CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. GULMANN
van 15 september 1992 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Verzoekster in deze zaak, Empresa Nacional de Urânio SA (hierna: „ENU”), is een kleine Portugese uraniumproducent. Er is geen industriële kernreactor in Portugal en ENU is derhalve genoodzaakt al haar uranium uit te voeren. De onderneming ondervindt om verschillende redenen moeilijkheden bij de afzet van haar produktie en heeft aanzienlijke uraniumvoorraden opgebouwd.
ENU heeft dit beroep wegens nalaten ingesteld krachtens artikel 148 Euratom-Verdrag. Zij vordert, dat het Hof een onwettig nalaten van de Commissie zal vaststellen, doordat deze geen beschikking heeft gegeven op het door verzoekster daartoe krachtens artikel 53 EGA-Verdrag ingediende verzoek, noch verzoekster hiervan in kennis heeft gesteld. ENU verwijst hierbij naar een op 21 december 1990 aan de Commissie gezonden brief, waarin zij de Commissie verzocht, verschillende maatregelen te treffen om de afzet van haar uraniumvoorraden te verzekeren.
De toepasselijke bepalingen
2.
Volgens artikel 2, sub d, EGA-Verdrag moet de Gemeenschap „waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap”. Hoofdstuk VI van het Verdrag bevat regels die betrekking hebben op de „voorziening”. Artikel 52 huldigt het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen en voorziet in de instelling van een gemeenschappelijk voorzieningsbeleid.
Artikel 52 voorziet bovendien in de oprichting van een Voorzieningsagentschap (hierna: „Agentschap”), dat een optierecht heeft op ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen, voortgebracht op het grondgebied van de Lid-Staten, alsmede het uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap. Deze centralisatie van vraag en aanbod heeft ten doel, aan alle gebruikers van de Gemeenschap gelijke toegang tot deze materialen te waarborgen.
De modaliteiten „inzake het tegen elkaar afwegen van vraag en aanbod” zijn vastgesteld bij de verordening van het Agentschap van 5 mei 1960 ( 1 ), zoals gewijzigd bij de verordening van het Agentschap van 5 juli 1975. ( 2 ) Deze verordening opent met name de mogelijkheid bepaalde vereenvoudigde procedures toe te passen, waarbij de gebruikers en de producenten rechtstreeks over leveringscontracten kunnen onderhandelen. De contracten moeten aan het Agentschap worden medegedeeld, dat hieraan binnen een bepaalde termijn zijn goedkeuring verleent.
Het Agentschap, dat volgens artikel 54 van het Verdrag rechtspersoonlijkheid en financiële zelfstandigheid bezit, staat onder gezag van de Commissie. Artikel 53 van het Verdrag, dat voor de zaak van essentieel belang is, luidt als volgt:
„Het Agentschap staat onder toezicht van de Commissie; deze geeft richtlijnen aan het Agentschap, heeft het recht van veto over zijn beslissingen en benoemt zijn directeur-generaal, alsmede zijn adjunct-directeurgeneraal.
Iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het Agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd; de Commissie neemt binnen een maand een beschikking.”
De feiten
3.
Bij brief van 8 oktober 1987 bood ENU, onder verwijzing naar de verdragsbepalingen betreffende het optierecht, het Agentschap 350 ton uraniumconcentraat te koop aan. Toen zij op deze brief geen antwoord ontving, richtte ENU zich bij brief van 10 oktober 1988 opnieuw tot het Agentschap met het verzoek zijn optierecht uit te oefenen. Een kopie van deze brief werd aan het directoraat-generaal Energie van de Commissie gezonden, waarbij ENU laatstgenoemde verzocht te helpen bij het vinden van een oplossing voor het afzetprobleem van haar uranium.
Op 8 november 1988 beantwoordde het Agentschap de brieven van ENU. Het verklaarde het belang van het door ENU naar voren gebrachte probleem te onderkennen en er alle nodige aandacht aan te zullen besteden, teneinde in de mate van het mogelijke tot een voor haar bevredigende oplossing te komen. Bij brief van 14 november 1988 antwoordde de Commissie, dat zij het probleem zou bestuderen en naar een positieve oplossing zou zoeken.
Toen een oplossing uitbleef, schreef ENU op 25 oktober 1989 opnieuw, zowel aan het Agentschap als aan de Commissie. Zij vestigde nogmaals de aandacht op haar ernstige afzetproblemen en nodigde het Agentschap uit tot handelen, terwijl zij de Commissie verzocht, het Agentschap op te dragen te handelen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag.
Op 8 december 1989 deelde de Commissie aan ENU mee, dat zij eveneens van mening was dat het beleid een „speciaal onderdeel” moest omvatten om problemen als die waarmee ENU te kampen had, te kunnen oplossen, en dat zij het Agentschap uitnodigde de daartoe ingediende actievoorstellen te verwezenlijken.
Het Agentschap werkte vervolgens een „Schets voor een praktische oplossing voor het onderdeel ’Portugees uranium’ van het voorzieningsbeleid” uit, die aan ENU werd meegedeeld tijdens een van de talrijke vergaderingen van de betrokkenen in Brussel. In grote lijnen bestond dit plan erin, dat contact zou worden opgenomen met de gebruikers van uranium in de Gemeenschap om ter plaatse een overeenkomst te sluiten voor de verkoop van het Portugese uranium aan deze gebruikers volgens een verdeelsleutel en tegen een prijs die nader zouden worden vastgesteld. ENU nam zelf deel aan deze onderhandelingen, die echter op niets zijn uitgelopen.
4.
Op 21 december 1990 zond ENU de Commissie de hierboven vermelde brief. ( 3 ) Aan het slot van deze brief nodigde ENU — kort weergegeven — de Commissie uit om:
—
het Agentschap op te dragen het normale functioneren te herstellen van het in hoofdstuk VI beschreven stelsel (sub a);
—
te onderzoeken, hoe het mogelijk is geweest dat de gebruikers in de Gemeenschap zich vrijelijk op de buitenlandse markt van uranium voorzien, hoewel de gehele produktie van ENU tegen een redelijke prijs beschikbaar is, en vervolgens hiertegen op te treden (sub b);
—
besprekingen aan te gaan over een schadeloosstelling voor ENU (sub c);
—
het Agentschap de nakoming te gelasten van de beschikking van de Commissie betreffende de verwezenlijking van een „speciaal onderdeel” voor de onverwijlde oplossing van het probleem van ENU (sub cl), en
—
het Agentschap te gelasten de beschikking ten uitvoer te leggen die zij tot het Agentschap had gericht, en met een bevredigende oplossing te komen voor het probleem van ENU (sub e).
