Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Is de staat van tewerkstelling van één van de echtgenoten of de staat waar het gezin woont, de Lid-Staat die de gezinsbijslagen moet betalen wanneer de moeder van het gezin tot de categorie van grensarbeiders behoort en de echtgenoot in de staat waar het gezin woont, in loondienst is? Dat is in wezen de vraag van de Court of Appeal in Northern Ireland.
2. Mevrouw McMenamin, geïntimeerde in het hoofdgeding, woont samen met haar echtgenoot en kinderen in Ierland en werkt als lerares in Ulster, zodat zij op werkdagen elke morgen en avond de grens overschrijdt. Haar echtgenoot werkt in Ierland.
3. Op 1 december 1986 diende zij in Noord-Ierland krachtens de Child Benefit (Northern Ireland) Order 1975 een verzoek om kinderbijslag in. De Adjudication Officer besliste, dat mevrouw McMenamin ° die sinds 1975 in Ierland kinderbijslag (children' s allowance) ontving ° met ingang van 2 december 1985 recht had op een aanvulling, gelijk aan het verschil tussen de krachtens de Ierse wetgeving verschuldigde kinderbijslag en de krachtens de Britse regeling van 1975 verschuldigde, hogere kinderbijslag.
4. De Social Security Appeal Tribunal bevestigde de beslissing van de Adjudication Officer. Mevrouw McMenamin stelde daarop beroep in bij de Social Security Commissioner (hierna: "Commissioner").
5. In dat stadium van de procedure erkende de Adjudication Officer, dat het op 16 juli 1979 in Ierland ingediend verzoek om bijslagen als een geldig verzoek om kinderbijslag in Noord-Ierland moest worden aangemerkt.
6. Bij voorlopige beslissing van 26 april 1989 oordeelde de Commissioner, dat de gezinsbijslagen van 17 juli 1978 (dat wil zeggen één jaar vóór de aanvraag) tot 19 juni 1985 [de dag vóór de inwerkingtreding van artikel 10 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad(1), zoals gewijzigd bij artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1660/85 van de Raad(2)] door Ierland moesten worden betaald, en dat mevrouw McMenamin in Noord-Ierland recht had op een aanvullende bijslag.
7. In zijn eindbeslissing van 2 november 1989 besliste de Commissioner, overwegende dat de uitkeringen niet ten laste van Ierland, maar van het Verenigd Koninkrijk hadden moeten komen, dat er in de staat van tewerkstelling geen schorsing van het recht op bijslagen plaatsvond, en dat mevrouw McMenamin met ingang van 20 juni 1985 recht had op de volledige kinderbijslag, die door het Verenigd Koninkrijk moest worden betaald. Alleen tegen deze laatste beslissing heeft de Adjudication Officer hogere voorziening ingesteld bij de Court of Appeal in Northern Ireland.
8. In de onderhavige zaak is sprake van samenloop van rechten op gezinsbijslagen van één en dezelfde persoon.
9. Krachtens de Child Benefit (Northern Ireland) Order 1975 heeft mevrouw McMenamin recht op gezinsbijslagen in Noord-Ierland, omdat zij daar haar beroep uitoefent.
10. De nationale Ierse wetgeving geeft eveneens recht op gezinsbijslagen. Dit recht is niet afhankelijk van de uitoefening van een beroep; het is gebaseerd op het begrip bijstand. Wanneer het kind waarvoor recht op bijslagen bestaat, bij zijn beide ouders woont, is de moeder de rechthebbende.(3)
11. Ingevolge artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad(4), zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen.
12. Volgens artikel 13, lid 2, sub a, van deze verordening is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont. Met betrekking tot gezinsbijslagen stelt artikel 73 van dezelfde verordening (hierna: "artikel 73") de in een andere Lid-Staat gelegen woonplaats van de gezinsleden gelijk met een woonplaats in de Lid-Staat van tewerkstelling van de werknemer of zelfstandige(5); gezinsbijslagen zijn derhalve onderworpen aan de lex loci laboris.
13. Bij samenloop van rechten op gezinsbijslagen die krachtens artikel 73 worden ontleend aan de wetgeving van de staat van tewerkstelling enerzijds en aan de wetgeving van het woonstaat van de gezinsleden anderzijds, bepaalt artikel 76, lid 1, van verordening nr. 1408/71(6), dat het recht op bijslagen in de staat van tewerkstelling wordt geschorst, wanneer "op grond van verrichte beroepsactiviteiten"(7) krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de gezinsleden wonen, eveneens gezins- of kinderbijslagen verschuldigd zijn.(8) De lex loci laboris van de woonstaat heeft dus voorrang.
14. In artikel 76 gaat het om rechten die op grond van verrichte beroepsactiviteiten worden toegekend in de woonstaat van het kind. Zoals gezien, is dit bij de Ierse wettelijke regeling niet het geval.
15. Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 574/72, dat voornoemd artikel 76 aanvult(9), doelt op het geval van samenloop van rechten op gezinsbijslagen krachtens de artikelen 73 en 74(10) en in de woonstaat van het kind toegekende rechten, zonder voorwaarde van beroepsuitoefening en uit hoofde van de woonplaats alleen.
16. Ook al is de uitoefening van een beroep in die staat geen voorwaarde voor toekenning van deze bijslagen, toch is zij niet zonder belang om de prioriteitsregels inzake de toepasselijke wettelijke regeling te bepalen.
17. Zo bepaalde artikel 10, lid 1, in de versie zoals die luidde vóór de wijziging bij artikel 2 van verordening nr. 1660/85 van de Raad, dat wanneer in de woonstaat van het kind rechten bestaan voor de verkrijging waarvan geen voorwaarden inzake verzekering of arbeid worden gesteld, en de echtgenoot van de werknemer geen beroepswerkzaamheden uitoefent op het grondgebied van die staat, de rechten in de woonstaat worden geschorst (prioriteit van de lex loci laboris). Oefent de echtgenoot daarentegen wel een beroep uit, dan worden de krachtens artikel 73 in het land van tewerkstelling van de werknemer toegekende rechten geschorst; de lex loci laboris van de woonstaat heeft voorrang.
