocht: dit duidt er slechts op dat zij eventueel, indien zij in het Verenigd Koninkrijk vast werk had gevonden, haar woonplaats daarheen zou hebben overgebracht.
Nog één opmerking over het argument met betrekking tot de coherentie van het gemeenschapsrecht. Aan het begrip „gewone woonplaats” dat het Hof in de hiervoor aangehaalde rechtspraak hanteert, komt een communautaire draagwijdte toe. Ik acht het in dit verband inderdaad wenselijk dat aan dit begrip een zo eenduidig mogelijke betekenis wordt gegeven in de verschillende door liet gemeenschapsrecht bestreken domeinen. Hierbij moet evenwel rekening worden gehouden met het doel en stelsel van de betrokken gemeenschapsregeling (b. v. fiscaal — of, zoals in onderhavig geval, sociaalrechtelijk), wat trouwens —zoals in artikel 7 van richtlijn 83/182 ( 13 ) — in regel tot een specifieke omschrijving van het begrip „gewone verblijfplaats” leidt.
De eerste prejudiciële vraag
9.
Met zijn eerste vraag wil de verwijzende rechter te weten komen of een volledig werkloze werknemer als Knoch onder verordening nr. 1408/71 in de Lid-Staat waar hij woont of naar het grondgebied waarvan hij terugkeert, nog recht heeft op werkloosheidsuitkering, wanneer hij tevoren van het orgaan van de bevoegde Lid-Staat — in casu Groot-Brittannië — werkloosheidsuitkeringen heeft ontvangen. Volgens de verwijzende rechter, de Duitse regering en de Commissie luidt het antwoord op deze vraag bevestigend.
De Duitse regering sluit zich aan bij de redenering van de verwijzende rechter. Deze is van mening dat, zelfs indien een volledig werkloze werknemer eerst werkloosheidsuitkeringen heeft ontvangen in de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, zulks niet inhoudt dat na afloop van deze uitkering (b. v. na het verstrijken van de duur van het recht op uitkering onder het toepasselijke nationale recht of na afloop van de in artikel 69, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71 genoemde termijn van drie maanden) hij geen recht meer heeft op uitkering tegenover het orgaan van de staat van woonplaats. Daar het rechtsgevolg van artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste zin, in wezen de toepassing van artikel 67 van dezelfde verordening is, betreffen de tweede en derde zin volgens de verwijzende rechter juist het geval van de werkloze die op grond van de artikelen 71 en 67 tegenover het orgaan van de staat van woonplaats een recht verwerft, ofschoon hij het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, eveneens heeft aangesproken.
De Commissie is van oordeel dat verordening nr. 1408/71 nergens laat uitschijnen dat, wanneer eenmaal de betrokken werkloze een keuze heeft gemaakt, deze keuze voor hem dwingend wordt, dat wil zeggen dat hij, na om uitkering te hebben verzocht onder de wetgeving van de staat waar hij het laatst tewerkgesteld was, niet meer in aanmerking zou komen voor werkloosheidsuitkeringen onder het stelsel van de Lid-Staat waar hij woont. Uit de gunstbehandeling die de verordening voor dergelijke werklozen in het leven roept, meent de Commissie integendeel te mogen afleiden dat het voor een werkloze perfect mogelijk is om eerst het voordeel van de uitkeringen in de staat van tewerkstelling aan te vragen, om vervolgens — indien deze oplossing voor hem gunstiger blijkt — gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 71 hem biedt tot het genot van werkloosheidsuitkering in de staat waar hij woont. Dit vloeit, aldus de Commissie, voort uit artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin. Dat krachtens deze bepaling de uitkering geschorst kan worden, impliceert volgens de Commissie dat het voor de werkloze mogelijk is eerst beroep te doen op de uitkeringen van de staat van zijn laatste tewerkstelling en vervolgens op deze van de Staat waar hij woont.