Ten slotte wees ENU erop, dat zij voor haatuitnodiging verwees naar de artikelen 53, tweede alinea, en 148 van het Verdrag.
Het voorwerp van de zaak
5.
Het eerste, en belangrijke, probleem dat in deze zaak moet worden opgelost, is duidelijk vast te stellen, wat de aard is van de verplichting tot handelen die volgens ENU op de Commissie rust en waaraan de Commissie niet zou hebben voldaan. Het is duidelijk, dat de Commissie krachtens artikel 53 van het Verdrag gehouden is een beschikking te geven. Het is echter minder duidelijk, welke inhoud die beschikking volgens ENU zou moeten hebben.
In haar conclusies verwijst ENU naar de „beschikking die ENU [de Commissie] had verzocht te geven ingevolge artikel 53 EGA-Verdrag”. Zoals aan het begin gezegd, verwijst ENU daarmee naar haar eerdergenoemde brief van 21 december 1990. Nu bevat deze brief verscheidene elementen en het is niet zo gemakkelijk te bepalen, op welke daarvan verzoeksters conclusies betrekking hebben. Dit is zowel tijdens de schriftelijke procedure als ter terechtzitting gebleken, want de discussie tussen de twee partijen draagt het stempel van de grote onduidelijkheid die met betrekking tot de omschrijving van het voorwerp van de zaak bestaat.
6.
De kerngedachte van het verzoek van ENU aan de Commissie is, dat het Agentschap verplicht is het afzetprobleem van ENU op een zeer bepaalde wijze op te lossen. ENU lijkt voor haar stelling, dat het Agentschap een dergelijke verplichting heeft, twee van elkaar onafhankelijke argumenten aan te voeren.
In de eerste plaats is ENU van mening, dat het Agentschap, door geen gebruik te maken van zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten, inbreuk maakt op hoofdstuk VI van het Verdrag en dat daarin de werkelijke oorzaak van de afzetproblemen van ENU is gelegen.
Daarmee stelt ENU, dat de verdragsbepalingen uitgaan van het beginsel van communautaire preferentie, dat niet slechts inhoudt dat producenten slechts aan derde landen kunnen verkopen indien aan de vraag op de gemeenschappelijke markt is voldaan, maar ook dat gebruikers slechts contracten kunnen sluiten met producenten in derde landen indien hun behoeften niet gedekt kunnen worden door op de gemeenschappelijke markt voortgebrachte materialen. Nu de Gemeenschap slechts ongeveer 4500 ton uranium per jaar produceert, terwijl er ongeveer 15000 ton nodig is, is ENU van oordeel, dat naleving van de verdragsbepalingen automatisch tot een geleidelijke afzet van haar voorraden zou leiden. In een situatie waarin haar voorraden tegen redelijke prijzen verkrijgbaar zijn, is het Agentschap volgens ENU verplicht, door de uitoefening van zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten, te waarborgen dat geen enkel contract met producenten uit derde landen wordt gesloten zolang haar voorraden niet zijn verkocht. ( 4 )
In de tweede plaats is ENU van mening, dat de Commissie een beschikking heeft gegeven, inhoudende dat er een „speciaal onderdeel” moet worden ontwikkeld om tot een bevredigende oplossing voor het probleem van ENU te komen, maar dat het Agentschap deze beschikking niet heeft uitgevoerd. ( 5 )ENU doelt hier kennelijk op de brief die het bevoegde lid van de Commissie haar op 8 december 1989 heeft gezonden en waarin deze verklaarde: „Ik ben van mening, dat het voorzieningsbeleid van het Agentschap voortaan een speciaal onderdeel zou moeten bevatten om deze gevallen op te lossen. Ik heb (...) [het Agentschap] verzocht, over te gaan tot de verwezenlijking van de in deze zin ingediende actievoorstellen.”
Wat onder dit „speciale onderdeel” wordt verstaan, is niet geheel duidelijk. In haar brief van 21 december 1990 verklaarde ENU, dat het „speciale onderdeel” het karakter moet hebben van een noodoplossing, die een onmiddellijke oplossing voor haar probleem kan aandragen. ENU gaat er kennelijk van uit, dat het probleem niet op bevredigende wijze wordt opgelost als men alleen maar blijft wachten op de resultaten van de algemene naleving van de verdragsbepalingen. Er is volgens haar een eenvoudige noodoplossing mogelijk, die inhoudt, dat het Agentschap het optierecht uitoefent dat hem door het Verdrag wordt toegekend, en de gehele voorraad van ENU aankoopt. ( 6 )
In haar repliek ( 7 ) en ter terechtzitting lijkt ENU echter een verband te hebben gelegd tussen het geëiste „speciale onderdeel” en de in de brief van 8 december 1989 bedoelde actievoorstellen, welke brief, indien ik het goed heb begrepen, er vervolgens toe heeft geleid, dat het Agentschap een „Schets voor een praktische oplossing voor het onderdeel ’Portugees uranium’ van het voorzieningsbe-leid” heeft opgesteld.
De precieze strekking van het begrip „speciaal onderdeel” behoeft hier echter niet te worden vastgesteld.
7.
Men zou dus de conclusies van ENU zo kunnen samenvatten, dat zij stelt dat de Commissie onwettig heeft nagelaten krachtens artikel 53 een beschikking te geven die
—
het Agentschap gelast de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag na te komen (hetgeen de afzetproblemen van ENU op de lange termijn zou oplossen), en
—
het Agentschap gelast de beschikking van de Commissie om een „speciaal onderdeel” in te stellen, uit te voeren (het probleem van ENU zou dan onmiddellijk kunnen worden opgelost).
8.