18. De ratio van deze bepalingen is duidelijk: het is normaal dat de wetgeving van de staat van tewerkstelling waar de werknemer zijn bijdragen aan het sociale-zekerheidsstelsel betaalt, voorrang heeft. Evenzo is het terecht, dat deze wetgeving op haar beurt opzij wordt gezet door de wetgeving van de woonstaat, wanneer de echtgenoot daar werkt, omdat in die staat de kinderen worden grootgebracht en de administratie daar het best rekening kan houden met de gezinssituatie.
19. Door deze redactie van artikel 10 hadden bij samenloop van gezinsbijslagen de rechten op bijslagen die verschuldigd waren in de woonstaat van het kind, dus altijd voorrang, wanneer de echtgenoot daar een beroep uitoefende.
20. Krachtens dit artikel heeft de Commissioner bij voorlopige beslissing het recht op door de staat van tewerkstelling uitbetaalde bijslagen van 1979 tot 1985, het tijdstip waarop het artikel werd gewijzigd, geschorst, omdat bijslagen zonder voorwaarde inzake arbeid werden betaald door de woonstaat waar de echtgenoot van geïntimeerde in het hoofdgeding werkzaam was. Geïntimeerde kreeg van het Verenigd Koninkrijk echter het verschil tussen de door Ierland betaalde kinderbijslag en het bedrag van de in het Verenigd Koninkrijk voorziene kinderbijslag. De Commissioner verwijst in zijn voorlopige beslissing van 24 april 1989 overigens naar het arrest Rossi van 6 maart 1979(11), volgens hetwelk de anti-cumulatiebepaling, wanneer het bedrag van de bijslag waarvan de uitkering in een Lid-Staat wordt geschorst, hoger is dan dat van de in een andere Lid-Staat uit hoofde van het verrichten van beroepswerkzaamheden ontvangen bijslag, slechts gedeeltelijk dient te worden toegepast en het verschil tussen de twee bedragen als aanvulling moet worden uitgekeerd.
21. Bovengenoemd artikel 10, lid 1, is gewijzigd na het arrest van 3 februari 1983 in de zaak Robards.(12) In die zaak ontving de gewezen echtgenoot van de verzoekster, die in Ierland woonde en daar ook werkzaam was, krachtens artikel 73 de gezinsbijslagen die door die staat werden betaald voor alle kinderen uit zijn huwelijk met verzoekster, daaronder begrepen de kinderen die bij haar in het Verenigd Koninkrijk woonden.
22. Het Hof oordeelde, dat de gescheiden ouder die in de woonstaat van de kinderen een beroep uitoefent, moest worden gelijkgesteld met de echtgenoot van de werknemer in de zin van artikel 10, lid 1, sub a, van verordening nr. 574/72, en dat de door de staat van tewerkstelling van de andere ouder krachtens artikel 73 verschuldigde gezinsbijslagen derhalve moesten worden geschorst.
23. In navolging van de conclusie van de advocaat-generaal heeft het Hof niet aanvaard, dat het begrip "echtgenoot" betrekking heeft op een ieder aan wie een kind is toevertrouwd:
"De uitlegging van de bepaling in geding dient in casu dus te worden beperkt tot het bij de nationale rechterlijke instantie aanhangige geval, namelijk dat van een van echt gescheiden, niet-hertrouwde persoon die beroepswerkzaamheden verricht. Het staat aan de Commissie en de Raad de nodige maatregelen te nemen om de betrokken bepaling te wijzigen indien zulks noodzakelijk blijkt om andere gevallen op bevredigende wijze te kunnen oplossen" (r.o. 19).
24. Teneinde de schorsing van de aan artikel 73 ontleende rechten eveneens te laten gelden wanneer de rechthebbende op de bijslag in de woonstaat waar de beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend, niet of niet meer gehuwd is met de werknemer, is artikel 10, lid 1, gewijzigd bij artikel 2 van verordening nr. 1660/85.(13) Het is opnieuw gewijzigd bij artikel 2 van verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad(14) en artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1249/92 van de Raad.(15) Sindsdien luidt het artikel als volgt(16):
"a) Het recht op gezins- of kinderbijslag die is verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, waarin voor het verkrijgen van het recht op deze bijslag geen voorwaarden inzake verzekering, werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst worden gesteld, wordt geschorst wanneer tijdens een zelfde tijdvak en voor een zelfde gezinslid bijslag is verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere Lid-Staat of krachtens artikel 73, 74, 77 of 78 van de verordening, ten belope van het bedrag van die bijslag.
b) Wanneer echter op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend:
i) in het geval van bijslag verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van een andere Lid-Staat of op grond van artikel 73 of 74 van de verordening, door degene die recht heeft op gezinsbijslagen of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald, wordt het recht op gezinsbijslagen, verschuldigd enkel krachtens de nationale wetgeving van die andere Lid-Staat of krachtens deze artikelen, geschorst ten belope van het bedrag van de gezinsbijslagen zoals voorzien in de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het gezinslid woont. De bijslag die wordt uitbetaald door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het gezinslid woont, komt ten laste van deze Staat";
(...)
25. De bij verordening nr. 1660/85 in artikel 10 aangebrachte wijziging heeft dus tot gevolg gehad, dat niet langer de uitoefening van een beroep in de woonstaat door de "echtgenoot" tot een schorsing van de krachtens artikel 73 verschuldigde bijslag leidt, doch de uitoefening van een beroep in de woonstaat door "degene die recht heeft op gezins- of kinderbijslag of degene aan wie deze bijslag wordt uitbetaald".
26. Heeft in de situatie die de nationale rechter ons voorlegt, de bij verordening nr. 1660/85 in artikel 10 aangebrachte wijziging tot gevolg gehad, dat de verplichting tot betaling van de bijslagen van Ierland op het Verenigd Koninkrijk is overgegaan?