De Franse regering daarentegen is van mening dat artikel 67 van verordening nr. 1408/71 dergelijke mogelijkheid van successieve prestaties niet toestaat. Zij doet hiertoe beroep op de door artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 geponeerde regel van de uniciteit van de toepasselijke wetgeving, dewelke artikel 67 zou beogen te versterken, en op de in artikel 12 van de verordening vervatte, algemene noncumulatieregel (zie hiervoor, nr. 5). Voor alle duidelijkheid geef ik artikel 13, lid 1 weer:
„Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.”
10.
Met de verwijzende rechter, de Duitse regering en de Commissie ben ik van oordeel dat onder artikel 71, lid 1, sub b-ii, opeenvolgende uitkeringen, eerst in de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan betrokkene het laatst onderworpen was (in casu het Verenigd Koninkrijk) en vervolgens in de Lid-Staat waar betrokkene woont, perfect mogelijk zijn. Zoals hiervoor werd opgemerkt (nr. 6), gaat het om een gunstregeling die een migrerende werknemer in staat moet stellen onder de voor het zoeken naar werk gunstigste voorwaarden aanspraak te maken op werkloosheidsuitkeringen. Dit doel zou niet bereikt worden indien de door betrokkene aanvankelijk gemaakte keuze voor uitkering in de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, hem zou beroven van het recht op uitkering onder het stelsel van de Lid-Staat waar hij woont. De door artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, opgelegde schorsing van het recht op uitkering in laatstgenoemde staat gedurende het tijdvak waarin aanspraak kan worden gemaakt op uitkering onder de wetgeving van eerstgenoemde staat, zou trouwens anders geen bestaansreden hebben.
Dat het argument van de Franse regering niet opgaat, blijkt eveneens duidelijk uit wat hiervoor (nr. 6) reeds werd gezegd, namelijk dat het hier een —weliswaar strikt toe te passen— uitzondering op de „uniciteitsre-gel” van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 betreft.
De tweede prejudiciële vraag
11.
De tweede vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de toepassing van artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 in het kader van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van dezelfde verordening. Achtereenvolgens ga ik na of eerstgenoemde bepaling hier toepassselijk is, wanneer werkloosheidsuitkeringen „van dezelfde aard” zijn, en hoe dit voorschrift in de gegeven omstandigheden moet worden toegepast.
12.
Wat de toepasselijkheid van artikel 12 in het kader van artikel 71, lid 1, sub b-ii, en artikel 67 betreft: dit kan moeilijk worden betwijfeld. Zoals opgemerkt hiervoor (nr. 5), beoogt artikel 12 in het kader van verordening nr. 1408/71 te voorkomen dat zich ongerechtvaardigde cumulaties van socialezekerheidsuitkeringen voordoen. Het door deze bepaling bekrachtigde cumulatieverbod heeft een algemene roeping, zodat het ook op werkloosheidsuitkeringen toepasselijk is. Enkel de uitkeringen die in artikel 12, lid 1, tweede zin, uitdrukkelijk worden vernoemd ((invaliditeit, ouderdom, overlijden (pensioenen) en beroepsziekten)), vallen niet onder deze verbodsbepaling.
13.
Minder vanzelfsprekend lijkt de kwestie of de Duitse werkloosheidsuitkering en de uitkering die Knoch in Groot-Brittannië heeft ontvangen, moeten worden beschouwd als „uitkeringen van dezelfde aard” in de zin van artikel 12. De verwijzende rechter brengt dienaangaande terecht het arrest Valentini in herinnering, waarin het Hof oordeelde:
„Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten uitkeringen van sociale zekerheid, los van de kenmerken die aan de onderscheiden nationale wettelijke regelingen eigen zijn, als gelijksoortig worden aangemerkt, wanneer het voorwerp en de doelstelling alsook de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden ervan identiek zijn. Daartegenover zijn zuiver formele kenmerken niet te beschouwen als constitutieve elementen voor de Massificatie van de uitkeringen.” ( 14 )
Omtrent de criteria van voorwerp en doelstelling bestaat in casu geen probleem: die zijn wel degelijk dezelfde. De onzekerheid van de verwijzende rechter vloeit voort uit het vereiste van identiteit van de berekeningsgrondslagen en toekenningsvoorwaarden. Ter zake gelden inderdaad verschillen tussen het Duitse en het Britse stelsel, met name wat betreft de duur van de wachttijd en de duur en hoogte van de uitkering.