Het voorafgaande is mijns inziens een redelijke en adequate afbakening van het voorwerp van de zaak. Toch lijkt het mij nuttig in dit verband enkele vraagtekens te plaatsen. Het gaat vooral om het feit dat ENU in haar repliek en ter terechtzitting dingen heeft verklaard, waardoor het voorwerp van de zaak beperkt zou kunnen worden.
9.
In de eerste plaats zijn er verschillende gegevens op grond waarvan men zich dient af te vragen, in hoeverre men ervan moet uitgaan, dat het in deze procedure uitsluitend gaat om een eventueel nalaten van de Commissie om bet Agentschap te gelasten een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen. Op dat punt is punt e van de conclusie van de brief van ENU van 21 december 1990 tamelijk onduidelijk. Dit punt e heeft de volgende inhoud:
„e)
Wij verzoeken derhalve de Commissie het Agentschap te gelasten de beschikking ten uitvoer te leggen die zij tot het Agentschap heeft gericht, en met een bevredigende oplossing te komen voor het probleem van ENU — onverminderd een zodanige toepassing van de verdragsbepalingen, dat problemen in de toekomst worden ondervangen.”
In haar verweerschrift behandelt de Commissie dit punt als een „conclusie van de conclusies”, een overigens alleszins aanvaardbare uitlegging. Men kan zich echter afvragen, of dit een beperking tot uitdrukking brengt van het verzoek van ENU, en daarmee van haar conclusies, tot het gedeelte dat betrekking heeft op de gestelde beschikking van de Commissie inzake de ontwikkeling van een „speciaal onderdeel”. Ik ben van mening, dat een dergelijke interpretatie moet worden afgewezen. In het licht van de rest van de brief en ook van hetgeen later in het verzoekschrift is gesteld, denk ik, dat het hier eenvoudig gaat om een uitnodiging aan de Commissie, het Agentschap te gelasten het huidige probleem van ENU te regelen — of deze oplossing nu tot stand komt door de algemene verdragsbepalingen na te leven of door een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen of door zowel het een als het ander —, waarbij ENU zich het recht voorbehoudt, zich op de verdragsbepalingen te beroepen voor de oplossing van eventuele latere problemen.
Ik herinner eraan, dat ENU ter terechtzitting, op de vraag van de rechterrapporteur, op welke van de in de brief van 21 december 1990 genoemde onderdelen de Commissie zou hebben nagelaten een beschikking te geven, heeft geantwoord met een verwijzing naar „de brief als zodanig en meer in het bijzonder alinea d” (alinea d betreft het „speciale onderdeel”). Ter terechtzitting heeft ENU echter ook betoogd, dat de Commissie verplicht was het Agentschap te gelasten hoofdstuk VI van het Verdrag na te leven, en ik ben dan ook van mening, dat uit het antwoord van ENU niet mag worden afgeleid, dat de zaak derhalve uitsluitend betrekking heeft op de vraag, of de Commissie verplicht was het Agentschap te gelasten een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen. Vooral ook omdat punt d van de brief nu juist gaat over het „speciale onderdeel”, dat wil zeggen dat onverwijld gebruik wordt gemaakt van het op het Verdrag gebaseerde optierecht. Hieruit blijkt wel, hoe moeilijk het is de verschillende door ENU genoemde „oplossingsmodellen” te onderscheiden.
10.
In de tweede plaats heeft ENU in haar repliek ( 8 ) en ter terechtzitting dingen verklaard die de indruk kunnen wekken, dat zij haar conclusies later heeft beperkt tot een zuiver formeel aspect, namelijk dat de Commissie in haar verplichtingen te kort is geschoten door na te laten in positieve dan wel negatieve zin op de uitnodiging van ENU te antwoorden.
Dit kan mijns inziens echter niet de bedoeling zijn geweest. Het lijkt onwaarschijnlijk, dat ENU nu plotseling enkel een beschikking zou wensen, en niet een beschikking met een bepaalde inhoud. Het is mogelijk, dat aan bedoelde verklaringen eenvoudig de gedachte ten grondslag ligt, dat ENU tegen een eventuele negatieve beschikking zou kunnen opkomen met een beroep tot nietigverklaring. Bovendien heeft ENU zowel in haar repliek als ter terechtzitting steeds betoogd, dat de Commissie een beschikking had moeten geven waarbij het Agentschap werd gelast het probleem van ENU op te lossen.
Daarom zal ik mij houden aan de hierboven beschreven afbakening van het voorwerp van de zaak, die volgens mij het meest voor de hand ligt wanneer men alle door ENU aangevoerde middelen en argumenten te zamen beschouwt.
Daarbij is het natuurlijk niet beslissend, dat de Commissie zich met betrekking tot de grond van de zaak in haar memories en ter terechtzitting in wezen heeft beperkt tot argumenten die betrekking hebben op de vraag, in hoeverre zij al dan niet gehouden was een beschikking —met welke inhoud dan ook — te geven. Het is duidelijk, dat de Commissie het voorwerp van de zaak niet tot deze vraag kan beperken enkel omdat deze in haar betoog centraal staat. Indien het Hof van oordeel is, dat de Commissie verplicht was een beschikking te geven, dan moet het op basis van de conclusies van ENU ook verder kunnen gaan en moet het kunnen beslissen, of die beschikking de door ENU gewenste inhoud had moeten hebben. Dit geldt te meer nu de Commissie blijkens haar memories heel goed wist, wat voor beschikking ENU wenste te verkrijgen. Zo zegt de Commissie bij voorbeeld in haar dupliek, dat ENU „de Commissie heeft verzocht, richtlijnen aan het Agentschap te geven om een speciaal onderdeel in het leven te roepen”, en dat zij „verzocht het Agentschap te gelasten zijn voorzieningsbeleid te wijzigen”. ( 9 )
De ontvankelijkheid
11.
De Commissie concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en werpt daartoe drie excepties van niet-ontvankelijkheid op.
De Commissie lijkt ervan uit te gaan, dat ENU uitsluitend stelt dat de Commissie verplicht is een beschikking te geven met betrekking tot de in de conclusies van ENU bedoelde handelingen, volgens de bijzondere procedure van het in artikel 53, tweede alinea, bedoelde administratief beroep.