27. Volgens de Commissioner heeft een dergelijke overdracht plaatsgevonden met ingang van de dag van de inwerkingtreding van dit gewijzigde artikel, dat mevrouw McMenamins recht op de door het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 73 uitbetaalde bijslagen niet langer kan schorsen, aangezien de beroepswerkzaamheden op het grondgebied van de woonstaat niet door haar worden uitgeoefend, maar door haar echtgenoot, die niet "degene is die recht heeft op gezinsbijslagen" in de zin van het nieuwe artikel 10 van verordening nr. 574/72, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1660/85.
28. Onder deze omstandigheden heeft de Court of Appeal in Northern Ireland de volgende vragen gesteld:
"1) Heeft artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (op grond waarvan geïntimeerde moet worden behandeld alsof enkel de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk op haar van toepassing is) tot gevolg, dat de woorden 'degene die recht heeft op gezins- of kinderbijslag' in artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad (zoals gewijzigd) niet op geïntimeerde van toepassing zijn, ondanks het feit dat zij degene is die krachtens de wetgeving van de Ierse Republiek (en afgezien van genoemd artikel 13) recht heeft op kinderbijslag?
2) Heeft de omstandigheid dat de echtgenoot van geïntimeerde in de Ierse Republiek een beroep of bedrijf uitoefent en krachtens de wetgeving van de Ierse Republiek recht heeft op kinderbijslag, indien geïntimeerde om enige reden haar recht op die bijslag zou verliezen of niet geldend zou kunnen maken, tot gevolg, dat ingevolge artikel 10, lid 1, sub b-i (zoals gewijzigd), geïntimeerdes recht op die bijslag in het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 73, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad wordt geschorst?"
29. Zoals gezien heeft deze zaak één bijzonderheid. De aan artikel 73 ontleende rechten en de uit de toepassing van de wetgeving van de woonstaat voortvloeiende rechten hebben één en dezelfde rechthebbende: geïntimeerde in het hoofdgeding.
30. De eerste vraag komt erop neer, dat de verwijzende rechter wenst te vernemen, of in een dergelijke geval het in artikel 13 van verordening nr. 1408/71 neergelegde beginsel dat een persoon gelijktijdig slechts aan een enkel stelsel van sociale zekerheid onderworpen kan zijn, de toepassing van de anti-cumulatiebepaling van artikel 10 uitsluit.
31. Volgens de Adjudication Officer ontleent mevrouw McMenamin aan artikel 13 recht op bijslag in de staat van tewerkstelling. In de woonstaat heeft zij elk recht verloren. Artikel 13 wordt derhalve aldus uitgelegd, dat het bij samenloop van rechten op bijslag van één en dezelfde persoon in twee verschillende Lid-Staten de toepassing van de anti-cumulatiebepaling van artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72 uitsluit.
32. In het arrest van 27 mei 1982 in de zaak Aubin(17) besliste het Hof:
"Deze algemeen luidende bepaling (artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71) uit titel II 'Vaststelling van de toe te passen wetgeving' van verordening nr. 1408/71, geldt evenwel alleen voor zover er in de bijzondere bepalingen voor de verschillende soorten uitkeringen van titel III der verordening een uitzonderingen voorzien zijn" (r.o. 11).
Zoals u ziet, gaat het om de regel "specialia generalibus derogant".
33. In die zaak waren op de verzoeker in het hoofdgeding dus de bepalingen van titel III inzake de werkloosheidsuitkering van toepassing: artikel 71, lid 1, sub b-ii.
34. Het Hof heeft hieruit afgeleid, dat artikel 13, dat de betrokkene aan de wetgeving van de staat van tewerkstelling onderwierp, moest wijken voor artikel 71, lid 1, sub b-ii, dat de werkloosheidsuitkeringen in dat geval ten laste van het bevoegde orgaan van de woonstaat brengt.
35. In de zaak Beeck(18), waarin de feitelijke situatie erg veel lijkt op die welke de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd, heeft het Hof geoordeeld, dat de algemene bepaling van artikel 13 niet de toepassing van de bijzondere bepalingen van titel III van verordening nr. 1408/71 uitsloot en zelfs niet van de bepalingen van de later vastgestelde toepassingsverordeningen.
36. De verzoeker in het hoofdgeding, die Duits onderdaan was en als werknemer in Duitsland werkte, woonde met zijn echtgenote en hun kinderen in Denemarken. Zijn echtgenote werkte in Denemarken, waar zij gezinsbijslagen ontving die, onafhankelijk van de beroepswerkzaamheden, werden uitgekeerd uit hoofde van de woonplaats. Het Arbeitsamt Flensburg had geweigerd, Beeck Duitse gezinsbijslagen toe te kennen, waarbij het zich baseerde op artikel 10, lid 1, sub a, oude versie, van verordening nr. 574/72.
37. Het Hof heeft erkend:
"Voor de toepasselijkheid van artikel 73, lid 1, is het dus voldoende dat de werknemer in een Lid-Staat arbeid in loondienst verricht en dat zijn gezinsleden in een andere Lid-Staat wonen. Deze bepaling moet worden gelezen in verband met het voorschrift van artikel 13, lid 2, sub a, van dezelfde verordening, volgens hetwelk een werknemer die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaam is, valt onder de wetgeving van de Lid-Staat, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont. Overeenkomstig de doelstelling van verordening nr. 1408/71 dient deze regeling te verzekeren dat alle onderdanen van de Lid-Staten, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, door de verschillende nationale wetgevingen gelijk worden behandeld en, ongeacht waar zij werken of wonen, uitkeringen van sociale zekerheid ontvangen. Zij moet dan ook in alle Lid-Staten eenvormig worden uitgelegd, wat ook de structuur moge zijn van de nationale wettelijke regelingen inzake het verkrijgen van het recht op gezinsbijslagen" (r.o. 7).