Het Duitse recht stelt onder meer als voorwaarde voor het recht op werkloosheidsuitkering dat de werkloze ter beschikking van de diensten voor arbeidsbemiddeling staat en een wachttijd heeft vervuld. ( 15 ) Voor de wachttijd wordt rekening gehouden met de duur van de bijdrageplichtige tewerkstelling in de driejarige periode vóór de werkloosheid, waarvan ook de duur van het recht op werkloosheidsuitkering afhankelijk is. ( 16 ) Het Britse recht vereist weliswaar ook tijdvakken van verplichte verzekering, doch houdt meer rekening met het bedrag van de bijdragen, zodat werknemers met een hoger inkomen sneller recht op werklozensteun hebben. In tegenstelling tot Duitsland, waar de duur van de uitkering afhankelijk is van de duur van de bijdrageplichtige tewerkstelling in de aan de werkloosheid voorafgaande jaren, wordt werklozensteun in het Verenigd Koninkrijk in het algemeen voor een vaste periode van praktisch een jaar (312 dagen) toegekend. Ten slotte zijn er ook verschillen in hoogte van de uitkering. Waar in het Verenigd Koninkrijk de uitkering gelijk is aan vaste basisbedragen die verschillen naar gelang de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt, bedraagt de Duitse werkloosheidsuitkering 63 % van het geschematiseerde vorige nettoloon respectievelijk van het beschikbare nettotariefloon. ( 17 )
14.
Vraag is of uit deze verschillen moet worden afgeleid dat het niet meer om uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 gaat. Het antwoord hierop luidt mijns inziens ontkennend. Gelet op de talrijke verschillen tussen de nationale socialezekerheidsstelsels op dit punt, zou een vereiste van volledige gelijkheid met betrekking tot berekeningsgrondslagen en toekenningsvoorwaarden ertoe leiden dat het in artikel 12 vervatte cumulatieverbod in de sfeer van werkloosheidsuitkeringen bijna nooit toepassing zou vinden. Een cumulatie van uitkeringen zou hierdoor onbeperkt mogelijk worden zodra de wetgeving van de betrokken Lid-Staten enig verschil inzake berekeningsgrondslagen en toekenningsvoorwaarden vertoont. Zulks gaat duidelijk in tegen één van de wezenlijke doelstellingen van verordening nr. 1408/71, namelijk het voorkomen van ongerechtvaardigde cumulaties en een daaruit resulterende ongelijke behandeling van de rechtsonderhorigen tengevolge van verschillen tussen de nationale wetgevingen (zie hiervoor, nr. 5).
Ook in onderhavige zaak raken de verschillen tussen beide wetgevingen aan de berekeningsgrondslag en de toekenningsvoorwaarden van een werkloosheidsuitkering. Dat hierdoor beide modaliteiten niet langer identiek zijn is echter, zo blijkt uit Valentini, voor de toepassing van artikel 12 geen beletsel voor zover de betrokken verschilpunten verbonden zijn met kenmerken die aan de onderscheiden nationale wettelijke regelingen eigen zijn respectievelijk van louter formele aard zijn. Het komt mij voor dat deze eerste omstandigheid zich in onderhavig geval voordoet: zojuist werd immers vastgesteld dat de eigenheid van het Duitse versus het Britse wettelijke stelsel inzake werkloosheidsuitkering vooral blijkt te bestaan in de rol van de wachttijd en de daaraan gekoppelde bepaling van de duurtijd van de uitkering. Overigens ben ik van oordeel dat men zich bij het onderzoek naar de eigenheden van de betrokken nationale regelingen niet mag beperken tot een vergelijking tussen beide uitkeringsstelsels op zichzelf: deze moeten integendeel bekeken worden in het kader van het globale stelsel van sociale voorzieningen dat in een bepaalde Lid-Staat van kracht is. Zo is het bijvoorbeeld bekend dat de klassieke bijdragestelsels („contributory schemes”), waaronder werkloosheidsuitkering, in het Verenigd Koninkrijk steeds meer worden aangevuld door socialebijstandsregelingen waarbij wordt uitgaan van een berekening der financiële middelen der betrokkene (zgn. „means-tested schemes”). Een dergelijke analyse zou onder meer de verschillen in hoogte kunnen verklaren tussen de Duitse en Britse werkloosheidsuitkering.