Hiervan uitgaande betoogt de Commissie, dat het onderhavige beroep op twee punten niet voldoet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een op artikel 53, tweede alinea, gebaseerd beroep, en dat het daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Deze zienswijze roept twee vragen op.
In de eerste plaats, of de Commissie terecht stelt, dat ENU in deze zaak is uitgegaan van de gedachte, dat haar beroep uitsluitend gebaseerd op artikel 53, tweede alinea, en in de tweede plaats, of de in de conclusies van ENU bedoelde handelingen inderdaad wel handelingen zijn die binnen de werkingssfeer van artikel 53, tweede alinea, vallen.
Wat de eerste vraag betreft, moet worden vastgesteld, dat ENU inderdaad de procedure van administratief beroep ex artikel 53, tweede alinea, heeft gebruikt. Dit betekent evenwel niet noodzakelijkerwijs, dat ENU van oordeel was dat de beschikking die de Commissie volgens haar moest geven, uitsluitend in het kader van de procedure van administratief beroep ex artikel 53, tweede alinea, moest worden gegeven.
In haar repliek ( 10 ) en ter terechtzitting betoogde ENU echter, dat de Commissie reeds uit hoofde van haar positie als hoger controlelichaam, toegerust met algemene instructiebevoegdheden ten opzichte van het Agentschap, gehouden was, het Agentschap te gelasten zowel de verdragsbepalingen als de richtlijnen die het Agentschap volgens ENU van de Commissie had gekregen, na te komen. ENU wil daarmee zeggen, dat de Commissie, door ten aanzien van het Agentschap niet in te grijpen, zelf de door het Agentschap niet nageleefde bepalingen schendt.
Omdat de status van de Commissie als hoger orgaan in artikel 53, eerste alinea, is neergelegd en ENU zich in haar conclusies op artikel 53 in het algemeen beroept en niet speciaal op artikel 53, tweede alinea, is deze ruimere opvatting van het beroep verenigbaar met de bewoordingen van de conclusies van verzoekster.
Ik ben van oordeel, dat het verzoekschrift van ENU uitsluitend betrekking heeft op de eventuele verplichting van de Commissie krachtens artikel 53, tweede alinea, een beschikking te geven, en daarom moet men zich afvragen, of de in de repliek aangevoerde argumenten met betrekking tot een ruimere uitlegging enkel moeten worden afgewezen op grond dat zij tardief zijn ingediend.
Dat lijkt mij een onnodig formalistische benadering. ENU was naar mijn overtuiging steeds van oordeel, dat de Commissie verplicht was zelf op te treden tegen de handelwijze van het Agentschap ( 11 ) en dat artikel 53, tweede alinea, voor ondernemingen eenvoudig een extra middel was om dit optreden te bevorderen. Uit het feit dat ENU gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de zaak ex artikel 53, tweede alinea, aan het Hof voor te leggen, blijkt duidelijk, dat zij haar beroep kracht heeft willen bijzetten en het niet heeft willen beperken.
Waar het beroep van ENU derhalve niet enkel gebaseerd is op artikel 53, tweede alinea, maar ook op de algemene verplichtingen van de Commissie als controlerend lichaam ten opzichte van het Agentschap, is het, indien aan de algemene voorwaarden voor het aanspannen van een procedure op grond van artikel 148 van het Verdrag is voldaan, ten gronde ontvankelijk, zelfs wanneer men zou moeten vaststellen, dat hetzij de in de conclusies van verzoekster bedoelde handelingen volstrekt niet onder artikel 53, tweede alinea, vallen, hetzij de door de Commissie opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid wegens het niet-naleven van de vereiste voorwaarden gegrond zijn.
Vallen de in de conclusies van verzoekster bedoelde handelingen onder artikel 53, tweede alinea?
12.
Artikel 53, tweede alinea, bepaalt, zoals reeds gezegd, dat belanghebbenden „iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het Agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten”, aan de Commissie kunnen voorleggen.
Uit deze bepaling zelf vloeit mijns inziens voort, dat belanghebbenden enkel concrete handelingen van het Agentschap aan de Commissie kunnen voorleggen en dan nog alleen die welke betrekking hebben op het door het Verdrag toegekende optierecht en het uitsluitend recht om contracten te sluiten.
Hierboven heb ik uiteengezet, dat de door ENU bij haar brief van 21 december 1990 aan de Commissie voorgelegde handelingen betrekking hebben enerzijds op het voorzieningsbeleid van het Agentschap in het algemeen, dat door ENU als strijdig met hoofdstuk VI van het Verdrag wordt gekwalificeerd, en anderzijds op het feit dat het Agentschap een vermeende beschikking van de Commissie inzake het in het leven roepen van een „speciaal onderdeel” niet heeft uitgevoerd.
Naar mijn mening is het voorzieningsbeleid van het Agentschap in het algemeen geen concrete handeling die krachtens artikel 53, tweede alinea, aan de Commissie kan worden voorgelegd. Natuurlijk wenst ENU door een wijziging van het voorzieningsbeleid van het Agentschap te bereiken, dat dit op een gegeven moment zijn optierecht gebruikt om het uranium van ENU te kopen, maar ENU heeft nu juist niet gesteld, dat het Agentschap inbreuk heeft gemaakt op een concrete verplichting om zijn optierecht uit te oefenen. ( 12 )
Het eventuele in gebreke blijven van het Agentschap om een beschikking van de Commissie inzake ontwikkeling van een „speciaal onderdeel” uit te voeren, kan in beginsel als een concrete handeling worden beschouwd. Ik geloof echter niet, dat die handeling betrekking heeft op het door het Verdrag toegekende optierecht of het uitsluitend recht om contracten te sluiten. Dit geldt zelfs, indien ENU van mening is, dat het Agentschap het „speciale onderdeel” in het leven kan roepen door de enkele uitoefening van zijn optierecht, want die uitoefening heeft een bijzonder karakter en heeft derhalve in feite niets te maken met de door het Verdrag toegekende bevoegdheden.
Voor zover ik, overeenkomstig hetgeen zojuist is gezegd, ervan uitga, dat de in de conclusies van ENU bedoelde handelingen niet onder artikel 53, tweede alinea, vallen, behoeft niet te worden ingegaan op de door de Commissie met betrekking tot deze bepaling opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid.