38. Het Hof merkte op, dat het door de verzoeker in het hoofdgeding aan artikel 73 ontleende recht op gezinsbijslagen samenviel met het recht op bijslagen waarop zijn echtgenote recht had in het land waar het kind woonde, en dat dit laatste recht krachtens artikel 10, lid 1, sub a, oude versie, van verordening nr. 574/72 voorrang moest hebben op het recht van de werknemer(19): zijn echtgenote had een eigen recht op gezinsbijslagen, die daadwerkelijk aan haar werden uitgekeerd.
39. Het is derhalve duidelijk, dat het recht dat een werknemer aan de artikelen 13 en 73 van verordening nr. 1408/71 ontleent, moet worden geconfronteerd met de anti-cumulatiebepalingen van artikel 76 van deze verordening en artikel 10 van verordening nr. 574/72, wanneer gelijktijdig in de Lid-Staat van tewerkstelling krachtens artikel 73 en in de woonstaat krachtens de nationale wetgeving gezinsbijslagen verschuldigd zijn.
40. Belet de omstandigheid, dat de schuldeiser van de bijslagen in de staat van tewerkstelling (krachtens artikel 73) en in de woonstaat (krachtens de nationale wetgeving) één en dezelfde persoon is, de toepassing van artikel 76 van verordening nr. 1408/71 of van artikel 10 van verordening nr. 574/72?
41. Desgevraagd preciseerde het Hof het begrip samenloop van gezinsbijslagen als volgt:
"Uit de bewoordingen van deze bepaling (artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1408/71(20)) volgt, dat cumulatie niet alleen bestaat wanneer één persoon gelijktijdig recht heeft op twee verschillende gezinsbijslagen, maar ook wanneer twee verschillende personen, in casu twee ouders, recht hebben op dergelijke bijslagen ten gunste van een zelfde kind."(21)
42. In de zaak Georges(22) had de verzoeker in het hoofdgeding gelijktijdig als werknemer in Frankrijk en als zelfstandige in België, de woonstaat van het gezin, recht op gezinsbijslagen.
43. Omdat de gezinsbijslagen krachtens de wetgeving van de woonstaat werden toegekend uit hoofde van de uitoefening van een beroep, was de toepasselijke communautaire anti-cumulatiebepaling die van artikel 76. In zijn conclusie in deze zaak vroeg advocaat-generaal Tesauro zich af, of dit artikel van toepassing is, wanneer er sprake is van samenloop van rechten op bijslagen van één en dezelfde persoon:
"(...) is deze bepaling [artikel 76] alleen van toepassing wanneer de werkzaamheden worden verricht in de staat waar het gezin woont, en wel door een gezinslid van de in een andere Lid-Staat tewerkgestelde werknemer, of is zij ook van toepassing wanneer, zoals in het onderhavige geval, de werknemer zelf een tweede beroepswerkzaamheid verricht?
Ik zie geen argumenten ten gunste van de eerste, beperkte mogelijkheid van dit alternatief. De bewoordingen van artikel 76 lenen zich absoluut niet voor een dergelijke interpretatie. Nog afgezien van zuiver letterlijke overwegingen is het de 'raison d' être' zelf van artikel 76 ° dat een anti-cumulatievoorschrift is en blijft ° op grond waarvan de betaling van de gezins- of kinderbijslagen die krachtens artikel 73 of artikel 74 verschuldigd zijn, ook moeten worden geschorst wanneer het de werknemer zelf is die in de staat van de woonplaats een tweede werkzaamheid uitoefent (...)"(23).
44. Het Hof heeft beslist, dat de aan artikel 73 van verordening nr. 1408/71 ontleende rechten moesten worden geschorst tot het bedrag van de bijslagen van dezelfde aard die in de woonstaat daadwerkelijk werden betaald, en dat de in de woonstaat uit hoofde van de beroepsuitoefening verschuldigde bijslagen krachtens artikel 76 van deze verordening moesten worden uitgekeerd. Dit artikel is niet buiten toepassing geraakt door de werking van artikel 13.
45. Artikel 10 van verordening nr. 574/72 is vastgesteld teneinde rekening te houden met de bijzonderheden van de nationale wetgevingen van sommige Lid-Staten van de Gemeenschap, die het recht op gezinsbijslagen alleen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat het gezin op hun nationale grondgebied woont, en niet van de uitoefening van een beroep.(24) Het artikel heeft hetzelfde doel als artikel 76, omdat het recht op bijslagen in de woonstaat voorrang heeft op dat in de staat van tewerkstelling, wanneer in de eerste staat beroepswerkzaamheden worden verricht.
46. In het reeds aangehaalde arrest van 3 februari 1983 (Robards) heeft het Hof overigens deze verwantschap tussen de beide artikelen beklemtoond:
"Juist zoals artikel 76 van verordening nr. 1408/71, dat eveneens een geval van samenloop van gezinsbijslagen betreft, geeft deze bepaling (artikel 10, lid 1, sub a, in de oude versie vóór de wijziging van 1985) voorrang aan de prestaties van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de kinderen wonen en waar een van de betrokken rechthebbenden beroepswerkzaamheden verricht (...)" (r.o. 15).
47. De beide bepalingen vullen elkaar dus aan, omdat de ene van toepassing is wanneer de uitoefening van beroepswerkzaamheden een voorwaarde is voor de verkrijging van het recht op bijslag in de woonstaat, en de andere in het tegenovergestelde geval. Ten slotte hebben deze beide anti-cumulatiebepalingen hetzelfde gevolg. Geheel in overeenstemming met de vereisten van artikel 13, wordt de betrokkene aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen.
48. Mijns inziens volgt hieruit, dat voor deze beide artikelen dezelfde regeling moet gelden. Waar artikel 76 van toepassing is in geval van samenloop van rechten op bijslagen van één en dezelfde persoon, moet artikel 10 eveneens van toepassing zijn.
49. In deze zaak staat overigens niet ter discussie, dat tot 1985 de samenloop van de aan artikel 73 en aan de nationale Ierse wetgeving ontleende rechten op bijslagen van één en dezelfde persoon (geïntimeerde in het hoofdgeding) moest worden opgelost door artikel 10 van verordening nr. 574/72 toe te passen, zonder dat artikel 13 aan die toepassing in de weg stond.