Concluderend acht ik dan ook dat uitkeringen bij werkloosheid in de zin van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitkeringen van dezelfde aard zijn wanneer zij erop gericht zijn, ter voorziening in het onderhoud van een persoon, het als gevolg van werkloosheid weggevallen arbeidsloon te vervangen, en de tussen deze uitkeringen bestaande verschillen, waaronder deze inzake berekeningsgrondslag en toekenningsvoorwaarden, louter voortvloeien uit structurele verschillen tussen de betrokken nationale stelsels dan wel van louter formele aard zijn.
15.
Rest de vraag wat bij toepassing van artikel 12 in het kader van artikel 71, lid 1, sub b-ii, en van artikel 67 specifiek gedaan moet worden door het orgaan van een Lid-Staat die, zoals Duitsland, de verkrijging van een recht op werkloosheidsuitkering en de duur daarvan afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering. De verwijzende rechter reikt dienaangaande twee werkwijzen aan (zie nr. 3). In een eerste benadering wordt artikel 12 naar de letter toegepast: op de tijdvakken van verzekering die reeds als grondslag voor het eerste recht hebben gediend, mag geen tweede maal een beroep worden gedaan, wat in casu betekent dat de tijdvakken van verzekering die onder de Britse wetgeving als grondslag voor het recht op werklozensteun hebben gediend, niet tevens als wachttijd voor een recht op werkloosheidsuitkering in Duitsland kunnen gelden. Hiertegenover staat als alternatief dat men de tijdvakken van verzekering ongeacht het eerste recht in aanmerking neemt, doch de duur van het in Duitsland ontstane recht vermindert met de dagen waarvoor het eerst ontstane recht is ontvangen. Ik ga akkoord met het standpunt van de verwijzende rechter, de Duitse regering en de Commissie, dat deze laatste werkwijze het meest aangewezen is. Zij is voordeliger voor de werkloze in kwestie in de zin dat hij niet of in mindere mate voor een wachttijd wordt geplaatst in de Lid-Staat van woonplaats, wat hem, conform de doelstelling van artikel 71, lid 1, sub b, beter in staat stelt bij zijn terugkeer naaiwerk te zoeken. Bovendien is deze methode, zoals de verwijzende rechter opmerkt, praktischer voor het orgaan van het land van woonplaats, dat aldus niet telkenmale behoeft na te gaan op grond van welke tijdvakken van verzekering het buitenlandse recht is verkregen of gehandhaafd.
De derde prejudiciële vraag
16.
Het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag heeft betrekking op de uitlegging van artikel 84, lid 2 van verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: de toepassingsverordening). ( 18 ) Dit voorschrift bepaalt met het oog op de toepassing van artikel 71 van verordening nr. 1408/71:
„Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 71, lid 1, sub b-ii, van de verordening is de werkloze werknemer verplicht om, behalve de in artikel 80 van de toepassingsverordening bedoelde verklaring, aan het orgaan van zijn woonplaats een verklaring over te leggen van het orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij laatstelijk onderworpen is geweest, waaruit blijkt dat hij geen recht heeft op uitkering krachtens artikel 69 van de verordening.”