De excepties van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot artikel 53, tweede alinea
13.
Voor het geval dat het Hof het met deze uitkomst niet eens zou zijn, merk ik met betrekking tot deze excepties het volgende op.
De Commissie stelt in de eerste plaats, dat ENU niet betoogt, dat de Commissie heeft verzuimd te haren aanzien een handeling te verrichten, maar dat zij heeft verzuimd ten aanzien van het Agentschap een handeling te verrichten. Het feit dat artikel 53, tweede alinea, aan belanghebbenden de mogelijkheid geeft handelingen van het Agentschap aan de Commissie voor te leggen, houdt volgens de Commissie niet in, dat het gaat om tot hen gerichte beschikkingen. Hiervan uitgaande zegt de Commissie, dat ENU niet voldoet aan het bepaalde in artikel 148, derde alinea, volgens hetwelk een natuurlijke of rechtspersoon slechts beroep wegens niet-nakoming kan instellen, indien „een der instellingen van de Gemeenschap” heeft „nagelaten te zijnen aanzien een (...) handeling te verrichten (...)” ( 13 )
Dit middel moet worden afgewezen. Het lijkt mij duidelijk, dat de belanghebbenden die krachtens artikel 53, tweede alinea, handelingen van het Agentschap aan de Commissie kunnen voorleggen, bij het Hof beroep moeten kunnen instellen tot nietigverklaring van beschikkingen waarbij handelingen van het Agentschap ongewijzigd worden gehandhaafd, of beroep wegens nalaten indien de Commissie in gebreke zou blijven een beschikking te geven. De door de Commissie verdedigde rechtsopvatting zou naar mijn mening een onaanvaardbare beperking met zich brengen van de mogelijkheid van particulieren om beschikkingen die hen rechtstreeks raken, door de rechter te laten toetsen. Artikel 53, tweede alinea, voorziet in de mogelijkheid van administratief beroep, en dit impliceert dat de Commissie een standpunt moet innemen over de door de belanghebbenden tegen de handelingen van het Agentschap ingediende bezwaren, en de beschikking van de Commissie moet dan voor het Agentschap de verplichting meebrengen, zich juist ten opzichte van belanghebbenden op een bepaalde wijze te gedragen wat de uitoefening van zijn optierecht of zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten betreft. Ook al is de beschikking van de Commissie uiteraard tot het Agentschap gericht, omdat dit door die beschikking wordt verplicht zich op een bepaalde wijze te gedragen, toch is het tegelijkertijd redelijk en vanzelfsprekend om ook de belanghebbenden te beschouwen als adressaten van een beschikking die het gedrag van het Agentschap te hunnen aanzien betreft.
De tweede exceptie van de Commissie houdt in, dat ENU niet heeft voldaan aan de procedurele voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens nalaten. Artikel 148, tweede alinea, van het Verdrag stelt daarvoor drie voorwaarden. De instelling moet zijn „uitgenodigd tot handelen” en moet „na twee maanden, te rekenen van de uitnodiging, haar standpunt nog niet [hebben] bepaald”. En ten slotte moet het beroep „binnen een nieuwe termijn van twee maanden” worden ingesteld. De Commissie betoogt met name, dat de brief van 21 december 1990 niet tegelijkertijd een beroep op de Commissie op basis van artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag én een uitnodiging tot handelen in de zin van artikel 148, tweede alinea, kan zijn. De Commissie beklemtoont met name, dat de procedure voor het instellen van een beroep wegens nalaten slechts kan worden ingeleid, wanneer de Commissie inbreuk heeft gemaakt op het Verdrag door na te laten een beschikking te geven. Omdat van een dergelijk onwettig nalaten eerst sprake is na het verstrijken van de in artikel 53, tweede alinea, bedoelde termijn, zijn de procedurele voorwaarden van artikel 148, tweede alinea, slechts geëerbiedigd indien bij afloop van deze termijn een nieuwe uitnodiging om een beschikking te geven, tot de Commissie wordt gericht.
Het is niet zo eenvoudig om een standpunt ten aanzien van dit middel in te nemen. Op het eerste gezicht lijkt de interpretatie die de Commissie van artikel 148 geeft, dat een „uitnodiging tot handelen” slechts tot de Commissie kan worden gericht wanneer er al een situatie van nalaten bestaat, heel logisch.
Deze interpretatie ligt nogal voor de hand, want het doel van de procedure van artikel 148, tweede alinea, is de betrokken instelling de mogelijkheid te geven haar standpunt over de rechtmatigheid van haar niet-handelen te bepalen en zo een beroep wegens nalaten te voorkomen. ( 14 )
In casu hebben wij echter met een bijzondere situatie te doen, doordat de verplichting tot handelen van de Commissie voortvloeit uit een klacht van ENU ex artikel 53, tweede alinea. In deze situatie lijkt het mij nodeloos formalistisch te verlangen, dat ENU na afloop van de termijn van een maand de Commissie opnieuw laat weten, dat zij wenst dat de instelling een beschikking geeft. In haar brief van 21 december 1990 gaf ENU aan, welke beschikking de Commissie volgens haar zou moeten geven, en verwees zij uitdrukkelijk naar artikel 148 van het Verdrag. Die brief moet dan ook worden geacht te voldoen aan de vereisten van de rechtspraak van het Hof ( 15 ) ter zake van een „uitnodiging tot handelen”. Op geen enkel moment kon de Commissie eraan twijfelen, dat wanneer zij geen beschikking zou geven, dit door ENU zou worden beschouwd als een met het Verdrag strijdig nalaten en dat een beroep wegens nalaten er het gevolg van zou zijn. De rechtsbescherming die artikel 148, tweede alinea, de Commissie beoogt te geven, lijkt mij in deze zaak derhalve volledig gewaarborgd.