50. Zo betekent het feit dat een werknemer in de staat van tewerkstelling recht op bijslagen heeft, niet dat hij ipso facto het recht op bijslagen in de woonstaat verliest: het betekent slechts dat de communautaire anti-cumulatiebepalingen moeten worden toegepast.
51. In het arrest Luijten(25), dat de Adjudication Officer aanvoert tot staving van de stelling dat artikel 10 niet van toepassing is, woonde de verzoeker in het hoofdgeding, die Nederlands onderdaan was, met zijn echtgenote in Nederland. Omdat hij als zelfstandige in België werkzaam was, had hij recht op Belgische gezinsbijslagen. Op grond van de woonplaats had het gezin Luijten eveneens recht op Nederlandse gezinsbijslagen.
52. Het Hof heeft het daaruit voortvloeiende conflict van rechten op bijslagen niet kunnen oplossen door de artikelen 73 en 76 van verordening nr. 1408/71 en artikel 10 van verordening nr. 574/72 toe te passen, omdat artikel 73 op dat moment niet van toepassing was op zelfstandigen(26).
53. Bij gebreke van toepasselijke bijzondere bepalingen, heeft het Hof de samenloop van rechten geregeld door artikel 13 toe te passen:
"Volgens vaste rechtspraak van het Hof hebben de bepalingen van titel II van de verordeningen nr. 3 en nr. 1408/71, die de op binnen de Gemeenschap migrerende werknemers toepasselijke wetgeving aanwijzen, tot doel die werknemers onder de sociale-zekerheidsregeling van één enkele Lid-Staat te brengen, teneinde samenloop van nationale regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen" (r.o. 12).
54. Artikel 13 van verordening nr. 1408/71 was hier dus subsidiair van toepassing, omdat de samenloop van de in deze zaak in geding zijnde rechten niet onder de werkingssfeer van de bepalingen van titel III van deze verordening viel.
55. Thans zou de situatie van Luijten overigens onder artikel 73 vallen ° dat inmiddels van toepassing is op zelfstandigen(27) °, en zou de samenloop van rechten op een Belgische en een Nederlandse bijslag onderworpen zijn aan artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72, omdat voor het recht op Nederlandse gezinsbijslagen slechts de voorwaarde van woonplaats geldt, en niet die van de uitoefening van beroepswerkzaamheden.
56. Uit het arrest Luijten kan men derhalve slechts afleiden, dat artikel 13 ertoe kan leiden, dat de toepassing van de anti-cumulatiebepalingen van de artikelen 76 of 10, lid 1, sub b-i, wordt stilgelegd, terwijl deze bepalingen hoe dan ook niet van toepassing zijn op de onderhavige situatie.
57. Het beroep van de Adjudication Officer op het arrest van 12 juni 1986 in de zaak Ten Holder(28) lijkt eveneens weinig ter zake dienend.
58. Mevrouw Ten Holder, Nederlands onderdaan, was in Duitsland werkzaam voordat zij arbeidsongeschikt werd en naar Nederland terugkeerde om daar te gaan wonen. Ofschoon zij een tijdlang uitkeringen van de Duitse ziekteverzekering ontving, kreeg zij al snel geen enkele uitkering meer. Derhalve werd de vraag gesteld, of zij krachtens artikel 13 onderworpen bleef aan de Duitse wetgeving.
59. Strikt genomen was er dus geen sprake van samenloop van uitkeringen, doch van een soort "negatief conflict", omdat geen enkele wetgeving rekening hield met de situatie van de betrokkene.
60. Het Hof besliste:
"Hoewel genoemde bepaling (artikel 13, lid 2, sub a) niet uitdrukkelijk het geval noemt van een werknemer die niet werkzaam is op het ogenblik waarop hij een ziekteuitkering aanvraagt, moet zij aldus worden uitgelegd, dat zij in voorkomend geval verwijst naar de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan de werknemer laatstelijk tewerkgesteld was" (r.o. 13).
61. Uit het arrest Ten Holder noch uit het arrest Luyten kan derhalve worden afgeleid, dat artikel 13 van verordening nr. 1408/71 tot gevolg heeft, dat artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72 niet van toepassing is op een grensarbeider in een situatie als de verwijzende rechter ons voorlegt.
62. Ik wil beklemtonen, dat de bepalingen van verordening nr. 1408/71 betreffende de samenloop van gezinsbijslagen dienen te beletten, dat zowel de rechtstreeks rechthebbende op een gezinsbijslag, dat wil zeggen de werknemer, als de indirect rechthebbenden op deze bijslag, vooral de kinderen, gelijktijdig twee uitkeringen van dezelfde aard kunnen genieten, zonder onderscheid te maken tussen de situatie waarin de rechten op bijslagen voor één en hetzelfde kind van verschillende personen of van één persoon samenlopen.
63. Het valt overigens op, dat het formulier E 411, waarmee het bevoegde orgaan voor de toekenning van gezinsbijslagen in de Lid-Staat van tewerkstelling verzoekt te vernemen, of in de woonstaat van de gezinsleden een recht op dergelijke bijslagen bestaat, niet uitsluit dat één en dezelfde persoon recht heeft op verschillende bijslagen(29).
64. Samenloop van concurrerende rechten van één en dezelfde persoon kan derhalve aanleiding geven tot toepassing van artikel 10 van verordening nr. 574/72, evenals tot toepassing van artikel 76 van verordening nr. 1408/71, gelijk het Hof overigens heeft beslist in het reeds aangehaalde arrest van 27 juni 1989 (Georges).