Het bevoegde Britse orgaan heeft aan Knoch een verklaring afgegeven volgens welke aan de voorwaarden van artikel 69 van verordening nr. 1408/71 niet is voldaan. Daar de verwijzende rechter twijfelt aan de juistheid van de inhoud van deze verklaring, wenst hij te vernemen of het orgaan van een andere Lid-Staat en de gerechten van deze staat erdoor gebonden zijn.
17.
Het antwoord hierop mag kort zijn. De in artikel 84, lid 2, van de toepassingsverordening voorziene verklaring heeft enkel tot doel een hulpmiddel te zijn voor het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waar betrokkene zijn woonplaats heeft respectievelijk de rechtbanken daarvan, om hen op een eenvoudiger wijze in staat te stellen het tegenover het bevoegde orgaan van de Lid-Staat van tewerkstelling geldend gemaakte recht juist te beoordelen. Het betreft een typeformulier dat werd opgesteld door de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, bedoeld in artikelen 80 en 81 van verordening nr. 1408/71. Zoals het Hof in het arrest Romano bevestigde, komt aan deze Commissie geen normatieve bevoegdheid toe, en kan zij de nationale organen niet verplichten bij de toepassing van de communautaire voorschriften een bepaalde methode of uitlegging te volgen. ( 19 ) Evenmin, zo blijkt met zoveel woorden uit het arrest Knoeller, hebben de door deze Commissie opgestelde formulieren een exclusieve bewijskracht. ( 20 ) Het bevoegde orgaan van de Lid-Staat waar de betrokkene woont of, in het kader van een gerechtelijke procedure, de nationale rechter blijft bijgevolg volledig vrij deze verklaring op haar juistheid te onderzoeken zo het of hij redelijke gronden heeft om aan de juistheid ervan te twijfelen.
18.
Het tweede en derde onderdeel van de derde prejudiciële vraag betreffen de werking van artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, van verordening nr. 1408/71, naar luid waarvan de uitkering volgens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan de werknemer woont, geschorst wordt gedurende het tijdvak waarin hij op grond van artikel 69 aanspraak kan maken op uitkering krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was.
De verwijzende rechter is vooreerst onzeker of de schorsing zich slechts voordoet wanneer aan alle voorwaarden van artikel 69 is voldaan dan wel of het volstaat dat de werknemer aan deze voorwaarden had kunnen voldoen, maar dit niet heeft gedaan. Als voorbeeld wordt genoemd het geval waarin Knoch, ofschoon zij verder in het Verenigd Koninkrijk naar werk zocht, aldaar haar recht op steun zou hebben verloren omdat zij een aanmeldingsplicht verzuimd had. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af welke de rechtsgevolgen zijn van de onder artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, gelaste schorsing van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de werkloze woont.
19.
Met betrekking tot het eerste punt van de vraag luidt het antwoord dat de uitkering geschorst moet worden in de mate dat daadwerkelijk aan de voorwaarden gesteld door artikel 69 werd voldaan en betrokkene op grond daarvan in aanmerking kwam voor uitkeringen krachtens de wettelijke regeling waaraan hij het laatst onderworpen was. Het zou tegen de door verordening nr. 1408/71 voor de migrerende werknemer nagestreefde bescherming ingaan, zijn recht op een uitkering onder de wettelijke regeling van zijn woonplaats te doen afhangen van een stipte naleving van de in artikel 69 gestelde voorwaarden voor handhaving van het recht op uitkering in de Lid-Staat van tewerkstelling. In Bonaffini oordeelde het Hof in dit verband
„dat artikel 69 slechts beoogt voor de migrerende werknemer — ook al begeeft hij zich naar een andere Lid-Staat — het beperkte en voorwaardelijke behoud van de werkloosheidsuitkeringen in de bevoegde staat te waarborgen, en dat bijgevolg die andere Lid-Staat zich niet op de enkele veronachtzaming van de in dit artikel gestelde voorwaarden kan beroepen om de werknemer de uitkeringen waarop hij aanspraak kan maken krachtens de nationale wettelijke regeling van deze staat, te ontzeggen”. ( 21 )
20.