Deze interpretatie lijkt mij verenigbaar met artikel 148. Men kan gemakkelijk vaststellen, dat de Commissie onder verwijzing naar artikel 148, tweede alinea, is uitgenodigd tot handelen, dat de Commissie heeft nagelaten binnen een termijn van twee maanden haar standpunt te bepalen, dat de zaak binnen een nieuwe termijn van twee maanden voor het Hof is gebracht, en dat het beroep het feit betreft dat de Commissie in strijd met het Verdrag heeft nagelaten „een beschikking te geven”, want het is duidelijk, dat de Commissie op het moment waarop het beroep werd ingesteld, binnen de in artikel 53, tweede alinea, bedoelde termijn van een maand geen beschikking heeft gegeven.
Mocht het Hof een beslissing over deze twee excepties van niet-ontvankelijkheid van de Commissie noodzakelijk achten, dan meen ik, dat beide moeten worden afgewezen.
Voldoet ENU aan de voorwaarden van artikel 148, derde alinea, van het Verdrag?
14.
In punt 11 stelde ik al vast, dat ENU niet enkel betoogt, dat de Commissie verplicht was, de door ENU gewenste beschikking te geven in het kader van de specifieke procedure van administratief beroep ex artikel 53, tweede alinea, maar dat de Commissie bovendien daartoe verplicht was uit hoofde van haar positie van hoger lichaam ten opzichte van het Agentschap (zie artikel 53, eerste alinea).
De vraag is dus, of ENU aan de voorwaarden van artikel 148, derde alinea, van het Verdrag voldoet, wanneer zij stelt, dat de Commissie wegens haar positie als hoger lichaam verplicht was, de gewenste beschikking tot het Agentschap te richten. Omdat artikel 148, derde alinea, naar zijn bewoordingen, het recht van beroep van een particulier afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het gaat om een verzuim om „te zijnen aanzien een (...) handeling te verrichten”, moet het Hof zich in beginsel eerst uitspreken over de vraag, of een natuurlijke of rechtspersoon krachtens artikel 148, derde alinea, van het Verdrag een beroep wegens nalaten kan instellen met het betoog, dat de Commissie heeft nagelaten een beschikking te geven die, hoewel genomen in de vorm van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel zou raken.
Ik denk, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Particulieren, zo meen ik, dienen dezelfde toegang te hebben tot het beroep wegens nalaten krachtens artikel 148, derde alinea, als tot het beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 146, tweede alinea, van het Verdrag. ( 16 ) In mijn conclusie van 8 juli 1992 in de gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91 (Buckl e, a.) ( 17 ) heb ik uiteengezet, waarom artikel 175, derde alinea, EEGVerdrag op dat punt op dezelfde manier moet worden uitgelegd als artikel 173, tweede alinea, van dat Verdrag. Het daar overwogene geldt ook voor de bepalingen van het EGA-Verdrag en ik verwijs dan ook naar die conclusie.
Het is derhalve de vraag, of ENU rechtstreeks en individueel is geraakt door de beschikking die de Commissie, volgens ENU, verzuimd heeft te geven, waardoor zij haar verplichtingen als hoger lichaam zou hebben geschonden.
Volgens de rechtspraak van het Hof kunnen particulieren die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts individueel zijn geraakt indien deze beschikking hen raakt wegens specifieke hoedanigheden of een feitelijke situatie die hen van ieder ander onderscheidt en hen daardoor op dezelfde manier individualiseert als degene tot wie de beschikking is gericht. ( 18 )
Een door de Commissie tot het Agentschap gerichte beschikking, waarbij dit wordt gelast zijn voorzieningsbeleid overeenkomstig de door ENU voorgestelde interpretatie van de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag te wijzigen, zou ENU niet rechtstreeks en individueel raken, maar zou in tegendeel vérstrekkende rechtsgevolgen hebben voor alle producenten en gebruikers van uranium in de Gemeenschap.
Tegen het feit dat de Commissie een dergelijke beschikking niet heeft gegeven, kan ENU geen beroep instellen en op dat punt moeten de conclusies van ENU niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wat de vermeende plicht van de Commissie betreft om het Agentschap te gelasten, een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen, ligt de zaak naar mijn mening anders. Een beschikking met betrekking tot het in het leven roepen van een „speciaal onderdeel” moet, wat er ook precies de inhoud van moge zijn, verband houden met de feitelijke situatie van ENU en bedoeld zijn om een oplossing voor deze situatie te vinden. Indien de Commissie werkelijk een beschikking tot het Agentschap heeft gericht met het verzoek het probleem van ENU op te lossen door een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen, moet ENU worden geacht rechtstreeks en individueel te zijn geraakt door een beschikking van de Commissie, waarbij het Agentschap wordt gelast zich naar de eerdere beschikking van de Commissie te voegen, en moet ENU dientengevolge het recht hebben, een beroep wegens nalaten tegen de Commissie in te stellen op grond dat deze heeft nagelaten een dergelijk beschikking te geven.
Ik meen dus, dat ENU voldoet aan de hier omschreven voorwaarden waaronder een particulier een beroep wegens nalaten kan instellen, voor zover zij in haar conclusies stelt, dat de Commissie in strijd met haar verplichtingen als hoger lichaam ten opzichte van het Agentschap heeft nagelaten, het te gelasten uitvoering te geven aan de gestelde beschikking van de Commissie betreffende de ontwikkeling van een „speciaal onderdeel” om het probleem van de afzet van de uraniumvoorraden van ENU op te lossen.
Is het beroep van ENU te laat ingediend?
15.
Dan kom ik nu toe aan de derde exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie, namelijk dat het beroep te laat is ingesteld.
Dienaangaande stelt de Commissie, dat zestien maanden waren verstreken tussen de brief van 8 december 1989, welke volgens de Commissie een goedkeuring van het standpunt van het Agentschap inhoudt, en de dag waarop de Commissie kennis kreeg van het beroep, te weten op 8 april 1991. ( 19 ) Voor haar stelling, dat een dergelijk tijdsverloop moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep verwijst de Commissie naar het arrest van 6 juli 1971. ( 20 )
In dat arrest verklaarde het Hof, dat men om redenen van rechtszekerheid en in het licht van de termijnen voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring moet eisen, dat beroep wegens nalaten binnen een redelijke termijn wordt ingesteld. In de omstandigheden van dat geval, waarin de Commissie duidelijk haar standpunt aan verzoeker had medegedeeld en er vervolgens achttien maanden waren verstreken voordat verzoeker een formele uitnodiging tot handelen indiende, was het Hof van oordeel, dat het beroep als tardief moest worden verworpen.