65. Omdat in artikel 13 van verordening nr. 1408/71 het beginsel is neergelegd, dat een werknemer slechts aan het stelsel van sociale zekerheid van één enkele Lid-Staat is onderworpen, kan de betrokkene niet worden verplicht tweemaal bijdragen te betalen(30). Anderzijds kan hij zich door de samenloop van de verschillende wetgevingen niet ongerechtvaardigd verrijken, wanneer de op grond van de nationale wetgevingen verkregen voordelen behouden blijven. Dit artikel heeft geenszins tot gevolg, dat de toepassing van de artikelen van titel III en de daarin vervatte anti-cumulatiebepalingen wordt geschorst(31). Integendeel, zoals gezien in het arrest Luijten, wordt het toegepast bij gebreke van een specifieke communautaire bepaling(32).
66. Zoals de eerste vraag is geformuleerd, moet zij mijns inziens dan ook ontkennend worden beantwoord: artikel 13 staat niet aan de toepassing van artikel 10, lid 1, sub b-i, in de weg; de grensarbeider die zich in dezelfde omstandigheden als geïntimeerde in het hoofdgeding bevindt, kan "degene zijn die recht heeft op gezins- of kinderbijslag" in de woonstaat in de zin van artikel 10.
67. Het probleem voor de toepassing van dit artikel ligt mijns inziens elders.
68. Omdat het recht op de door de Ierse wetgeving toegekende gezinsbijslagen alleen is gebaseerd op het criterium woonplaats, wordt de samenloop niet geregeld door artikel 76 van verordening nr. 1408/71, maar door artikel 10 van verordening nr. 574/72.
69. Volgens lid 1, sub b-i, van dit artikel worden de bij artikel 73 toegekende rechten geschorst, wanneer op het grondgebied van de woonstaat beroepswerkzaamheden worden verricht door degene die recht heeft op de bijslagen.
70. Hoe is de situatie wanneer de rechthebbende op de bijslagen in de woonstaat niet degene is die daar beroepswerkzaamheden verricht?
71. Bij een letterlijke toepassing van de betrokken bepaling zou de schorsing van de aan artikel 73 ontleende rechten worden afgewend.
72. Om die reden dus, en niet als gevolg van artikel 13 van verordening nr. 1408/71, zou de schorsing onmogelijk kunnen blijken.
73. Ik wil thans de gevolgen van een dergelijke letterlijke uitlegging onderzoeken.
74. Tot 20 juni 1985, de datum waarop de wijziging van artikel 10 in werking trad, werd het in de staat van tewerkstelling aan de toepassing van artikel 73 ontleende recht op bijslag krachtens artikel 10, lid 1, oud, geschorst, wanneer de echtgenoot van de werknemer in de woonstaat beroepswerkzaamheden uitoefende. Deze schorsing moest met ingang van die datum eindigen, wanneer de echtgenoot van de werknemer in de woonstaat niet "degene (was) die recht heeft op bijslagen" in de zin van artikel 10, lid 1, sub b-i, gewijzigd.
75. De na het arrest Robards (reeds aangehaald) in 1985 ingevoerde wijziging van dit artikel beoogde nu juist de lijst van met de kinderen wonende personen uit te breiden, ten aanzien van wie het feit dat zij in de woonstaat werken, aanleiding is om de bijslagen in de staat van tewerkstelling te schorsen. Zoals gezegd diende het mogelijk te worden gemaakt, dat de gescheiden echtgenoot bij wie de kinderen wonen, zelf de gezinsbijslagen in zijn woonstaat rechtstreeks ontving(33).
76. Bij een restrictieve letterlijke uitlegging van artikel 10, lid 1, sub b-i, nieuw, van verordening nr. 574/72 zou de werkingssfeer ervan dermate worden beperkt, dat de schorsing van de aan artikel 73 ontleende rechten, die toch vóór de wijziging van 1985 was voorgeschreven, onmogelijk zou worden.
77. Indien de communautaire wetgever met de uit verordening nr. 1660/85 voortvloeiende wijziging van artikel 10 van verordening nr. 574/72 het beginsel dat de wetgeving van de woonstaat voorrang heeft wanneer aldaar beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend, weer in geding had willen brengen, was dit zonder twijfel tot uitdrukking gebracht in de overwegingen van deze verordening.
78. Bovendien zou een letterlijke uitlegging van artikel 10, lid 1, sub b-i, tot de volgende paradox leiden.
79. Wanneer, zoals in de zaak Robards, gescheiden ouders, van wie de een in een Lid-Staat en de ander in de woonstaat van de kinderen beroepswerkzaamheden uitoefent, afzonderlijk in elk van deze staten wonen, is artikel 10, lid 1, sub b-i, van toepassing en worden de aan artikel 73 ontleende rechten geschorst.
80. Wonen de beide, in twee verschillende Lid-Staten werkende echtgenoten daarentegen met hun kinderen in dezelfde Lid-Staat, dan zou artikel 10, lid 1, sub b-i, niet meer van toepassing zijn en zou de wetgeving van de staat van tewerkstelling voorrang hebben, uitsluitend op grond dat de echtgenoot die in de woonstaat gerechtigde van de bijslagen is, niet degene is die daar beroepswerkzaamheden uitoefent, terwijl de banden van het gezin met de woonstaat hier bijzonder sterk zijn.
81. Laten we niet uit het oog verliezen, dat de artikelen 76 en 10 hetzelfde doel hebben: het verlenen van voorrang aan de wetgeving van de woonstaat van het gezin, wanneer 1) daar beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend, en 2) daar bijslagen worden uitbetaald hetzij op grond van verrichte beroepswerkzaamheden (artikel 76), hetzij zonder voorwaarde inzake arbeid (artikel 10).
82. Op grond van de toepassing van artikel 76 zal het recht op bijslagen in de woonstaat altijd voorrang hebben, wanneer daar beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend. Het zijn immers deze beroepswerkzaamheden waardoor het recht op bijslagen ontstaat. Een restrictieve uitlegging van artikel 10, nieuw, van verordening nr. 574/72 zou daarentegen in de weg staan aan de schorsing van de rechten op bijslagen in de woonstaat, ook al oefent de echtgenoot daar beroepswerkzaamheden uit, alleen omdat deze werkzaamheden niet worden uitgeoefend door "degene die recht heeft op de bijslagen".