Wat de rechtsgevolgen betreft van de door het bevoegde orgaan van de Lid-Staat van de woonplaats van betrokkene gelaste schorsing van de werkloosheidsuitkering, vraagt de verwijzende rechter zich af of dergelijke schorsing enkel betekent dat de werkloze voor die periode de uitkeringen van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont niet ontvangt doch daarna voor de volle duur aanspraak kan maken op de uitkering van genoemd orgaan, of dat de duur van het recht op werkloosheidsuitkering daarnaast verminderd wordt met de dagen van de schorsing.
Hetzelfde antwoord, gebaseerd op dezelfde redenen, dringt zich hier op als terzake van de toepassing van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 (hiervoor, nr. 15). Het komt erop aan de uitkering onder de regeling van de Lid-Staat van woonplaats te verminderen met de uitkering die effectief genoten werd in de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan betrokkene het laatst was onderworpen. De periode waarin een werkloze onder de regeling van laatstgenoemde Lid-Staat daadwerkelijk werklozensteun heeft ontvangen en, bijgevolg, gedurende dewelke de uitkering onder de wettelijke regeling van de staat waar hij woont geschorst werd, moet in mindering worden gebracht van de duurtijd van het recht op werkloosheidsuitkering onder laatstgenoemde wettelijke regeling.
Besluit
21.
Ik stel het Hof voor de door de verwijzende rechter gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„1)
Aan het door artikel 71, lid 1, sub b-ii, van verordening (EEG) nr. 1408/71 voorgeschreven recht op uitkering van een volledig werkloze werknemer volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont of naar het grondgebied waarvan hij terugkeert, staat niet in de weg dat deze werknemer die — zonder grensarbeider te zijn — tijdens zijn laatste tewerkstelling op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat verbleef, tevoren van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was, verzekeringsuitkeringen bij werkloosheid heeft ontvangen.
2)
Het door artikel 12, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 opgelegde verbod op de cumulatie van uitkeringen vindt toepassing in het kader van artikel 71, lid 1, sub b-ii, en artikel 67 van verordening (EEG) nr. 1408/71.
3)
Uitkeringen bij werkloosheid zijn uitkeringen van dezelfde aard in de zin van artikel 12, lid 1, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71, wanneer zij erop gericht zijn, ter voorziening in het onderhoud van een persoon, het als gevolg van werkloosheid weggevallen arbeidsloon te vervangen, en de tussen deze uitkeringen bestaande verschillen, waaronder deze inzake berekeningsgrondslag en toekenningsvoorwaarden, louter voortvloeien uit structurele verschillen tussen de betrokken nationale stelsels dan wel van louter formele aard zijn.
4)
Het orgaan van een Lid-Staat volgens de wettelijke regeling waarvan het verkrijgen van een recht op uitkering bij werkloosheid en de duur daarvan afhankelijk is van de vervulling van tijdvakken van verzekering, moet in het geval van artikel 71, lid 1, sub b-ii, en artikel 67 van verordening (EEG) nr. 1408/71, overeenkomstig artikel 12, lid 1, eerste zin, van voornoemde verordening, bij de berekening van het recht op werkloosheidsuitkering de tijdvakken van verzekering in aanmerking nemen die vervuld werden krachtens de wettelijke regeling waaraan de werkloze het laatst onderworpen was. Hierbij moet het evenwel van de verworven duur van het recht op werkloosheidsuitkering de dagen aftrekken gedurende welke werkloosheidsuitkering werd ontvangen onder genoemde wettelijke regeling.
5)
De overeenkomstig artikel 84, lid 2, van verordening (EEG) nr. 574/72 afgegeven verklaring heeft geen exclusieve bewijskracht ten aanzien van het bij werkloosheid bevoegde orgaan van een andere Lid-Staat en de gerechten van deze staat.
6)
De uitkering volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de werkloze woont of naar het grondgebied waarvan hij terugkeert, dient onder artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 geschorst te worden in de mate dat daadwerkelijk aan de voorwaarden gesteld door artikel 69 van voornoemde verordening werd voldaan en betrokkene op grond daarvan in aanmerking kwam voor uitkeringen in de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij het laatst onderworpen was.