Een goedkeuring van het standpunt van het Agentschap lijkt mij moeilijk af te leiden uit de brief van de Commissie van 8 december 1989, Zo deze brief, zoals de Commissie beweert, een goedkeuring inhoudt van het feit dat het Agentschap zijn optierecht niet had uitgeoefend, dan is die goedkeuring in ieder geval niet duidelijk uitgedrukt. Immers, juist in die brief preciseert de Commissie, dat een „speciaal onderdeel” zou moeten worden ontwikkeld om het probleem van ENU op te lossen. Men kan zich moeilijk voorstellen, dat een dergelijke verklaring ENU aanleiding zou hebben gegeven beroep wegens nalaten in te stellen. Verder is volgens mij doorslaggevend, dat er, zoals ENU stelt, gedurende de gehele betrokken periode tal van persoonlijke en schriftelijke contacten tussen de Commissie, het Agentschap en ENU zijn geweest en dat het op bepaalde momenten mogelijk leek een oplossing voor ENU's afzetproblemen te vinden. Op geen enkel moment was er voor de Commissie reden om aan te nemen, dat ENU niet meer persisteerde bij haar eis dat de Commissie een oplossing zou vinden voor de afzetproblemen van de onderneming.
Daarom geef ik het Hof in overweging, deze exceptie van niet-ontvankelijkheid af te wijzen.
Ten gronde
16.
Wat de zaak ten gronde betreft, voert de Commissie voornamelijk argumenten aan tot staving van de stelling, dat zij niet gehouden was overeenkomstig artikel 53, tweede alinea, van liet Verdrag een beschikking te geven. ( 21 )
Zoals uit het voorgaande blijkt, geloof ik niet, dat deze zaak zich leent voor een standpuntbepaling daarover, want ik ben van mening, dat alleen dat gedeelte van de conclusies van ENU ten gronde kan worden onderzocht, waarin wordt gesteld, dat de Commissie uit hoofde van haar positie als hoger lichaam verplicht was, het Agentschap te gelasten de beschikking van de Commissie met betrekking tot de ontwikkeling van een „speciaal onderdeel” ten uitvoer te leggen.
Met betrekking tot dit gedeelte van de conclusies van ENU ben ik van oordeel, dat het dient te worden afgewezen, zulks op grond dat het bestaan van een bindende beschikking van de Commissie inzake het ontwikkelen van een „speciaal onderdeel”, niet is bewezen.
Het is juist, dat het bevoegde lid van de Commissie in de reeds aangehaalde brief van 8 december 1989 heeft verklaard: „Ik ben van mening, dat het voorzieningsbeleid van het Agentschap voortaan een speciaal onderdeel zou moeten bevatten om deze gevallen op te lossen. Ik heb (...) [het Agentschap] verzocht over te gaan tot de verwezenlijking van de in deze zin ingediende actievoorstellen.”
Ik meen echter, dat het bij deze verklaring slechts om een informele intentieverklaring gaat. Het is een korte verklaring, die formeel niet meer is dan een mededeling van wat het betrokken lid van de Commissie vindt. Bovendien is het, zoals ik hierboven onder punt 6 reeds heb gezegd, moeilijk zich een duidelijk beeld te vormen van wat dat „speciale onderdeel” zou moeten inhouden, zelfs indien men zich baseert op de memories van ENU. Het lijkt mij in deze context niet mogelijk, de brief van 8 december 1989 anders uit te leggen dan als een uitnodiging aan het Agentschap om te pogen de problemen van ENU op te lossen, hetgeen het Agentschap volgens de beschikbare informatie ook heeft geprobeerd, zij het zonder succes. Een dergelijke verklaring van de Commissie behoeft haar niet te beletten vervolgens te concluderen, dat zij het niet mogelijk acht, een oplossing voor het probleem van ENU aan te dragen.
Samenvatting
Uit mijn betoog volgt in de eerste plaats, dat het beroep van ENU betrekking heeft op het feit, dat de Commissie heeft nagelaten een beschikking te geven waarbij het Agentschap werd gelast enerzijds de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag, zoals uitgelegd door ENU, na te leven, en anderzijds uitvoering te geven aan een beschikking van de Commissie inzake de ontwikkeling van een „speciaal onderdeel”.
In de tweede plaats stel ik vast, dat de conclusies van ENU geen betrekking hebben op handelingen die vallen onder de bepaling betreffende het specifieke administratieve beroep ex artikel 53, tweede alinea. Het is derhalve niet nodig een standpunt in te nemen inzake de door de Commissie in verband met deze bepaling opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid.
Voor zover ENU haar conclusies baseert op de algemene verplichtingen die krachtens artikel 53, tweede alinea, op de Commissie als hoger lichaam tegenover het Agentschap rusten, stel ik vast, dat het gedeelte van de conclusies dat betrekking heeft op het voorzieningsbeleid in het algemeen en de naleving van hoofdstuk VI van het Verdrag, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat ENU niet kan worden geacht rechtstreeks en individueel door een beschikking ter zake te worden geraakt.
Daarentegen dient ENU wel te worden geacht rechtstreeks en individueel te worden geraakt door een beschikldng waarbij het Agentschap wordt gelast een „speciaal onderdeel” te ontwikkelen. ENU voldoet derhalve aan de voorwaarden om een beroep in te stellen tot vaststelling dat de Commissie onwettig heeft nagelaten een dergelijke beschikking te geven. Omdat het middel van de Commissie, inhoudende dat het beroep te laat is ingesteld, moet worden afgewezen, leek het mij gewenst, dit gedeelte van de conclusies van ENU ten gronde te behandelen.
Tot slot ben ik van oordeel, dat de conclusies van ENU op dit punt moeten worden afgewezen, zulks op grond dat de Commissie geen beschikldng met betrekking tot de ontwikkeling van een „speciaal onderdeel” heeft gegeven en dus niet verplicht is te zorgen voor de toepassing ervan.