83. Zodra in de woonstaat van het hele gezin
° een recht op bijslag zonder voorwaarde inzake arbeid bestaat;
° door de echtgenoot van de rechthebbende op de bijslagen beroepswerkzaamheden worden verricht,
lijkt mij te zijn voldaan aan de voorwaarden om de lex loci laboris van de woonstaat voorrang te verlenen. Weliswaar worden de beroepswerkzaamheden niet door dezelfde persoon als de gerechtigde van de bijslagen uitgeoefend, doch deze op bijstand gebaseerde bijslagen zijn zelfs verschuldigd wanneer de gerechtigde in die staat geen beroepswerkzaamheden uitoefent. Waar het om gaat is dat één van de echtgenoten daar werkt, en de in artikel 73 voorziene fictie van woonplaats in de staat van tewerkstelling behoeft niet te worden toegepast.
84. Deze oplossing is in overeenstemming met het arrest van 14 december 1989 (Dammer(34)), waarin in een door de communautaire anti-cumulatieregels niet uitdrukkelijk voorzien geval van samenloop van rechten op bijslagen de regel dat de woonstaat van het kind voorrang heeft, is toegepast.
85. Zodra is voldaan aan de laatste, door de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarde voor schorsing van de aan artikel 73 ontleende rechten, te weten het daadwerkelijk ontvangen van de bijslagen in de woonstaat(35), zie ik geen belemmering voor de toepassing van artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72.
86. Anders dan op het gebied van werkloosheids- of ziekteuitkeringen(36) hebben de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 geen rekening gehouden met het bijzondere karakter van de situatie van grensarbeiders op het gebied van gezinsbijslagen, ofschoon deze aan de bepalingen van die verordeningen, met name aan artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72(37), zijn onderworpen. Zij zien niet uitdrukkelijk op het geval waarin beide echtgenoten in dezelfde staat wonen, doch de rechthebbende op de gezinsbijslagen in die staat niet degene is die daar werkt, doch degene die in het buurland werkt.
87. In dat laatste geval zijn de banden van het gezin met de woonstaat aanzienlijk sterker dan die met de andere staat. Mijns inziens moet dit soort samenloop niet anders worden geregeld dan de samenloop waarbij de rechthebbende op de gezinsbijslagen in de woonstaat waar geen voorwaarde inzake arbeid geldt, eveneens degene is die daar werkt, hetgeen overeenkomt met de situatie in het arrest Robards en die van gescheiden ouders.
88. In dat arrest heeft het Hof er overigens aan herinnerd dat, gezien het doel van artikel 10 van verordening nr. 574/72, "deze bepaling niet restrictief mag worden uitgelegd".(38)
89. Ik concludeer hieruit, dat artikel 10, lid 1, sub b-i, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd, dat het de aan artikel 73 van verordening nr. 1408/71 ontleende rechten schorst, wanneer in de woonstaat beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend door degene die op grond van het woonplaatscriterium rechthebbende op bijslag is of door zijn echtgenoot, wanneer hij in die staat woont.
90. Ten slotte wil ik eraan herinneren, dat de schorsing van de aan artikel 73 ontleende rechten ook slechts gedeeltelijk kan zijn. Immers:
"Volgens een vaste rechtspraak van het Hof, die is gebaseerd op het grondbeginsel van het vrije verkeer van werknemers en de doelstelling van artikel 51 EEG-Verdrag, geldt een bepaling die de cumulatie van kinderbijslagen moet voorkomen, slechts in zoverre als de belanghebbende daardoor niet zonder reden van een recht op uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat wordt beroofd."(39)
Indien het bedrag van de in de woonstaat ontvangen bijslagen dus lager is dan het bedrag dat in de staat van tewerkstelling in het kader van artikel 73 zou zijn ontvangen, moet het bevoegde orgaan van die Lid-Staat het bedrag aanvullen.(40) Dit vereiste is, sinds de wijziging bij artikel 2 van verordening nr. 1249/92 van de Raad(41), inmiddels opgenomen in artikel 10, lid 1, sub b-i.
91. Het antwoord dat ik het Hof in overweging geef op de eerste vraag zou de verwijzende rechter in staat moeten stellen, het bij hem aanhangige geding te beslechten. De tweede vraag behoeft derhalve slechts subsidiair en kort te worden onderzocht.
92. Wij hebben immers gezien, dat verzoekster in het hoofdgeding door de toepassing van artikel 13 mijns inziens in de woonstaat haar rechten niet heeft verloren.
93. Mocht dit toch het geval zijn, dan dient de nationale rechter door toepassing van het nationale recht de gerechtigde van de bijslagen in die staat aan te wijzen.
94. Indien de echtgenoot de gerechtigde is, zou artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening nr. 574/72 in deze zaak nog steeds van toepassing zijn, omdat de rechthebbende op de bijslag zonder voorwaarde inzake arbeid in de woonstaat eveneens degene is die daar werkt.
95. Ik geef derhalve in overweging, voor recht te verklaren:
"1) Artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toepassing van artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 574/72, zoals gewijzigd, in geval de rechthebbende op de gezinsbijslagen in de staat van tewerkstelling, in de zin van artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71, eveneens, zonder voorwaarde inzake beroepswerkzaamheden, de rechthebbende is op soortgelijke bijslagen in de woonstaat, waar zijn echtgenoot beroepswerkzaamheden uitoefent.
Artikel 10, lid 1, sub b-i, van verordening (EEG) nr. 574/72 moet aldus worden uitgelegd, dat het de aan artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 ontleende rechten op gezinsbijslagen schorst ten belope van het bedrag van de gezinsbijslagen die in de woonstaat zonder voorwaarde inzake beroepswerkzaamheden daadwerkelijk worden ontvangen, wanneer in de woonstaat door degene die in die staat rechthebbende op de bijslag is, of door zijn bij hem wonende echtgenoot beroepswerkzaamheden worden uitgeoefend.