7)
Bij schorsing onder artikel 71, lid 1, sub b-ii, derde zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de uitkering volgens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan de werkloze woont, dient het bevoegde orgaan van deze Lid-Staat de uitkering onder de wetgeving van deze laatste staat te verminderen met de uitkering die effectief genoten werd in de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de werkloze het laatst was onderworpen. De periode waarin een werkloze onder de regeling van laatstgenoemde Lid-Staat daadwerkelijk werklozensteun heeft ontvangen moet in mindering worden gebracht van de duurtijd van het recht op werkloosheidsuitkering onder laatstgenoemde wettelijke regeling.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals vastgesteld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 6).
( 2 ) Zie de vijfde considerans van verordening nr. 1408/71.
( 3 ) Arrest van 12 juni 1986, zaak 1/85, Jurispr. 1986, blz. 1837, r. o. 9; zie ook reeds liet arrest van 27 mei 1982, zaak 227/81, Aubin, Jurispr. 1982, blz. 2005, r. o. 19.
( 4 ) Arresten van 9 juli 1975, zaak 20/75, d'Amico, Jurispr. 1975, blz. 891, r. o. 5; 15 december 1976, Mouthaan, Jurispr. 1976, blz. 1901, r. o. 13; 28 februari 1980, zaak 67/79, Fcllingcr, Jurispr. 1980, blz. 535, r. o. 7; 22 september 1988, zaak 236/87, Bcrgemann, Jurispr. 1988, blz. 5125, r. o. 18; en van 13 november 1990, zaak C-216/89, Reibold, Jurispr. 1990, blz. I-4163 (verkorte publikatic), r. o. 10.
( 5 ) Arrest van 29 juni 1988, zaak 58/87, Rebmann, Jurispr. 1988, blz. 3167, r. o. 13.
( 6 ) Arrest van 17 februari 1977, zaak 76/76, Jurispr. 1977, blz. 315.
( 7 ) Arresten Reibold, r. o. 15 en Di Paolo, r. o. 17, 18 en 20.
( 8 ) Arresten Reibold, r. o. 16 en Di Paolo, r. o. 22.
( 9 ) Arrest van 30 mei 1989, zaak 33/88, Jurispr. 1989, biz. 1591, r. o. 21.
( 10 ) Richtlijn van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB 1983, L 105, biz. 59).
( 11 ) Arrest Reibold, r. o. 21 in line.
( 12 ) Arrest Di Paolo, r. o. 21.
( 13 ) Een identieke definitie wordt gegeven door artikel 6 van richtlijn S3/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren (PB 1983, L 105, biz. 64).
( 14 ) Arrest van 5 juli 1983, zaak 171/82, Jurispr. 1983, blz. 2157, r. o. 13.
( 15 ) § 100, lid 1, Arbeitsförderungsgesetz.
( 16 ) §§ 104 en 106 Arbeitsförderungsgesetz.
( 17 ) §§111 en 112 Arbeitsförderungsgesetz. Bij werklozen met kinderen bedraagt het nettoloonvervangingsquotum 68 % (§ 111, lid 1, Arbeitsförderungsgesetz).
( 18 ) Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals vastgesteld in bijlage II van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, biz. 86).
( 19 ) Arrest van 14 mei 1981, zaak 98/80, Jurispr. 1981, blz. 1241, r. o. 20; cf. mijn conclusie in de zaak Athanasopouios, (arrest van 11 juni 1991, zaak C-251/89, Jurispr. 1991, blz. I-2797, I-2816, nr. 13).
( 20 ) Arrest van 11 maart 1982, zaak 93/81, Jurispr. 1982, biz. 951, r. o. 10.
( 21 ) Arrest van 10 juli 1975, zaak 27/75, Jurispr. 1975, blz. 971, r. o. 9.
Full & Egal Universal Law Academy