Conclusie
Ik geef derhalve het Hof in overweging:
—
het gedeelte van de conclusies van ENU betreffende de verplichting van de Commissie een beschikking te geven waarbij het Agentschap wordt gelast de regels van hoofdstuk VI van het Verdrag na te leven, niet-ontvankelijk te verklaren;
—
het gedeelte van de conclusies van ENU betreffende de verplichting van de Commissie het Agentschap te gelasten, de beschikking van de Commissie inzake de ontwikkeling van een „speciaal onderdeel” uit te voeren, te verwerpen, en
—
verzoekster in de kosten te verwijzen.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Deens.
( 1 ) PB 1960, blz. 777. De verordening is door de Commissie goedgekeurd bij beschikking van 5 mei 1960 (PB 1960, blz. 776).
( 2 ) PB 1975, L 193, blz. 37.
( 3 ) Bijlage XII bij het verzoekschrift.
( 4 ) Zie de brief van ENU van 21 december 1990, sub a en b, bijlage XII bij het verzoekschrift.
( 5 ) Zie de brief van ENU van 21 december 1990, sub d, bijlage XII bij het verzoekschrift.
( 6 ) In haar brief van 21 december 1990, sub d, stelt ENU onder meer wat het „speciale onderdeel” betreft:
„(...) Alleen deze maatregel kan enige verlichting bieden voor de ernstige schade die men ENU op wederrechtelijke wijze gedwongen heeft tot nu toe te dragen, want de eigenlijke oplossing, die bestaat in het strikt naleven van de communautaire wettigheid, heeft geen resultaten opgeleverd. Dit ’speciale onderdeel’, dat snel kan worden verwezenlijkt, zou moeten bestaan in de aankoop door het Agentschap van de huidige uraniumvoorraad van ENU.
Deze door ENU voorgestane oplossing komt overigens overeen met de simpele uitoefening door het Agentschap van het optierecht op de aankoop van het uranium dat hem door ENU wordt aangeboden (...)”
( 7 ) Zie de repliek van ENU op blz. 7.
( 8 ) Zie de punten 16 en 29, sub b, van de repliek van ENU.
( 9 ) Zie punt 9 van de dupliek van de Commissie.
( 10 ) Zie de repliek van ENU, punt 2 sub a, b, d en g, en vooral ook de punten 19, 20 en 27.
( 11 ) Zie bij voorbeeld de punten 45, 46 en 49.3 in de brief van ENU van 21 december 1990, evenals de conclusie van deze brief, waarbij ENU de Commissie uitnodigt om de hiervóór bedoelde maatregelen te treffen en „alaus het onwettige gedrag van het Agentschap recht te zetten en verandering te brengen in de wijze waarop zij zelf het probleem heeft behandeld”.
( 12 ) Zie de repliek van ENU, punt 1, blz. 6.
( 13 ) De Commissie heeft dit standpunt in haar verweerschrift (punt 2) naar voren gebracht. Het is echter mogelijk, dat de dupliek van de Commissie een wijziging van dit standpunt inhoudt (punt 9, vierde alinea).
( 14 ) Zie met name het arrest van 4 februari 1959 (zaak 17/57, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg, Jurispr. 1959, blz. 9), de conclusie van 7 februari 1985 van advocaat-generaal Lenz bij het arrest van 22 mei 1985 (zaak 13/83, Parlement/Raad, Jurispr. 1985, blz. 1513), met name punt 3.1, en de conclusie van 25 februari 1986 van advocaat-generaal Darnion bij het arrest van 6 mei 1986 (zaak 25/85, Nuovo Campsider, Jurispr. 1986, blz. 1531), met name punt 6, alsook r. o. 8 van dit arrest, waarin het Hof verkdaarde, dat het instellen van een beroep wegens nalaten moet worden voorafgegaan door een uitnodiging die zodanig is geformuleerd, „dat duidelijk is, welke beschikking de Commissie krachtens het gemeenschapsrecht had moeten geven” (cursivering van mij).
( 15 ) Zie arrest Nuovo Campsider, reeds aangehaald, r. o. 8.
( 16 ) Artikel 146, tweede alinea, van het Verdrag luidt als volgt: „ledere natuurlijke of rechtspersoon kan (...) beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken” (cursivering van mij).
( 17 ) Jurispr. 1992, blz. I-6074, punten 17-19.
( 18 ) Zie met name arresten van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 197) en 22 oktober 1986 (zaak 75/84, Metro, Jurispr. 1984, blz. 3021, r. o. 20).
( 19 ) Volgens ENU moet de termijn in voorkomend geval worden berekend vanaf 8 december 1989 tot en met 21 december 1990, toen ENU de Commissie formeel uitnodigde tot handelen.
( 20 ) Zaak 59/70, Nederland/Commissie, Jurispr. 1971, blz. 639.
( 21 ) De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat ENU zich niet heeft gehouden aan artikel VIII, lid 3, van de statuten van het Agentschap, dat luidt als volgt:
„Iedere, in artikel 53, alinea 2, van het Verdrag bedoelde handeling van het Agentschap kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd tot en met de vijftiende dag volgende op de datum van kennisgeving der handeling of, indien geen kennisgeving heeft plaatsgevonden, van haar bekendmaking. Bij ontbreken Én van kennisgeving én van bekendmaking gaat de termijn in op de dag waarop de belanghebbende kennis van de handeling heeft verkregen.”
De Commissie wijst erop, dat het Agentschap geen handeling heeft verricht ten aanzien van de Commissie binnen de vijftien dagen die aan de brief van ENU van 21 december 1990 voorafgingen, daar de laatste brief van het Agentschap was gedateerd op 8 november 1988. Omdat er zodoende geen handeling was die aan de Commissie kon worden voorgelegd, was laatstgenoemde niet gehouden een beschikking te geven. Verder betoogt de Commissie, dat indien ENU het aanvankelijke antwoord van het Agentschap opvatte als een negatieve beschikking, zij deze beschikking binnen de voorgeschreven termijn aan de Commissie had moeten voorleggen.
In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat indien de handeling van het Agentschap, zoals ENU stelt, moet worden beschouwd als een permanente handeling, de brief van de Commissie van 8 december 1989 hetzelfde permanente juridische gevolg, en dat de Commissie dienvolgens niet gehouden kon zijn een nieuwe beschikking te geven.
Full & Egal Universal Law Academy