2) Indien de werknemer, rechthebbende op de aan artikel 73 ontleende rechten, zijn rechten op bijslag in de woonstaat verliest of niet meer geldend kan maken, staat het aan de nationale rechter om door toepassing van de nationale wettelijke regeling de rechthebbende op deze rechten aan te wijzen.
Wanneer de rechthebbende op bijslag zonder voorwaarde inzake arbeid in de woonstaat eveneens degene is die daar werkt, heeft artikel 10, lid 1, sub b-i, tot gevolg dat de door zijn echtgenoot aan artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 ontleende rechten worden geschorst ten belope van het bedrag van de daadwerkelijk ontvangen gezinsbijslagen."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) ° Van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1972, L 74, blz. 1).
(2) ° Van 13 juni 1985 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1985, L 160, blz. 1).
(3) ° Zie Section 224 van de Ierse Social Welfare (Consolidation) Act 1981 en artikel 2 van de Social Welfare (Children' s Allowances) (Normal Residence) Rules 1974.
(4) ° Van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).
(5) ° Sinds de wijziging van artikel 73 bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 3427/89 van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 en verordening (EEG) nr. 574/72 (PB 1972, L 331, blz. 1).
(6) ° Artikel gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr. 3427/89.
(7) ° Cursivering van mij.
(8) ° Het betreft hier een schorsing ten belope van het bedrag dat krachtens de wetgeving van de woonstaat wordt ontvangen.
(9) ° Zie punt 4 van mijn conclusie in zaak 104/84 (Kromhout, Jurispr. 1985, blz. 2211).
(10) ° Artikel 74 wijst de Lid-Staat aan die de gezinsbijslagen moet betalen wanneer het gezin van een werkloze in een andere Lid-Staat dan de werkloze zelf woont. Het artikel heeft met deze zaak niets te maken.
(11) ° Zaak 100/78, Jurispr. 1979, blz. 831, r.o. 17.
(12) ° Zaak 149/82, Jurispr. 1983, blz. 171.
(13) ° Zie de overwegingen 12-14 van de considerans van deze verordening.
(14) ° Van 18 juli 1989 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1989, L 224, blz. 1).
(15) ° Van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1992, L 136, blz. 28). Artikel 2, lid 1, van deze verordening is van toepassing met ingang van 15 januari 1986 (zie artikel 3, lid 7).
(16) ° De uit de verordeningen nrs. 2332/89 en 1249/92 voortvloeiende wijzigingen zijn gecursiveerd.
(17) ° Zaak 227/81, Jurispr. 1982, blz. 1991.
(18) ° Arrest van 19 februari 1981, zaak 104/80, Jurispr. 1981, blz. 503.
(19) ° Ibidem, r.o. 12.
(20) ° Dit algemene artikel bepaalt, dat krachtens deze verordening geen recht kan worden verkregen of gehandhaafd op verscheidene uitkeringen van dezelfde aard welke betrekking hebben op een zelfde tijdvak van verplichte verzekering.
(21) ° Arrest van 14 december 1989, zaak C-168/88, Dammer, Jurispr. 1989, blz. 4553, r.o. 10, cursivering door mij; zie eveneens S. Van Raepenbusch, La sécurité sociale des personnes qui circulent à l' intérieur de la CEE, éd. Story-Scientia, 1992, punt 222, blz. 351.
(22) ° Arrest van 27 juni 1989, zaak 24/88, Jurispr. 1989, blz. 1905.
(23) ° Punten 11 en 12 van de conclusie, blz. 1914, 1915.
(24) ° Zie de conclusie van advocaat-generaal Mayras in zaak 9/79, Koschniscke, Jurispr. 1979, blz. 2727.
(25) ° Arrest van 10 juli 1986, zaak 60/85, Jurispr. 1986, blz. 2365.
(26) ° Zie de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn, Jurispr. 1986, blz. 2367.
(27) ° Sinds de wijziging ervan bij artikel 1 van verordening nr. 3427/89, reeds aangehaald.
(28) ° Zaak 302/84, Jurispr. 1986, blz. 1821.
(29) ° Zie ibidem, onderdeel 2: echtgenoot of andere persoon wier recht op gezinsbijslagen in het land van de woonplaats van de gezinsleden moet worden vastgesteld (cursivering van mij).
(30) ° Zie ter zake het arrest van 5 mei 1977, zaak 102/76, Perenboom, Jurispr. 1977, blz. 815.
(31) ° Evenals de anti-cumulatieregels uit andere verordeningen die titel III aanvullen, zoals verordening nr. 574/72.
(32) ° Zie voor een ander voorbeeld van de toepassing van artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 bij gebreke van een specifieke communautaire bepaling, het arrest van 29 juni 1988, zaak 58/87, Rebmann, Jurispr. 1988, blz. 3467.
(33) ° Zie de dertiende en veertiende overweging van de considerans van verordening nr. 1660/85.
(34) ° Reeds aangehaald, r.o. 15 en 16.
(35) ° Arresten van 13 november 1984, zaak 191/83, Salzano, Jurispr. 1984, blz. 3741, r.o. 10 en 11, en 20 april 1978, zaak 134/77, Raggazzoni, Jurispr. 1978, blz. 963, r.o. 12.
(36) ° Zie bij voorbeeld artikel 20 van verordening nr. 1408/71.
(37) ° Zie voor een voorbeeld van de toepassing van dit artikel op grensarbeiders, het arrest van 19 februari 1981, Beeck, reeds aangehaald.
(38) ° Arrest van 3 februari 1983, Robards, reeds aangehaald, r.o. 15 in fine.
(39) ° Arrest van 4 juli 1985, Kromhout, reeds aangehaald, r.o. 21.
(40) ° Arresten van 19 februari 1981, Beeck, reeds aangehaald, rechtsoverweging 12; 23 april 1986, zaak 153/84, Ferraioli, Jurispr. 1986, blz. 1401, en 27 juni 1989, Georges, reeds aangehaald.
(41) ° Verordening reeds aangehaald. Dit artikel is van toepassing met ingang van 15 januari 1986.
Full & Egal Universal Law Academy